Om
de kinderen te laten kennismaken met de Bijbel werden er vroeger
schoolplaten gebruikt. Aan de hand van de afbeeldingen op de
schoolplaten kon de meester of de juf een verhaal uitleggen. Deze
manier van les geven werd ook wel aanschouwingsonderwijs genoemd.
Aanschouwen is een ander woord voor kijken. De meesten kennen het nog
wel denk ik, die oude schoolplaten die vroeger in het klaslokaal hingen
of uit een grote opbergkist achter in de klas tevoorschijn werden
gehaald. Het was vooral dán steeds weer een verrassing. Wij
kijken nu in de klas naar dia’s of een videofilm in plaats van
schoolplaten.
Wil je een overzicht van alle platen? Klik HIER

De barmhartige Samaritaan (Lucas 10: 25 - 37)
25
“En zie, een wetgeleerde stond op om Hem te verzoeken en zeide:
Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven? 26 En
Hij zeide tot hem: Wat staat in de wet geschreven? Hoe leest gij? 27
Hij antwoordde en zeide: Gij zult de Here, uw God, liefhebben uit
geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw kracht en met
geheel uw verstand, en uw naaste als uzelf. 28 En Hij zeide tot hem:
Gij hebt juist geantwoord; doe dat en gij zult leven. 29 Maar hij wilde
zich rechtvaardigen en zeide tot Jezus: En wie is mijn naaste? 30
Daarop hernam Jezus en zeide: Een zeker mens daalde af van Jeruzalem
naar Jericho en viel in de handen van rovers, die hem niet alleen
uitschudden, maar ook slagen gaven en weggingen, terwijl zij hem
halfdood lieten liggen. - 31 Bij geval daalde een priester af langs die
weg; en deze zag hem, doch ging aan de overzijde voorbij. 32 Evenzo
ging ook een Leviet langs die plaats, en hij zag hem en ging aan de
overzijde voorbij. 33 Doch een Samaritaan, die op reis was, kwam in
zijn nabijheid, en toen hij hem zag, werd hij met ontferming bewogen.
34 En hij ging naar hem toe, verbond zijn wonden, goot er olie en wijn
op; en hij zette hem op zijn eigen rijdier, bracht hem naar een herberg
en verzorgde hem. 35 En de volgende dag stelde hij de waard twee
schellingen ter hand en zeide: Verzorg hem en mocht gij meer kosten
hebben, dan zal ik ze u vergoeden, op mijn terugreis. 36 Wie van deze
drie dunkt u, dat de naaste geweest is van de man, die in handen der
rovers was gevallen? 37 Hij zeide: Die hem barmhartigheid bewezen
heeft. En Jezus zeide tot hem: Ga heen, doe gij evenzo.”
Over hulpbehoevend zijn en helpers
Er is haast geen andere gelijkenis in de bijbel, die zo bekend is en
ook zo veel invloed op ons mensen heeft gehad dan de gelijkenis van de
barmhartige Samaritaan. Hier, in dit verhaal dat Jezus vertelt, zit in
een notendop praktisch alles al, waar het bij de christelijke
naastenliefde om gaat: dat je iemand anders niet zo maar laat stikken.
Dat je mensen moet helpen. Dat je vooral mensen moet helpen die
zichzelf niet meer kunnen helpen. Dat is het grondbeginsel van het
christendom bij uitstek. Alles wat wij dan ook doen, individueel, maar
ook als kerk, met name in de diaconie en op het gebied van de ZWO, van
Zending en Werelddiaconaat, heeft zijn oorsprong en put zijn inspiratie
vooral uit deze ene gelijkenis die Jezus toen vroeger verteld heeft: de
gelijkenis van de barmhartige Samaritaan! Een christen? Wil je weten
wat een christen is? Een christen is als een barmhartige Samaritaan,
als iemand die iemand anders helpt!
Christenen zijn hulpverleners
Zo is het christendom inmiddels uitgegroeid tot een organisatie met de
meeste hulpverleners van allemaal, op allerlei gebied. Nergens wordt er
in het particuliere leven zoveel geld voor de 3e wereld uitgegeven als
in kerkelijke kringen. En ze hebben eens uitgerekend, hoeveel
geld de regering wel niet kwijt zou zijn, als zíj voortaan al
het vrijwilligerswerk zelf moest doen, dat op dit moment de kerken of
kerkleden aan het doen zijn in de stad. Nou, dat gaat in de miljoenen,
die de regering zo uitspaart. – Dus wat dat betreft, kun je
zeggen, heeft de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan zijn effect
niet gemist! Dat wat de gelijkenis wilde overbrengen (namelijk de
boodschap: doe aan compassie! Zie het leed aan van mensen en ontferm je
over die mensen!), die boodschap is heel goed overgekomen, en in
concrete daden omgezet! Dat was ook de bedoeling.
