Om
de kinderen te laten kennismaken met de Bijbel werden er vroeger
schoolplaten gebruikt. Aan de hand van de afbeeldingen op de
schoolplaten kon de meester of de juf een verhaal uitleggen. Deze
manier van les geven werd ook wel aanschouwingsonderwijs genoemd.
Aanschouwen is een ander woord voor kijken. De meesten kennen het nog
wel denk ik, die oude schoolplaten die vroeger in het klaslokaal hingen
of uit een grote opbergkist achter in de klas tevoorschijn werden
gehaald. Het was vooral dán steeds weer een verrassing. Wij
kijken nu in de klas naar dia’s of een videofilm in plaats van
schoolplaten.
Wil je een overzicht van alle platen? Klik HIER

De Gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus
(Lucas 16:
19-31)
19
Er was eens een rijke man die gewoon was zich te kleden in purperen
gewaden en fijn linnen en die dagelijks uitbundig feestvierde. 20 Een
bedelaar die Lazarus heette, lag voor de poort van zijn huis, overdekt
met zweren. 21 Hij hoopte zijn maag te vullen met wat er overschoot van
de tafel van de rijke man; maar er kwamen alleen honden aanlopen, die
zijn zweren likten. 22 Op zekere dag stierf de bedelaar, en hij werd
door de engelen weggedragen om aan Abrahams hart te rusten. Ook de
rijke stierf en werd begraven. 23 Toen hij in het dodenrijk, waar hij
hevig gekweld werd, zijn ogen opsloeg, zag hij in de verte Abraham met
Lazarus aan zijn zijde. 24 Hij riep: “Vader Abraham, heb
medelijden met mij en stuur Lazarus naar me toe. Laat hem het topje van
zijn vinger in water dompelen om mijn tong te verkoelen, want ik lijd
pijn in deze vlammen.” 25 Maar Abraham zei: “Kind, bedenk
wel dat jij je deel van het goede al tijdens je leven hebt ontvangen,
terwijl Lazarus niets dan ongeluk heeft gekend; nu vindt hij hier
troost, maar lijd jij pijn. 26 Bovendien ligt er een wijde kloof tussen
ons en jullie, zodat wie van hier naar jullie wil gaan dat niet kan, en
ook niemand van jullie naar ons kan oversteken.” 27 Toen zei de
rijke man: “Dan smeek ik u, vader, dat u hem naar het huis van
mijn vader stuurt, 28 want ik heb nog vijf broers. Hij kan hen dan
waarschuwen, zodat ze niet net als ik in dit oord van martelingen
terechtkomen.” 29 Abraham zei: “Ze hebben Mozes en de
profeten: laten ze naar hen luisteren!” 30 De rijke man zei:
“Nee, vader Abraham, maar als iemand van de doden naar hen toe
komt, zullen ze tot inkeer komen.” 31 Maar Abraham zei:
“Als ze niet naar Mozes en de profeten luisteren, zullen ze zich
ook niet laten overtuigen als er iemand uit de dood
opstaat.”’
Wat leren we van deze gelijkenis?
In Lukas 16 horen we dat de Farizeeën de Here Jezus honen omdat
zij geldzuchtig zijn. En hoe reageert Jezus dan? Hij vertelt de
gelijkenis van 'de rijke man en de arme Lazarus': Kijk uit dat je niet
aan je geld vastgebakken zit!
Je kunt deze gelijkenis zien als een negatief van een foto. Maak je een
afdruk, dan zie het omgekeerde: wat donker is wordt licht. En
omgekeerd. Zo willen we eens aankijken tegen de gelijkenis.
Is rijk zijn verkeerd?
Wanneer je deze gelijkenis leest vraag je je af: Wat is nu eigenlijk de
boodschap? Is het soms niet goed om rijk te zijn? Want moet je zien hoe
het met de rijke man afloopt! Is rijk zijn verkeerd en arm zijn goed?
Gaat het om die tegenstelling? Ik denk het niet. De Heiland zet wel
heel zwart-wit een tegenstelling neer. Heel confronterend. Maar is rijk
zijn nu echt verkeerd? 'Vader Abraham' was het toch ook? En Job dan?
Deze man is ook niet op een oneerlijke manier rijk geworden. Hij is
geen crimineel. Eerder een meelevend kerklid. Hij heeft tenminste de
mond vol over 'vader Abraham.' En Lazarus is niet om zijn vroomheid een
bedelaar geworden. Een slachtoffer van zijn eerlijkheid. Nee, daar hoor
je de Here niet over.
