| |
DE DROOM VAN JOZEF
Om
de kinderen te laten kennismaken met de Bijbel werden er vroeger
schoolplaten gebruikt. Aan de hand van de afbeeldingen op de
schoolplaten kon de meester of de juf een verhaal uitleggen. Deze
manier van les geven werd ook wel aanschouwingsonderwijs genoemd.
Aanschouwen is een ander woord voor kijken. De meesten kennen het nog
wel denk ik, die oude schoolplaten die vroeger in het klaslokaal hingen
of uit een grote opbergkist achter in de klas tevoorschijn werden
gehaald. Het was vooral dán steeds weer een verrassing. Wij
kijken nu in de klas naar dia’s of een videofilm in plaats van
schoolplaten.
Wil je een overzicht van alle platen? Klik HIER

De droom van Josef (Genesis 37)
5 Op een keer had Jozef een droom. Toen hij die aan zijn
broers vertelde, kregen ze een nog grotere hekel aan hem. 6 ‘Moeten jullie nu eens horen wat ik heb gedroomd,’ zei hij.
7 ‘We waren op het land schoven aan het binden, en toen
kwam mijn schoof overeind en bleef rechtop staan. En jullie schoven gingen om
die van mij heen staan en bogen daarvoor.’ 8 Zijn broers
zeiden: ‘Dacht je soms koning over ons te worden? Wil je over ons heersen?’
Vanwege dat gepraat over zijn dromen gingen ze hem hoe langer hoe meer haten.
9 Opnieuw kreeg hij een droom die hij aan zijn broers
vertelde. ‘Ik heb alweer een droom gehad,’ zei hij. ‘Nu bogen de zon, de maan en
elf sterren zich voor mij neer.’ 10 Toen hij dit aan zijn
vader en zijn broers vertelde, wees zijn vader hem terecht: ‘Zeg, wat is dat
voor een droom! Moeten ik, je moeder en je broers ons soms voor jou komen
neerbuigen?’ 11 De broers konden Jozef wel vermoorden, maar
zijn vader bleef nadenken over wat er gebeurd was.
De situatie in het kort
Jakob heeft 12 zonen. Eén van hen is zijn favoriet: Jozef. De broers van Jozef
zijn jaloers op hem, omdat hij een felgekleurde jas heeft gekregen van zijn
vader, een teken van waardering. Jozef zelf droomt telkens weer dat hij de
leider zal worden van zijn broers. De broers van Jozef proberen hem te
vernederen door hem in elkaar te schoppen en hem in een waterput te gooien.
Plotseling komen er een paar ruwe handelaars langs en verandert hun plan. De
broers verkopen Jozef als slaaf aan de handelaars, die hem meenemen naar Egypte.
Thuis vertellen de broers dat Jozef vermoord is. Ze laten zijn jas zien die is
besmeurd met bloed, maar dat is van een geit die ze onderweg geslacht hebben.
Jakob is ontroostbaar.
Het verhaal van Jozef
Jozef werd door zijn broers gehaat, omdat hun vader, Jakob, meer van hem
hield dan van hen. Bovendien had Jozef bijzondere dromen die zijn broers niet
zinden. Op zekere dag wordt Jozef er door Jakob op uit gestuurd om te kijken hoe
het zijn broers vergaat, die op dat ogenblik de kudde hoeden bij Sichem. Terwijl Jozef op weg gaat, blijken zijn broers
het plan te hebben opgevat hem te doden. Ruben, zijn oudste broer, blijkt daar bezwaar tegen te
hebben, want hij wil niet dat er bloed zal vloeien. Als Jozef zijn broers
bereikt, wordt hij daarom in een droge put gegooid, en wat later aan Midjanitische kooplui verkocht, die met een
Ismaëlitische karavaan op weg zijn naar Egypte
Het verhaal van Jozef
Genesis 37
Net als zijn vader woonde Jakob in het land
Kanaan.
Dit is het verhaal van de kinderen van Jakob. Toen Jozef zeventien
jaar was zorgde hij voor de schapen. Dat deed hij samen met zijn broers. Jozef
vertelde zijn vader lelijke dingen over hen. Jozef was geboren toen Jakob al oud
was. Daarom hield Jakob van hem het meest. Hij liet voor Jozef een prachtig
versierde mantel maken. Zijn broers merkten wel dat hun vader meer van Jozef
hield dan van hen. Ze kregen toen zo'n hekel aan Jozef dat ze niet meer aardig
tegen hem konden zijn.