Hulpverleners met een slecht geweten
Toch zit er aan de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan ook iets
vast, wat ons mensen níet zo vrolijk stemt en ons mensen
wellicht ook zelf wat neerslachtig kan maken. Want de gelijkenis van de
barmhartige Samaritaan mag dan bij uitstek de gelijkenis van helpende
handen zijn, het is inmiddels, denk ik, ook wel wat de gelijkenis van
het slechte geweten geworden!
Dat heeft er mee te maken, dat er vandaag heel véél
mensen zijn die we zouden kunnen helpen. Haast te veel, of nee, ik weet
het wel zeker: echt te veel mensen. We hebben allereerst al de mensen
in onze eigen omgeving die we helpen en bijstaan, de mensen uit onze
familie- en als het er nog bijkan ook uit onze kennissenkring. Dan komt
daarnaast ook nog van alles op ons af via de televisie, de radio, de
krant en de tijdschriften, wat een appel op ons doet. Een modern
systeem van nieuwsgaring, dat inmiddels heel de wereld omvat, brandt
elke avond weer de meest behoeftige mensen op ons netvlies. Het raakt
ons, wat we zien. En we hebben het gevoel dat het ook onze taak is, om
daar dan wat aan te doen. Is het niet echt te plicht van ieder goed
christenmens, om nu weer wat geld voor de samenwerkende
hulporganisaties te geven, zodat ze kunnen helpen een ramp te voorkomen
in Soedan, in Darfur!? – Maar dit is dan maar één
doel, waar je kunt helpen! Moet je niet ook iets geven aan Israël
of aan de Palestijnen? Of aan onze militairen in Irak? En iets over
hebben voor de bestrijding van AIDS, voor Artsen zonder Grenzen en voor
de kinderen die door Unicef worden verzorgd? Daar kun je best wel eens
wat neerslachtig van worden, dat je denkt: ik doe m’n best, maar
houdt het ook nog een keer op? Is het ook nog een keer afgelopen? - En
in de privé-sfeer zou ik me voor kunnen stellen, dat iemand dan
ook eens zegt: zal er ooit ook nog eens een tijd komen, dat ik weer
echt eens tijd aan mezelf mag besteden, en níet aan anderen?! En
je krijgt al een slecht geweten, al die vraag dan in je opkomt! Terwijl
je al zo veel doet.
Veel mensen haken af en doen dan even helemaal niets meer aan hulpverlening
Zo kom je in een soort dilemma terecht: je
wilt bést aan alle eisen voldoen, maar kún je het ook,
gezien al de eisen die op je afkomen? Je ziet, dat heel veel mensen dan
afhaken, en zeggen: ik doe niet meer méé, hoor. Nu ben ik
eerst even zélf aan de buurt. En dan laat je de man staan die in
Rotterdam aan jou de Straatkrant wil verkopen! En stort je gewoon eens
niets op rekening 555 voor de Soedan! En zeg je, jammer dat niet elke
hulpbehoevende vluchteling meer Nederland in kan, we kunnen niet alles!
En dan veroorloof je je gewoon toch maar van die buitengewone luxe bij
de inrichting van je huis of de aanschaf van je auto, ook al
wéét je dat nog vele ogen van hongerende kinderen je
aankijken. Het is bizar zo, maar als je het niet zou doen, als je niet
ook eens voor jezelf zou opkomen, zou je voor je gevoel helemaal gek
worden! Men kan toch niet altijd alleen maar stilstaan bij de
ánder!?
Goed, dat mag dan zo zijn, maar een goede christen zal dan nooit echt
tot rust komen. Dreigende woorden als bijvoorbeeld van Jezus in het
Lucasevangelie: “de rijken hébben hun loon reeds, en later
ben je er dus dan niet meer echt bij, eerst…”, blijven je
op de een of andere manier klem houden. Zou je niet toch je nog weer
wat meer kunnen inzetten?
Wie is eigenlijk mijn naaste?
