Om
de kinderen te laten kennismaken met de Bijbel werden er vroeger
schoolplaten gebruikt. Aan de hand van de afbeeldingen op de
schoolplaten kon de meester of de juf een verhaal uitleggen. Deze
manier van les geven werd ook wel aanschouwingsonderwijs genoemd.
Aanschouwen is een ander woord voor kijken. De meesten kennen het nog
wel denk ik, die oude schoolplaten die vroeger in het klaslokaal hingen
of uit een grote opbergkist achter in de klas tevoorschijn werden
gehaald. Het was vooral dán steeds weer een verrassing. Wij
kijken nu in de klas naar dia’s of een videofilm in plaats van
schoolplaten.
Wil je een overzicht van alle platen? Klik HIER

Moeten wij belasting betalen of niet? (Mattheus 22: 15-46)
"Is het geoorloofd de keizer belasting te betalen of niet?" (Matthéüs 22:17b) Een strikvraag, omdat
een 'ja-antwoord' Jezus problemen zou hebben gegeven met de Joden, en een 'nee-antwoord' met de
Romeinen. Het is prachtig hoe Jezus hun truc doorziet en antwoord geeft.
Debat met Farizeeën, Herodianen en Sadduceeën
15 Nu trokken de Farizeeën zich terug om zich erop te beraden hoe
ze hem met een uitspraak in de val konden lokken. 16 Ze stuurden enkele
van hun leerlingen samen met een aantal Herodianen naar hem toe, met de
vraag: ‘Meester, wij weten dat u oprecht bent en in alle
oprechtheid onderricht geeft over de weg van God. We weten dat u zich
aan niemand iets gelegen laat liggen, u kijkt immers niemand naar de
ogen. 17 Zeg ons daarom wat u vindt: is het toegestaan de keizer
belasting te betalen of niet?’ 18 Maar Jezus had hun boze opzet
door en zei: ‘Waarom stelt u me op de proef, huichelaars? 19 Laat
me de belastingmunt zien.’ Ze reikten hem een denarie aan. 20 Hij
vroeg hun: ‘Van wie is dit een afbeelding en van wie is het
opschrift?’ 21 Ze antwoordden: ‘Van de keizer.’
Daarop zei hij tegen hen: ‘Geef dan wat van de keizer is aan de
keizer, en geef aan God wat God toebehoort.’ 22 Ze waren zeer
verbaasd toen ze dit hoorden. Ze lieten hem staan en gingen weg.
23 Diezelfde dag kwamen er Sadduceeën, die beweren dat er geen
opstanding uit de dood is, naar hem toe. Ze stelden hem deze vraag: 24
‘Meester, Mozes heeft gezegd: “Indien iemand kinderloos
sterft, moet zijn broer met de weduwe trouwen omdat hij haar zwager is,
en voor zijn broer nakomelingen verwekken.” 25 Nu kennen wij een
geval met zeven broers. De eerste trouwde, maar stierf kinderloos en
liet zijn vrouw na aan zijn broer. 26 Hetzelfde gebeurde met de tweede
en de derde broer, tot aan de zevende toe. 27 Het laatst van allen
stierf de vrouw. 28 Wiens vrouw zal zij dan bij de opstanding zijn?
Alle zeven zijn ze immers met haar getrouwd geweest.’ 29 Jezus
gaf hun ten antwoord: ‘U dwaalt, blijkbaar kent u de Schriften
niet, en de macht van God evenmin! 30 Want bij de opstanding trouwen de
mensen niet en worden ze niet uitgehuwelijkt, ze zijn dan als engelen
in de hemel. 31 Hebt u niet gelezen wat God u over de opstanding van de
doden heeft gezegd? Dit is wat hij zei: 32 “Ik ben de God van
Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob.” Hij is geen God
van doden, maar van levenden.’ 33 Toen de talrijke omstanders dit
hoorden, stonden ze versteld over zijn onderricht.
34 Nadat de Farizeeën hadden vernomen dat hij de Sadduceeën
tot zwijgen had gebracht, kwamen ze bij elkaar. 35 Om hem op de proef
te stellen vroeg een van hen, een wetgeleerde: 36 ‘Meester, wat
is het grootste gebod in de wet?’ 37 Hij antwoordde: ‘Heb
de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel
uw verstand. 38 Dat is het grootste en eerste gebod. 39 Het tweede is
daaraan gelijk: heb uw naaste lief als uzelf. 40 Deze twee geboden zijn
de grondslag van alles wat er in de Wet en de Profeten staat.’
41 Nu de Farizeeën om hem heen stonden, stelde Jezus hun deze
vraag: 42 ‘Wat denkt u over de messias? Van wie is hij een
zoon?’ ‘Van David,’ antwoordden ze. 43 Jezus vroeg:
‘Hoe kan David hem dan, geïnspireerd door de Geest, Heer
noemen? Want hij zegt: 44 “De Heer sprak tot mijn Heer:
‘Neem plaats aan mijn rechterhand, tot ik je vijanden onder je
voeten heb gelegd.’” 45 Als David hem dus Heer noemt, hoe
kan hij dan zijn zoon zijn?’ 46 En niemand was in staat hem een
antwoord te geven, noch durfde iemand hem vanaf die dag nog een vraag
te stellen.
