GELOVIGEN IN DE BIJBEL

Lees de Bijbel   De Bijbel is niet een boek dat je zomaar even van kaft tot kaft leest. Het kan lastig zijn om je weg door de Bijbel te vinden, als je niet weet wat zich wanneer heeft afgespeeld. Deze site kan je helpen om de Bijbel beter te leren kennen. Ontdek de bron van vrede, het Woord van God: 

Bijbelstudie 910 - GELOVIGEN IN DE BIJBEL  

1. Abel

Adam en Eva, verbannen uit de hof van Eden, ontvingen een grote troost, door de belofte van het Zaad van de Vrouw, de Heiland, die Satans macht zou teniet doen, waarna God ze met dierenvellen be­kleedde.

Maar als antwoord op Abels geloof, vinden we een verdere openba­ring. Hoe kan een zondig mens, verjaagd uit de plaats van zegen, waar God als een vriend met hem omging, weer toegang tot God ver­krijgen? Welnu, in Abels offerande vinden we daarop het antwoord. Abel had van zijn ouders geleerd dat een doodvonnis hing over het menselijk geslacht en door zijn geloof bracht hij een bloedig offer aan God; hij slachtte een lam, en God toonde dat Hij dit offer met welge­vallen aanvaardde, terwijl Kaïns offer dezelfde weg ging als de schorten van vijgebladeren van zijn ouders: verworpen als waarde­loos. “Door het geloof offerde Abel aan God een beter slachtoffer dan Kaïn, waardoor hij getuigenis verkregen heeft, dat hij rechtvaardig was, daar God over zijn gaven getuigenis gaf, en daardoor spreekt hij nog, nadat hij gestorven is.” (Hebr. 11:4). Abel aanvaardde zijn plaats als zondaar, als iemand voor wie het loon van de zonde de dood was, en toen opende God zijn geestelijke ogen en zag hij de noodzaak van een plaatsvervanger, die door Zijn dood de zondaar verlost van dood en oordeel.

Kaïn (Hebreeuws voor 'speer') en Abel (soms Habel, van het Hebreeuws voor 'adem' of 'vergankelijkheid') zijn in de Tenach, de Bijbel en de Koran de twee oudste zonen van Adam en Eva. In de Koran worden ze niet met naam genoemd, maar binnen de islam worden de namen Habiel en Kabiel gebruikt

In de hoofdstukken 4 en 5 van Genesis vinden we, hoe snel het kwaad in de wereld voortgang maakte na de zondeval van de mens. God had zijn eeuwige kracht en goddelijkheid getoond in Zijn schep­ping, maar Satan vervulde het hart van de mensen met haat en wan­trouwen jegens hun Schepper. Welnu, de resultaten daarvan werden duidelijk toen Kaïn zijn broeder Abel, de rechtvaardige, vermoordde. Hij was boos over de verwerping van het offer dat hij gebracht had, de vruchten van zijn arbeid op de vervloekte aardbodem.

Maar na zijn dood getuigde Abel nog van deze centrale waarheid in Gods heilsplan: het bloed van het Lam als verlossing van Satan, dood, oordeel en wereld. Deze heilsbelofte, door Eva aan haar zoon doorgegeven, was diep in het hart van Abel gegrift. Zodra zonde en dood hun intrede gedaan hadden, was het bloed van een offerdier nodig om weer toegang tot God te krijgen. Want zonder bloedstorting is er geen vergeving (Hebreeën 9:22). Dit lijkt voor ons, die na het kruis van Christus leven, gemakkelijker te beseffen dan voor de gelo­vigen van het Oude Testament. Want in Abels dagen had God nog geen formeel bevel gegeven om een bloedig offer te brengen. Het enige dat van bloedstorting sprak was de kleding van dierenvellen, die bij Adam en Eva de schorten van vijgebladen moesten vervangen.

Deze dieren waren geslacht en hun bloed was vergoten. Door het geloof werd Abel geholpen in zijn overpeinzingen, en het resultaat was een offer dat voor God aannemelijk was.

Kaïn was de eerste die een offer bracht. Hij had zich daartoe inspan­ning getroost, zoals de eeuwen door mensen zich voor God inge­spannen hebben met allerlei godsdienstige werken. Maar helaas! “Na verloop van tijd nu bracht Kaïn van de vruchten van de aarde aan de Here een offer; ook Abel bracht er een van de eerstelingen van zijn schapen, van hun vet; en de Here sloeg acht op Abel en zijn offer, maar op Kaïn en zijn offer sloeg hij geen acht.” (Gen. 4:3-5).