Laten we eens kijken, als we uit deze impasse
kunnen komen, als we naar onze tekst van vanmorgen gaan kijken. Wat
staat daar nou precies geschreven?
Onze tekst begint met de vraag van een wetgeleerde aan Jezus: wat moet
ik doen om het eeuwige leven te beërven? Jezus zegt dan vooral
dit: ga líefhebben! Ga vooral liefhébben! God en mensen!
God en – je nááste! De Schriftgeleerde zit gelijk,
zoals wij ook vandaag, in zijn maag met het liefhebben van de
nááste, want: wie is dat dan!? De naaste, dat kan
iedereen wel zijn! Wie ís dat dan, de nááste!?
Nu wil ik u toch op iets in de tekst attent maken, waar heel vaak
overheen gelezen wordt, omdat men denkt al bij voorbaat wel te weten,
wie dan in de naaste van ons mensen is of hoort te zijn. Om te
ontdekken, wie je naaste is, vertelt Jezus de gelijkenis van de
barmhartige Samaritaan. En wij, wij zijn er dan als de kippen bij en
hebben de vraag wie onze naaste is, al beantwoord, al lang voordat
Jezus die vraag zélf in de tekst gaat stellen: “Wie is
mijn naaste?” Nou, dat is toch duidelijk, zeggen we.! De naaste,
dat zijn de hulpbehoevende mensen, dat is de hulpbehoevende man, die
daar in de gelijkenis op straat ligt. Die is mijn naaste. Die moeten we
liefhebben en helpen. Daar moeten we ons voor inzetten. Met als gevolg
al datgene wat we zo-even al zeiden: christenen helpen, helpen andere
naasten! En gaan er haast aan kapot!
Maar moet je nu toch eens gaan kijken, in de tekst, hoe Jézus de
zaak ziet. “Wie is mijn naaste!” – Als u de tekst nog
een keer goed overleest, dan zult u zien, dat Jezus het helemaal niet
over de hulpbehoevende man als onze naaste heeft! Niet de
hulpbehoevende man die op straat ligt, wordt hier door Jezus als de
naaste gezien! Maar de naaste… Wat de naaste betreft, mag de
wetgeleerde, wat Jezus betreft, kiezen uit de drie ándere
personen: uit de priester, de leviet en de Samaritaan! En dan blijkt
niemand anders dan de ‘Samaritáán’ de naaste
te zijn!
De Samaritaan als mijn naaste
“Wat moet ik doen, om het eeuwige leven te beërven?”
vraagt de wetgeleerde. “Heb lief,” zegt Jezus. “heb
lief!” God en - de hulpbehoevende man? Nee, God en – de
barmhartige Samaritáán!” – Hoe beërft
een mens het eeuwige leven? Als hij God liefheeft, en zijn naaste
liefheeft: in dit geval: de barmhartige Samaritaan! – Dat geeft
een heel interessante wending, gemeente, aan deze overbekende
gelijkenis die ons vanmorgen bezighoudt!
Want het gaat in heel deze gelijkenis niet daarom, dat wij ons
identificeren met de sterke barmhartige Samaritaan die elke zwakke
ellendeling op straat gaat helpen! Wij christenen, zijn in deze
gelijkenis niet de sterken, die iets moeten overhebben voor anderen, de
zwakken. Maar Jezus nodigt ons uit, het eens andersom te zien, en ons
eens te identificeren met de ellendeling op straat, met de zwakkeling!
En ons dan af te vragen: “wie is mijn naaste, als ik in de handen
van de rovers ben gevallen!” Zál er dan nog een
nááste voor me zijn? Of niet!
“Heb God lief! En heb de naaste lief die je redt als jijzelf niet
meer verder kunt!” Dat is wat Jezus ons vanmorgen mee wil geven
als opdracht! Niet: “Heb God lief en zorg er zo veel mogelijk
voor dat je anderen helpt!” Maar, andersom: “Heb God lief
– én diegene die jou wel helpen wil, ook als alles echt
tegenzit en je helemaal niets meer kunt!”
Weten bij wie hulp te vinden is – en die liefhebben
Het gaat er niet om dat je veel doet in je
leven om het eeuwige leven bij God te verdienen, maar het gaat er om
dat je, als je zelf niet meer kunt, wéét, waar je je hulp
van kunt verwachten! Daar gaat het om! Dat je a) accepteert, dat ook
jij af en toe eens hulp nodig hebt, en b) bereid bent, je te laten
helpen en c) dan diegene die je helpt daar ook dankbaar voor kunt zijn!
