Om
de kinderen te laten kennismaken met de Bijbel werden er vroeger
schoolplaten gebruikt. Aan de hand van de afbeeldingen op de
schoolplaten kon de meester of de juf een verhaal uitleggen. Deze
manier van les geven werd ook wel aanschouwingsonderwijs genoemd.
Aanschouwen is een ander woord voor kijken. De meesten kennen het nog
wel denk ik, die oude schoolplaten die vroeger in het klaslokaal hingen
of uit een grote opbergkist achter in de klas tevoorschijn werden
gehaald. Het was vooral dán steeds weer een verrassing. Wij
kijken nu in de klas naar dia’s of een videofilm in plaats van
schoolplaten.
Wil je een overzicht van alle platen? Klik HIER

Noach bouwt de Ark (Genesis 6.9 e.v.)
Noach
5 De HEER zag dat alle mensen op aarde slecht waren: alles wat ze
uitdachten was steeds even slecht. 6 Hij kreeg er spijt van dat hij
mensen had gemaakt en voelde zich diep gekwetst. 7 Ik zal de mensen die
ik geschapen heb van de aarde wegvagen, dacht hij, en met de mensen ook
het vee, de kruipende dieren en de vogels, want ik heb er spijt van dat
ik ze heb gemaakt. 8 Alleen Noach vond bij de HEER genade.
9 Dit is de geschiedenis van Noach en zijn nakomelingen. Noach was een
rechtschapen man; hij was in zijn tijd de enige die een voorbeeldig
leven leidde, in nauwe verbondenheid met God. 10 Hij had drie zonen:
Sem, Cham en Jafet.
11 In Noachs tijd was de aarde in Gods ogen verdorven en vol onrecht.
12 Toen God zag dat de aarde door en door slecht was, dat iedereen een
verderfelijk leven leidde, 13 zei hij tegen Noach: ‘Ik heb
besloten een einde te maken aan het leven van alle mensen, want door
hen is de aarde vol onrecht. Ik ga hen vernietigen, en de aarde erbij.
14 Maak jij nu een ark van pijnboomhout. Maak daar verschillende
ruimten in, en bestrijk hem vanbinnen en vanbuiten met pek. 15 Maak hem
driehonderd el lang, vijftig el breed en dertig el hoog. 16 Je moet er
een lichtopening in aanbrengen en aan de bovenkant één el
openlaten; de ingang moet je in de zijkant maken. De ark moet een
benedenverdieping krijgen en daarboven nog twee verdiepingen. 17 Ik
laat een grote vloed over de aarde komen, een watermassa die haar zal
overspoelen, om alles onder de hemel waarin levensadem is te
vernietigen; alles op aarde zal omkomen. 18 Maar met jou zal ik een
verbond sluiten. Jij moet de ark in gaan, samen met je zonen, je vrouw
en de vrouwen van je zonen. 19 En van alle dieren moet je er twee in de
ark brengen, om ervoor te zorgen dat die met jou in leven blijven. Een
mannetje en een wijfje moeten het zijn. 20 Van alle soorten vogels, van
alle soorten vee en van alles wat op de aardbodem rondkruipt, zullen er
twee naar je toe komen; die zullen in leven blijven. 21 Leg ook een
voorraad aan van alles wat eetbaar is, zodat jullie allemaal te eten
hebben.’ 22 Noach deed dit; hij deed alles zoals God het hem had
opgedragen.
En pracht verhaal uit de Bijbel
Noach en de arkHet verhaal over de ark van NoachGod zag dat de mensen
en dieren op aarde slecht waren. De hond paarde met de wolf en de haan
met de pauw, en God wenste dat hij ze nooit geschapen had. En God zei:
"Ik zal de mens, die ik heb gemaakt, van de aarde wegvagen, zowel mens
als vee, kruipend gedierte zowel als de vogels in de lucht, want het
spijt me dat ik ze heb gemaakt. Ik breng de grote watervloed over de
aarde om elk wezen waarin levensgeest is onder de hemel te verdelgen,
alles wat op aarde is zal omkomen."