Op een keer had Jozef een droom en hij vertelde die
aan zijn broers. Daardoor kregen ze een nog grotere hekel aan hem.
- 'Moet je
horen wat ik gedroomd heb!' zei hij. 'We waren korenschoven aan het binden op
het land. Opeens ging mijn schoof rechtop staan. jullie schoven kwamen om mijn
schoof heen staan en bogen ervoor.'
'je denkt toch zeker niet datje koning
wordt en over ons kunt regeren?' riepen zijn broers. Door de dromen die Jozef
vertelde kregen ze een steeds grotere hekel aan hem.
Later had Jozef weer
eens een droom. en hij vertelde die aan zijn broers. 'Ik droomde, dat de zon en
de maan en elf sterren voor mij bogen.'
Hij vertelde deze droom ook aan zijn
vader, maar die werd boos. 'Wat is dat voor een droom?' zei hij. 'Je denkt toch
zeker niet datje moeder en je broers en ik voor jou zullen buigen?'
Zijn
broers vonden Jozef erg eigenwijs, maar zijn vader bleef nadenken over de
dromen.
Op een keer waren de broers van Jozef naar Sichem gegaan om daar de schapen
van hun vader te laten grazen. Na een paar dagen zei Jakob tegen Jozef: 'Je weet
dat je broers met de schapen bij Sichem zijn. Ik wil graag dat je naar hen
toegaat. 'Dat is goed', antwoordde Jozef.
'Ga kijken of je broers en de
dieren het goed maken en kom mij dan vertellen hoe het met ze is,' zei
Jakob.
Zo vertrok Jozef uit het Hebrondal naar Sichem. Toen hij ronddwaalde
in de buurt van Sichem, kwam er een man naar hem toe.
'Wat zoek je?' vroeg
hij.
Jozef antwoordde: 'Ik ben op zoek naar mijn broers. Kunt u mij vertellen
waar ze zijn?'
'Ze zijn niet meer hier,' zei de man. 'Ik hoorde hen zeggen,
dat ze naar Dotan wilden.'
Jozef ging zijn broers achterna en vond hen in
Dotan.
De broers zagen Jozef al uit de verte aankomen. Voordat hij bij hen
was, maakten ze het plan om hem te doden. Ze zeiden tegen elkaar: 'Daar heb je
onze dromer. Vooruit, laten we hem doden en in een put gooien. En dan zeggen we,
dat. een wild dier hem heeft opgegeten. We zullen eens zien wat er terecht komt
van die dromen van hem!'
Maar toen zijn oudste broer Ruben dit hoorde, wilde
hij Jozef redden. Daarom zei hij: 'We moeten hem niet doden.. Gooi hem in een
put hier in de woestijn, maar dood hem niet.' Ruben wilde Jozef redden en naar
zijn vader terugbrengen.
Toen Jozef bij zijn broers kwam, rukten ze de prachtige
versierde mantel van hem af, grepen hem beet en gooiden hem in de put. Er stond
geen water in de put. Daarna gingen de broers eten.
Opeens zagen ze een
karavaan aankomen. Het waren Ismaëlieten die op weg waren naar Egypte. Hun
kamelen droegen gom, balsem en hars. Juda zei tegen zijn broers: 'Wat hebben we
eraan, als we Jozef doden? We kunnen hem beter verkopen aan die Ismaëlieten
daar. We móeten hem niet doden, want hij is onze eigen broer.'
De anderen
waren het met Juda eens.
De kooplieden kwamen voorbij. De broers trokken
Jozef uit de put omhoog en verkochten hem voor twintig zilverstukken aan de
Ismaëlieten. Die namen Jozef mee naar Egypte.
Toen Ruben weer bij de put
kwam, zag hij dat Jozef weg was. Van verdriet scheurde hij zijn kleren stuk. Hij
ging naar zijn broers toe en riep: 'De jongen is er niet! Wat moet ik nu toch
beginnen?'
De broers slachtten een bokje en hielden de mantel van Jozef in
het bloed. Ze brachten de mantel naar hun vader en zeiden: 'Kijk eens, dit
hebben we gevonden. Is dit soms de mantel van Jozef?'
Jakob herkende de
mantel. 'Ja, die is van Jozef' riep hij uit. 'Dan heeft een wild dier hem
opgegeten. Jozef is vast en zeker verscheurd.'
Hij scheurde zijn kleren stuk
en deed een rouwkleed om. Hij had heel lang verdriet om Jozef.
|
|
|