Bijbelverhalen
De Bijbel is niet een
boek
wat je zomaar even van kaft tot kaft leest. Het kan lastig zijn om je
weg door de Bijbel te vinden, als je niet weet wat zich wanneer heeft
afgespeeld. Deze site kan je helpen om de Bijbel beter te leren kennen.
Ontdek de bron van vrede, het Woord van God:
Een aantal verhalen
1 - De schepping.
In het begin heeft God de hemelen en de aarde gemaakt. De aarde was
woest en leeg en de Geest van God zweefde boven de watermassa. Over de
watermassa lag een diepe duisternis. Toen zei God: "Laat er licht
zijn." En toen was er licht. Het beviel God en Hij maakte een
duidelijke scheiding tussen het licht en het donker. Het licht noemde
Hij 'dag' en het donker 'nacht'. Het werd avond en het werd weer
morgen: de eerste dag.
Toen zei God: "Laat de watermassa uit elkaar gaan, zodat de wolkenhemel en de zeeën worden gevormd." Zo maakte God de wolkenhemel, door de watermassa te verdelen tussen hemel en aarde. Het werd avond en het werd weer morgen: de tweede dag.
Daarna zei God: "Laat het water onder de hemel samenstromen in zeeën en het droge land zichtbaar worden." En dat gebeurde. God noemde het droge land 'aarde' en het samengestroomde water 'zeeën'. God zag dat het goed was. En God zei: "Laten er allerlei gewassen, zaaddragende planten en vruchtbomen met zaad in hun vruchten op aarde groeien. De zaden zullen steeds weer planten en bomen voortbrengen." Dat gebeurde en ook nu was het goed, zag God. Het werd avond en weer morgen: de derde dag.
Toen zei God: "Ik wil dat er heldere lichten aan de hemel verschijnen om de aarde te verlichten en het verschil tussen dag en nacht aan te geven. Die lichten zullen de vaste tijden regelen en de dagen en jaren aangeven." En zo gebeurde het. God maakte twee grote lichten, de zon en de maan, die de aarde moesten verlichten. Het grootste licht, de zon, beheerste de dag en het kleinere, de maan, beheerste de nacht. Tegelijkertijd maakte God de sterren. Hij plaatste de lichten aan de hemel om de aarde te verlichten, dag en nacht aan te geven en het donker van het licht te scheiden. God zag dat het goed was. Dit alles gebeurde op de vierde dag.
Vervolgens zei God: "Ik wil dat de zeeën wemelen van vis en ander leven en laat de lucht vol zijn met allerlei soorten vogels." Zo maakte God de grote zeedieren, allerlei vissen en vogels, elk naar hun eigen aard. En Hij keek er met welgevallen naar en zegende ze. "Vermenigvuldig je en bevolk de zeeën", zei Hij tegen hen en tegen de vogels zei Hij: "Zorg dat jullie aantal groeit, zodat de aarde vol wordt." Nadat het avond was geweest, werd het weer morgen: de vijfde dag.
God zei toen: "Laat de aarde dieren voortbrengen; vee, kruipende dieren en allerlei wilde dieren." En weer gebeurde wat Hij had gezegd. God maakte alle soorten wilde dieren, vee en kruipende dieren, elk naar hun eigen soort. God zag dat ook dat goed was. Toen zei God: "Laat Ons mensen maken die op Ons lijken en kunnen heersen over alle dieren op aarde, in de zeeën en in de lucht." God schiep daarop de mens als Zijn evenbeeld. Als man en vrouw schiep Hij hen. God zegende hen en zei: "Vermenigvuldig je, bevolk de aarde en onderwerp haar. Heers over de vissen, de vogels en alle andere dieren. Kijk om je heen! Overal op aarde staan zaaddragende planten en vruchtbomen, die Ik jullie tot voedsel geef. Al het gras en de planten heb Ik als voedsel aan de dieren en de vogels gegeven." Toen overzag God alles wat Hij gemaakt had en het was heel goed. Zo eindigde de zesde dag. Zo werden de hemelen en de aarde en alles wat leeft gemaakt.
Op de zevende dag
rustte God na afloop van Zijn scheppend werk. Hij zegende die zevende
dag en maakte hem tot een bijzondere, heilige dag, omdat Hij die dag
Zijn scheppingswerk besloot. Dit is een samenvatting van het werk dat
de HERE God verrichtte toen Hij de hemelen en de aarde heeft gemaakt.
Er waren nog geen planten of gewassen opgekomen uit de aarde, omdat de
HERE God het nog niet had laten regenen. Ook was er nog niemand, die
het land kon bewerken. Er steeg echter een damp uit de aarde op, die
het land bevochtigde. Toen vormde de HERE God het lichaam van de mens
uit stof van de aarde en blies hem de levensadem in. Zo werd de mens
een levend wezen. De HERE God plantte een hof in Eden, in het oosten en
bracht de mens, die Hij had geschapen daarheen. In de hof plantte Hij
prachtige fruitbomen. Midden in de hof plaatste Hij de boom van het
leven en de boom van de kennis van goed en kwaad. Vanuit Eden vloeide
een rivier door de hof, die hem vruchtbaar maakte en zich daar in vier
rivieren splitste. Eén rivier heet de Pison en stroomt rond
het land Havila, bekend om zijn goud, balsemhars en het edelgesteente
chrysopraas. De tweede rivier heet Gihon en stroomt door het land
Ethiopië. De derde rivier is de Tigris en stroomt naar het
oosten van Assur. De vierde rivier is de Eufraat. De HERE God plaatste
de mens in de hof van Eden om de zorg daarvan op zich te nemen en de
hof te bewerken. Maar Hij waarschuwde de mens: "Je mag van alle bomen
in de hof eten, maar niet van de boom van de kennis van goed en kwaad.
Want als je daarvan eet, zul je zeker sterven." En de HERE God zei:
"Het is niet goed voor de mens alleen te zijn. Ik zal iemand maken met
wie hij zijn leven kan delen en die hem kan helpen." De HERE God maakte
uit het stof dieren en vogels en bracht ze bij de mens om te zien hoe
hij ze zou noemen. De naam die hij koos, zou voor altijd hun naam
blijven. Maar geen van deze dieren was geschikt als helper voor Adam.
Toen liet de HERE God Adam in een diepe slaap vallen, nam een rib uit
zijn lichaam en sloot de plaats waaruit Hij de rib had genomen. Uit die
rib maakte Hij een vrouw en Hij bracht haar bij de mens. "Ja, dit is
wat ik nodig had!" riep Adam blij uit, "zij is echt een deel van mijn
lichaam. Ik zal haar mannin noemen, omdat zij is genomen uit de man."
Dit verklaart waarom een man zijn vader en moeder verlaat, zich bij
zijn vrouw voegt en werkelijk één met haar wordt.
Hoewel de man en de vrouw allebei naakt waren, hinderde hen dat niet,
want zij kenden geen schaamte.
2 -
De zonde komt in de wereld.
De slang was listiger dan alle andere dieren, die de HERE God had
gemaakt. Hij zocht de vrouw op en vroeg: "God heeft jullie zeker wel
verboden van de bomen in de hof te eten, hè?" "Nee hoor",
antwoordde de vrouw, "wij mogen van alle bomen eten, behalve van die in
het midden van de hof. Wij mogen hem zelfs niet aanraken, want dan
zullen wij sterven." "Dat is een leugen", zei de slang, "je zult niet
sterven. God zegt dat alleen, omdat Hij weet dat jullie aan Hem gelijk
zullen zijn als je daarvan eet. Je ogen zullen open gaan en evenals God
zul je het onderscheid kennen tussen goed en kwaad." De vrouw liet zich
ompraten. Zij keek naar de boom en zag dat de vrucht eetbaar was en er
prachtig uitzag. Die vrucht kon haar verstandig maken! Ze plukte wat
vruchten en at ervan. Zij gaf ook haar man van de vruchten en hij at er
ook van.
Toen zij dat hadden gedaan, viel het hun opeens op dat ze naakt waren en zij schaamden zich. Van bladeren van een vijgeboom maakten ze schortjes en hingen die om hun middel. Die avond hoorden zij de HERE God door de hof wandelen en zij verborgen zich snel tussen de bomen. De HERE God riep: "Adam, waar ben je?" Adam antwoordde benepen: "Ik hoorde U en toen werd ik bang, want ik wilde niet dat U mij naakt zou zien. Daarom verstopte ik me." "Wie heeft je verteld dat je naakt bent?" vroeg de HERE God. "Of heb je soms gegeten van de boom waarvoor Ik jullie had gewaarschuwd?" "Ja", bekende Adam, "maar de vrouw die U mij hebt gegeven, heeft de schuld. Zij heeft mij ervan gegeven en toen heb ik ervan gegeten." De HERE God wendde Zich tot de vrouw en vroeg: "Hoe kon je dat nu doen?" Maar ook zij schoof de schuld van zich af. "De slang heeft mij bedrogen en verleid", zei zij.
Toen zei de HERE God tegen de slang: "Ik zal je hiervoor straffen. Onder alle dieren op aarde zul jij een vervloekte zijn! Je hele verdere leven zul je op je buik door het stof kruipen. De vrouw en jij, en al jullie nakomelingen, zullen voortaan vijanden zijn. Eén van haar nakomelingen zal je de kop vermorzelen en jij zult zijn hiel verbrijzelen." Na die woorden zei God tegen de vrouw: "Voortaan zul je met veel pijn en moeite kinderen krijgen. Je zult verlangen naar je man en hij zal jouw meester zijn!" Tegen Adam zei Hij: "Omdat je naar je vrouw hebt geluisterd en ondanks mijn waarschuwing toch van de boom hebt gegeten, zal Ik de aardbodem vervloeken. Voortaan zul je hard moeten werken om in leven te blijven. Er zullen dorens en distels groeien en je zult de gewassen van het veld eten.
Tot de dag van je
dood zul je zwetend het land bewerken om te kunnen leven. Dan zal je
lichaam vergaan tot het stof van de aarde. Want uit stof ben je gemaakt
en tot stof zul je weer worden." En de man noemde zijn vrouw Eva,
moeder van alle levenden, omdat uit haar alle mensen zouden worden
geboren. De HERE God maakte van dierenhuid kleding voor Adam en zijn
vrouw. "Door te eten van de boom van de kennis van goed en kwaad is de
mens gelijk geworden aan één van Ons. Als hij nu
van de boom van het leven eet, zal hij ook nog voor altijd leven", vond
de HERE God. Daarom verbande Hij de mens voor altijd uit de hof van
Eden en stuurde hem weg om het land te bewerken, waaruit hij was
voortgekomen. God verdreef de mens en plaatste een engel met een
vlammend zwaard ten oosten van de hof om de toegang tot de boom van het
leven te bewaken.
3 -
Kaïn en Abel.
Adam had gemeenschap met Eva en zij raakte in verwachting. De zoon die
werd geboren, noemden zij Kaïn. "Want", zei Eva, "met hulp van
de HERE heb ik een man ter wereld gebracht." Hun volgende kind was ook
een zoon, Abel. Abel werd schaapherder en Kaïn legde zich toe
op de landbouw. Na verloop van tijd brachten Kaïn en Abel
beiden een offer aan de HERE. Kaïn een deel van zijn oogst,
maar Abel bracht van het beste van zijn kudde, ook het vet. De HERE
accepteerde het offer van Abel, maar dat van Kaïn niet.
Kaïn voelde zich vernederd en werd boos. Zijn gezicht vertrok
van woede. "Waarom ben je boos?" vroeg de HERE hem. "Waarom trek je
zo'n kwaad gezicht? Je zou vrolijk kunnen kijken als je maar doet wat
goed is. Maar als je weigert te gehoorzamen, moet je oppassen. Want de
zonde ligt op de loer, klaar om je leven te vernietigen. Als je wilt,
kun je hem echter overwinnen." Op een dag stelde Kaïn Abel
voor de velden in te gaan.
Toen ze daar samen
liepen, overmeesterde Kaïn zijn broer en vermoordde hem. Maar
kort daarna vroeg de HERE aan Kaïn: "Waar is je broer? Waar is
Abel?" "Hoe weet ik dat nu?" antwoordde Kaïn ontwijkend. "Moet
ik dan altijd op hem passen?" Maar de HERE zei: "Wat heb je gedaan? Het
bloed van je broer roept naar Mij vanaf de aarde! Van nu af aan verban
Ik je van de grond, waarop het bloed van je broer heeft gevloeid. Hoe
je ook zwoegt en ploetert, de aarde zal je nooit voldoende opleveren.