Maar Noach vond
genade in de ogen van God, want Noach was een rechtschapen man. Van
alle mensen op de aarde mochten alleen Noach, zijn zonen en zijn vrouw
en de vrouwen van zijn zonen de grote watervloed overleven. God zei tot
Noach dat hij een ark van goferhout moest bouwen van driehonderd el
lang, vijftig el breed en dertig el hoog. Zo groot moest de ark zijn.
Want ook de dieren die zich goed gedragen hadden, zouden gered worden.
Er konden alleen al 365 soorten reptielen mee; alleen voor de vissen
hoefde Noach geen hok te bouwen.
God sprak tot
Noach: "Van al het levende, van alle wezens moet je twee van elk in de
ark brengen, een mannetje en een wijfje moeten het zijn. Van de vogels
naar hun soort en van het vee naar zijn soort, van alle op de aarde
kruipende dieren naar hun soort, van elk een paar zullen ze naar je
toekomen. Van al het reine moet je er telkens zeven nemen, een mannetje
en zijn wijfje en van de dieren die niet rein zijn, één
paar, een mannetje en zijn wijfje. Ook van de vogels uit de lucht
telkens zeven, een mannetje en een wijfje, om nakomelingen te houden
over heel de aarde."
Voor de
zondvloed waren er meer onreine dan reine dieren op de aarde. Na de
zondvloed was het omgekeerd: er zouden immers zeven paar van de reine
dieren overleven en slechts één paar van de onreine
dieren.
Noach bouwde de
ark precies zoals hem bevolen was. Want God had gezegd: "Het duurt nog
maar zeven dagen, dan zal ik het laten regenen op aarde, veertig dagen
en veertig nachten en al het bestaande, dat ik gemaakt heb, zal ik
verdelgen op de aarde."
De mensen die
buiten stonden en zagen wat Noach aan het doen was, bestormden de ark,
maar de wilde dieren die haar bewaakten sloegen hen neer. Ook de dieren
die zich slecht gedragen hadden, dromden naar de ark om aan de grote
watervloed te ontkomen. Op de dag dat ze daar aankwamen, was de zon
verduisterd en de aarde beefde, bliksemflitsen schichtten en de donder
rolde als nooit tevoren. Er kwamen zoveel dieren naar de ark dat Noach
bij de ingang ging zitten om te kijken welke dieren gingen liggen en
welke dieren bleven staan. Alleen de dieren die gingen liggen mochten
mee, want er was niet genoeg plaats. De reëm, die hoorns had van
vijf el lang en zo scherp als een zwaard, was zo groot dat hij niet in
de ark paste. Daarom bond Noach hem eraan vast.
In het
zeshonderdste jaar van Noachs leven, in de tweede maand, op de
zeventiende dag van de maand, op die dag braken alle ondergrondse
waterbronnen los en werden de hemelse sluizen opengezet. De slagregens
waren veertig dagen over de aarde. Het water nam steeds toe en het
droeg de ark, die zich boven de aarde verhief. Toen het water in kracht
en massa toenam op de aarde, bewoog de ark zich over het wateroppervlak
voort. Zo geweldig nam het water toe dat alle hoge bergen onder de
gehele hemel bedekt waren. De ark slingerde heen en weer en de leeuwen
in de ark brulden van angst, de ossen loeiden en de wolven huilden.
Noach richtte zijn smeekbeden naar God om hen te sparen. En God
beschermde hen. Maar alle wezens die zich op aarde bewogen, vogels
zowel als vee, in het wild levende dieren en alle dieren die zich
kruipend over de aarde bewogen en alle mensen stierven. Alles wat
levensadem in zijn neus had stierf. Alleen Noach, zijn naaste familie
en de dieren in de ark bleven leven.
Noach voerde de
dieren die overdag waken overdag en de nachtdieren 's nachts. Hij kon
daarbij over slangen en schorpioenen lopen zonder gewond te raken, want
de dieren in de ark waren tam. Maar de kat kon haar ware aard niet
vergeten en zat op een dag een muis achterna: de muis rende van links
naar rechts, van boven naar beneden, zocht en speurde maar kon nergens
een hol vinden om in weg te kruipen. Toen gebeurde er een wonder. Daar
waar eerst alleen een wand was geweest, week het goferhout uiteen zodat
de kat, die te groot was voor het gat, de muis niet kon vangen. Maar ze
stak wel haar klauw naar binnen en trok met haar nagels een diepe snee
in zijn wang. Om die reden hebben alle muizen tot op de dag van vandaag
een litteken naast hun bek.
