| |
DE FARIZEËR EN DE TOLLENAAR
Om
de kinderen te laten kennismaken met de Bijbel werden er vroeger
schoolplaten gebruikt. Aan de hand van de afbeeldingen op de
schoolplaten kon de meester of de juf een verhaal uitleggen. Deze
manier van les geven werd ook wel aanschouwingsonderwijs genoemd.
Aanschouwen is een ander woord voor kijken. De meesten kennen het nog
wel denk ik, die oude schoolplaten die vroeger in het klaslokaal hingen
of uit een grote opbergkist achter in de klas tevoorschijn werden
gehaald. Het was vooral dán steeds weer een verrassing. Wij
kijken nu in de klas naar dia’s of een videofilm in plaats van
schoolplaten.
Wil je een overzicht van alle platen? Klik HIER

De gelijkenis van de Farizeeër en tollenaar (Lucas 18: 9-14)
Uit het Evangelie naar Lucas:
9 Met het oog op sommigen die zichzelf
rechtvaardig vinden en anderen minachten, vertelde hij de volgende gelijkenis.
10 ‘Twee mensen gingen naar de tempel om te bidden, de een
was een farizeeër en de ander een tollenaar. 11 De
farizeeër stond daar rechtop en bad bij zichzelf: “God, ik dank u dat ik niet
ben als de andere mensen, die roofzuchtig of onrechtvaardig of overspelig zijn,
en dat ik ook niet ben als die tollenaar. 12 Ik vast
tweemaal per week en draag een tiende van al mijn inkomsten af.” 13 De tollenaar echter bleef op een afstand staan en durfde niet
eens zijn blik naar de hemel te richten. In plaats daarvan sloeg hij zich op de
borst en zei: “God, wees mij zondaar genadig.” 14 Ik zeg
jullie, hij ging naar huis als iemand die rechtvaardig is in de ogen van God,
maar die ander niet. Want wie zichzelf verhoogt zal vernederd worden, maar wie
zichzelf vernedert zal verhoogd worden.’
De erfgenamen van het koninkrijk van God
Twee mensen worden ons voor ogen gesteld. Het
zijn twee ‘typen’, d.w.z. ze staan voor twee
‘soorten’ mensen. Zulke ‘typische’ tweetallen
kom je vaker tegen in de Schrift. Ze zijn pedagogisch-didactisch
bedoeld. Ze zijn vaak elkaars tegenbeeld en in hun onderlinge
interactie, betrokkenheid beelden ze iets wezenlijks af, dat in ieder
mens zit.
Ze zijn elkanders tegenpool, maar we moeten ze dus niet tegen elkaar
uitspelen / wegstrepen, maar beseffen dat ze samen de ‘hele
mens’ zijn. De mens is een tweeling, heeft in zich tegengestelde
tendenzen, twee gezichten soms: een binnen- en een buitenkant, een
primaire persoonlijkheid en een verborgene eronder, die vaak erg sterk
met die ander contrasteert… een lieve kant, maar ook een kwaaie
kant: afin noem maar op: Animus.. Anima.
Een gelijkenis brengt die innerlijke dubbelheid in de mens onder
woorden door ze naar buiten te brengen en in twee personen vorm te
geven. Twee typen, anti-typen…. En door ze ze zo tegenover
elkaar te zetten kun je de interne spanning waarin ieder mens met
zichzelf staat aan de orde stellen. Kaïn en Abel; Jakob en Ezau;
een vader had twee zonen…twee moordenaars naast Jezus aan het
kruis… Als je ze op elkaar betrekt onhullen al deze tweetallen
iets essentieels over de mens.
In deze gelijkenis zijn het twee mensen uit het leven gegrepen. De
hoorders van Jezus zagen het allemaal meteen voor zich, met bijpassend
waardeoordeel: De rechtvaardige bij uitnemendheid en de onrechtvaardige
bij uitstek, de farizeeër en de tollenaar.
Als die elkaar tegenkomen op straat, dan zou dat nooit tot een
ontmoeting leiden. Met een grote boog zou de farizeeër om de
tollenaar heen lopen en de tollenaar: die ziet de farizeeër als
tolplichtige.. belastingbetaler.
Jezus laat ze samenkomen in deze gelijkenis. Hij neemt ze daarvoor uit het gewone leven en zet ze in de tempel.
“Twee mensen gingen op naar de tempel om te bidden..”
U kent het gebouw wel met z’n beroemde driedeling: de voorhof
(daar mocht iedereen nog komen), het heilige (waar enkel priesters
waren toegelaten) en het ‘heilige der heiligen’, waar enkel
de hogepriester kwam eenmaal per jaar op de grote verzoendag..
Eigenlijk een zeer eigenaardig gebouw. In zijn architectuur alleen al
onderstreept het de oneindige afstand tussen God en mens. Het is dat de
hogepriester nog één keer het allerheiligste betreden
mag, zij het onder veel voorzorgsmaatregelen, plichtplegingen en
zoenoffers, want anders zou je geneigd zijn te zeggen: God en mens..
never the twain shall meet.