Voortaan zul je een vluchteling zijn, die van de ene naar de andere
plaats zwerft." "Deze straf is zwaarder dan ik kan dragen!"
protesteerde Kaïn. "U verjaagt mij van mijn grond en uit Uw
nabijheid. U maakt mij een dakloze zwerver en ieder die mij ziet, zal
proberen mij te doden!" Maar de HERE antwoordde: "Niemand zal je doden,
want degene die dat doet, zal Ik zevenmaal zwaarder straffen dan Ik jou
heb gedaan." En de HERE plaatste een merkteken op Kaïn als
waarschuwing aan anderen dat ze hem niet mochten doden. Zo verliet
Kaïn de HERE en vestigde zich in het land Nod, ten oosten van
Eden.
4 -
De ark van Noach
Maar de HERE bekeek met afkeer het zondige gedrag van de mensen. Van al
hun voornemens zag Hij dat de opzet boos was. Daarom had Hij er
verdriet van dat Hij hen had geschapen. Zijn onderdanen ontspoorden en
Hij was er intens verdrietig over. Hij zei: "Ik zal ze uitroeien. Niet
alleen de mensen, maar ook alle dieren, kruipende dieren en de vogels.
Ik had ze nooit moeten maken." Maar in Noach had de HERE een
welbehagen. Hier volgt de geschiedenis van Noach, de enige
rechtvaardige en oprechte man op aarde. Hij deed echt zijn best te
leven zoals God het wilde. Hij had drie zonen: Sem, Cham en Jafeth. In
de loop van de tijd werden de mensen steeds slechter en gewelddadiger
in de ogen van God. Met al die slechtheid en verdorvenheid voor ogen
zei Hij tegen Noach: "Ik heb besloten de hele mensheid uit te roeien,
want zij is de schuld van alle geweld en slechtheid. Ja, Ik zal de
bewoners van de aarde vernietigen.
Bouw een ark van acaciahout en bestrijk het hout met pek om het waterdicht te maken. Verdeel hem in dekken en onderkomens. Maak hem 135 meter lang, 22, 5 meter breed en 13, 5 meter hoog. Maak er een lichtsleuf in, die 45 centimeter onder het dak rond het hele schip loopt en verdeel het schip in drie dekken, een beneden, midden en bovendek. In de zijkant van het schip moet u de ingang maken. Ik zal namelijk een enorme watervloed over de aarde laten gaan, die alle levende wezens zal doden. Iedereen en alles zal sterven. Maar Ik beloof u dat u in het schip veilig zult zijn met uw vrouw, uw zonen en hun vrouwen. Voordat de vloed komt, moet u van elk dier een mannetje en een vrouwtje aan boord nemen, zodat die de vloed overleven. Van elke vogel, van elk soort vee, elk kruipend of ander dier moet een paar aan boord zijn. Zorg verder voor al het voedsel dat uw familie en de dieren nodig hebben." Noach volgde alle aanwijzingen van God op.
De dag brak aan waarop de HERE tegen Noach zei: "Ga met uw familie aan boord van de ark, want u bent de enige rechtvaardige tussen al die anderen, die de aarde bewonen. Neem ook de dieren aan boord; van elke soort één paar, uitgezonderd de dieren, die Ik heb bestemd tot voedsel en offer. Van die dieren moet u zeven paar aan boord nemen, evenals van de vogels. Op die manier zullen ze na de grote watervloed hun soort in stand houden. Over een week zal het gaan regenen. Veertig dagen en nachten achter elkaar. Alle levende wezens, die Ik heb gemaakt en die op het droge leven, zullen sterven." Noach volgde al de bevelen van de HERE op. Hij was 600 jaar oud toen de vloed over de aarde kwam en hij ging met zijn vrouw, zijn zonen en hun vrouwen in de ark om aan de vloed te ontkomen. Alle dieren, zowel zij, die bestemd waren als offerdieren en eetbare dieren, als de andere soorten, kwamen in paren naar de ark: mannetjes en vrouwtjes, precies zoals God het Noach had gezegd.
Een week later, toen Noach 600 jaar oud was, op de zeventiende dag van de tweede maand, stroomde de regen uit de hemel neer en braken de ondergrondse watermassa's open. En dat gedurende 40 dagen en nachten! Maar Noach was die dag met zijn vrouw, hun zonen Sem, Cham en Jafeth en hun vrouwen aan boord van de ark gegaan. Bij hen in de ark zaten alle diersoorten, zowel wilde dieren als vee, kruipende dieren en vogels. Ze kwamen twee aan twee, mannetjes en vrouwtjes, precies zoals God het had bevolen. Toen sloot de HERE God de toegang tot de ark. Veertig dagen lang raasde de enorme watervloed over de aarde, bedekte alles en nam de ark hoog op zijn golven mee. Het water steeg en steeg, maar de ark bleef veilig drijven.
Tenslotte bedekte het water ook de hoogste bergen. Het stond zeven meter boven de hoogste bergtoppen. En alle levende wezens op aarde verdronken: vogels, vee, wilde en kruipende dieren en alle mensen; alles wat ademde en op het land leefde.God vernietigde alles, uitgezonderd Noach en zijn familie die in de ark waren. De watervloed bedekte de aarde 150 dagen lang. Maar God had Noach en de dieren in de ark niet vergeten! Hij stuurde de wind over het water en langzaam begon het water te zakken. De ondergrondse wateren keerden weer terug naar hun normale loop en de zware regens hielden op. Het water zakte totdat (150 dagen na het begin van de regens) de ark op de toppen van de Ararat bleef rusten.
Drie maanden later kwamen ook de andere bergtoppen boven het zakkende water uit. Na nog eens 40 dagen opende Noach het venster, dat hij in de ark had gemaakt en liet een raaf los. Deze vloog heen en weer, net zolang tot de aarde weer droog was. Daarna liet Noach een duif los om te kijken of de aarde al droog was, maar de duif vond nergens een plek om neer te strijken en vloog terug naar de ark. Het water stond nog te hoog. Noach stak zijn hand uit en zette de duif weer terug in de ark. Een week later probeerde Noach het nog eens. De duif vloog weg om tegen de avond terug te keren met een olijfblad in haar snavel. Zo wist Noach dat het water bijna weg was. Na een week liet hij de duif nog een keer los en nu kwam zij niet meer terug.
Dagen later opende Noach de deur van de ark en zag dat het water zich had teruggetrokken. 14 Er gingen nog eens acht weken voorbij voordat de aarde helemaal droog was. Toen zei God tegen Noach: "U mag de ark verlaten. Laat alle dieren, de vogels, het vee en alle kruipende dieren los, dan kunnen zij zich weer voortplanten en de aarde vullen." Noach, zijn vrouw, hun zonen en hun vrouwen verlieten het schip. De dieren en de vogels deden hetzelfde. In paren en groepen kwamen zij uit de ark.
Toen bouwde Noach een altaar en offerde een aantal dieren en vogels, die de HERE had aangewezen als offerdieren. De HERE had een welgevallen aan Noachs offer en zei bij Zichzelf: "Ik zal nooit meer zoiets doen. Nooit zal Ik de aarde meer zo zwaar vervloeken en alle levende wezens vernietigen. Ook al is de mens vanaf zijn vroegste jeugd geneigd het slechte te doen en zondigt hij nog zoveel. Zolang de aarde blijft bestaan, zullen zaaitijd en oogsttijd, koude en warmte, winter en zomer, dag en nacht niet ophouden." God zegende Noach en zijn zonen en zei hun dat zij veel kinderen zouden voortbrengen, zodat de aarde weer werd bevolkt. "Alle wilde dieren, de vogels en de vissen zullen bang voor u zijn", vertelde God Noach, "want Ik heb ze in uw macht gegeven. Voortaan zullen zij een deel van uw voedsel zijn, net zoals het koren en de groenten. Maar één ding mag u nooit doen: vlees eten voordat het bloed eruit is weggelopen. En ook moord is verboden. Dieren die mensen doden, moeten worden gedood, net zoals mensen die het bloed van andere mensen vergieten. Want als u het bloed van een mens vergiet, doodt u iemand die het evenbeeld van God is. Ja, zorg dat u veel kinderen krijgt en bevolk de aarde."
Toen zei God tegen
Noach en zijn zonen: "Ik beloof u en uw kinderen en alle dieren, die
bij u in het schip waren (de vogels, het vee en de wilde dieren)
plechtig dat Ik de aarde nooit meer zal verwoesten met een grote
watervloed. Als teken van dat verbond tussen Mij en alle levende wezens
die na u op aarde zullen wonen, plaats Ik de regenboog in de wolken.
Als Ik de wolken langs de hemel laat glijden, zal de regenboog
verschijnen en Mij aan mijn belofte herinneren: nooit meer een
watervloed, die alle leven vernietigt. Als de regenboog aan de hemel
staat, zal Ik hem zien en denken aan het eeuwigdurende verbond tussen
Mij en alle levende wezens op aarde."
5 -
De verwoesting van Sodom
"Moet Ik mijn plannen eigenlijk wel voor Abraham verbergen?" vroeg de
HERE Zich af. "Want uit Abraham zal een groot volk voortkomen en hij
zal een bron van zegeningen voor alle volken zijn. Ik heb hem
uitgekozen. Zijn kinderen en verdere nakomelingen zullen mijn naam in
ere houden, zodat Ik hun alles kan geven wat Ik heb beloofd." Daarom
zei de HERE tegen Abraham: "Ik heb gehoord dat de inwoners van Sodom en
Gomorra erg slecht zijn en zwaar zondigen. Ik ga er nu heen om te zien
of dat inderdaad zo is of niet. Ik zal het te weten komen." Terwijl die
mannen doorliepen naar Sodom, bleef Abraham nog voor de HERE staan.
Abraham kwam nog dichter bij en vroeg: "Gaat U de goeden tegelijk met
de slechten doden? Stel nu dat er 50 rechtvaardige mensen onder de
inwoners zijn. Moet U dan de rest niet sparen terwille van die 50? Dat
kunt U toch niet doen? U kunt ze toch niet over
één kam scheren? De Rechter van de wereld is toch
een rechtvaardige rechter?" De HERE antwoordde: "Als Ik 50
rechtvaardige mensen kan vinden, zal Ik terwille van hen de hele stad
sparen." Abraham nam opnieuw het woord. "Ik heb nu mijn mond
opengedaan, dus ik zal ook doorpraten, ook al ben ik maar een
stoffelijk mens, die tegen de HERE spreekt. Stel dat het er maar 45
zijn? Zult U de stad vernietigen, omdat het er maar 45 zijn? Zult U de
stad vernietigen, omdat het er vijf minder zijn?" "Ik zal de stad niet
vernietigen als het er 45 zijn", zei de HERE. Abraham vervolgde: "En
als het er maar 40 zijn?" God antwoordde: "Ik zal de stad niet
vernietigen als Ik er 40 vind." "Word alstublieft niet boos", pleitte
Abraham, "als ik zeg: wat als het er maar 30 zijn?" En God antwoordde:
"Ik zal niets vernietigen als het er 30 zijn." Toen zei Abraham: "Nu ik
heb gewaagd tegen de HERE te spreken, kan ik ook verder spreken. Stel
dat er maar twintig rechtvaardigen zijn?" En God zei: "Terwille van die
twintig zal Ik de stad laten voortbestaan." "Dit is echt de laatste
keer dat ik U iets vraag, HERE", kwam Abraham nog een keer, "maar wat
doet U als het er tien zijn?" En weer zei de HERE: "Ik zal de stad niet
verwoesten als Ik tien rechtvaardigen vind." Na dit gesprek ging de
HERE bij Abraham weg. En Abraham ging terug naar zijn tent.
Die avond kwamen de
twee engelen bij de stadspoort van Sodom aan, waar Lot zat. Hij zag
hen, stond op en heette hen welkom. "Heren", zei hij, "kom naar mijn
huis en wees mijn gasten voor de nacht. Morgenochtend kunt u zo vroeg
opstaan als u wilt en uw weg vervolgen." "Bedankt voor uw aanbod",
antwoordden de twee engelen, "maar wij brengen de nacht liever op
straat door." Lot drong echter zo aan dat zij tenslotte met hem
meegingen. Hij bood hun een maaltijd aan, compleet met ongezuurde
broden. Na het eten, toen iedereen zich klaarmaakte voor de nacht,
omsingelden de mannen van Sodom (oud en jong) het huis en schreeuwden
naar Lot: "Laat je gasten eens naar buiten komen, dan kunnen wij ze
verkrachten!" Lot kwam naar buiten en sloot de deur achter zich.
Heren", zei hij, "kom naar mijn huis en wees mijn gasten voor de nacht.
Morgenochtend kunt u zo vroeg opstaan als u wilt en uw weg vervolgen."
"Bedankt voor uw aanbod", antwoordden de twee engelen, "maar wij
brengen de nacht liever op straat door."Lot drong echter zo aan dat zij
tenslotte met hem meegingen. Hij bood hun een maaltijd aan, compleet
met ongezuurde broden. Na het eten, toen iedereen zich klaarmaakte voor
de nacht, omsingelden de mannen van Sodom (oud en jong) het huis en
schreeuwden naar Lot: "Laat je gasten eens naar buiten komen, dan
kunnen wij ze verkrachten!" Lot kwam naar buiten en sloot de deur
achter zich."Toe, beste vrienden", drong hij aan, "dat kunnen jullie me
niet aandoen.Ik heb twee dochters, die nog maagd zijn, die kunnen
jullie wel krijgen. Daar mag je mee doen wat je wilt. Maar laat die
mannen met rust, want als gasten staan zij onder mijn bescherming."