Kaïns offer kwam niet met Gods gedachten overeen, en bovendien vergiste Kaïn zich in zichzelf. Zelfs kunnen we zeggen, dat zijn offer zijn ware toestand moest verbergen. Want Johannes zegt: “Gij hebt van het begin af gehoord, dat wij elkaar zouden liefhebben; niet zoals Kaïn, die uit de boze was en zijn broeder dood sloeg. En waarom sloeg hij hem dood? Omdat zijn werken boos waren en die van zijn broeder rechtvaardig.” (1 Joh. 3:11,12). De weg van Kaïn (Judas 11) was niet Gods weg, maar die van een wereld die God en de mensen haat, belust op eigenbelang en aardse macht.

Deze wereld, met alle godsdienstige schijn en sociale inspanningen, haat hen die, zoals Abel, zich laten leiden door het geloof. De kern van het geloof is het kostbare bloed van Christus, waardoor we, met God verzoend, een eeuwigheid van glorie tegemoet gaan. Hoewel Abel van de aardbodem verdwijnt, spreekt zijn bloed over de waarde van het bloed van het Lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt. Het bloed van de besprenkeling dat Christus vergoten heeft, spreekt beter dan Abel.

2. Seth

Temidden van een wereld waar geweld en leugen steeds toenamen, ging God voort te werken door geloof en genade.

Daartoe gaf hij aan Adam een andere zoon in plaats van Abel. Eva noemde hem Seth, wat “toekennen” betekent, een gave die kostbaar was in haar ogen omdat ze in hem een geloof als dat van Abel vond. Abel is een type van de gekruisigde Heiland, maar Seth is een beeld van de opgestane Christus. Seth toont zijn geloof, als hij een zoon krijgt, want die noemt hij “Enosh”,wat betekent: “sterfelijk mens”, waardoor ook Seth getuigenis aflegde over het doodvonnis dat God over een zondige mensheid uitsprak. Maar anderzijds gaf Seth ook getuigenis aangaande Gods genade, want hij was een aanbidder, en spoorde anderen aan tot aanbidding van een liefderijke God! “Toen begon men de naam van de Here aan te roepen.” (Gen. 4:26). Er staat hier Jehova, de naam van een God die Zijn volk verlost. De na­komelingen van Kaïn munten uit door kunst, vernuftige uitvindingen en muziek, met de bedoeling om van deze vervloekte aarde een kunstmatig paradijs te maken, maar de nakomelingen van Seth gaan deze wereld door als vreemdelingen en bijwoners die getuigen van de gevolgen van de zondeval. Ze wandelen met een genadig God en niet met een Godhatende wereld. Het geslacht van Kaïn begon grote steden te bouwen en ze te noemen naar hun eigen namen. Kaïn schrijft zijn naam op de monumenten van deze wereld, maar God schrijft de namen van de gelovigen, van Seths geestelijke nakomelin­gen, in het boek van het leven van het Lam, en zal Zijn Naam en de naam van Zijn stad, het hemelse Jeruzalem, op hun voorhoofden schrijven (Openb. 3:12).

3. Henoch

Abels geloof gaf een antwoord op de vraag hoe een zondaar tot God kan naderen. Henochs geloof geeft het antwoord op de vraag hoe de dood kan verslonden worden tot overwinning. “Door het geloof werd Henoch weggenomen, opdat hij de dood niet zou zien en hij werd niet gevonden, omdat God hem had weggenomen; want vóór zijn weg­neming heeft hij het getuigenis gehad, dat hij God behaagde.” (Hebr. 11:5). In geloofsgemeenschap met God zette Henoch het getuigenis van Seths nakomelingen voort. Hij wandelde met God en niet met een Gode vijandige wereld. “Toen Henoch vijf en zestig jaar geleefd had, verwekte hij Methusalah. En Henoch wandelde met God, nadat hij Methusalah verwekt had, driehonderd jaar, en hij verwekte zonen en dochters. Zo waren al de dagen van Henoch driehonderd vijf en zes­tig jaar. En Henoch wandelde met God, en hij was niet meer, want God had hem opgenomen.” (Gen. 5:21-24).

