Om
de kinderen te laten kennismaken met de Bijbel werden er vroeger
schoolplaten gebruikt. Aan de hand van de afbeeldingen op de
schoolplaten kon de meester of de juf een verhaal uitleggen. Deze
manier van les geven werd ook wel aanschouwingsonderwijs genoemd.
Aanschouwen is een ander woord voor kijken. De meesten kennen het nog
wel denk ik, die oude schoolplaten die vroeger in het klaslokaal hingen
of uit een grote opbergkist achter in de klas tevoorschijn werden
gehaald. Het was vooral dán steeds weer een verrassing. Wij
kijken nu in de klas naar dia’s of een videofilm in plaats van
schoolplaten.
Wil je een overzicht van alle platen? Klik HIER

Verzoeking van Jezus in de woestijn van Judea
(Mattheus
4.1-11 en Marcus 1)
En Hij werd in de woestijn veertig dagen
verzocht door de satan
en Hij was bij de wilde dieren,
en de engelen dienden Hem.'
Je hoeft om te weten wat woestijn in de bijbel is, er niet geweest te
zijn. Woestijn, dat is in de bijbel een symbool. Het staat voor leven
op zijn minimum, de ervaring van het naakte bestaan, zonder franje. Een
huwelijk dat verzandt, een school waar de sfeer verziekt is, een kerk
waar geen elan meer is te bespeuren, een samenleving, waar elke
solidariteit uit verdwenen is, en ieder leeft voor zich. Leven op zijn
minimum, leven in de woestijn. Leven is dan eigenlijk niet meer
dan overleven, survival of the fittest, je voortslepen naar de dag van
morgen, zonder de hoop dat het ooit nog beter wordt.
Israël weet er alles van. Veertig jaar had hun woestijnervaring
geduurd, lang genoeg om eeuwigheid te lijken en om voorgoed in het
gezamenlijke geheugen van het volk te worden gegrift. Leven op
zijn minimum, ze komen er uit vandaan. Ze weten wat het is te
moeten vechten om het naakte bestaan. Je hoeft het woord maar te noemen
en ze denken niet alleen letterlijk aan de hete, dorre zandvlakten die
hen omringen, maar aan die oertijd, waarin de basis voor hun bestaan
werd gelegd. Uit die woestijn zijn zij geboren, in die woestijn moeten
ze soms ook weer worden herinnerd om te weten wie ze ook al weer zijn,
waar ze vandaan komen: er voert geen rechtstreekse weg van de slavernij
in Egypte, het dodenland, naar het beloofde land van melk en
honing. Er is de omweg door de woestijn, de naakte strijd om het
bestaan, de nachtmerrie van gisteren, de angst voor morgen. Een
omweg waar je anders uit vandaan komt, dan je er in bent gegaan.
'Nu, dan kom je jezelf goed tegen', zeggen we tegenwoordig als we
het over zo'n woestijn ervaring hebben. Je wordt geconfronteerd
met je eigen gebreken en tekortkomingen, de fouten die je gemaakt hebt
en de onmacht ze weer goed te maken. Je komt jezelf tegen omdat je
eigenlijk twee zelven hebt: degene die je graag wilt zijn, je ideale
zelf en degene die je in werkelijkheid bent, je werkelijke zelf, dat
daar armoedig bij afsteekt. Jezelf tegenkomen, je hoorde het
menig Elfstedentochtrijder zeggen, die meer kilometers in zijn hoofd
dan in zijn benen had. Maar eigenlijk is dat een armoedige manier
van spreken. Want mensen die vechten om het bestaan komen niet alleen
zichzelf tegen, maar ook God. Ze vechten niet alleen met hun ideale
zelf, maar ook met hun Schepper die hen in het leven heeft gezet en hen
nu in de steek lijkt te laten. God, is dit het leven dat U voor mij
bedoeld had? En menigeen vervloekt in de woestijn zijn geboortedag, net
als Job het deed. Is het de goede God die je leven leidt, of is
het zijn grote tegenstander, want dat betekent het woordje Satan
letterlijk. Vechten om het bestaan, dat is vechten met God, dat is
vechten met het kwaad. En je weet niet van te voren wie je precies voor
je hebt.