"Wat zullen we nu krijgen", schreeuwden de mannen. "Ga opzij! Wil jij
(een vreemde) ons vertellen wat we wel en niet moeten doen? Pas maar
op, wat wij met die mannen gaan doen, zal nog kinderspel zijn,
vergeleken met wat we met jou zullen doen." Zij kwamen dreigend op Lot
af en probeerden de deur te forceren. Maar de twee mannen trokken Lot
snel naar binnen en gooiden de deur dicht. Tegelijk verblindden zij de
woeste menigte, zodat die de deur niet kon vinden. "Hoeveel
familieleden hebt u hier in de stad?" vroegen de engelen aan Lot. "Haal
ze bij elkaar, schoonzonen, zonen, dochters en anderen en verlaat de
stad dan zo snel mogelijk, want wij gaan haar vernietigen. De slechte
naam van de stad is tot de hemel doorgedrongen en de HERE heeft ons
gestuurd om haar te verwoesten." Toen zocht Lot de verloofden van zijn
dochters op en riep: "Snel, verlaat de stad, want de HERE gaat haar
verwoesten!" Maar zij geloofden hem niet. Bij het aanbreken van de
volgende dag kregen de engelen haast. "Schiet op", zeiden zij tegen
Lot. "Maak dat u wegkomt met uw vrouw en uw twee dochters, die hier in
huis zijn, nu het nog kan. Anders wordt u ook het slachtoffer van de
vernietiging van de stad!" Lot aarzelde nog, maar de engelen grepen
hem, zijn vrouw en zijn twee dochters bij de hand en renden de stad
uit. God wilde hen sparen. "Ren voor uw leven", drukten de engelen hen
op het hart. "Kijk niet om en vlucht naar de bergen. Hier op de vlakte
blijven zou uw dood betekenen!" Maar Lot stribbelde tegen: "Ach nee,
heren", smeekte hij, "nu u zo vriendelijk bent geweest mijn leven te
redden, laat mij dan alstublieft naar dat kleine stadje mogen vluchten
in plaats van naar de bergen, want ik ben bang dat het onheil mij dan
zal achterhalen. Kijk maar, dat stadje is dichtbij en maar klein. Ziet
u niet hoe klein het is? Daar zal ik mijn leven kunnen redden." "Goed",
zei de engel, "ik aanvaard uw voorstel en zal dat kleine stadje niet
verwoesten. Maar schiet wel op, want ik kan niets doen zolang u hier
staat." (Sinds die tijd heette het stadje Zoar: kleine stad). De zon
was al op toen Lot de kleine stad bereikte. Toen liet de HERE vuur en
brandend zwavel op Sodom en Gomorra regenen en vernietigde alle steden
en dorpen op de vlakte. Vele mensen, dieren en planten stierven. Maar
Lots vrouw keek tijdens de vlucht om en veranderde in een zoutpilaar.
Diezelfde ochtend was Abraham vroeg opgestaan en hij haastte zich naar
de plaats, waar hij voor de HERE had gestaan. Hij keek over de vlakte
naar Sodom en Gomorra en zag dikke rookwolken opstijgen uit de
puinhopen. Zo willigde God Abrahams verzoek, Lot te sparen, in en
haalde hem op tijd uit het gebied van de enorme vernietiging en massale
dood.
6 -
De tien woorden
Toen verklaarde de HERE: "Ik ben de HERE, uw God, Die u uit de
slavernij in Egypte heeft bevrijd. U mag geen andere goden aanbidden
dan Mij. U mag geen beeld of afbeelding maken van wat boven in de hemel
of op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is. U mag
niet voor dergelijke zaken buigen of deze vereren; want Ik, de HERE,
ben een jaloerse God, Die de zonden van de vaders toerekent aan de
kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen van hen die Mij haten.
Maar Ik ben liefdevol voor hen die van Mij houden en mijn wetten
gehoorzamen. U mag de naam van de HERE, uw God, niet zonder goede reden
gebruiken, want de HERE zal degene die dat wel doet, zeker straffen.
Onderhoud de sabbat als een heilige dag. Zes dagen moet u werken ,maar
de zevende dag is de sabbat van de HERE, een rustdag. Op die dag mag u
niet werken. En dat geldt ook voor uw zonen, dochters, slaven (man of
vrouw), vee en gasten. Want in zes dagen heeft de HERE de hemel, de
aarde, de zee en alles wat daarin leeft, gemaakt en Hij rustte op de
zevende dag. Daarom zegende de HERE de sabbat en maakte er een
bijzondere, heilige dag van. Heb eerbied voor uw vader en uw moeder,
dan krijgt u een lang en goed leven in het land dat de HERE, uw God, u
zal geven. U mag niemand doodslaan. U mag niet echtbreken. U mag niet
stelen. U mag geen leugens vertellen aan andere mensen. U mag niet
jaloers zijn op het huis van uw naaste en ook niet op zijn vrouw, zijn
slaaf, zijn slavin, zijn rund en zijn ezel of iets anders dat het
eigendom is van uw naaste."
7 -
De val van Jericho
Terwijl Jozua erover nadacht hoe hij de stad Jericho zou innemen, zag
hij een Man met een getrokken zwaard. Jozua liep naar Hem toe en vroeg:
"Bent u een vriend of een vijand?" "Geen van beide", antwoordde de Man,
"Ik kom als de Aanvoerder van het hemelse leger van de HERE." Jozua
viel in aanbidding voor Hem op de grond en zei: "Welke opdracht heeft
de Here voor mij?" "Trek uw schoenen uit", droeg de Aanvoerder hem op,
"want dit is heilige grond." Jozua deed dat. De poorten van Jericho
werden zorgvuldig gesloten gehouden, omdat de inwoners bang waren voor
de Israëlieten; niemand mocht naar binnen of naar buiten. Maar
de HERE zei tegen Jozua: "Jericho, zijn koning en al zijn machtige
strijders zijn al verslagen, want Ik heb hen in uw macht gegeven! Uw
hele leger moet zes dagen lang één keer per dag
om de stad heen trekken, gevolgd door zeven priesters, die voor de ark
uit lopen en ieder een ramshoorn dragen. Op de zevende dag moet u
zevenmaal rond de stad trekken, terwijl de priesters op hun ramshoornen
blazen. Wanneer zij dan een lang, hard geschal laten horen, moet het
hele volk hard juichen, waarna de muren van de stad zullen instorten.
Daarna moet u van alle kanten de stad binnenvallen." Jozua riep daarop
de priesters bijeen en gaf hun de nodige bevelen. De gewapende mannen
moesten de stoet aanvoeren, gevolgd door de zeven priesters, die de
ramshoornen bliezen. Achter hen moesten dan de priesters lopen die de
ark droegen, gevolgd door de achterhoede. Jozua beval het volk: "Er
moet volledige stilte in acht worden genomen. Laat niemand zijn mond
opendoen tot ik u zeg dat u moet juichen; juich dan!" De ark werd die
dag rond de stad gedragen, waarna iedereen terugkeerde naar het kamp om
er de nacht door te brengen. Toen het de volgende morgen licht werd,
maakten zij weer een rondgang. Daarna keerde iedereen terug naar het
kamp. Dit deden zij zes dagen lang. Bij het aanbreken van de zevende
dag gingen zij weer naar de stad, maar nu liepen zij er zevenmaal
omheen in plaats van eenmaal. Bij de zevende keer lieten de priesters
een lang geschal horen en Jozua riep tot het volk: "Juich, de HERE
heeft ons de stad gegeven!" Vóór die tijd had
Jozua zijn mensen gezegd: "De stad en alles wat daarin is, moet voor de
HERE worden vernietigd, maar alleen de prostituée Rachab en
allen die in haar huis zijn, mogen in leven blijven omdat zij de
spionnen heeft beschermd. Vergrijp u niet aan al wat voor de HERE
vernietigd wordt. Als u zich iets als buit toeëigent, zal dit
rampzalige gevolgen hebben voor Israël. Alle zilveren, gouden,
koperen en ijzeren voorwerpen moeten aan de HERE worden gegeven en naar
Zijn schatkamer worden gebracht; al het overige moet worden vernietigd.
Toen de ramshoornen schalden, juichte het volk en daarop stortte de
stadsmuur in. De Israëlieten stroomden van alle kanten de stad
binnen en namen haar in. Zij vernietigden alles (mannen en vrouwen,
jong en oud; ossen, schapen, ezels) letterlijk alles. Toen zei Jozua
tegen de twee spionnen: "Kom uw belofte na. Zorg dat de
prostituée en haar familieleden in veiligheid worden
gebracht." De jongemannen gingen naar het huis en brachten Rachab, haar
ouders, broers en andere familieleden in veiligheid.
8 -
David en Goliath
Saul, de broers van David en de rest van het Israëlitische
leger lagen nog steeds bij het Terebintendal. De volgende morgen in
alle vroegte liet David de schapen onder de hoede van een andere herder
achter en vertrok met de geschenken. Hij bereikte de rand van het kamp
net op het moment dat het Israëlitische leger onder het slaken
van oorlogskreten naar het strijdtoneel trok. Even later stonden de
Israëlitische en Filistijnse troepen oog in oog met elkaar,
leger tegenover leger. David liet zijn bagage achter bij een
kwartiermeester en mengde zich snel onder de soldaten, op zoek naar
zijn broers. Terwijl hij met hen praatte en informeerde hoe het met hen
ging, zag hij hoe Goliath tussen de Filistijnse troepen naar voren kwam
en zijn uitdaging naar het Israëlitische leger uitschreeuwde.
24 Zodra zij hem zagen, begonnen de Israëlitische strijders
zich uit angst terug te trekken. "Heb je die kerel gezien?" vroegen de
soldaten. "Hij beledigt voortdurend het hele leger van Israël.
En heb je gehoord van de enorme beloning die de koning heeft uitgeloofd
voor de man die hem doodt? De koning zal hem één
van zijn dochters als vrouw geven en hem en zijn hele familie
vrijstellen van belastingen!" David wendde zich tot enkele anderen die
in de buurt stonden om te horen of dit werkelijk waar was. "Wat krijgt
de man die deze Filistijn doodt en een eind maakt aan zijn beledigingen
aan het adres van Israël?" vroeg hij hun. "Wie is die heidense
Filistijn trouwens dat hij de legers van de levende God uitdaagt?" En
ook hier kreeg hij hetzelfde antwoord. Maar toen Davids oudste broer
Eliab hem zo hoorde praten, werd hij boos. "Wat doe jij hier
eigenlijk?" wilde hij weten. "Moet jij niet op de schapen passen? Ik
weet wel wat jij van plan bent; je wilt natuurlijk de gevechten zien!"
"Wat heb ik misdaan?" vroeg David verongelijkt. "Ik stelde alleen een
paar vragen!" Hij liep naar enkele anderen, stelde hun dezelfde vraag
en kreeg opnieuw hetzelfde antwoord. Toen men eindelijk doorhad wat
David bedoelde en iemand dat aan koning Saul had verteld, liet Saul hem
bij zich brengen. David zei: "Wees niet bezorgd over deze Filistijn. Ik
zal met hem afrekenen." "Je weet niet wat je zegt", bracht Saul er
tegenin. "Hoe kan een jongen als jij vechten tegen deze Filistijn? Jij
bent nog veel te jong en hij is al van jongs af aan soldaat!" Maar
David hield voet bij stuk. Hij zei: "Ik heb wel meegemaakt, toen ik de
schapen van mijn vader hoedde, dat een leeuw of een beer opdook die een
lam greep. Ik ging hem achterna met een stok om het lam te bevrijden.
Toen hij mij aanviel, greep ik hem bij zijn kaak en sloeg hem dood. Ik
heb dat gedaan met leeuwen en beren en ik zal het ook met deze heidense
Filistijn doen, omdat hij de legers van de levende God heeft
uitgedaagd! De HERE, Die mij beschermde tegen de klauwen van leeuwen en
beren, zal mij ook beschermen tegen deze Filistijn!" Tenslotte gaf Saul
toe. "Goed, ga je gang maar", zei hij, "De HERE zal je beschermen!"
Hierna gaf hij David zijn eigen wapenrusting: een koperen helm en een
pantser. David trok het aan en deed enkele stappen om te voelen hoe het
zat, want hij had nog nooit een wapenrusting aangehad. "Ik kan me niet
bewegen", zei hij tegen Saul en trok alles weer uit. Toen pakte hij
vijf gladde kiezelstenen uit een beekje en deed die in zijn herderstas.