Moeten wij belasting betalen of niet - niet direct onze vraag
Het zou niet direct mijn vraag zijn en ik vermoed zo ook niet die van
de meesten van ons. Is het geoorloofd belasting te betalen? Een
gemiddeld geloofsgesprek zou niet snel op de belastingdienst uitkomen.
Wij betalen belasting en vinden dat heel gewoon: hoogstens kun je
zeggen dat we blij zijn als die iets omlaag gaat of als we voor
teruggaaf in aanmerking komen. Misschien komt soms eerder de vraag
andersom bij ons op: is het geoorloofd om niet te betalen; omdat het
geld naar een bestemming gaat waar je je niet in kunt vinden. Zoals er
destijds mensen waren die ernstige bezwaren hadden om hun belastinggeld
naar defensie te zien verdwijnen.
In de tijd van Israel lag dat anders. Er werd een hoofdelijke belasting
geind over elke inwoner van 1 denarie (een gemiddeld dagloon). En dat
geld ging natuurlijk niet naar zeg maar de eigen overheid maar naar de
romeinse Keizer. En er waren er die deze romeinse overheid helemaal
niet met hun geld wilden steunen. Temeer omdat die romeinse
Keizer zichzelf goddelijk maakte en dat met de munten liet zien: deze
toonde de afbeelding van de Keizer met het opschrift: Tiberius Keizer,
verheven zoon van de goddelijke Augustus, hogepriester. En daarmee kom
je heel dicht in de buurt van een van de woorden van Mozes: Ik ben de
Heer en je zult geen beelden maken van andere goden en hen aanbidden.
Zo’n munt en de hele keizercultus daaromheen gingen voor het
besef van velen lijnrecht in tegen dit word. Voor die tijd was het dus
best een goede en ook heel actuele vraag. En dan niet gesteld in de
trant van “ is het geoorloofd om niet te betalen’, maar
‘ is het geoorloofd om te betalen’. De vraag gaat dus uit
van wat God ervan zou vinden en niet wat de Keizer ervan zou vinden.
Geloof heeft ergens ook te maken met de ethiek – met wat je wel
en niet doet en waarom.
Wij zitten als het om ons geld en goed gaat nu met heel andere vragen.
En met alle ontwikkelingen van de laatste weken rondom geld,
hypotheken, krediet en de economische verhoudingen vraag je je soms af:
wat zou Jezus daar nou op te zeggen hebben? Ongetwijfeld iets dat ons
flink aan het denken zou zetten – hoe we er ook tegen aan kijken.
Maar een goede vraag kan door de toon waarop hij gesteld wordt toch het
gesprek bederven. Gesprekken met pittige vragen horen erbij en in
Israel kon men er best wat van maar op het moment dat het de bedoeling
is om de ander te vangen op een woord… Jezus doorziet dat
en je bent benieuwd wat Hij zal gaan zeggen. Want de fervente
voorstanders en de fervente tegenstanders staan voor Hem.
En dan is daar dat woord dat zo een twee drie niet direct in alle
opzichten helder is: geef aan de Keizer wat voor de Keizer is…
Wij hebben een heel stuk ontwikkeling doorgemaakt in het denken over de
overheid en de politiek. Voor onze west-europese oren lijkt dit op een
soort eerlijke halvering van alle menselijke eerbetoon; een evenwicht
van gehoorzaamheid aan overheid en aan God; met elk een eigen terrein.
Dit woord geeft eigenlijk aan beide vragenstellers genoeg te denken.
Geef aan de Keizer…Want je leeft in dit land, onder deze Keizer
en je kunt je daaraan niet onttrekken. Maar pas wel op: want het kan
gemakkelijk griezelige vormen aannemen: een Keizer die zichzelf
goddelijke waardigheid toedicht; een op geld en hebberigheid gerichte
samenleving die afgodische mammontrekjes kan krijgen; een
partij-ideologie die zich opwerpt als het antwoord… je moet
ermee oppassen. Geef daarom aan de Keizer en geef aan God wat God
toebehoort. Dat is niet een soort boedelscheiding die er nu eenmaal bij
hoort maar onze loyaliteit aan God kleurt onze loyaliteit aan mensen.
Ging het alleen om een boedelscheiding tussen die twee dan zou je
kunnen zeggen: Israel betaalde belasting aan de Keizer maar er was ook
zoiets als tempelbelasting en daarmee houd je de dienst aan God in
stand. Of in onze tijd: naast belasting en diverse goede doelen kun je
ook specifiek geven aan de dienst van God; de kerk, de mission Dei, de
barmhartigheid en het diaconaat. Maar het gaat om meer: het geven
aan God leert ons op een goede manier te geven aan anderen. En helpt
ons om stil te staan bij de vraag waar je jezelf aan geeft? Want een
munt draagt misschien het beeld van de Keizer maar de mens draagt het
beeld van God.