HENOCHS WANDEL. Voor de driehonderd jaar waarin hij met God wandelde, geeft de Schrift geen ogenblik van twijfel of aarzeling aan. Heilig en waarachtig, genadig en barmhartig, zoals Henoch God kende, zo weerspiegelde zijn leven zijn geloof. De wereld van Kaïn presteerde steeds belangrijkere en opzienbarende dingen, maar Henoch aanvaardde eenvoudig en beslist, om buiten deze menselijke activiteit en vooruitgang te staan.

WEGGENOMEN ZONDER TE STERVEN. Hierin is Henoch een beeld van de gemeente van Christus die opgenomen zal worden voordat de oordelen van de grote verdrukking over deze wereld zullen komen. Noach, die in zijn ark deze oordelen meemaakte, zonder er­door geschaad te worden, is meer een beeld van een gelovig Joods overblijfsel, dat als verzegelden door de grote verdrukking zal gaan onder Gods bescherming.

Filadelfia, dat de levende gemeente van Christus uitbeeldt, krijgt de belofte: “Omdat gij het woord van mijn volharding bewaard hebt, zal ik ook u bewaren voor het uur van de verzoeking, die over het hele aardrijk komen zal, om te verzoeken die op de aarde wonen.” (Openb. 3:10).

Vóór dat uur zal de Heer Jezus de gemeente tot Zich nemen, op de wolken (1 Thess. 4:16; 1 Kor. 15:52). Onder zijn tijdgenoten werd Henoch niet beroemd of geëerd, maar in de komende heerlijkheid zal hij een waardige plaats hebben, want God is een beloner van hen, die Hem zoeken (Hebr. 11:6).

HENOCH ALS PROFEET

Wandelen met God is wandelen in het licht. Het licht openbaart alle dingen, ook de toekomst. En zo vinden we in de brief van Judas de profetie van Henoch, die het oordeel aan­kondigde: “En ook Henoch, de zevende van Adam af, heeft van hen geprofeteerd, met de woorden: Zie, de Heer is gekomen met zijn hei­lige tienduizenden, om gericht te houden tegen allen, en al de god­delozen onder hen te bestraffen om al hun werken der goddeloos-heid, die zij goddeloos bedreven hebben en om al de harde woorden, die goddeloze zondaars tegen Hem gesproken hebben.” (Judas 14,15). In zijn profetie sprak Henoch niet over de opname van de gemeente, maar over de wederkomst van Christus met zijn ge­meente na de grote verdrukking. Het verheerlijkte Lam zal dan de opstandige koningen van de aarde overwinnen en Zijn Rijk oprichten. Kaïns wereld zal dan omvergeworpen worden en de antichristelijke wereld-leiders levend in de vuurpoel geworpen, en Kaïns godsdienst zal in het oordeel over groot Babylon een verschrikkelijk einde vinden.

Wandelen in het geloof, zoals Henoch dat deed, betekent en con­stante overwinning over de machten van de duisternis en uiteindelijk over de dood.


4. Noach

In het verhaal van Noach is niet sprake van één, maar twee grote verschrikkelijke overstromingen. De wereld in Noachs tijd werd overstroomd door water maar tegelijk ook door zonde. Het aantal mensen dat God nog kende als God van de schepping, volmaaktheid e.d. was afgenomen tot…één. Van het hele volk was Noach alleen nog over die op God vertrouwde. Noach gaf gehoor aan Gods opdracht. Hij moest een heel grote boot gaan bouwen. Je zou kunnen zeggen een onwerkelijke en niet doordachte opdracht. Wie gaat er immers een boot bouwen op het droge. Veel mensen hebben moeite met zo'n project of het nu van God komt of niet, maar Noach wilde gehoorzaam zijn en ging daarom aan de slag. Het is opvallend dat Noachs gehoorzaamheid langer duurde dan enig mens tegenwoordig oud wordt. Maar misschien is ons leven wel net zo'n uitdagend project en is de grote uitdaging van Noachs leven voor ons: Gods genade te aanvaarden en als gevolg daarvan Hem levenslang gehoorzaam en dankbaar zijn

Van de zondeval in Eden tot de zondvloed kunnen we de trieste ge­schiedenis volgen van een gestadige ontaarding van de mensheid, totdat de hele wereld onder de macht van boosheid en geweld lag. Zo groot werd die boosheid, dat het God berouwde dat hij de mens op aarde geplaatst had. De mensen en hun werken waren reusachtig, maar innerlijk waren ze verdorven. Hun activiteit in het bouwen van steden en hun opgaan in de vergroting van hun aantal, gesteund door akkerbouw voor voedsel, werd verduisterd door een wolk van godde­loosheid en morele duisternis