Zo ging hij op Goliath af, slechts gewapend met zijn herderstas en zijn
slinger. Goliath kwam ook naar voren, luid commentaar gevend op dat
jonge ventje met zijn rossige haar. "Ben ik soms een hond", donderde
hij tegen David, "dat je met een stok op mij afkomt?" En hij vervloekte
David in de naam van zijn goden. "Kom maar eens hier, dan zal ik je
vlees aan de vogels en de wilde dieren geven", brulde Goliath. David
schreeuwde ten antwoord: "U komt op mij af met een zwaard, een speer en
een schild, maar ik kom in de naam van de HERE van de hemelse legers en
van Israël; dezelfde God Die u hebt beledigd. De HERE zal u
vandaag overwinnen; ik zal u doden en uw hoofd afhakken; de lijken van
uw mannen zal ik aan de vogels en de wilde dieren geven. De hele wereld
zal weten dat er een God is in Israël! En Israël zal
leren dat de HERE niet afhankelijk is van wapens om Zijn plannen uit te
voeren; onze God heeft de strijd volledig onder controle! Hij zal u in
onze macht geven!" Terwijl Goliath dichterbij kwam, rende David hem
tegemoet. Al lopend pakte hij een kiezelsteen uit zijn herderstas en
deed die in zijn slinger. Hij slingerde de kiezel weg en raakte de
Filistijn op het voorhoofd. De steen drong de schedel binnen en de man
viel met zijn gezicht op de grond. Zo versloeg David de Filistijnse
reus met een slinger en een kiezelsteen. Omdat hij geen zwaard had,
rende hij naar Goliath, doodde hem met zijn eigen zwaard en hakte zijn
hoofd af. Toen de Filistijnen zagen dat hun beste kampvechter dood was,
draaiden zij zich om en sloegen op de vlucht.
9 -
De Heer is mijn herder (psalm 23)
Een psalm van David.
De HERE is mijn herder, dus heb ik alles wat ik nodig heb!
Hij laat mij uitrusten in een groene weide en wijst mij de weg langs
kabbelende beekjes.
Hij verfrist mijn innerlijk en leidt mij op de weg, waar Zijn recht
geldt, tot eer van Zijn naam.
Zelfs als ik door een donker dal moet lopen, ben ik niet bang, want U
bent dicht bij mij.
U bewaakt mij en gaat de hele weg met mij mee.
U bereidt heerlijk eten voor mij, waar mijn vijanden bij zijn.
U behandelt mij als een persoonlijke gast! U zegent mij overvloedig!
Uw goedheid, liefde en trouw mag ik mijn hele leven ervaren; en daarna
mag ik voor eeuwig bij U wonen in Uw huis.
10
- Het lied van de schepping (psalm 104)
Met hart en ziel wil ik de HERE prijzen. HERE, mijn God, wat bent U
groot! U bent omringd door pracht en majesteit. God kleedt Zich in het
licht alsof het een mantel is. De hemel wordt door Hem als een tent
opgezet. In de wateren maakt Hij Zijn zalen. De wolken zijn de wagen
waarop Hij rijdt en Hij wandelt op de vleugels van de wind. De
windrichtingen zijn Zijn boodschappers en het vlammende vuur dient Hem.
De aarde werd door Hem vast neergezet; zij zal niet omvallen. U hebt de
diepten van het water bedekt als met een kleed. Het water reikte zelfs
tot boven de bergen. Het stroomde weg op Uw gezag. Voor Uw stem (die
klonk als de dreiging van de donder) vloeide het snel weg. De hoge
bergen en de diepe dalen ontstonden precies waar U ze hebben wilde. U
hebt aan het water grenzen gesteld, die niet worden overschreden. De
aarde heeft niets meer te vrezen. God laat de bronnen ontspringen en
als kleine beekjes langs de berghellingen naar beneden klateren. Alle
dieren lessen hun dorst daaraan, ook de wilde ezels. De vogels nestelen
in de bomen langs de oevers en zingen het hoogste lied. God voorziet de
bergen van water. De aarde kan alleen maar vrucht dragen dank zij U.
God laat het gras groeien als voedsel voor het vee. Ook andere gewassen
voor de mensen, zodat zij brood kunnen eten. Ook de wijn komt zo uit de
aarde voort. Die doet de mensen goed. Ja, door brood en wijn worden de
mensen gezond en sterk. De ceders in de Libanon zijn van de HERE. Ook
zij ontvangen ruim voldoende water. De vogels nestelen erin. De
ooievaars hebben hun nesten in de cypressen. Hoog in de bergen leven de
steenbokken en de klipdassen kunnen veilig wonen op de rotsen. God laat
de maan en de zon op hun vaste tijden op en ondergaan. Wanneer U de
duisternis laat invallen, begint de nacht en alle dieren laten van zich
horen. Jonge leeuwen willen op jacht naar voedsel; zij vragen God hun
eten te geven. Wanneer het 's morgens licht wordt, gaan zij slapen in
hun hol. Dan beginnen de mensen te leven en te werken tot de avond
valt. U hebt zo geweldig veel gemaakt, HERE. U hebt alles met wijsheid
gemaakt. De hele aarde is vol van Uw schepping. De zee bijvoorbeeld.
Groot en uitgestrekt ligt zij daar vol kleine en grote dieren;
ontelbaar zijn ze. Er varen schepen op. De grote zeedraak, Leviathan,
leeft in de zee; die is als speelgoed voor U. Alles wacht op U. U geeft
elk dier op zijn tijd te eten. Als U hun dat geeft, bewaren zij het.
Als U eten geeft, zullen zij allemaal genoeg hebben. Maar als U niet
verschijnt, worden zij vernietigd. Als zij geen adem meer krijgen,
sterven zij. Dan worden zij weer stof. Als u evenwel Uw Geest stuurt,
worden zij gemaakt en alles op aarde lijkt nieuw te worden. De macht en
majesteit van de HERE blijven tot in eeuwigheid. De HERE is blij met
alles wat Hij heeft gemaakt. Als Hij naar de aarde kijkt, begint die te
trillen. Als Hij de bergen aanraakt, roken de vulkanen. Mijn leven lang
zal ik zingen voor de HERE. Zolang ik adem heb, zal ik lofliederen
zingen voor mijn God. Ik bid dat Hij Zich verheugt over mijn gedachten.
Ik zal altijd met vreugde aan de HERE denken. Eens zullen alle zondaren
en ongelovigen niet meer bestaan op deze aarde. Met hart en ziel prijs
ik de HERE. Hallelujah!
11
- De geboorte van Jezus
Omstreeks deze tijd gaf de Romein se keizer Augustus bevel dat in zijn
hele rijk een volkstelling moest worden gehouden. Quirinius was toen
gouverneur van Syrië. Iedereen moest naar de stad of het dorp
van zijn voorouders gaan om zich te laten inschrijven. En omdat Jozef
van David afstamde, moest hij naar Bethlehem in Judea, want daar had
David vroeger gewoond. Samen met Maria, zijn zwangere vrouw, verliet
hij Nazareth in Galilea om zich te laten inschrijven. Toen zij in
Bethlehem waren, moest Maria bevallen. Zij bracht haar eerste kind ter
wereld, een jongen. Zij wikkelde hem in doeken en legde hem in een
voerbak, want in de herberg van het dorp hadden Jozef en Maria geen
onderdak kunnen vinden. Die nacht kwam een engel van God bij enkele
herders, die buiten in het veld overnachtten en op wacht zaten bij hun
kudde. Door de verschijning van de engel werd de omgeving in een helder
licht gezet. De herders beefden van angst, maar de engel stelde hen
gerust. "Wees niet bang", zei hij, "want ik breng u het mooiste nieuws
dat u ooit hebt gehoord. Het is groot nieuws voor het hele volk.
Vandaag is in Bethlehem de Redder geboren: Christus, de Here. Ik zal u
vertellen hoe u Hem kunt herkennen: Het kindje ligt in doeken gewikkeld
in een voerbak." Plotseling kwam bij de engel een menigte andere
engelen die God loofden. Een hemels leger was het. "Ere zij God in de
hoge", zongen zij. "Vrede op aarde bij de mensen die naar Zijn wil
leven." Zodra de engelen naar de hemel waren teruggekeerd, zeiden de
herders tegen elkaar: "Kom! We gaan vlug naar Bethlehem. Nu de Here ons
dit verteld heeft, moeten wij zien wat daar gebeurd is." Zij liepen
snel naar het stadje, vonden Maria en Jozef en zagen het kind! Het lag
in een voerbak. Nadat zij het hadden gezien, gingen de herders overal
vertellen wat er was gebeurd en wat de engel over het kind had gezegd.
Ieder die hun verhaal hoorde, was verbaasd. Maria nam deze dingen stil
in zich op en dacht er veel over na. Later gingen de herders weer terug
naar hun kudde in het veld. Zij prezen God voor wat zij hadden gehoord
en gezien. Het was precies zoals de engel had verteld.
12
- De Bergrede
Op een dag, toen er weer heel veel mensen naar Hem toe kwamen, liep
Jezus de berg op en ging zitten. Zijn discipelen kwamen bij Hem. Hij
onderwees hun: "Gelukkig zijn zij die nederig zijn, want het Koninkrijk
van de hemelen is voor hen bestemd. Gelukkig zijn zij die verdriet
hebben, want zij zullen getroost worden. Gelukkig zijn de
zachtmoedigen, want de aarde is voor hen. Gelukkig zijn de mensen die
ernaar hunkeren dat Gods wil wordt uitgevoerd, want zij zullen volkomen
tevreden worden gesteld. Gelukkig zijn de mensen met een liefdevol en
helpend hart, want zij zullen zelf liefde ontmoeten en hulp ontvangen.
Gelukkig zijn de mensen die eerlijk en oprecht zijn, want zij zullen
God zien. Gelukkig zijn de mensen die vrede brengen, want zij zullen
zonen van God worden genoemd. Gelukkig zijn de mensen die vervolgd
worden omdat zij Gods wil doen, want het Koninkrijk van de hemelen is
voor hen. Gelukkig bent u als u beledigingen, vervolgingen, leugens en
laster te verdragen krijgt omdat u bij Mij hoort. Wees er blij om en
jubel het uit! Want in de hemel ligt een geweldige beloning voor u
klaar. Vroeger zijn de profeten immers ook zo vervolgd.U bent het zout
dat de wereld leefbaar moet houden. Maar als u uw invloed verliest, wat
moet er dan van de wereld worden? Weet u waar u dan nog goed voor bent?
Om weggegooid en vertrapt te worden.U bent het licht van de wereld; een
hoog gelegen stad die straalt in de nacht, kan iedereen zien.Men steekt
immers geen lamp aan om er vervolgens een emmer overheen te zetten? Die
lamp moet toch op een kandelaar staan en licht geven voor iedereen in
huis? Laat daarom ook uw licht voor alle mensen schijnen. Als zij dan
de goede dingen zien die u doet, zullen zij uw hemelse Vader eren.Denk
niet dat Ik ben gekomen om de wetten van Mozes en de woorden van de
profeten opzij te schuiven. Ik ben juist gekomen om er de volle
betekenis aan te geven. Ik zeg u met nadruk: Tot de hemelen en de aarde
vergaan, zal nog geen letter van de wet afgedaan hebben. Alles moet
eerst volbracht zijn. Wie tegen de mensen zegt dat het niet zo nauw
luistert (en zelfs maar het kleinste gebod afschaft) zal de kleinste
zijn in het Koninkrijk van de hemelen. Maar wie zich aan Gods wetten
houdt (en anderen leert dat ook te doen) zal groot zijn in dat
Koninkrijk. Want Ik waarschuw u. Als uw oprechtheid niet groter is dan
die van de godsdienstleraars en de Farizeeërs, komt u het
Koninkrijk van de hemelen niet eens binnen. Vroeger zei men: 'Wie
iemand vermoordt, moet sterven.' Maar Ik ga verder. Ik zeg: Als u kwaad
bent op uw broeder, wordt u veroordeeld. Als u hem uitscheldt, moet u
voor God terechtstaan. Stel dat u in de tempel voor het altaar staat om
God een offer te brengen. Als u zich daar dan herinnert dat uw broeder
iets tegen u heeft, moet u het offer naast het altaar laten liggen. Ga
eerst naar uw broeder, maak het met hem in orde en breng daarna pas uw
offer aan God. Zorg ervoor dat u het op tijd eens wordt met uw
schuldeiser. Want als hij u voor het gerecht sleept, wordt u misschien
wel in de gevangenis gegooid. En daar komt u pas weer uit als u de
laatste cent betaald hebt. De wet van Mozes zegt: 'U mag geen overspel
plegen.' Maar Ik zeg: Wie met begerige ogen naar een vrouw kijkt, heeft
in zijn hart al overspel met haar gepleegd. Als uw oog dus slechte
begeerten in u opwekt, ruk het dan uit en gooi het weg. Want het is
beter één lichaamsdeel kwijt te raken, dan zelf
in de hel te worden gegooid. En als uw hand u tot verkeerde dingen
brengt, hak hem dan maar af en gooi hem weg. Want het is beter
één lichaamsdeel kwijt te raken, dan zelf in de
hel terecht te komen. De wet van Mozes zegt: 'Als iemand van zijn vrouw
af wil, kan hij van haar scheiden. Maar hij moet haar wel een brief
meegeven, waarin staat dat zij niet langer zijn vrouw is.' Maar Ik zeg:
Als u zich van uw vrouw laat scheiden zonder dat zij met een andere man
gemeenschap heeft gehad, drijft u haar tot overspel. En wie met een
weggezonden vrouw trouwt, pleegt overspel. In de wet van Mozes staat
ook: 'U moet zich aan uw eed houden. Wat u voor God hebt gezworen, moet
u nakomen.' Maar Ik zeg: Zweer nooit! Zeg niet: 'Ik zweer bij de
hemel', want de hemel is de troon van God. Of: 'Ik zweer bij de aarde',
want de aarde is Gods voetenbank. Of: 'Ik zweer bij Jeruzalem', want
dat is de stad van de grote koning. Zeg ook niet: 'Ik zweer bij mijn
hoofd', want u kunt niet één haar wit of zwart
maken. Houdt u aan uw woord. Ja is ja en nee is nee. Als u uw woorden
kracht bijzet door een eed, klopt er iets niet. De wet van Mozes zegt:
'Wie iemand een oog uitsteekt, moet daarvoor boeten met zijn eigen oog.