Honderdvijftig
dagen bleef het water toenemen op aarde. Toen dacht God aan Noach en
aan alle in het wild levende dieren en aan al het vee dat bij hem in de
ark was; God joeg een wind over de aarde zodat het water rustiger werd.
Toen werden de bronnen der ondergrondse watermassa's en de hemelsluizen
gesloten en de regen uit de hemel hield op. Het water ebde weg van de
aarde en de ark kwam tot rust op het gebergte de Ararat in de zevende
maand, op de zeventiende dag. Meer en meer nam het water af, totdat de
toppen der bergen zichtbaar werden. Dat was in de tiende maand.
Omdat Noach
wilde weten of hij de aarde veilig kon betreden, riep hij na veertig
dagen de raaf bij zich. Deze verborg zich onder de vleugel van de
adelaar. Daar vond Noach hem. De raaf zei: "God, uw Heer, haat mij en
ook u moet mij haten. U haat mij, want hij zei u zeven paar van alle
reine dieren mee te nemen en één paar van de onreine
dieren, zoals ik. U haat mij, want als verkenner kiest u juist mij, en
van mijn soort is er maar één paar. Stel dat ik doodga,
zou de wereld dan niet een hele diersoort kwijt zijn? Kan het zijn dat
u mijn dood wenst om met mijn vrouw te kunnen slapen?"
De mannen en de
vrouwen in de ark leefden gescheiden; de raaf echter bezocht zijn
vrouw, hoewel het hem verboden was. Daarom ontstak Noach in woede en
luisterde hij niet langer. Hij opende het venster dat hij in de ark
gemaakt had en zond de raaf op verkenning. Hem overkwam niets, maar
zijn missie had geen succes: toen de raaf het lijk van een mens zag,
begon hij het te verslinden en vergat de opdracht die Noach hem gegeven
had.
Toen zond Noach
een duif weg, om te zien of het water verminderd was op aarde. De duif
kon eerst geen plekje vinden om haar pootjes neer te zetten en keerde
naar de ark terug, want overal op de aarde was water. Toen zond Noach
de duif nog eens de ark uit. En zie: tegen de avond kwam ze terug met
een takje van een olijfboom in haar bek, dat ze geplukt had op de
Olijfberg in Jeruzalem.
Toen wist Noach
dat het water op de aarde gezakt was. Weer zond hij de duif weg, maar
zij kwam niet meer bij hem terug. In het zeshonderdeerste jaar, in de
tweede maand, op de zevenentwintigste dag van de maand, een jaar na het
begin van de zondvloed, was de aarde droog. En God sprak tot Noach: "Ga
uit de ark, jij en je vrouw en je zonen en de vrouwen van je zonen met
jou. Alle dieren die bij je zijn, alle levende wezens, de vogels, het
vee en al wat zich kruipend op de aarde beweegt, laat ze met jou eruit
gaan, zodat het ervan krioelt op de aarde; ze zullen vruchtbaar zijn en
zich vermeerderen."
Toen bouwde
Noach een altaar voor God en nam van al het reine vee en van alle reine
vogels en liet daarvan offers in rook opgaan. God rook de verkwikkende
geur en zei bij zichzelf: "Ik zal niet nogmaals vloek brengen over de
aarde door toedoen van de mens, want de neiging van 's mensen hart is
slecht vanaf zijn jeugd. Nooit meer zal ik al het levende treffen,
zoals ik gedaan heb." Hij tekende een regenboog en verscheen daarin aan
Noach om hem te beloven dat hij niet nogmaals vloek zou brengen over de
aarde. De regenboog is het eeuwigdurende symbool van deze belofte. En
God zegende Noach en zijn zonen en zij zouden vruchtbaar zijn en zich
vermeerderen op aarde.