1 Een man uit het huis van Levi huwde een
Levitische vrouw; 2 deze werd zwanger en baarde een zoon.
Toen zij zag, dat hij schoon was, verborg zij hem drie maanden lang. 3 Maar langer kon zij hem niet verborgen houden; daarom nam zij
voor hem een biezen kistje, bestreek het met asfalt en pek, legde het kind erin
en zette het in het riet aan de oever van de Nijl; 4 zijn
zuster ging op enige afstand staan om te zien, wat er met hem gebeuren zou.
5 Toen kwam de dochter van Farao om in de Nijl te baden, en
intussen wandelden haar dienaressen langs de Nijl; zij zag het kistje in het
riet en zond haar slavin om het te halen. 6 Toen zij het
open deed, zag zij het kind, en zie, het jongetje schreide, zodat zij medelijden
met hem kreeg en zeide: Dit is een Hebreeuws kind.
7 Toen zeide zijn zuster tot de dochter van
Farao: Zal ik voor u uit de Hebreeuwse vrouwen een voedster gaan roepen, om het
kind voor u te zogen? 8 En de dochter van Farao zeide tot
haar: Ja. Toen ging het meisje de moeder van het kind roepen. 9 En de dochter van Farao zeide tot deze: Neem dit kind mee en
zoog het voor mij, dan zal ik u het u toekomende loon geven. Daarop nam de vrouw
het kind mee en zoogde het. 10 En toen het kind groot
geworden was, bracht zij het naar de dochter van Farao; en hij werd door haar
als zoon aangenomen, en zij noemde hem Mozes, want, zeide zij: ik heb hem uit
het water getrokken.
Algemeen
Exodus 1, 20-22:
God zegende de vroedvrouwen; en het volk bleef
zich maar uitbreiden en werd zeer talrijk. Omdat de vroedvrouwen God vreesden,
schonk Hij hun nakomelingen. Toen beval de farao al zijn onderdanen: 'Iedere
jongen die geboren wordt moet u in de Nijl gooien; de meisjes kunt u in leven
laten.'
Een man uit de stam Levi huwde een meisje uit die stam. De vrouw werd zwanger en
bracht een zoon ter wereld. Toen zij zag hoe mooi het kind was, hield zij het
drie maanden lang verborgen. Maar toen zij geen kans meer zag hem nog langer
verborgen te houden, nam zij een mandje van riet, streek het dicht met aardhars
en pek en legde het kind erin. Toen zette zij het tussen het riet aan de oever
van de Nijl. Op enige afstand stelde de zuster van het kind zich verdekt op, om
te zien wat er zou gebeuren. De dochter van de farao ging naar de Nijl om te
baden, terwijl haar dienaressen op en neer bleven lopen langs de oever van de
rivier. Ineens zag zij het mandje tussen het riet en stuurde haar slavin om het
te halen. Zij maakte het open, keek erin en daar lag een schreiend jongetje. Vol
medelijden riep zij: 'Dit is een Hebreeuws kind!' Toen kwam de zuster van het
kind aan de dochter van de farao vragen: 'Zal ik bij de Hebreeuwse vrouwen een
voedster gaan zoeken, om het kind voor u te voeden?' De dochter van de farao
antwoordde: 'Ja doe dat.' Het meisje snelde weg en haalde de moeder van het
kind. De dochter van de farao beval haar: 'Neem dit kind mee en voed het voor
mij; ik zal u er persoonlijk voor belonen.' De vrouw nam het kind mee en voedde
het. En toen het kind opgegroeid was, bracht zij het terug naar de dochter van
de farao. Deze nam hem als haar eigen zoon aan. Zij noemde hem Mozes. 'Want', zo
zei ze, 'ik heb hem uit het water gehaald.'
Prachtig verhaal
(Ex. 1) De familie van Jozef en zijn vader Jacob, die ook wel Israël werd
genoemd, was in Egypte blijven wonen. Het ging hun goed en ze groeiden uit tot
een groot volk. Jozef was overleden en er was een andere farao in Egypte gekomen
die niet wist wie Jozef was. Deze farao zei: de Israëlieten zijn warempel nog
een groter volk dan de Egyptenaren. We moeten zorgen dat er minder komen, anders
beginnen ze nog een oorlog tegen ons! En de farao liet ze als slaven werken en
voorraadschuren (en misschien ook wel piramides) bouwen.