Temidden van deze sombere toestand vond Noach genade in Gods ogen. Hij was van nature een zondaar als alle anderen, maar door zijn geloof was hij een voorwerp van Gods liefderijke zorg. Hoe duis­ter de tijden ook zijn, God heeft zijn getuigen en steunt ze. Dit doet hij niet door de natuurlijke mens te verbeteren, maar door hem nieuw en Goddelijk leven te geven. “Noach was onder zijn tijdgenoten een rechtvaardig en onberispelijk man; Noach wandelde met God.” (Gen. 6:9).

Daarom zei God tot Noach: “Het einde van al wat leeft is door mij be­sloten... Ik ga hen met de aarde verdelgen... Maak u een ark van goferhout... Want zie, Ik ga een watervloed over de aarde brengen om al wat leeft, waarin een levensgeest is, van onder de hemel te verdelgen.” (Gen. 6:13-17).

Ook voor Noach was de eerste beloning voor zijn geloofswandel dat God hem de komende dingen openbaarde. De tijd waarin men zich kon bekeren werd op 120 jaar gesteld en in die tijd bouwde hij niet alleen aan zijn grote schip, de ark van de verlossing, maar predikte hij Gods gerechtigheid aan allen die hem horen wilden. “Door het geloof heeft Noach, toen hij een Goddelijke aanwijzing ontvangen had, wat betreft de dingen die nog niet gezien werden, door vreze Gods bewo­gen, een ark gereed gemaakt tot redding van zijn huis, waardoor hij de wereld veroordeelde en een erfgenaam werd van de gerechtigheid die naar het geloof is.” (Hebr. 11:7).

Noach had zelf niets uit de vinden, want God gaf hem een nauwkeu­rige beschrijving voor de bouw van de ark. Ons behoud van de ko­mende toorn is niet gebaseerd op menselijke plannen of maatregelen, want God heeft ons de enige weg van behoud via bekering en geloof in het verlossingswerk, volbracht op Golgotha, duidelijk uitgestippeld, en dan is er veiligheid voor tijd en eeuwigheid. Deze veilige weg is geloof en gehoorzaamheid. Het was de Geest van Christus, die door Noach sprak toen hij bouwde en tot zijn tijdgenoten predikte. Zij die toen niet luisteren wilden, zijn nu in het dodenrijk opgesloten. “De Geest, in welke hij ook heengegaan is en gepredikt heeft tot de geesten in gevangenschap, die destijds ongehoorzaam waren, toen de lankmoedigheid van God bleef wachten in de dagen van Noach.” (1 Petr. 3:19-20).

Noach heeft slechts tegenspraak en spot ontmoet, zo boos en god­deloos waren de mensen voor de zondvloed, zodat alleen Noach en zijn familie behouden werden. “Als Hij de oude wereld niet spaarde, maar Noach, de prediker van de gerechtigheid, één van de acht, be­waarde, toen Hij de zonvloed over de wereld van de goddelozen bracht.” (2 Petr. 2:5). Er is geen sprake van prediken door Christus in de hades, wel van de Geest van Christus die door Noach predikte tot de mensen van voor de zondvloed.

Noach zelf was verzekerd dat zijn toekomst in veiligheid was, en hij verlangde dat anderen uit zijn omgeving bekend zouden worden met Gods middel tot behoud. Maar er kwam een eind aan de periode van waarschuwing, waarin de Geest van Christus probeerde hen te over­tuigen. De dag kwam, waarin God aan Noach en zijn gezin bevel gaf, in de ark te gaan. Noach zelf was niet in staat de deur van de ark te sluiten; de gedachte aan het afschuwelijk drama dat zich buiten de ark zou afspelen, als de wateren zouden stijgen en alle leven van mens en dier zouden verdelgen, was voor hem te hartbrekend, en daarom sloot God zelf de deur van de ark toe.

Temidden van een toneel van welvaart, van groei en gloednieuwe huizen stegen de wateren en verzwolgen hen allen. De Heer Jezus zei: “En zoals de dagen van Noach, zo zal ook de komst van de Zoon des mensen zijn.” (Matth. 24:37-39).