Ookal hoort men tot het volk van God, het verbondsvolk, Israel, dan nog
kan men niet zómaar tot God naderen. grote delen van de thora
onderstrepen juist dàt. Het heilige is heilig, apartgezet..
gedeeltelijk taboe.. een mens kan daar niet zomaar binnentreden.. Daar
is God…
Behoedt uw voet, wanneer gij naar des HEREN huis gaat, zegt ook de overigens zo relativerende Prediker.
De Farizeeër
Welnu, als de farizeeër deze heilige ruimte binnenkomt, overvalt
hèm geen verlegenheid. Hij kent geen aarzeling, hij
‘behoedt zijn voet niet’; hij houdt zijn voet niet in, neen
hij stapt stevig door en betreedt de gewijde grond alsof het zijn eigen
is. Hij voelt zich daar thuis. Hij is daar met recht en reden en mag
daar ook zijn.
Met een gerust hart kan hij de woorden van psalm 24 in de mond nemen.
Zijn handen zijn rein en zijn hart is zuiver, valsheid en bedrog kent
zijn ziel niet.. Recht is zijn weg, en rechtlijnig zijn gedachten.
Hij vast, niet eenmaal per week, neen tweemaal, en het surplus is voor
de zonden van het volk. Hij geeft tienden niet enkel van het belastbaar
inkomen, neen, van al zijn inkomsten. Aftrekpostjes wìl hij niet
eens kennen. De armen moeten geholpen worden, royaal. Daarop moet je
niet beknibbelen.
Welk een nobel mens. Handel en wandel, leer en leven zijn bij hem
één. Hier is echt een rechtvaardige, een tsaddiek, een
mens, die zichzelf rein heeft bewaard van de wereld, een mens zonder
blaam of smet, zuiver van hart en handen, puur van ziel…
… zij het, dat heel zijn lofrede onder een verkeerd voorteken staat… Ze begint met:
Heer, ik dank u dat ik niet ben zoals de andere mensen..
Hij is anders, béter dan de andere mensen. Hij zondert zichzelf
af van de rest van de mensheid, daar heeft hìj niets mee van
doen, daar wil hij ook niets mee van doen hebben. Daarom heet heet hij
ook farizeeër, afgescheidene.
Zelfverheffing is de bekoring bij uitstek voor mensen, die van zichzelf
weten dat ze goed zijn en goed doen. En dat is ook zo, ze doen goed, ze
zijn goed. Zelfverheffing: dat is verbreking van de band met de
naasten, de medemensen, de mindere broeders… En natuurlijk
nìet openlijk als deze farizeeër… Neen, je mag het
van jezelf nog niet eens weten… Maar je weet het wel.
Hoe was het ook al weer: Een gelijkenis stelt openlijk aan de orde wat zich in de binnenkamer van een mensenhart afspeelt.
De farizeeër brengt zijn eigen rechtvaardigheid mee, wanneer hij in de tempel komt..
Maar juist daarom moet hij die straks verlaten zonder rechtvaardiging.
Op het moment, dat je zegt ‘Ik ben rechtvaardig’, schrijft Elie Wiesel,
precies op dat moment, ben je het niet meer.
Daarom gaat hij heen gelijk hij gekomen is: even rechtvaardig in zichzelf, maar even ongèrechtvaardigd door God.
Dat we niet in de fout moeten vervallen deze farizeeër tot
prototype van alle vrome joden te maken spreekt, hoop ik, voor
zich…
De Tollenaar
En dan is er die tweede man, die tweede mens, die opgaat naar de
tempel. De tollenaar. Hij voelt zich helemaal nìet op zijn
gemak, daar in die tempel. De farizeeër zag hem vanuit zijn
ooghoek en breidde spontaan zijn gebed uit met een sneer in de richting
van de tollenaar.. Heer ik dank u dat ik niet zo ben als al die andere
boeven van mensen, of zoals die tollenaar daar.. In de tempel, waar de
farizeeër kind aan huis lijkt te zijn en de tollenaar zich een
vreemdeling voelt, hier is de farizeeër superieur.
En hij heeft natuurlijk groot gelijk, de farizeeër, zoals hij
altijd gelijk heeft. Wat die tollenaar wel niet allemaal deed,
afgrijselijk voor een rechtgeaard en vrome burger. Hij heulde met de
vijand, hij was fout, een zwarte, hij perste de mensen af, hij
profiteerde schaamteloos van zijn positie.. en wat het ergste was.. hij
leefde royaal van… mìjn… geld.
Onverdragelijk, zo’n vent.
Die heeft hier toch niets te zoeken in Gods huis.
Hij mag hier niet eens zijn. Hoe was het ook al weer, psalm 24:
Wie mag de berg des HEREN beklimmen,
wie mag staan in zijn heilige stede?