- Dat geeft ook gelijk een prachtig zicht op de vraag die de
wetgeleerde aan Jezus stelt: “Meester, wat moet ik allemaal doen
om het eeuwige leven te beërven! Wat moet ik allemaal doen om in
de hemel te komen? Hoe kan ik mijn de hémel verdienen!”
– Jezus zegt niet tegen hem dan: “Hier heb je de catalogus,
waarin al de dingen staan die je eerst moet doen, anders kom je de
hemel niet binnen!” Maar Jezus zegt alleen tegen hem: “Heb
God lief – en de naaste die je hélpt in de hemel te
kómen!” Een mens komt niet (nooit en te nimmer) in de
hemel, door er zelf iets voor te doen! Maar een mens komt alleen in de
hemel, als hem of haar dat geschónken wordt, louter uit genade,
door iemand die (niet “wat-hij-allemaal-kán” ziet en
aanschouwt, maar) die allemaal wat-hij-níet-meer-kan aanschouwt,
en hem hélpt!
Jezus als de eerste grote echte Helper
“Heb God lief – en de naaste die
je helpt, die je helpt hier op aarde, al in dit leven, maar ook: die je
later helpt als je de hemel wel in wilt, maar niet zelf in kunt, omdat
je daar te zwak en schuldig voor bent.” – Het is
onvoorstelbaar, gemeente, hoe zeer Jezus hier via de barmhartige
Samaritaan eigenlijk gelijk naar zichzelf verwijst, als de enige echte
grote helper, de grote middelaar, die ons mensen bij uitstek helpt en
bijstaat, hoe en waar het maar kan, en die daar later zelfs de dood
voor sterft aan het kruis! Om zo óns te helpen, de
barrières uit de weg te ruimen, die óns zouden kunnen
beletten, ooit eens het echte, eeuwige leven en heil te verkrijgen.
“Hoe kom ik de hemel in?”, vraagt de wetgeleerde.
“Door God lief te hebben en de naaste die je als een barmhartige
Samaritaan hélpt de hemel in te komen!”
De helper: een moedig iemand, en niet bang voor viezigheid en kleerscheuren
Laten we nu tot slot nog even kijken, naar
diegene die hier in onze gelijkenis helpt! Die écht helpt! Naar
de barmhartige Samaritaan. - We weten niet precies, wie die barmhartige
Samaritaan is geweest (of geweest zou zijn, als de gelijkenis van Jezus
werkelijk zou hebben plaatsgehad in het leven). Het zou dan een heel
bijzonder iemand geweest zijn! Soms leggen commentaren wel eens een
verband met onze moderne tijd, als ze hem beschrijven! In de tekst
staat, dat hij de wonden van het slachtoffer verzorgde met olie en met
wijn. Met de alcohol van wijn kun je een wond desinfecteren en met olie
kon je een wond afkoelen. Maar lang niet iedereen had vroeger olie en
wijn bij zich, als hij op reis was. Men vermoedt dan ook dat het een
koophandelaar geweest moet zijn, die die spullen verkocht. Verder wordt
wel eens terecht opgemerkt, hoe moedig de Samaritaan is geweest, om die
man te helpen. Want wie kon hem garanderen, dat hij niet
óók overvallen zou worden, of (wie weet, zeggen sommigen)
dat zelfs de gewonde een overvaller was die zich alleen maar als
gewonde vermomde! De man was een moedige man! Ook als je bedenkt dat
overvallers vroeger vaak niet gewone rovers waren, maar Zeloten!
Zeloten waren Joden, die de Romeinen het land uit wilden werken met
geweld, en overvallen gingen plegen om aan geld voor de strijd te
komen! Ze gingen de mensen die ze overvielen, vrijwel altijd doden,
evenals vandaag Al Kaida. Althans dat zouden ze met de Samaritaan
gedaan hebben, die ze vroeger een slechte Jood zullen hebben gevonden.
Waarschijnlijk mocht dit slachtoffer in de gelijkenis overleven, omdat
die een echte Jood was. Als de gewonde een Samaritaan was geweest,
hadden ze hem vast gedood. De Samaritaan was dus een moedige man!
Moediger in ieder geval dan de Priester en de Leviet, die allebei geen
excuses hebben om niet te helpen. Er wordt wel eens beweerd dat ze niet
konden helpen, omdat ze dienst moesten doen in Jeruzalem, of omdat ze
vreesden onrein te worden omdat het slachtoffer dat daar op straat lag,
wellicht al dood was en dat ze dan hun erediensten niet konden houden.