De tegenstelling is deze: rijk zijn heeft niet alleen invloed op hoe je
met mensen omgaat, maar ook hoe je omgaat met God. Als je rijk bent,
kun je zover wegzakken dat je alleen maar jezelf ziet. En je naaste, je
medemens in nood, verdwijnt voor jou uit beeld. En God eveneens. Ook
Hem zie je niet meer. De rijke man is zo iemand. Lazarus is heel
anders: hij vertrouwt op God. En dat spreekt niet zo vanzelf. Iemand
die dat goed begrepen heeft is Agur. Dat blijkt uit zijn gebed in
Spreuken 30:7-9. Zowel rijk zijn als armoede hebben is gevaarlijk in je
omgaan met de Here.
De les van de bedelaar
In de gelijkenis gaat het wel het meest over
de rijke man. Maar het is de moeite waard om ook eens naar de andere
figuur die de Heiland opvoert te kijken. De man wordt elke dag
'neergelegd voor de deur van de rijke.' Het is een bedelaar. Een zieke
bedelaar. Hij zit vol zweren. Je bent geneigd met een boog om de man
heen te lopen en maar niet naar hem te kijken. Zelf lopen kan hij niet
meer. Anderen hebben hem op dat plekje in het voorportaal van de rijke
neergelegd om te bedelen. Hij hoopt dat hij op die plek hulp zal
krijgen. Niet ten onrechte.
Hij wil zijn honger stillen met brokken en kruimels die van de tafel
van de rijke afvallen. Daar leven de straathonden ook van. Maar ook
voor deze beesten valt er niets te eten. En ze maken het leven, het
lijden van Lazarus nog zwaarder doordat ze zijn wonden komen aflikken.
Het moet opvallen dat de Heiland de man een naam geeft. Dat doet Hij
eigenlijk nooit met gelijkenis-figuren. Het gaat altijd over 'een'
zaaier, over 'een' Farizeeër en 'een' tollenaar. Over 'een' vader
en 'een' (verloren) zoon. Deze bedelaar krijgt een naam: 'Lazarus'! Dat
maakt de ellendige stakker heel bijzonder. 'Lazarus' betekent namelijk
'God helpt', 'God is mijn hulp'. De Heiland voert een bedelaar op die
zijn hulp zoekt bij God. En bij God vindt hij uiteindelijk ook zijn
hulp en zijn troost.
De Heiland spreekt hier niet zonder meer arme mensen zalig. Hij kiest
nooit zonder meer de kant van de berooiden, de mensen aan de onderkant
van de samenleving. Daar wordt Hij wel voor 'gebruikt'. En het
evangelie moet daar ook wel voor dienen. Maar dat is niet terecht. Bij
de 'zaligsprekingen' in Matteüs 5 moet dat ook nooit vergeten
worden. En dat gebeurt dikwijls wel. Dan wordt het evangelie gebruikt
als een 'social gospel' of voor een 'bevrijdingstheologie'. En dat is
de bedoeling van de Heiland niet. Hij leert wel de armen op God te
vertrouwen. Daarom zocht Hij ze op. Daarom ook hier de naam 'Lazarus'.
Als je arm bent, kun je namelijk verbitterd raken. Boos worden op God.
Boos op je medemensen. Je voelt je onrechtvaardig behandeld. Je neemt
het recht in eigen hand. Iets waar Agur nu juist zo bang voor is. En
wat de Here Jezus ook niet wil.
Op God vertrouwen
Mag je dan niet voor jezelf opkomen? Als arme
tegenover rijken? Mag je niet protesteren tegen onrecht dat anderen je
aandoen? Ja, zeker. De Heiland kon óók furieus zijn op de
Farizeeën, omdat ze onrecht deden en onrecht in de hand werkten,
vgl. Matteüs 15:1-9. Zo heeft God het niet gewild. Maar laat je
vertrouwen op Hem zijn. Hij is onze hulp. Dat is de houding die de Here
bij ons - en in feite bij alle mensen - zien wil. Want zit je in
moeite, dan heb je je vragen: Waarom doet God het zo? Dit kan toch
niet? Waarom grijpt God nu niet in? De Heiland leert: Laat je
vertrouwen op God zijn. Mensen stellen teleur. God nooit. Er ligt een
diepe boodschap in de naam 'Lazarus'. Zit je in de moeite, misschien
wel door het onrecht van anderen, dan vloek je niet, maar bid je.
In dat vertrouwen worden we niet teleurgesteld. Wanneer Lazarus
uitgehongerd en uitgeput sterft, wordt hij 'door de engelen gedragen in
de schoot van Abraham.' Hij wordt binnengebracht in het feest van God.
Krijgt daar zelfs een 'ereplaats': vlak naast Abraham. Met zijn gezicht
naar Abraham toe. Zodat het lijkt alsof hij aanligt 'in de schoot van
Abraham.'
We mogen geloven dat dit feest 'tussen sterven en opstanding' echt is.