Ook Jezus moet die omweg maken, ook hij moet door de woestijn. Dat
lijkt vreemd. Elk gewoon mens kent wel eens zo'n woestijnperiode,
ieder huis zijn kruis, zelfs voor de boffers in het leven, maar Jezus
dat is toch een Geval Apart. Een goddelijk geval apart.
Daar zal Marcus, die over die woestijn verhaalt, het roerend mee eens
zijn. Alles in de opening van zijn evangelie wijst erop dat hier de
Messias komt, de zoon van God. Marcus laat er geen misverstand
over bestaan en zet op hoge toon in. De eerste woorden worden als het
ware begeleid door trompetgeschal. 'Begin van het Evangelie van
Jezus Christus', zo opent hij. Evangelie, goed nieuws namens God.
Want God gaat opnieuw beginnen met zijn schepping. 'In den beginne
schiep God hemel en aarde', horen we in Genesis. Welnu, hier begint God
opnieuw. Je kunt het eerste hoofdstuk van Marcus eigenlijk lezen
als een tweede scheppingsverhaal. Een contrastverhaal. Het
eerste verhaal ging over Adam, de mens naar Gods hart, die woont in de
hof van Eden, daar waar het leven goed was. Het tweede
scheppingsverhaal gaat over Christus, de tweede Adam, zoon van God, in
wie Hij een welbehagen heeft. Hij leidt ons opnieuw naar het Rijk van
God vanuit de woestijn waar we in leven. We weten hoe het met Adam, de
eerste Adam, is afgelopen. Verdreven uit het paradijs, omdat hij
zich verborg voor God en dacht het wel met zichzelf, zijn ideale zelf
te kunnen redden. Hij verbrak de relatie met zijn Schepper en werd zijn
eigen schepper. Maar van toen af aan kwam hij zichzelf goed
tegen, om het zo meer eens weer te zeggen. Van toen af aan lag hij
overhoop met zichzelf, met anderen, met de schepping, met zijn
Schepper. Adam waar ben je? Geen antwoord. En we
weten het vervolg. Een verhaal van bloed, zweet en tranen. De hof
van Eden wordt een woestijn, leven dat geen leven mag heten, omdat het
alleen maar overleven is.
En precies uit die woestijn komt nu de tweede Adam, Christus onder ons.
De Geest Gods zweefde over de wateren, lezen we het eerste
scheppingsverhaal. De Geest, die de mens tot levend wezen maakt.
Dezelfde Geest zet zich nu neer op Jezus, de tweede Adam en drijft hem
in de woestijn. Drijven staat er, alsof Jezus zelf niets meer in
te brengen heeft. God zelf is aan het werk, als een stormwind gaat hij
tekeer, net als op de eerste scheppingsdag. Hij drijft Jezus, de nieuwe
mens, de woestijn in. De barre woestijn, dat is toch niks voor
een godenzoon? Kan de lieveling van God, de tweede Adam, niet
gewoon vanuit de hemel op aarde dalen, zonder deze omweg door de hel te
hoeven maken? Daar is hij toch veel te licht, te
engelachtig, voor gebouwd? Maar Marcus schrijft het 'begin van
Evangelie' en niet dat van Genesis. Er is tussentijds het een en
ander gebeurd. Evangelie is het verhaal van een God die ons tegemoet
komt, ook als wij van Hem weglopen, en ons opzoekt daar waar wij ons
bevinden. En dat is nu eenmaal zelden het paradijs, maar meestal het
leven op z'n smalst, inderdaad, de woestijn. 'God met ons' betekent:
God komt ons opzoeken in de woestijn. 'God met ons' wil zeggen: Hij
komt ons bestaan delen. God blijft niet zweven boven de wateren, hij is
niet alleen de God boven ons. Hij is de God naast ons, de God in ons
geworden, van lieverlee. Vandaar de woestijn. Op de eerste
scheppingsdag van de nieuwe mens, in wie God een welbehagen heeft, moet
hij de proef doorstaan waarvoor de oude mens bezweken is: hij moet het
gevecht aangaan met zichzelf, met God, met de machten van het
kwaad. Opnieuw komt een zoon van Israël in de woestijn. In
veertig dagen worden opnieuw veertig jaren herleefd.