Het hielp niets, het Israëlitische volk groeide gewoon door. Toen zei de
farao tegen de vroedvrouwen: als jullie bij de geboorte van een Joods jongetje
zijn, moet je dat dood maken. Ja farao, zeiden de vroedvrouwen, maar ze deden
het natuurlijk niet. Tegen de farao zeiden ze: die Joodse jongetjes worden zo
snel geboren, wij komen steeds te laat! Toen zei de farao tegen de Egyptenaren:
gooi alle Joodse jongensbaby's in de rivier de Nijl! En dat deden ze.
(Ex.
2) Nu was er een slimme Joodse vrouw die ook een zoontje kreeg maar dat meteen
verstopte, zodat het niet in de Nijl gegooid zou worden.
Na drie maanden kon ze hem niet meer verborgen houden (misschien huilde hij
wel te hard), en ze bedacht een plan. Ze nam een rieten mandje en smeerde alle
gaatjes en kiertjes dicht met teer, zodat het een waterdicht bootje werd. Daar
stopte ze haar zoontje in en liet hem voorzichtig te water in de Nijl, tussen
het riet. Daar dobberde het bootje met de stroom mee.
Zijn oudere zusje verborg zich tussen het riet om te zien wat er gebeurde.
Wie komt daar aan? De prinses, de dochter van de farao, met een groepje
dienaressen. Ze wil lekker in de Nijl gaan zwemmen. Opeens ziet ze het mandje
drijven. Ze kijkt erin en ziet het jongetje. Wat een leuk ventje, roept de
prinses, helemaal verlaten door zijn moeder! Wat zielig! Die neem ik mee naar
het paleis, dan wordt hij mijn zoontje! Ik noem hem Mozes, want dat betekent
uit het water getrokken.
Het zusje had alles precies gezien! Ik weet wel een mevrouw die ervoor wil
zorgen tot hij geen melk meer nodig heeft, riep ze. Dat vond de prinses een goed
idee, en zo kwam de zus een uurtje later trots met haar broertje thuis, waar ze
alles vertelde. De moeder verzorgde Mozes tot hij groot geworden was en bracht
hem toen naar het paleis, waar hij opgroeide als een prins.
Regelmatig ging Mozes kijken bij de bouw van de voorraadschuren en piramides.
Hij zag hoe de Egyptenaren zijn volk lieten zwoegen als slaven. Op een dag zag
hij hoe een Egyptenaar een van zijn mensen afranselde. Hij werd kwaad, ging de
Egyptenaar te lijf en maakte hem dood. Hij verborg en gauw, in de hoop dat
niemand het gemerkt had.
Een volgende dag, zag Mozes toevallig hoe twee Israëlieten met elkaar aan het
vechten waren. Hé, jullie, houd eens op! Jullie horen bij hetzelfde volk, dan ga
je toch niet vechten! Waar bemoei je je mee, riepen de mannen terug, wou je ons
soms ook doodslaan, zoals die Egyptenaar? Mozes schrok: kennelijk hadden ze het
toch gemerkt. Korte tijd later kwam ook de farao erachter en hij stuurde
soldaten om Mozes op te sporen. Mozes besloot te vluchten naar het buitenland,
voordat de farao hem te pakken zou krijgen. Daar trouwde hij, kreeg een zoon en
bleef er jaren wonen.
Intussen ging het de Israëlieten in Egypte steeds slechter, en God luisterde
naar hen en besloot hen te helpen. (Ex. 3) Op een dag was Mozes een kudde aan
het hoeden in de buurt van de berg Horeb. Opeens zag hij dat er een braambos in
brand stond, en hij ging er heen. Dat is vreemd, dacht hij, de struik brandt
wel, maar hij brandt niet op! Opeens hoorde hij de stem van God uit de
braamstruik: Mozes! Ik hoor dat het niet goed gaat met je volk in Egypte. Ik wil
dat jij ze daar weghaalt en naar een prachtig land brengt dat ik je zal
wijzen.