Zorgeloos door te leven, nadat een gelovige als Noach zo ernstig het oordeel had aangekondigd, was het toppunt van goddeloosheid. “Vrede en geen gevaar”, was de kreet van toen, en zo zal het zijn als de oordelen van de grote verdrukking over deze goddeloze wereld zullen losbreken. God laat niet met zich spotten!

Intussen werd de ark door de wateren omhooggestuwd, en daarbin­nen was men veilig. Allen die in de Heer Jezus geloven en dit tonen door een leven van gehoorzaamheid, zijn veilig en kunnen met Jo­hannes zeggen:“Opdat wij vrijmoedigheid hebben in de dag van het oordeel, dat zoals Hij is, ook wij zijn in deze wereld.” (1 Joh. 4:17). Onze veiligheid is even volkomen als die van de Heer Jezus, gezeten aan Gods rechterhand.

Eindelijk was het oordeel voorbij. “Toen gedacht God Noach en al het wild gedierte en al het vee, dat met hem in de ark was, en God deed een wind over de aarde strijken... Aldus namen de wateren na ver­loop van honderd vijftig dagen af... En in de zevende maand, op de zeventiende dag van de maand, bleef de ark vastzitten op het ge­bergte van Ararat... in de tiende maand, werden de toppen van de bergen zichtbaar.” (Gen. 8:1-6).

Noach liet eerst een raaf uit; deze vond spoedig voedsel. Een duif keerde weer terug; er was geen rein voedsel te vinden. Zeven dagen later echter werd de duif weer losgelaten en kwam met een olijfblad terug. Noach was zeshonderd jaar toen de aarde weer droog was, zodat hij met zijn gezin de ark kon verlaten. De ark had alleen een venster in de richting van de hemel, zodat de verlosten de verschrik­kingen van het oordeel niet konden zien.

Noach en zijn gezin konden hun voet nu zetten op een aarde die door het gericht gereinigd was. Het eerste waaraan Noach dacht, was God te verheerlijken door een offer. Hij bouwde een altaar en offerde reine offerdieren Toen de Heer de liefelijke reuk rook, beloofde Hij, de aardbodem niet meer door water te vernietigen, en als herinnerings­teken voor dit verbond plaatste God de regenboog in de wolken (Gen. 9:13-14).

Hierop zegende God Noach en de zijnen en gaf hun gezag om over de aarde te regeren. Om gerechtigheid te handhaven zouden ze het zwaard moeten gebruiken: “Wie des mensen bloed vergiet, diens bloed zal door de mens vergoten worden.” (Gen. 9:6). Het zwaard van de vergelding was de basis van Noachs heerschappij. Dat was een grote verantwoordelijkheid, die Noach met grote waardigheid had be­horen te vervullen, maar helaas, we vinden hem als wijngaardenier, dronken en ongekleed in zijn tent (Gen. 9:21). Zijn zoons bemerkten deze toestand en Cham bespotte zijn vader, die hem daarop met zijn nakomelingen, de Kanaänieten, vervloekte, een vonnis dat Israël later op de bewoners van Kanaän ten uitvoer moest brengen, toen deze hopeloos verdorven waren. [ Lees hier nog eens verder over Noach en de Ark ]

5. Abraham

Net als ieder ander weten wij dat onze daden gevolgen hebben. Wat wij doen, brengt soms gebeurtenissen op gang, die kunnen voortduren na ons overlijden. Helaas denken we bij het nemen van beslissingen meestal niet verder dan de directe gevolgen. Dat kan misleidend zijn, omdat ze maar op korte termijn gelden. Abraham moest een keuze maken. Hij moest beslissen of hij met zijn familie moest wegtrekken naar een onbekend gebied of blijven waar hij was. Hij moest kiezen tussen de zekerheid die hij had en de onzekerheid van het gaan onder Gods leiding. Het enige waarop hij kon rekenen, was Gods belofte hem te leiden en te beschermen.

Van Abraham kan men niet verwachten dat hij bij voorbaat al doorhad hoezeer zijn toekomst afhing van deze keuze om te gaan of te blijven. Zijn gehoorzaamheid heeft echter de wereldgeschiedenis beïnvloed. Zijn beslissing God te volgen, heeft een wending op gang gebracht: de ontwikkeling van het volk dat God uiteindelijk als Zijn eigen volk zou gebruiken als Hij zelf op aarde zou komen.