Wie iemand een tand uit de mond slaat, moet daarvoor boeten met een
tand uit zijn eigen mond.' Maar Ik zeg u: Vergeld geen kwaad met kwaad.
Als iemand u een klap op de ene wang geeft, keer hem dan ook uw andere
wang toe. Als u voor het gerecht wordt gebracht en uw hemd moet
afstaan, geef dan ook uw mantel. Als iemand u dwingt iets een kilometer
te dragen, draag het dan twee kilometer. Als iemand u iets vraagt, geef
het hem. En als iemand iets van u wil lenen, weiger het dan niet. Er
wordt gezegd: 'Houd van uw vrienden en haat uw vijanden.'Maar Ik zeg:
Houd ook van uw vijanden! En bid voor wie u vervolgen! Als u dat doet,
bent u echt zonen van uw hemelse Vader. Want Hij geeft het licht van de
zon aan goede en slechte mensen. Hij laat het regenen voor schuldigen
en onschuldigen. Als u alleen maar houdt van mensen die ook van u
houden, krijgt u geen beloning. Dat doen zelfs bedriegers. Als u alleen
maar vriendelijk bent voor uw vrienden, doet u niets bijzonders. Dat
doet immers iedereen. Wees volmaakt, zoals ook uw hemelse Vader
volmaakt is." "Let erop dat u uw goede werken niet doet om bij de
mensen op te vallen. Anders krijgt u geen beloning van uw hemelse
Vader. Wanneer u een arme iets geeft, bazuin het dan niet rond. Dat
doen de huichelaars. Het gaat hen erom iedereen in de synagoge en op
straat te laten zien hoe goed zij zijn. Zij willen door de mensen
geprezen worden. Daarmee hebben zij hun beloning al. Als u goed voor
iemand bent, houd het dan geheim. Laat uw linkerhand niet weten wat uw
rechterhand doet. Uw Vader kent alle geheimen. Hij zal u ervoor
belonen. Nu iets over het bidden. Wees niet zoals de huichelaars; die
bidden zo dat iedereen het kan horen en zien, op de hoek van de straat
en in de synagoge. Zij hebben hun beloning al. Als u bidt, moet u dat
ergens doen waar u helemaal alleen bent. Doe de deur achter u dicht en
bid in het geheim tot uw Vader. En uw Vader, Die al uw geheimen kent,
zal u belonen. Als u bidt, doe dat dan niet langdradig en met zinloze
woorden, zoals de andere volken doen. Want die denken dat hun gebeden
worden verhoord als zij veel woorden gebruiken. Vergeet niet dat uw
Vader precies weet wat u nodig hebt, al voor u Hem erom vraagt!
13
- Het onze Vader
Bid daarom dit gebed: Onze Vader in de hemel, wij eren Uw heilige naam.
Laat Uw Koninkrijk spoedig komen. Laat Uw wil op de aarde worden
gedaan, net zoals in de hemel. Geef ons vandaag het eten dat wij nodig
hebben. Vergeef ons onze zonden, zoals wij anderen hun zonden vergeven.
Laat ons niet in verleiding komen, maar verlos ons van de kwade
machten. Want het Koninkrijk is van U en alle kracht en glorie tot in
de eeuwigheid. Amen. Als u de mensen vergeeft wat zij verkeerd hebben
gedaan, zal uw hemelse Vader ook u vergeven wat u verkeerd hebt gedaan.
Maar als u hen niet vergeeft, zal uw hemelse Vader ook u niet vergeven.
Nu iets over het vasten. Als u vast, doe dat dan niet opvallend zoals
de huichelaars. Want die proberen, door er somber en onverzorgd uit te
zien, de mensen te laten weten dat zij vasten. Dat is dan ook de enige
beloning die zij ooit ervoor krijgen. Maar als u vast, zorg dan dat u
er verzorgd uitziet. Dan zal niemand vermoeden dat u honger hebt,
behalve uw Vader, Die ieders geheim kent. Hij zal u belonen. Verzamel
op aarde geen kostbaarheden, want die vergaan of worden gestolen. U
kunt beter kostbaarheden in de hemel verzamelen. Die zullen nooit
vergaan en nooit worden gestolen. Als uw rijkdom in de hemel ligt, zal
uw hart daar ook naar uitgaan. Het oog is de lamp van het lichaam. Als
uw oog open en gezond is, leeft u in het licht. Maar als uw oog
verduisterd is, leeft u in het donker. Het is niet de bedoeling dat het
in uw innerlijk donker wordt. Dat zou verschrikkelijk zijn. U kunt niet
voor twee heren tegelijk werken. Want u krijgt een hekel aan de een en
gaat van de ander houden of omgekeerd. Zo kunt u ook niet God dienen en
tegelijk uw hart op het geld zetten.
14
- Leven zonder zorgen?
Ik geef u deze raad: Maak u geen zorgen over eten, drinken en kleren.
Uw leven is belangrijker dan het voedsel! En uw lichaam is belangrijker
dan kleding! Let eens op de vogels. Die maken zich geen zorgen over wat
zij moeten eten. Zij hoeven niet te zaaien of te oogsten of te bewaren,
want God geeft hun wat zij nodig hebben. U bent Hem toch meer waard dan
de vogels! Al die zorgen maken uw leven geen dag langer. Waarom zou u
zich zorgen maken over kleding? Kijk eens naar de bloemen in het veld.
Die staan daar te bloeien zonder zich druk te maken. En toch zag koning
Salomo, met al zijn pracht en praal, er niet zo mooi uit als zij. Als
God zo goed zorgt voor de bloemen (die vandaag in het veld staan en
morgen weg zijn) zal Hij dan niet nog veel beter voor u zorgen? Wat
hebt u toch weinig vertrouwen in Hem! Maak u dus geen zorgen over wat u
zult eten of aantrekken. Met dat soort dingen vullen de ongelovigen hun
leven. Uw hemelse Vader weet heel goed wat u allemaal nodig hebt. Geef
God en Zijn Koninkrijk de hoogste plaats in uw leven. Hij zal dan in
alles voor u zorgen. Maak u geen zorgen voor de dag van morgen. Ook
morgen zal God u weer geven wat u nodig hebt. Leef dus gewoon bij de
dag."
15
- De verloren zoon
Jezus vertelde nog een gelijkenis. "Een man had twee zonen. Op een dag
zei de jongste: 'Vader, ik wil mijn deel van de erfenis nu al hebben.'
De vader verdeelde zijn bezit tussen zijn twee zonen. Een paar dagen
later pakte de jongste zoon zijn bezittingen en ging op reis naar een
ver land. Daar verbraste hij zijn hele hebben en houden. Juist toen hij
niets meer over had, werd het land getroffen door een vreselijke
hongersnood. Het zag er heel slecht voor hem uit. Hij wist een baantje
te krijgen bij een boer en moest naar het land om op de varkens te
passen. Hij had zo'n honger dat hij graag wat van het varkensvoer had
gegeten, maar dat mocht niet. Eindelijk kwam hij tot bezinning en dacht
bij zichzelf: 'Bij mijn vader thuis hebben zelfs de knechts meer dan
genoeg te eten. En kijk mij hier nu eens zitten! Ik sterf bijna van de
honger. Ik weet wat! Ik ga naar mijn vader en zal hem zeggen: 'Vader,
ik heb gezondigd tegen God en tegen u. Ik ben het niet waard nog langer
uw zoon genoemd te worden. Wilt u mij aannemen als knecht?' Zo ging hij
op weg naar het huis van zijn vader. Die zag hem al in de verte
aankomen en had erg met hem te doen. De man holde hem tegemoet, viel
hem om de hals en kuste hem. 'Vader', zei de zoon, 'ik heb gezondigd
tegen God en tegen u. Ik ben het niet langer waard uw zoon genoemd te
worden...' Maar de vader liet hem niet eens uitspreken en zei tegen de
knechten: 'Vlug! Haal de mooiste kleren die we in huis hebben en geef
hem die om aan te trekken. Geef hem een ring voor zijn vinger en een
paar schoenen. Slacht het kalf dat we hebben vetgemest. Wij gaan
feestvieren. Want mijn jongste zoon was dood en is weer levend
geworden. Ik was hem kwijt en heb hem weer terug.' En zij vierden
feest. Ondertussen was de oudste zoon op het land aan het werk. Toen
hij thuiskwam, hoorde hij dansmuziek. Hij riep een knecht en vroeg wat
er aan de hand was. 'Uw broer is terug', antwoordde de knecht, 'en uw
vader heeft het mestkalf laten slachten. Hij is zo blij dat uw broer
weer gezond en wel thuis gekomen is.' De oudste broer werd kwaad en
wilde niet naar binnen gaan. Zijn vader kwam naar buiten en probeerde
hem mee te krijgen. Maar hij antwoordde: 'Luister, vader! Al die jaren
heb ik mij voor u uitgesloofd. Ik heb altijd gedaan wat u zei. Maar u
hebt mij nog nooit een bokje gegeven om te slachten en feest te vieren
met mijn vrienden. Nu komt die zoon van u thuis; hij heeft eerst uw
geld er bij de hoeren doorgejaagd en wat doet u? U slacht voor hem het
beste kalf dat we hebben!' 'Maar jongen', zei de vader, 'jij en ik zijn
altijd samen. Alles wat van mij is, is van jou. Wij kunnen niet anders
dan feestvieren. Het is je eigen broer. Hij was dood en is weer levend
geworden. We waren hem kwijt en hebben hem nu terug."
16 - Jezus en de kinderen
Op een dag brachten enkele mensen hun kleine kinderen bij Hem. Zij
wilden graag dat Hij ze zou aanraken en zegenen. De discipelen zeiden
echter dat ze moesten weggaan. Maar Jezus riep de kinderen bij Zich en
zei tegen Zijn discipelen: "Laat die kinderen toch bij Mij komen! Houd
ze niet tegen. Want voor zulke kleintjes is het Koninkrijk van God. Het
is zelfs zo dat wie niet het eenvoudige geloof van een kind heeft, niet
eens in het Koninkrijk van God kan komen."
17
- Het sterven van Jezus
Vervolgens zei Jezus tegen Zijn discipelen: "Jullie weten dat het
Paasfeest overmorgen begint. Morgen zal Ik verraden en gekruisigd
worden." Op dat moment was in het paleis van hogepriester Kajafas juist
een vergadering van de Hoge Raad. Zij probeerden een listige manier te
vinden om Jezus gevangen te nemen en te doden. "Wij moeten het niet op
het Paasfeest doen", zeiden sommigen. "Want dan ontstaat er vast en
zeker een enorme rel!" Jezus ging naar Bethanië, naar het huis
van Simon de melaatse. Terwijl Hij zat te eten, kwam er een vrouw naar
Hem toe. Zij had een kruikje kostbare zalfolie bij zich. Dat goot ze
leeg over Zijn hoofd. De discipelen waren hevig verontwaardigd. "Wat
een verspilling!" mopperden zij. "Zij had die zalfolie duur kunnen
verkopen en het geld aan de armen kunnen geven!" Jezus merkte hun
gemopper en zei tegen hen: "Waarom kijken jullie zo lelijk naar haar?