Zeker, het is een gelijkenis. Niet elk detail is conform de
werkelijkheid. We moeten in de gaten houden waar Jezus naar toe wil met
het verhaal. En dat is wat Hij Abraham laat zeggen tegen de rijke man,
na zijn dood. Maar dit feest is echt. En dan niet bedoeld als een
doekje voor het bloeden, voor alle ellende die je hier hebt meegemaakt.
Maar dit is het vooruitzicht dat God ons gegeven heeft. In dat feest
komen we onmiddellijk na ons sterven. Als God dan ook echt onze hulp is
geweest: Lazarus.
De les van de rijke man
Ja, dan daartegenover de rijke man. Geen
grotere tegenstelling kun je bedenken. Ook een heel schokkende
tegenstelling. Lazarus vertrouwt op God. De rijke man niet. God
betekent voor hem niets, al doet hij nog zo godsdienstig. Ook zijn
medemens betekent voor hem niets, al ligt die vlak voor zijn deur. Zijn
'eigen ik' is alles voor hem. Hij 'gaat gekleed in purper en fijn
linnen.' En 'organiseert elke dag een schitterend feest.' Meer is van
hem ook niet te vertellen. Dit is echt alles! Hem is niet te verwijten
dat hij rijk is. Maar wel dat hij er alleen maar zelf van geniet. Hij
ziet geen anderen. Zeker niet de bedelaar in zijn portiek.
Lazarus ziet hij later pas, na zijn dood. Dan ontdekt hij hem 'in de
schoot van Abraham.' Jezus rekent hem aan dat hij met zijn vele geld
zoveel mogelijkheden heeft om iets te zijn voor anderen, maar het niet
is. Hij houdt zijn rijkdom alleen maar voor zichzelf. Hij 'maakt zich
geen vrienden met behulp van de onrechtvaardige mammon.'
En 'mammon' is wat je over hebt. Te besteden voor anderen. Maar je
houdt het voor jezelf. Je leeft ervan voor jezelf. Je geniet voor
jezelf. God komt daar amper bij in beeld. De naaste in nood al helemaal
niet.
God is barmhartig
En de man weet zo anders. Hij weet dat God barmhartig is. Hij weet dat
God wil dat wij voor de armen zorgen, Deuteronomium 15:11. Hij kent
Gods wet die wel een paar keer zegt: 'Raap nu niet heel je oogst op.
Laat wat liggen voor de armen onder jullie!' Leviticus 19:9-10. Zelfs
asielzoekers wil de HERE barmhartig zijn, lezen we in Leviticus
19:33-34. Waarom? Omdat de Israëlieten ook zelf asielzoekers
geweest zijn in Egypte. Deze asielzoekers herinneren hen daaraan.
Mag je dan niet genieten van wat je hebt? Jij hebt het toch gekregen?
Ja, zeker mag je ervan genieten. Je eigendom is geen 'diefstal'.
Niemand mag jouw dwingen je bezit aan anderen zomaar weg te geven.
Maar dan wel genieten door je medemens in nood ervan te laten
meegenieten. Daar ben je verantwoordelijk voor. Het liberalisme slaat
te ver door naar het eigen ik. De Heiland wijst een betere weg: Als God
zo ontzettend barmhartig is, waarom wij dan niet?
Egoïsme
Ook de rijke man sterft. Hij moet al zijn
bezit loslaten. En dan zijn de rollen omgekeerd: Lazarus wordt nu
getroost en de rijke man lijdt pijn in het dodenrijk. Maar zijn houding
is nog niets veranderd. Nóg draait alles alleen maar om hemzelf.
Hij wil nóg iedereen voor hem laten lopen. Want Lazarus moet
komen om met een natte vingertop de man zijn tong te verkoelen. Nota
bene, alsof dat kon.
Abraham is helder in zijn antwoord: 'Het ging je toch alleen maar om je
bezit op aarde naar jezelf toe te halen? Wel, je hebt je kansen
gekregen en genomen. Maar dat is nu voorbij. Maar je hebt dan verder
ook niets meer te verwachten. God kun je niets verwijten.'
En dat probeert hij wel: God iets verwijten. Want waarom moet Abraham
Lazarus naar het huis van zijn vader sturen? Is de man bezorgd voor
zijn broers? Daar kan het op lijken. Maar Lazarus zou die broers
ernstig moeten waarschuwen, zodat zij niet ook in die plaats van pijn
terecht zullen komen.
Het is een indirect verwijt aan God: 'Was ik maar ernstig gewaarschuwd,
dan had ik wel anders geleefd.' Ja, God heeft het altijd verkeerd
gedaan. Eerst God uit je leven wegduwen, Hem zijn plaats in de
samenleving afnemen, niet willen horen hoe barmhartig Hij is, ja, dan
is het gemakkelijk Hem de schuld van alle ellende toe te schuiven. Van
alle ellende hier. En de schuld van alle ellende later na dit leven.
Maar het is buitengewoon goedkoop.