Toen Jezus Christus op aarde kwam, werd Gods belofte vervuld; door Abraham werd de hele wereld gezegend. Jij weet waarschijnlijk ook niet welke effecten jouw keuzes op lange termijn zullen opleveren. Maar het feit dat die effecten er zijn, moet je aan het denken zetten. Zoek Gods leiding als je keuzes moet maken of als je tot daden moet overgaan.

Abraham wordt wel de vader van de gelovigen genoemd, omdat in hem de fundamentele trekken van het geloof gevonden worden. Hij was in staat om tijdelijke en aardse voordelen op te offeren om Gods beloften voor de toekomst te beërven.

Als voorbeelden kunnen we noemen:

Abraham verliet zijn familieleden en zijn geboorteland, om te gaan naar het land dat God hem beloofde (Gen. 12).

Toen de aantrekkelijke vlakte van Gomorra in het zicht kwam, gaf Abraham de voorkeur aan zijn tent en zijn altaar en bleef liever schaapherder dan in die boze steden Sodom en Gomorra te gaan wonen (Gen. 13).

Toen Abraham de koningen verslagen had, bood de koning van Sodom hem geschenken aan. Hij weigerde deze en gaf liever tienden aan Melchizedek (Gen. 14).

Toen God hem vroeg, zijn geliefde zoon te offeren, besloot Abra­ham daaraan te gehoorzamen (Gen. 22).

Het Nieuwe Testament vat deze geloofsdaden als volgt samen:“Door het geloof gehoorzaamde Abraham, toen hij geroepen werd, om te vertrekken naar de plaats die hij als erfdeel zou ontvangen; en hij vertrok zonder te weten waar hij komen zou.” (Hebr. 11:8). “De God der heerlijkheid verscheen aan onze vader Abraham, toen hij in Me­sopotamië was, voordat hij woonde in Haran.”(Hand. 7:2). Op deze wijze begon Abrahams wandel in geloof en gehoorzaamheid. Hij was het voorwerp van Goddelijke verkiezing, en op grond van deze open­baring werd hij getrokken uit een land van afgoden en Satansdienst. Om Gods beloften te beërven moest hij alle familiebanden verbreken, maar zijn vader Terah vond dat ze samen moesten gaan en nam toen het initiatief: “En Terah nam zijn zoon Abram en Lot,... en Sarai... en hij deed hen wegtrekken uit Ur der Chaldeeën om te gaan naar het land Kanaän, en zij kwamen te Haran en bleven daar.” (Hebr. 11:31). Pas toen Terah stierf, trokken Abram, Lot en Sarai verder naar Ka­naän. Ze vonden daar goddeloze bewoners en dit noodzaakte Abra­ham om voor het geloof te strijden. Toen Lot besloot zich in Sodom te vestigen, toonde Abraham zijn geloof in een hemelse toekomst: “Door het geloof verbleef hij als vreemdeling in het land der belofte als in een vreemd land en woonde in tenten met Isaäk en Jakob, de mede­ërfgenamen van dezelfde belofte; want hij verwachtte de stad die fun­damenten heeft, waarvan God ontwerper en bouwmeester is.” (Hebr. 11:9,10).

Abraham weigerde deel te hebben aan Sodoms welvaart, maar Lot ging er wonen en moest zijn ziel kwellen door het zien van onbe­schrijfelijke zedeloosheid, waarover spoedig Gods gericht kwam. Abraham bleef in nauwe gemeenschap met God, die tot hem sprak. Wel heeft hij zwakke momenten gehad, zodat we hem wegens hon­ger naar Egypte zien gaan, waar hij geen altaar had en tweeslachtig wandelde.

Abrahams grote beginsel was, om niet van de wereld, maar alleen van God afhankelijk te zijn. God had hem niet gezegd om verder naar het zuiden, noch naar Egypte te gaan. Abrahams ervaringen in Egypte waren vernederend en nadat hij de Farao bedrogen had door te ontkennen dat de schone Sarai zijn vrouw was, werden ze prak­tisch uit Egypte weggejaagd.

Na de verleidingen van Egypte en Sodom zien we Abraham weer als oprecht gelovige wandelen en weigert hij van de koning van Sodom zelfs een schoenveter cadeau te krijgen. Na deze geloofsdaad zegt God tot hem: “Ik ben uw schild; uw loon zal zeer groot zijn.” (Gen. 15:1).