Ze heeft toch iets goeds voor Mij gedaan? Arme mensen zijn er altijd,
maar Ik ben niet lang meer hier. Zij heeft deze zalfolie over mijn
lichaam uitgegoten, als voorbereiding op mijn begrafenis. Daardoor zal
ze altijd in de herinnering blijven. Want overal waar het goede nieuws
wordt gebracht, zal ook worden verteld wat zij heeft gedaan."Toen ging
Judas Iskariot, een van de twaalf discipelen, naar de leidende
priesters. Hij vroeg: "Hoeveel krijg ik als ik u Jezus in handen
speel?" Zij gaven hem dertig zilveren munten. Vanaf dat moment wachtte
Judas zijn kans af om Jezus te verraden.Op de eerste dag van het
Paasfeest (de dag dat de Joden al het brood dat met gist is gebakken
uit hun huis verwijderen) vroegen de discipelen aan Jezus: "Waar zullen
wij het Paasmaal klaarmaken?"Ga naar de stad, naar meneer die-en-die",
antwoordde Hij. "Zeg tegen hem dat mijn tijd gekomen is en dat Ik met
mijn discipelen het Paasmaal in zijn huis wil eten." De discipelen
deden zoals Hij hun gezegd had en maakten het Paasmaal klaar. Terwijl
Hij die avond met Zijn twaalf discipelen zat te eten, zei Hij: "Een van
jullie zal Mij verraden." Dat sneed hen diep door de ziel. En een voor
een vroegen zij: "Ik ben het toch niet?" Jezus antwoordde: "Aan wie Ik
het eerst het eten heb aangereikt, die is het. Ik moet wel sterven
zoals door de profeten is gezegd. Maar wat ziet het er slecht uit voor
de man, die Mij verraadt. Het zou beter voor hem zijn als hij nooit
geboren was." Ook Judas vroeg: "Meester, ben ik het?" En Jezus
antwoordde: "Ja." Tijdens het eten nam Jezus een brood, dankte God
ervoor, brak het en gaf het aan Zijn discipelen. "Neem dit", zei Hij,
"en eet het op, want dit is mijn lichaam." Daarna nam Hij een beker
wijn, dankte God ervoor en gaf die aan hen. "Drink er allemaal uit",
zei Hij. "Dit is mijn bloed, waarmee het nieuwe verbond wordt bezegeld.
Het zal vloeien om vergeving van de zonden te bewerken. Let op mijn
woorden: Ik zal geen wijn meer drinken tot de dag dat Ik met jullie
nieuwe wijn zal drinken in het Koninkrijk van mijn Vader." Na de
maaltijd zongen zij een lied tot eer van God en gingen vervolgens naar
de Olijfberg. Onderweg zei Jezus tegen hen: "Vannacht zullen jullie Mij
allemaal in de steek laten. Want in de Boeken staat dat de herder zal
worden geslagen en de schapen uiteengejaagd. Maar nadat Ik weer levend
ben geworden, zal Ik naar Galilea gaan en jullie daar ontmoeten."
Petrus protesteerde: "Al laat iedereen U in de steek, ik niet!"
"Petrus", antwoordde Jezus. "De waarheid is dat jij voordat vannacht
een haan kraait, drie keer zult beweren dat je Mij niet kent." "Ik zou
liever sterven!" hield Petrus vol. Dat zeiden ook de andere discipelen.
Diezelfde avond ging Jezus met hen naar
Gethsémané, een tuin op de Olijfberg. "Blijf hier
zitten", zei Hij tegen hen. "Ik ga wat verderop om te bidden." Hij nam
alleen Petrus, Jakobus en Johannes mee. Hij begon angstig en onrustig
te worden. "Ik ben doodsbang", zei Hij. "Mijn hart breekt van verdriet.
Blijf hier met Mij waken." Hij ging een paar stappen verderop en
knielde met Zijn gezicht op de grond en bad: "Vader! Als het mogelijk
is, laat deze beker dan aan Mij voorbijgaan. Maar niet wat Ik wil moet
gebeuren, maar wat U wilt." Hij ging terug naar Zijn drie discipelen en
zag dat zij in slaap waren gevallen. "Petrus", zei Hij. "Konden jullie
niet een uurtje met Mij wakker blijven? Wees toch op je hoede en bid.
Anders zal de verleiding je te sterk worden. De geest is gewillig, maar
het lichaam is zwak." Opnieuw zonderde Hij Zich af en bad: "Vader! Als
deze beker niet kan voorbijgaan, zonder dat Ik hem leegdrink, laat dan
Uw wil uitgevoerd worden." Toen Hij weer bij hen terugkwam, zag Hij dat
ze door slaap waren overmand. Hij liet hen slapen. Voor de derde keer
ging Hij weg en bad hetzelfde gebed. Hierna kwam Hij weer bij Zijn
discipelen en zei: "Slaap nu maar. Rust maar uit. Het is zover. Ik zal
in de handen van slechte mensen vallen. Sta op. Kijk, daar is mijn
verrader al." Op het moment dat Jezus dit zei, kwam Judas naar Hem toe.
Hij had een hele troep mannen bij zich die door de Hoge Raad waren
gestuurd, gewapend met zwaarden en knuppels. Judas, de verrader, had
tegen de mannen gezegd: "De Man, die ik een kus zal geven, moeten
jullie gevangen nemen." Judas liep recht op Jezus toe en zei: "Dag,
Meester." En hij kuste Hem. Jezus zei: "Vriend, wat kom je doen?" De
mannen kwamen dichterbij en grepen Jezus vast. Een van Jezus'
discipelen trok een zwaard en sloeg de knecht van de hogepriester een
oor af. "Doe dat zwaard weg", zei Jezus tegen hem. "Wie geweld
gebruikt, zal zelf door geweld omkomen. Besef je niet dat Ik mijn Vader
zou kunnen vragen duizenden engelen te sturen om ons te verdedigen? En
Hij zou ze sturen. Maar hoe kan dan in vervulling gaan wat over deze
dingen is geschreven?" Daarna richtte Hij Zich tot de gewapende mannen.
"Ben ik een gevaarlijke misdadiger, dat u Mij komt arresteren met
zwaarden en knuppels? Waarom hebt u Mij niet gepakt toen Ik dagelijks
in de tempel was en de mensen toesprak? Maar dit gebeurt allemaal om in
vervulling te laten gaan wat de profeten hebben geschreven." Daarop
lieten alle discipelen Hem in de steek. Zij maakten dat ze wegkwamen.
De mannen die Jezus gevangen genomen hadden, brachten Hem naar het
paleis van hogepriester Kajafas. Daar was de hele Hoge Raad bijeen.
Petrus volgde op een afstand. Hij ging naar de binnenplaats van het
paleis van de hogepriester. Daar bleef hij bij de soldaten zitten om te
zien hoe het met Jezus zou aflopen. De leidende priesters en de andere
leden van de Hoge Raad zochten getuigen om Jezus ter dood te kunnen
veroordelen. Maar zij vonden alleen mensen die een vals getuigenis
wilden afleggen.En die getuigenissen waren niet met elkaar in
overeenstemming. Tenslotte stapten er twee mannen naar voren die
zeiden: "Wij hebben Hem horen zeggen dat Hij de tempel van God kon
afbreken en in drie dagen weer opbouwen." De hogepriester stond op en
vroeg aan Jezus: "Wat hebt U daarop te zeggen? Hebt U dat gezegd of
niet?" Maar Jezus bleef zwijgen. "Uit naam van de levende God", riep de
hogepriester. "Zeg ons of U de Christus bent, de Zoon van God." "U zegt
het", antwoordde Jezus. "Straks zult u de Mensenzoon zien zitten aan de
rechterhand van God. U zult Hem ook zien terugkomen op de wolken aan de
hemel." Hevig verontwaardigd scheurde de hogepriester zijn kleren
kapot. Hij schreeuwde: "Hij belastert God! Hebben we nu nog getuigen
nodig! U hebt allemaal gehoord wat Hij zei! Wat doen wij met Hem?" De
mannen van de Hoge Raad schreeuwden allemaal: "Hij moet ter dood
gebracht worden!" Daarna spuugden zij Hem in het gezicht en sloegen
Hem. Sommigen gaven Hem klappen in het gezicht en hoonden:
"Hé, profeet! Zeg, Christus! Zeg eens wie U heeft geslagen!"
Ondertussen zat Petrus nog steeds op de binnenplaats van het paleis van
de hogepriester. Een dienstmeisje kwam naar hem toe en zei: "U was ook
bij die Jezus uit Galilea." Maar Petrus ontkende heftig: "Welnee, hoe
komt u daarbij?" Later bij de poort zag een ander meisje hem. Zij zei
tegen de mensen die daar stonden: "Die man was ook bij Jezus van
Nazareth." Petrus zwoer dat het niet waar was. "Ik ken die man niet!"
riep hij uit. Kort daarna kwam een van de mannen naar hem toe en zei:
"Ik weet zeker dat u een discipel van Hem bent. Ik hoor het aan uw
Galilees accent." Petrus begon te vloeken en te tieren. "U bent gek! Ik
ken die man niet! Ik zweer het!" Hij had het nog maar net gezegd of er
kraaide een haan. Toen herinnerde hij zich wat Jezus tegen hem had
gezegd. "Petrus, voordat de haan kraait, zul jij drie keer zeggen dat
je Mij niet kent." Hij ging naar buiten en huilde bittere tranen. Vroeg
in de morgen kwam de hele Hoge Raad weer bijeen om te bespreken hoe de
Romeinse overheid overgehaald kon worden Jezus ter dood te brengen. Na
afloop van de vergadering stuurden zij Hem geboeid naar Pilatus, de
Romeinse gouverneur. Toen Judas, de verrader, zag dat Jezus ter dood
was veroordeeld, kreeg hij berouw. Hij vond het verschrikkelijk wat hij
had gedaan. Meteen ging hij het geld naar de leidende priesters en de
andere leden van de Hoge Raad terugbrengen. "Het is misdadig wat ik heb
gedaan", schreeuwde hij. "Ik heb onschuldig bloed verraden." "Dat gaat
ons niet aan", antwoordden ze. "Dat is uw zaak." Judas gooide het geld
over de vloer van de tempel en ging naar buiten. Even later hing hij
zich op. De leidende priesters raapten het geld op en zeiden: "Dit geld
mogen wij niet in de collectekist doen, want het is moordenaarsgeld."
Ze kwamen tot het besluit er het land van de pottenbakker voor te
kopen. Het zou worden gebruikt als begraafplaats voor vreemdelingen,
die in Jeruzalem stierven. Daarom heet die plaats nog altijd
'Bloedakker'. Door dit alles kwam uit wat in het boek van de profeet
Jeremia staat: "Ze namen de dertig zilveren munten. Meer vond het volk
van Israël hem niet waard. Daarvoor kochten ze het land van de
pottenbakker. Dit moest ik van de Here zeggen." Jezus moest
terechtstaan voor Pilatus, de Romeinse gouverneur. "Bent U de koning
van de Joden?" vroeg Pilatus Hem. "U zegt het", antwoordde Jezus. De
mannen van de Hoge Raad beschuldigden Jezus van alles en nog wat, maar
Hij verdedigde Zich niet. "Hoort U niet wat zij zeggen?" vroeg Pilatus.
Tot zijn grote verbazing gaf Jezus geen antwoord. Nu had de gouverneur
de gewoonte ieder jaar met Pasen een gevangene vrij te laten en de
mensen mochten altijd kiezen wie dat zou zijn. Op dat moment zat er een
beruchte misdadiger in de gevangenis. Barabbas heette hij. Pilatus
vroeg aan de mensen die zich voor het paleis verdrongen: "Wie moet ik
vrijlaten? Barabbas of Jezus, die Christus wordt genoemd? Wat willen
jullie?" Want hij wist wel dat de Joodse leiders Jezus uit jaloezie
hadden laten arresteren. Terwijl hij met de rechtszaak bezig was,
stuurde zijn vrouw hem een boodschap: "Laat die goede man toch vrij.