Naar de Schriften luisteren
Abraham maakt korte metten met het verwijt:
'Zij hebben Mozes en de profeten, naar hen moeten je broers luisteren.'
God is toch duidelijk in de Schriften - Mozes en de profeten duidt op
heel de Schrift - hoe we met ons bezit dat van Hem is zullen omgaan?
Barmhartig naar mensen in nood.' Je vrienden maken met behulp van de
mammon, dat is de boodschap van de Schrift. Ze verwelkomen je 'in de
eeuwige tenten', Lukas 16:9. Niemand kan God later het verwijt maken:
'Ik wist het niet, want U hebt het me niet gezegd.'
Maar de rijke man blijft 'nee' zeggen. Hij heeft zijn leven lang
eigenlijk nooit anders gedaan. Hij zei 'nee' tegen alles en iedereen.
Zijn 'nee' tegen God heeft hij volgehouden. 'Nee, vader Abraham, maar
als iemand uit de doden naar hen toekomt, zullen zij zich bekeren.' Hij
wil Lazarus tóch voor hem laten lopen. Naar de aarde. Naar zijn
broers.
Abraham heeft het laatste woord: 'Als zij naar Mozes en de profeten -
de Bijbel -niet luisteren, zullen zij ook, als iemand uit de doden
opstaat, zich niet laten gezeggen.' Nee, want met welk gezag zou zo
iemand kunnen spreken? Als je het Woord van God niet gelooft, wie of
wat moet je dan wel geloven?
Spiegel
Het verhaal eindigt hiermee vrij abrupt. De
'toepassing' zit in wat er aan vooraf gegaan is. De Heiland houdt deze
foto, - een afdruk van het negatief -, de schare, waaronder de honende
Farizeeën (Lukas 16:14) als een spiegel voor. Zij moeten zich
daarin wel herkennen als onbarmhartige mensen. Onbarmhartig omdat ze
met hun rijkdom de naaste in nood niet bereid zijn te helpen.
Wanneer wij nu in deze spiegel kijken, hoe zien we dan onszelf? Als
christenen? Als gereformeerden met wie 'het materieel heel goed gaat'?
De verwachtingen voor de 21e eeuw zijn over het algemeen somber: groter
wordend verschil tussen arm en rijk, groeiend individualisme, meer
asielzoekers die om hulp komen vragen, en wellicht nog wel meer ellende
als van daklozen, straatzwervers en zo. Wat valt er voor ons te leren
uit deze gelijkenis?
M.i. is ons bezit een goede mogelijkheid om anderen in nood te helpen.
God geeft het ons niet zomaar. Om er alleen zelf van te genieten en
anderen die onze hulp nodig hebben, niet te zien. De eerdere
gelijkenis, die van 'de onrechtvaardige rentmeester', Lukas 16:1-9,
leert dat je, wat je investeert in het leven van anderen om je heen,
belegt voor de eeuwigheid. Het zijn aandelen waar je het meest mee wint.
Laten we niet alleen zeggen: Maar dat is een taak voor de overheid. Wij
betalen er al veel belasting voor. Zeker, de overheid heeft een enorme
taak wat dit betreft. Zij verdient ons gebed om wijsheid voor een goed
en evenwichtig beleid. Zo gemakkelijk blijkt dat niet te zijn.
Wijsheid, moed en vooral geloof hebben onze broeders en zusters in de
politiek nodig om voor Gods rechten en voor de medemensen in nood op te
komen. Maar de vraag komt op ons allen af: Willen we ons bezit
gebruiken om anderen in hun nood te helpen?
Barmhartigheid gevraagd
Kijken we rond, dan zien we vast zulke
'bedelaars voor de deur liggen.' Voor de huisdeur, bij de winkelcentra.
Ook voor de kerkdeur aan de buitenkant. Er gebeurt best wel veel: voor
de diaconie, voor asielzoekers. De lijst is gemakkelijk met veel meer
aan te vullen.
Maar we zijn kerk in deze wereld vol ellende. Kerk, met wie het
materieel heel goed gaat, door de bank genomen. En dat lijkt me niet
toevallig. Moeten we eigenlijk de hulp, de materiële en ook
immateriële hulp aan ellendigen om ons heen niet hoger op de
agenda zetten? En dan om het evangelie van onze Here Jezus Christus,
dat de mensen om ons heen allereerst en het allermeest nodig hebben om
hun hulp bij God te zoeken, te ondersteunen?
De Heiland laat de rijke man tegen Abraham zeggen: '...indien iemand
van de doden naar hen toekomt.' God is zover gegaan. Hij heeft de Here
Jezus uit de doden doen opstaan. Om te laten zien hoe barmhartig Hij
is. Wij hebben de Schriften. En wij hebben vooral ook de levende Jezus.
Hij leert het ons. Hij leert het ons te doen door Zijn Geest. In een
levend geloof.