'En Hij werd in de
woestijn veertig dagen verzocht door de satan en Hij was
bij de wilde dieren, en de engelen dienden Hem.'
In één zinnetje beschrijft Marcus wat Jezus, de mens naar
Gods hart, in de woestijn doormaakt. De andere evangelisten zijn daar
veel uitvoeriger over, we kennen hun verhaal. Zij spinnen de verzoeking
door de satan uit en maken er een heel verhaal van. Marcus doet dat
niet, hij is zuinig met zijn woorden. Alsof hij wil zeggen: het is
onbeschrijfelijk wat hij daar meemaakte, laat ik daar maar af
blijven. Wat daar gebeurde, was iets tussen Jezus en God. Maar
die ene regel is toch veelzeggend, en geeft veel te denken.
Wat overkwam Jezus in de woestijn? Wij zouden weer zeggen: daar kwam
hij zichzelf behoorlijk tegen. Maar dat is weer een armoedige
manier van spreken. Ik las het ook in een moderne kinderbijbel, die
probeert het verhaal bijdetijds te maken: dat Jezus het een poosje erg
moeilijk met zichzelf heeft gehad, daar. Maar dat is zo vlak gezegd, zo
dunnetjes. Het psychologiseert het evangelie omdat een modern mens zich
geen voorstelling meer kan maken van de Satan en van engelen. Maar we
doen het evangelie en ook onszelf te kort. Dan krijgt misschien
degene gelijk die schreef dat de grootste poets die de duivel ons kan
bakken is ons doen geloven dat hij niet bestaat. Want zijn wij wel
alleen in de wereld met onszelf ? Zijn er niet ook machten van
het kwaad die ons overstijgen, is er ook niet ook een macht van het
Goede die meer en groter is dan onszelf? Zijn zij niet buiten ons?
Vechten zij niet met ons, tegen ons, voor ons? Beschikken wij altijd
over ons leven, zijn wij wel zo autonoom als we ons voordoen, of zijn
we soms de speelbal van machten die boven ons uitgaan, ons
transcenderen? De verschrikkingen van de 20e eeuw wijzen daar
toch op? Wij, moderne mensen, hebben de wereld leeg gemaakt, van zijn
huiver en van zijn betovering ontdaan, door onszelf tot maat van alle
dingen te maken. Maar Jezus kwam niet zichzelf tegen in de woestijn.
Hij kwam Satan tegen, de grote Tegenstrever, de machten van het kwaad.
Hij kwam de wilde dieren tegen, de machten van de Natuur. Hij kwam de
engelen tegen, de macht van God.
Misschien kunnen we ons iets meer voorstellen bij wat hem overkwam als
we eens luisteren naar iemand die vaak aan den lijve de stilte van de
woestijn heeft meegemaakt. Jan van Baal was in de jaren veertig en
vijftig bestuursambtenaar en later gouverneur in Nederlands
Indië. Na die tijd werd hij hoogleraar in Leiden. Hij
schreef een boekje over Jezus waar hij zijn woestijnervaring vergelijkt
met die van hemzelf in de tropen. Hij schrijft over macht van de
stilte, de stilte als 'moeilijke metgezel.' 'Hier is natuurlijk
niet de stilte bedoeld, die de toerist een enkele keer tegenkomt, maar
de stilte die er altijd is, die iemand als een klamme deken om het lijf
hangt omdat ze onontkoombaar is.' ' Dat is de stilte die macht heeft.