Hij heeft geen enkele schuld. Ik heb vannacht in een droom vreselijk
veel verdriet om Hem gehad." Intussen hadden de mannen van de Hoge Raad
de massa opgehitst om de vrijlating van Barabbas en de dood van Jezus
te eisen. Toen Pilatus opnieuw vroeg: "Wie van deze twee mannen zal ik
vrijlaten?" riepen de mensen: "Barabbas!" "Maar wat moet ik dan doen
met Jezus, die Christus wordt genoemd?" vroeg Pilatus. Ze schreeuwden:
"Kruisig Hem!" "Maar waarom toch?" vroeg hij. "Wat voor kwaad heeft Hij
dan gedaan?" Maar zij bleven roepen: "Hij moet sterven! Sla Hem aan het
kruis!" Pilatus zag dat de mensen niet meer te houden waren. Er kon zo
een rel losbreken. Daarom liet hij een kom water halen. Hij waste zijn
handen voor de ogen van het volk en zei: "Ik ben onschuldig aan het
bloed van deze man. Nu moet u het zelf maar weten." De mensen
schreeuwden: "Laat de straf voor Zijn bloed maar op ons en onze
kinderen neerkomen." Pilatus gaf opdracht Barabbas vrij te laten. Hij
liet Jezus met een zweep afranselen en daarna wegbrengen om gekruisigd
te worden. De soldaten namen Jezus eerst mee naar de binnenplaats van
het paleis. Daar riepen ze het hele bataljon bijeen. Ze rukten Hem de
kleren van het lijf en deden Hem een rode mantel om. Zij maakten een
kroon van takken, waar dorens aanzaten, en zetten die op Zijn hoofd. Ze
gaven Hem een stok in Zijn rechterhand, als een scepter. Ze vielen voor
Hem op de knieën en joelden: "Leve de koning van de Joden!" Ze
spuugden naar Hem, rukten de stok uit Zijn hand en sloegen Hem ermee op
het hoofd. Na afloop van al dit gespot deden zij Hem de rode mantel af,
trokken Hem Zijn eigen kleren weer aan en namen Hem mee om gekruisigd
te worden. Onderweg naar de strafplaats kwamen ze een man uit Cyrene
tegen, die Simon heette. De soldaten dwongen hem het kruis van Jezus te
dragen. Zo kwamen zij bij de heuvel Golgotha, dat betekent
'Schedelplaats'. De soldaten gaven Jezus wijn met een pijnstillend
middel erin. Maar toen Hij ervan proefde, wilde Hij het niet drinken.
Na Hem aan het kruis gehangen te hebben, verdeelden de soldaten Zijn
kleren onder elkaar door erom te dobbelen 36 Daarna gingen zij zitten
en hielden de wacht. Boven Zijn hoofd hingen ze een bordje. "Dit is
Jezus, de koning van de Joden", stond erop. Die morgen werden er ook
twee rovers gekruisigd, de een links en de ander rechts van Jezus. De
mensen die voorbijkwamen, scholden Hem uit en schudden hun hoofd. "U
zou toch de tempel afbreken en in drie dagen weer opbouwen?" hoonden
ze. "Als U de Zoon van God bent, red Uzelf dan! Kom van dat kruis af!"
De mannen van de Hoge Raad lieten zich ook niet onbetuigd. "Hij heeft
anderen gered", spotten ze. "Maar Hij kan Zichzelf niet eens redden! U
bent toch de koning van Israël? Kom eens van dat kruis af. Dan
zullen we in U geloven. Hij vertrouwde toch op God? Als God zoveel met
Hem opheeft, laat Die Hem dan komen redden. Hij is immers Gods Zoon?"
Zelfs de rovers die met Hem waren gekruisigd, bespotten Hem. Van twaalf
tot drie uur hing er een dichte duisternis over het hele land. Om
ongeveer drie uur riep Jezus: "Eli, Eli, lama sabachtani?" Dat
betekent: "Mijn God, mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?" Sommigen
van de mensen die daar stonden, hadden het niet goed verstaan. Zij
dachten dat Hij om Elia riep. Eén van hen haalde vlug een
spons, liet er zure wijn intrekken en stak die op een stok. Hij hield
die omhoog en liet Jezus ervan drinken. Maar de anderen zeiden: "Wacht!
Laten we eens zien of Elia Hem komt redden." Opnieuw gaf Jezus een
luide schreeuw en Hij stierf. Op hetzelfde moment scheurde het zware
gordijn voor de heilige plaats in de tempel van boven naar beneden in
tweeën. De aarde sidderde en de rotsen scheurden. Graven
gingen open en vele gelovige mannen en vrouwen, die gestorven waren,
werden weer levend. Na de opstanding van Jezus verlieten zij de
begraafplaatsen en gingen naar Jeruzalem. Daar werden zij door vele
mensen gezien. De commandant en zijn soldaten die bij het kruis waren,
schrokken vreselijk van de aardbeving en alle andere dingen die er
gebeurden. "Deze man was werkelijk de Zoon van God!" riepen ze uit. Een
groep vrouwen stond op een afstand te kijken. Zij waren met Jezus
meegekomen en hadden voor Hem gezorgd. Onder hen waren Maria van
Magdala, Maria de moeder van Jakobus en Jozef, en de moeder van Jakobus
en Johannes (de zonen van Zebedeüs). Bij het invallen van de
avond ging een zekere Jozef van Arimathea, een rijk man en discipel van
Jezus, naar Pilatus toe. Hij vroeg hem om het lichaam van Jezus.
Pilatus zei dat hij het mocht hebben. Jozef nam het lichaam en wikkelde
het in nieuw, schoon linnen. Daarna legde hij het in een nieuw graf dat
hij pas in de rotsen had laten uithakken. Hij rolde een grote steen
voor de ingang en ging weg.
18
- De opstanding
Op zondagmorgen, de morgen na de sabbat, ging Maria van Magdala al heel
vroeg naar het graf. Toen zij daar aankwam, zag zij dat de steen voor
de ingang was weggerold. Zo vlug ze kon, holde zij naar Simon Petrus en
Johannes. "De Here is uit het graf gehaald!" hijgde ze. "Wij weten niet
waar ze Hem hebben neergelegd." Petrus en Johannes renden onmiddellijk
naar het graf. Johannes liep vlugger dan Petrus en was er het eerst.
Hij boog zich voorover, keek in het graf en zag alleen de linnen
windsels liggen. Maar hij ging niet naar binnen. Petrus, die even na
hem was gekomen, ging het graf wel binnen. Hij zag de windsels en ook
de doek waarmee Jezus' hoofd bedekt was geweest. Die doek was opgerold
en lag apart. Johannes ging toen ook naar binnen. Door wat hij zag,
geloofde hij dat Jezus weer levend was geworden. Want zij wisten nog
niet dat er geschreven stond dat Hij uit de dood zou terugkomen. De
twee discipelen gingen terug naar huis. Maria van Magdala bleef echter
bij het graf achter. Snikkend boog zij zich voorover en keek in het
graf. Op de plaats waar Jezus had gelegen, zag zij twee engelen in
witte kleren zitten. Een aan het hoofdeinde en een aan het voeteneinde
van de plaats waar Hij gelegen had. "Waarom huilt u?" vroegen zij haar.
"Ze hebben mijn Heer weggenomen", antwoordde Maria, "en ik weet niet
waar Hij is." Zij keek achterom. Daar stond Jezus, maar zij herkende
Hem niet. Zij dacht dat het de tuinman was. "Waarom huilt u?" vroeg
Jezus. "Wie zoekt u?" "Och, heer, als u Hem ergens anders hebt
neergelegd, zeg het alstublieft. Dan neem ik Hem mee", zei zij.
"Maria", zei Jezus. Zij keek Hem aan. "Meester!" riep zij uit. "Raak
Mij niet aan", zei Jezus. "Want Ik ben nog niet teruggekeerd naar mijn
Vader. Ga naar mijn broeders en vertel hun dat Ik terugga naar mijn
Vader, Die ook jullie Vader is. Naar mijn God, Die ook jullie God is."
Maria ging snel naar Jezus' discipelen. "Ik heb de Here gezien!" zei ze
en vertelde hun wat Hij tegen haar gezegd had. 's Avonds zaten de
discipelen bij elkaar. Zij hadden de deur op slot gedaan, omdat zij
bang waren voor de Joden. Ineens was Jezus bij hen. "Vrede", zei Hij.
Zij zagen Zijn handen en Zijn zijde. Wat waren zij blij dat ze de Here
zagen. "Vrede!" zei Jezus. "Zoals de Vader Mij gestuurd heeft, zo stuur
Ik jullie." Toen blies Hij Zijn adem over hen heen en zei: "Ontvang de
Heilige Geest. Wie jullie zijn zonden vergeven, is ervan verlost. Maar
wie jullie het aanrekenen, moet zijn zonden dragen." Eén van
de twaalf discipelen, Thomas (of Didymus) was er niet bij. Toen de
andere discipelen hem vertelden dat zij de Here hadden gezien, wilde
hij het niet geloven. "Ik kan het pas geloven", zei hij, "als ik de
wonden van de spijkers in Zijn handen zie en met mijn eigen hand voel
dat Hij een wond in Zijn zij heeft!" Acht dagen later waren de
discipelen weer bij elkaar. Thomas was er nu ook bij. Zij hadden de
deur op slot gedaan. Ineens was Jezus in hun midden. "Vrede", zei Hij.
"Thomas, zie je mijn handen en mijn zij? Voel er maar eens aan en
twijfel niet meer. Geloof dat Ik leef!" "Mijn Here en mijn God",
stamelde Thomas."Geloof je het nu, omdat je Mij ziet?" zei Jezus.
"Gelukkig zijn de mensen, die in Mij geloven zonder Mij gezien te
hebben."Veel van de wonderen die Jezus voor de ogen van Zijn discipelen
heeft gedaan, staan niet in dit boek vermeld. Ik heb hier enkele
opgeschreven opdat u zult geloven dat Jezus de Christus is, de Zoon van
God. Als u in Hem gelooft, leeft u in Zijn naam.
19
- De bekering van Paulus
Saulus bleef de discipelen van Jezus fanatiek achtervolgen en dreigde
hen met dood en gevangenis. Hij ging naar de hogepriester en vroeg om
aanbevelingsbrieven voor de synagogen in Damascus, een stad waar veel
Joden woonden. Hij wilde daar mannen en vrouwen opsporen die in Jezus
geloofden, hen in de boeien slaan en naar Jeruzalem brengen. Hij kreeg
die brieven en ging op weg. Toen hij in de buurt van Damascus kwam,
flitste er plotseling een licht vanuit de hemel, dat hem gevangen
hield. Hij viel op de grond en hoorde een stem: "Saul, Saul, waarom
vervolgt u Mij?" "Wie bent U, Here?" vroeg Saulus. "Ik ben Jezus", zei
de stem, "Die u zo fanatiek vervolgt. Sta op en ga de stad in. Daar zal
u gezegd worden wat u moet doen." De mannen die met Saulus meereisden,
waren met stomheid geslagen. Zij hadden de stem wel gehoord, maar
niemand gezien. Saulus stond op en deed zijn ogen open, maar kon niets
zien. De mannen die bij hem waren, namen hem bij de hand en brachten
hem Damascus binnen. Drie dagen lang kon hij niets zien. Al die tijd at
en dronk hij niets. Eén van de volgelingen van Jezus in die
stad kreeg een visioen. In dat visioen riep de Here hem. "Ananias!"
"Ja, Here", antwoordde Ananias. De Here zei: "Ga naar de Rechte Straat,
naar het huis van Judas. Daar logeert een zekere Saulus uit Tarsus; hij
is nu aan het bidden. In een visioen heeft hij u zien binnenkomen. En
in dat visioen legde u uw handen op hem, waardoor hij weer kon zien."
Ananias maakte bezwaren. "Maar, Here", zei hij. "Ik heb zoveel slechte
dingen over die man gehoord. Hij heeft Uw mensen in Jeruzalem veel
kwaad gedaan. Hij heeft van de hoofdpriesters zelfs toestemming
gekregen om al Uw volgelingen hier in de boeien te slaan!" Maar de Here
zei tegen hem: "U moet gaan, Ananias! Ik heb besloten die man te
gebruiken. Ik heb hem uitgekozen om Mij bekend te maken aan andere
volken en hun koningen en ook aan het volk van Israël. Ik zal
hem duidelijk maken hoeveel leed hij voor Mij moet doorstaan." Ananias
deed wat de Here hem had opgedragen en begaf zich naar het huis waar
Saulus was. Hij legde zijn handen op hem en zei: "Saul, broeder, ik ben
gestuurd door Jezus, Die u onderweg hebt ontmoet. U zult weer kunnen
zien en vol worden van de Heilige Geest." Het was net of er een vlies
van Saulus' ogen viel. Ineens kon hij weer zien. Daarna liet hij zich
dopen en ging wat eten om op krachten te komen. Saulus bleef een paar
dagen bij de volgelingen van Jezus in Damascus. Hij ging zelfs naar de
verschillende synagogen en vertelde daar openlijk dat Jezus Gods Zoon
is. Allen die hem hoorden, waren hoogst verbaasd. "Dit is toch de man,
die in Jeruzalem de aanhangers van Jezus heeft uitgeroeid? Hij kwam
hier toch om mensen van dat geloof gevangen te nemen en naar de
hoofdpriesters in Jeruzalem te brengen?" Maar Saulus sprak met steeds
meer overtuiging en bracht de Joden in Damascus in verwarring door te
bewijzen dat Jezus de Christus is.
20
- Het lied van de liefde.