Maar in de tekst staat, dat ze - evenals het slachtoffer -
“afdaalden” van Jeruzalem naar Jericho, dus dat ze van
Jeruzalem wegtrokken, weer naar huis. Hun dienst zat er op, zou je
kunnen zeggen! Ze hadden kunnen helpen (!), maar hebben het gewoon niet
gedaan. Waarschijnlijk omdat ze gewoon bang waren, hun mooie witte
priesterkleren te besmeuren.
Want ook dat is iets, wat iemand in de commentaren opmerkt. De
Samaritaan heeft vroeger vast geen ehbo-doos bij zich gehad, een
verbandtrommel die hij op de ezel meevoerde. Als er in de tekst staat,
dat hij de wonden van het slachtoffer ging verbinden, ging hij dat doen
met doeken die hij heeft afgescheurd van zijn eigen tulband of zijn
eigen onderkleed. Je kunt zeggen: dat helpen en verbinden. Hij kwam er
ook zelf niet zonder kleerscheuren van af. Toen hij de verwonde bij de
herberg bracht, moet hijzelf ook vrij gehavend hebben uitgezien.
Mensen die veel voor ons overhebben, dat zijn onze naasten
Dit, dit soort mensen! Dit soort goddelijke mensen, die dit allemaal
voor ons overhebben…, dat zijn onze náásten! De
naasten die er voor zullen zorgen, dat wij het redden! En dat zijn dan
ook diegenen, die we echt moeten koesteren! Liefhebben! Zegt Jezus.
Want ze zijn goud waard!
Onze eerste en voornaamste helper in het leven, is – naast God
– zijn zoon Jezus Christus! Die bij ons mensen kwam, 2000 jaar
geleden, en nu nog steeds bij ons is in zijn Geest. En die alles voor
ons overhad, tot aan het kruis, en overheeft. Die zelf ook bepaald niet
geheel zonder kleurscheuren van alles is afgekomen toen hij ons eens
hielp, getuige zijn lidtekens in zijn handen en in zijn zij! Vanmorgen
willen we gedenken, wat hij allemaal voor ons heeft gedaan, als we het
Avondmaal met elkaar gaan vieren.
Je láten helpen en zélf gaan helpen
In zijn spoor, in het spoor van Jezus
Christus, zijn er echter ook nog vele andere helpers om ons heen, mogen
we hopen: onze ouders, onze vrienden en vriendinnen, onze
levenspartners, als je ouder bent, als je ze hebt, je kinderen of
andere jonge mensen die ons helpen - en last but not least ook onze
broeders en zusters die nu hier in de kerk naast je zitten. Alleen zo
kom je enigszins goed door het leven: niet doordat je per sé van
alles zelf doet en bereikt in het leven, ook in je geloof niet! Maar
doordat laat helpen en je gehólpen wordt, door iemand die je
naaste is, die je naaste dan opeens blijkt te zijn, of te worden! -
Weet hoe waardevol dit soort mensen zijn! Koester ze en heb ze lief! Op
eenzelfde manier als je God lief zou hebben! Zij, die zo in de Geest
van Christus hier op aarde om je heen zijn, zijn een cadeau voor jou,
van God!
De rol van barmhartige Samaritaan op je nemen, vrijwillig: ook iets voor jou?
En als je dan, zo geholpen en gesterkt, door anderen, door God en door
mensen, in je leven ook eens een moment mee mocht maken dat je
zélf ook best sterk in je schoenen staat. En je toch niets
beters te doen hebt (of: wel eens wat beters wilt gaan doen). Ja, ga er
dan ook eens over nadenken, of die rol van barmhartige Samaritaan niet
ook iets is, voor jou! Nee, niets moet! Je hoeft het niet te worden,
hoor!
Want een goede barmhartige Samaritaan wordt je nooit, als je gedwongen wordt.
Maar als je tijd over hebt, en je gewoon geen zin meer hebt in dingen
die toch eigenlijk op de keeper beschouwd helemaal niet zo veel
voorstellen (al die gewone klussen die je doet en al die hobbies), en
je eens echt iets goeds wilt doen, wat echt van waarde is! Waarom dan
niet zelf ook eens proberen, voor iemand anders echt de
nááste te worden, écht te naaste, door te helpen.