Die rein is van handen en zuiver van hart,
die zijn ziel niet op valsheid richt,
noch bedrieglijk zweert..
Welwel.. eruit met die tollenaar. Hij vloekt alleen al door zijn
aanwezigheid daar met de heiligheid van de tempel. De verachting van de
farizeeër is begrijpelijk en terecht..
… op één punt na, dat is op het punt van de rechtvaardiging.
Daar gaat de rechte lijn van denken van de farizeeër niet op.
Zonder rechtvaardigheid was de tollenaar tot de tempel gekomen. Gèrechtvaardigd keert hij terug naar huis…
Hij had niets te zoeken in de tempel.. maar toch kwam hij daar iets
zoeken. En aan zoeken is in de bijbel een belofte verbonden: Zoekt en
gij zùlt vinden..
Verder dan de ingang brengt hij het niet. Hij staat van verre.. maar hij is in Gods huis
En daar woont God zelf, daar wordt zijn heil verkregen..
De tollenaar beseft, dat hij geen recht heeft, geen gelijk, geen voet
om op te staan. Hij heeft ook geen gebed meer overgehouden.. Heer, wij
weten niet wat wij bidden zullen.. Daar is enkel nog die kreet, uit de
diepten der ellende: O God, wees mij zondaar genadig.
Hij heeft niets anders in te brengen bij God, dan zijn schuld. Zijn
hele lichaam onderstreept dit als het ware. In plaats van zijn handen
omhoog te heffen als een gewone bidder, slaat hij zich er mee op zijn
borst. In plaats van zijn ogen opwaarts naar de hemel te heffen, slaat
hij ze neer.
Toch… diep verscholen onder de belijdenis van zijn schuld klinkt de belijdenis van zijn geloof.
Dàt hij nog bidt, is daarvan het bewijs. Dàt hij dan toch
nog naar de tempel is gegaan, is daarvan het teken. Hij vertrouwt zich
toe aan God, volledig, Hij geeft zich over op genade of ongenade levert
hij zichzelf uit aan God, en als dat geen geloof is, weet ik het niet
meer.
De genade waaraan de tollenaar zijn leven hier ophangt, waar van zijn
leven dan ook echt afhangt, met die genade is iets bijzonders aan de
hand…
In ons rechtsysteem, is genade een correctie van het recht in
onduidelijke gevallen of bedoeld om ongewenste implicaties van het
vonnis te voorkomen, denkt u maar aan ‘gratieverlening’.
Gods genade echter is iets anders, het is geen mindere vorm van recht,
maar integendeel het hoogste recht.
Want als God deze zondaar genadig is, dan doet Hij hem tegelijk recht.
Dat recht heet hier dan wel ‘genade’, maar het is toch wel
degelijk recht. Deze gelijkenis doet ons dat voelen, meer dan dat ze
het beredeneert, want zeg nou zelf: Als wij deze gelijkenis horen, dan
getuigt onze geest a.h.w. met Gods geest, dat God geen onrecht doet,
als Hij genadig is en deze ellendige zondaar aanneemt en de
eigendunkelijke farizeeër ledig heenzendt.
Deze gelijkenis doet ons voelen, dat genade het hart en de kern van het
recht is, het hoogste recht. Gods recht is verrassend, verfrissend,
levenschenkend. Gods recht is in zijn hoogste ontplooiing, juist
genadig.
Gods recht geschiedt op een manier waarop wat wij recht en billijk
noemen…. wordt gestuit en in zijn beperkte baan wordt
teruggewezen. Dat is wat de farizeeër niet begrepen had.
Hij meende dat het begrip ‘rechtvaardig’ bestond in het
maken van een optelsom van goede eigenschappen en daden… Hij had
niet door dat God ècht alleen maar het hart aanziet, d.w.z.
peilt wat er in de mens is, ten diepste en dàt laat doorwegen in
zijn eeuwig oordeel.
En dan kan een hart dat zo klein is als een ootje -- ootmoedig --
omdat het weet dat de optelsom van al het goede bepaalt niet zo
spectaculair zal zijn…. en dat hart doet dat pijn, dat dat zo
is… maar zo is het…. zo’n hart peilt God en zulk
een mens zendt God gerechtvaardigd naar huis, d.w.z . terug het leven
in.
We begonnen met te zeggen dat deze beide uitersten, typen zijn van de
ene mens. Iets van beiden hebben wij allemaal in ons. Twee zielen wonen
in ons, twee strevingen drijven ons, van buiten zijn we niet wie we van
binnen zijn en van binnen zijn we ook niet altijd zo blij met onszelf.
Maar waar het opaan komt, zo leert ons deze gelijkenis, is dat wij
a. eerlijk zijn ten opzicht van onszelf (zelfkennis) en b. ons niet verheffen boven anderen en
c. dat wij nog iets van God verwachten (Godskennis). Deze elementen maken van het meest verloren leven een hoopvol gebeuren.
|
|
|