Men kan trachten aan haar te ontkomen door luidkeels te gaan zingen,
maar het gebeurt ook, dat de eenzame wandelaar thuiskomt met een
verhaal over een griezelige ontmoeting. (...) zelf heb ik ervaren, hoe
op lange tochten doodsgedachten over de mens komen. (...) [ de stilte]
wordt overweldigend. Zij vult alle hoeken. Wie zich daarvoor
openstelt en luistert, die kan het overkomen dat hij zich plotseling
geconfronteerd weet aan een alles en allen omvattende macht, die ook
hemzelf met haar geheimzinnige grootheid doordringt, hem in zich
opneemt, en overtuigt van de presentie van het mysterie. Het is een
ontmoeting, die in woorden niet te beschrijven valt. (...) Naar die
stilte werd Jezus gezonden. De evangeliën zijn daar summier
over. Zij geven alleen aan, dat hem zowel de verschrikking als de
verrukking van de stilte ten deel gevallen zijn.
Jezus komt meer dan zichzelf tegen; hij ondergaat het mysterie van God.
Engelen dienen hem staat er. God omringt Hem met zijn goede
zorg. Maar hij wordt ook verzocht door Satan, de tegenspeler van
God. Vervloek je geboortedag, zeg dat het leven alleen een 'struggle
for life' is, honger naar macht. Winnen of verliezen, eten of gegeten
worden, verder niks. En hij komt de wilde dieren tegen, de
machten van de natuur temidden waarvan we leven, maar die ons zo vreemd
en vijandig kunnen zijn. '... en Hij was bij de wilde dieren' -
dat zinnetje heeft alleen Marcus. De andere evangelieschrijvers hebben
dat laten vallen. Het staat er onopvallend en geheimzinnig. Wat wil
Marcus daarmee zeggen? Wat moeten die dieren daar, naast de engelen en
Satan? De bijbelcommentatoren hebben daar door de eeuwen heen hun hoofd
over gebroken. De meesten onder hen brachten de wilde dieren in
verband met de woestijn. Ze zijn gevaarlijk en bedreigend, handlangers
van de duivel, en zo onderstrepen ze a.h.w. het 'unheimische' van
de woestijn. Dat 'Jezus was met de wilde dieren' betekent, dat
hij net als Daniël in de leeuwenkuil geen last van ze had.
Het kwaad had geen vat op hem. Maar misschien moeten we het zinnetje
niet zo mager lezen, maar mogen we het positiever en veel
diervriendelijker opvatten. 'Hij was met de wilde dieren'
betekent dan dat Hij in vrede en vriendschap met hen kon leven. Net als
bij de eerste Adam voor de zondeval, worden de dieren naar deze mens,
de nieuwe Adam, gebracht, om te zien hoe hij ze noemen zou, en
leeft hij met hen in harmonie. (Gen. 2, 19) Zo zal het ook zijn aan het
einde der tijden, als het Vrederijk van God komt. ' dan zal de wolf bij
het schaap verkeren en de panter zich nederleggen bij het bokje (...)
dan zal een zuigeling bij het hol van een adder spelen en naar het nest
van een giftige slang zal een gespeend kind zijn hand uitstrekken.'
(Jes. 11, 6vv.; vgl. Ps. 8: 6vv.) Het vrederijk van God is niet alleen
goed nieuws voor de mensen, maar ook voor de dieren en voor hun
samenleven. Dat zouden we vandaag in onze omgang met dieren niet moeten
vergeten.
Veertig dagen blijft Jezus in de woestijn. Veertig dagen verkeert hij
met God, met het kwaad, met de natuur. En wat de eerste Adam niet wilde
en lukte, wil en lukt de tweede Adam, Christus wel: hij weet het kwaad
van zich te weren, sluit vriendschap met de natuur, en keert zich niet
af van God. Hij deed dat niet voor zichzelf. De beproeving was geen
krachtproef om zichzelf te bewijzen. Hij deed het voor ons. Als
hij straks uit de woestijn komt, komt hij naar de mensen en predikt hen
de nabijheid van God als Vader. Dat is ongehoord: tegen mensen in
de woestijn vertellen dat God geen vijand is en het leven meer dan
alleen een strijd om te overleven, oorlog van allen tegen allen; Met
jezelf laten zien dat God een vriend is en dat er vrede mogelijk is met
God, mensen en dieren - dat is werkelijk 'begin van het
evangelie'. Marcus had zijn verhaal niet beter kunnen beginnen.