Nee, maar u moet streven naar de belangrijkste gaven. Ik wil daarnaast
nog wijzen op een weg, die u nog veel verder brengt in uw verhouding
tot God. Als ik wel de talen van mensen en engelen zou spreken, maar
geen liefde heb, klink ik als een dreunende gong of een schetterende
cimbaal. Als ik Gods woord doorgeef, alle diepe dingen doorgrond en
alles weet en al het geloof heb, zodat ik bergen kan verzetten, maar
geen liefde heb, ben ik niets. Als ik mijn bezittingen stuk voor stuk
uitdeel en mijn lichaam geef om te worden verbrand, maar geen liefde
heb, dan heb ik er niets aan. De liefde is geduldig; de liefde is
vriendelijk; de liefde is niet jaloers. Zij doet niet gewichtig en is
niet trots; zij kwetst niet, is niet egoïstisch en voelt zich
nooit beledigd; zij neemt niemand iets kwalijk; zij is niet blij met
onrecht, maar juist met de waarheid. De liefde beschermt altijd, heeft
altijd vertrouwen, verwacht het altijd van God en houdt stand. Aan de
liefde komt nooit een einde. Het spreken namens God zal eens niet meer
nodig zijn; het spreken in vreemde talen zal ophouden; kennis zal dan
niet meer worden gevraagd. Want wat wij weten, is onvolledig; en wat
wij namens God zeggen, is gebrekkig. Maar wanneer het blijvende en
volmaakte komt, is dat het einde van het gebrekkige en onvolmaakte.
Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, dacht ik als een kind en
redeneerde ik als een kind. Maar nu ik volwassen ben, heb ik het
kinderlijke voorgoed achter mij gelaten. Nu hebben wij nog geen heldere
kijk op Christus, maar later zullen wij oog in oog met Hem staan. Ik
ken Hem nu nog niet volkomen, maar dan zal ik Hem volledig kennen,
zoals Hij mij door en door kent. Kortom, er zijn drie dingen die
blijven: Geloof, hoop en liefde. Maar de liefde is het voornaamste.
21
- Dood is dood?
Ik hoor al iemand vragen: "Hoe worden de doden dan weer levend gemaakt?
En wat voor lichaam hebben zij dan?" Wat een domme vraag! Wat u zaait,
komt pas tot leven als het doodgaat. U zaait niet een volgroeide plant,
maar een kale graankorrel of iets anders. God laat er de juiste plant
uitkomen. Uit het ene zaad komt deze plant en uit het andere zaad die
plant. Elk vlees is niet gelijk; er is verschil tussen het vlees van
mensen, vee, vogels en vissen. Er zijn hemelse en aardse wezens; en de
schoonheid van de hemelse is anders dan die van de aardse. Zon, maan en
sterren hebben een verschillende helderheid; en ook de sterren
onderling verschillen in lichtsterkte. Zo is het ook bij het levend
worden van de doden. Het lichaam dat in de aarde wordt gelegd, zal
vergaan. Maar het lichaam dat levend wordt gemaakt, kan niet vergaan.
Wat in de aarde wordt gelegd, is het aanzien niet waard. Maar wat
levend wordt gemaakt, is schitterend. Wat in de aarde wordt gelegd, is
tot niets in staat. Maar wat levend wordt gemaakt, heeft grote kracht.
Wat in de aarde wordt gelegd, is een natuurlijk lichaam. Maar wat
levend wordt, is een geestelijk lichaam. Want als er een natuurlijk
lichaam is, moet er ook een geestelijk lichaam zijn. Er staat immers in
de Boeken: "De eerste mens, Adam, kreeg een natuurlijk leven." Maar
Christus, de laatste Adam, geeft geestelijk leven. Het natuurlijke
lichaam komt eerst en daarna pas het geestelijke. Adam, de eerste mens,
werd uit stof van de aarde gemaakt. Christus, de tweede mens, kwam uit
de hemel. Alle mensen stammen af van Adam en hebben dus een aards
lichaam, net als hij. Maar de mensen die uit Christus voortkomen,
zullen een hemels lichaam krijgen, net als Hij. Dus, zoals wij op de
aardse Adam lijken, zullen wij ook op de hemelse Christus lijken. Laat
ik heel duidelijk zijn, broeders: Lichamen van vlees en bloed kunnen
geen deel hebben aan het Koninkrijk van God. Onze vergankelijke
lichamen kunnen niet altijd blijven leven. Wat ik u nu verder vertel,
heeft God tot nog toe verborgen gehouden: Wij, als gelovigen, zullen
niet allemaal sterven, maar wel allemaal in een oogwenk een nieuw
lichaam krijgen op het moment dat de laatste trompet schalt. Ja, er zal
het machtig geluid van een trompet te horen zijn; en dan zullen de
doden voor altijd levend worden gemaakt en wijzelf zullen een nieuw
lichaam krijgen. Ons vergankelijke, sterfelijke lichaam zal verwisseld
worden voor een onvergankelijk, onsterfelijk lichaam. Wanneer dat
gebeurt, wordt werkelijkheid wat in de Boeken staat: "De dood is
opgeslokt in Gods grote overwinning." "Dood, je kunt de overwinning wel
vergeten. Dood, wat voor kwaad zul je nu nog doen?" De dood kan ons nu
nog kwaad doen door de zonde. En de zonde is zo sterk omdat de wet
bestaat. Maar God zij dank! Hij geeft ons, door onze Here Jezus
Christus, de overwinning over de zonde en de dood. Dus, beste broeders,
sta vast en wees onverzettelijk. Blijf aktief voor de Here. U weet toch
dat het werk dat u onder Zijn leiding doet, niet voor niets is.
22
- Het einde van de geschiedenis
Ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. De tegenwoordige hemel en
de tegenwoordige aarde waren er niet meer; en ook de zee was verdwenen.
Ik zag de heilige stad, een nieuw Jeruzalem, van God uit de hemel naar
beneden komen. Zij zag er feestelijk uit, als een bruid die op haar
bruidegom wacht. Ik hoorde een luide stem uit de troon zeggen: "Gods
huis staat nu bij de mensen. Hij zal bij hen wonen. Zij zullen Zijn
volk zijn en Hij zal Zelf bij hen zijn. Hij zal alle tranen van hun
ogen afwissen en er zal geen dood meer zijn. Van verdriet, rouw en pijn
zal geen sprake meer zijn. Dat hoorde allemaal bij de oude wereld en
die is voorgoed voorbij." Hij Die op de troon zat, zei: "Ik maak alles
nieuw." En Hij zei tegen mij: "Schrijf het allemaal op, want wat Ik
zeg, is waar en betrouwbaar. Het is gebeurd. Ik ben de Alfa en de
Omega, het begin en het einde. Wie dorst heeft, zal Ik water geven uit
de bron van het leven, voor niets. Wie overwint, krijgt het van Mij. Ik
zal zijn God zijn en hij mijn zoon. Maar de lafaards, de ongelovigen,
de mensen van wie Ik walg, de moordenaars, de mensen die ontucht
plegen, de tovenaars, de afgodendienaars en alle bedriegers staat wat
anders te wachten: Het brandende zwavelmeer, de tweede dood. Toen kwam
één van de zeven engelen, die de zeven schalen
met de zeven laatste rampen hadden uitgegoten, naar mij toe en zei:
"Kom, ik zal u de bruid van het Lam laten zien, Zijn vrouw." Hij droeg
mij in de geest naar een grote, hoge berg en liet mij de heilige stad
Jeruzalem zien, die van God uit de hemel naar beneden kwam. De stad
schitterde als God Zelf. Er kwam een gloed vanaf als van een zeer dure
edelsteen, als van een kristalheldere diamant. De stad was omgeven door
een dikke, hoge muur met twaalf poorten en bij elke poort stond een
engel. Op de twaalf poorten stonden de namen van de twaalf stammen van
Israël. Er waren drie poorten aan elke kant: Drie op het
oosten, drie op het noorden, drie op het westen en drie op het zuiden.
De fundering van de stadsmuur bestond uit twaalf stenen, waarop de
namen van de twaalf apostelen van het Lam stonden. De engel die met mij
sprak, had een gouden meetlat om de stad, de poorten en de muur op te
meten. Toen hij die opmat, bleek de lengte even groot als de breedte te
zijn. De stad was dus vierkant. Eigenlijk had zij de vorm van een
kubus, want de hoogte, de lengte en de breedte waren allemaal even
groot: Ruim 2100 kilometer. Daarna mat hij de dikte van de muren op en
die bleek 64 meter te zijn. De engel gebruikte menselijke maten. De
stad zelf was van zuiver goud en zo doorzichtig als glas. De muur
bestond uit een doorschijnend edelgesteente, uit diamant en was gebouwd
op een fundering van twaalf lagen, die met allerlei edelstenen versierd
was: De eerste laag met diamant, de tweede laag met lazuursteen, de
derde met robijn, de vierde met smaragd, de vijfde met sardonyx, de
zesde met sardius, de zevende met topaas, de achtste met beryl, de
negende met chrysoliet, de tiende met chrysopraas, de elfde met
saffier, de twaalfde met amethist. De twaalf poorten waren parels; elke
poort bestond uit één parel. En de hoofdstraat
was van zuiver goud, als doorzichtig glas. Ik zag in de stad geen
tempel, want de Here, de Almachtige God, en het Lam werden er overal
vereerd. De stad had geen zon) of maanlicht nodig, want zij werd
verlicht door de schittering van God en het Lam is haar lamp. De volken
zullen in haar licht leven en de koningen van de aarde zullen hun
rijkdom er naar toe brengen. Haar poorten zullen de hele dag openstaan;
zij zullen nooit worden gesloten, omdat er geen nacht zal zijn. De
rijkdom en de pracht van de volken zal in de stad worden gebracht. Maar
er komt niets lelijks of slechts in; walgelijke mensen en leugenaars
blijven er buiten. Alleen de mensen die in het levensboek van het Lam
staan, mogen die stad binnengaan. De engel liet mij een rivier met het
levenswater zien. Helder als kristal was het. Het kwam uit de troon van
God en van het Lam en stroomde midden over de hoofdstraat van de stad.
Aan weerskanten van de rivier stond een levensboom, die twaalf keer per
jaar vruchten droeg, elke maand een keer. De bladeren van de boom zijn
voor de genezing van de volken. Elke vloek zal zijn opgeheven. De troon
van God en van het Lam zal in de stad staan en al Zijn knechten zullen
Hem vereren. Zij zullen Zijn gezicht zien en Zijn naam zal op hun
voorhoofd staan. Er zal geen nacht meer zijn. Zij zullen geen lamp
nodig hebben en ook het licht van de zon niet, omdat de Here God hun
licht zal geven. En zij zullen voor altijd en eeuwig regeren. Daarna
zei de engel tegen mij: "Deze woorden zijn waar en betrouwbaar. De Here
God, Die de profeten ingeeft wat zij moeten zeggen, heeft Zijn engel
gestuurd om Zijn dienaren te laten zien wat er binnenkort moet
gebeuren. Jezus zegt: 'Ja, Ik kom gauw.' Gelukkig is hij die de
profetische woorden van dit boek onthoudt." Ik, Johannes, zag en hoorde
al deze dingen en viel op mijn knieën voor de engel, die ze me
had laten zien en wilde hem vereren. Maar hij zei: "Doe dat niet! Ik
ben slechts een dienaar van de Here, net als u en uw broeders, de
profeten en net als ieder, die ter harte neemt wat in dit boek staat.
Vereer alleen God!" Hij ging verder en zei: "Verzegel dit boek met
profetische woorden niet, want de tijd waarin zij uitkomen, is niet ver
meer. Wie verkeerd doet, zal nog meer verkeerd doen; wie vuil is, zal
nog vuiler worden; maar wie goed doet, moet nog meer goed doen en wie
voor God afgezonderd is, moet nog meer voor God afgezonderd
worden.""Ja", zegt Jezus, "Ik kom gauw met mijn beloning. Ik geef ieder
wat hij verdient. Ik ben de Alfa en de Omega, de eerste en de laatste,
het begin en het einde." Gelukkig zijn zij die hun kleren wassen omdat
zij van de levensboom mogen eten en door de poorten van de stad mogen
binnengaan. Buiten de stad zijn de honden, de tovenaars, de
overspeligen, de moordenaars, de afgodendienaars en allen die met
plezier liegen en bedriegen. "Ik, Jezus, heb mijn engel gestuurd opdat
u dit allemaal aan de gemeenten zult vertellen. Ik ben zowel de wortel
als de nakomeling van David. Ik ben de schitterende morgenster." De
Geest en de bruid zeggen: "Kom." En wie dat hoort, moet ook zeggen:
"Kom." Wie dorst heeft, mag voor niets het levenswater komen drinken,
als hij dat wil. Ik waarschuw ieder die de profetische woorden van dit
boek hoort: Als iemand er iets aan toevoegt, zal God hem de rampen
laten overkomen, die in dit boek staan. Als iemand iets van de
profetische woorden van dit boek afneemt, zal God hem het recht afnemen
om van de levensboom te eten en in de stad van God te komen, waarover
in dit boek gesproken wordt. Hij, Die dit alles bekend heeft gemaakt,
zegt: "Ja, Ik kom al spoedig." Amen. Ja, Here Jezus, kom! Ik wens u
allen de genade van de Here Jezus Christus toe. Amen



