Ook Melchizedek spreekt zijn zegen over Abraham uit. Als we de gunsten van de wereld weigeren, kunnen we op Gods beloften reke­nen.

Eén van Gods beloften was een talrijk en gezegend nakomelingschap voor Abraham, een volk dat een kanaal van zegen zou worden voor de hele aarde.

Toen de verwezenlijking hiervan scheen uit te blijven, en zowel Abra­ham als Sara oud werden, besloten ze te proberen om een zoon te ontvangen uit Hagar, een Egyptische slavin. Dit waren duidelijk po­gingen van het vlees, en de gevolgen daarvan waren funest.

De geboorte van Ismaël wordt in Galaten 4 vergeleken met het on­geloof van het vleselijke Israël dat tot slavernij onder de wet voerde. Eindelijk worden de slavin en haar zoon verjaagd en Ismaël wordt de vader van de Arabieren, de eeuwen door doodsvijanden van het volk van Israël.

In Genesis 18 openbaart God aan Abraham zijn voornemen om So­dom te vernietigen en Abraham bidt ten gunste van alle rechtvaardi­gen die daar eventueel wonen zouden. In Genesis 19 wordt dat gericht uitgeoefend, waaruit alleen Lot en zijn twee dochters gered werden, en we lezen over hun schandelijk gedrag. In Genesis 20 zien we Abraham vertoeven in het land van de Filistijnen en weer is zijn gedrag tweeslachtig zoals in Egypte.

Daarna wordt aan Abraham en Sara de lang verwachte zoon gebo­ren. “De Here bezocht Sara, zoals Hij gesproken had... en zij baarde Abraham een zoon in zijn ouderdom, ter bestemder tijd, waarvan God tot hem gesproken had.” (Gen. 21:1,2). Hij werd Isaäk genoemd, wat “lachen” betekent, want bij de belofte (Gen. 17:19) had Sara wat on­gelovig gelachen.

Toen de beide jongens Isaäk en Ismaël samen opgroeiden bespotte de veertienjarige Ismaël Isaäk en zijn oude moeder Sara, waarop Sara eiste dat Hagar en Ismaël weggestuurd werden. De afstamme­lingen van Abraham die niet in Christus geloven worden met Ismaël en zijn geslacht vergeleken.

In Genesis 22 vraagt God aan Abraham om zijn zoon te offeren. Dit was een zeer diepe beproeving van zijn geloof, maar hij was onmid­dellijk bereid, aan Gods bevel te gehoorzamen. Door deze beproeving leerde Abraham dat God de doden kan opwekken. “Door het geloof heeft Abraham, toen hij verzocht werd, Isaäk geofferd, en hij die de beloften ontvangen had, offerde zijn eniggeborene, van wie gezegd was: In Isaäk zal uw nageslacht genoemd worden. Hij heeft overwo­gen, dat God machtig was hem zelfs uit de doden op te wekken, waaruit hij hem ook bij gelijkenis teruggekregen heeft.” (Hebr. 11:17,18).

Abrahams geloof had de beproeving glansrijk doorstaan en God kon zijn beloften nogmaals aan hem verzekeren (Gen. 22:17,18).

In het volgende hoofdstuk wordt de dood van Sara beschreven en haar begrafenis in de spelonk van Machpela, wat getuigde van Abra­hams geloof in haar toekomstige opstanding. Na Sara’s dood valt alle nadruk op Isaäk. Nadat Abraham had gezworen, dat zijn zoon geen vrouw uit de Kanaänieten zou nemen, zond hij zijn knecht Eliëzer naar zijn familielid Laban. Eliëzer is hier een beeld van de Heilige Geest die door de prediking van het evangelie temidden van deze wereld en bruid voor de Heer Jezus toebereidt. Onder Gods leiding vond Eliëzer Rebekka, een nicht van Abraham, aan wie hij vertelde hoe God Abraham rijkelijk gezegend had. Ze besluit Eliëzer te volgen en ontmoet Isaäk. Zij gelooft in de God van Abraham, ze trouwt met Isaäk, en krijgt haar plaats in het aartsvaderlijk geslacht.

6. Isaäk

De grote gebeurtenis in het leven van Isaäk bleef dat hij een als uit de doden opgestaan mens was. Deze grote gebeurtenis stelde andere feiten in de schaduw, en dit is de reden waarom de Bijbel zo weinig vertelt over zijn leven op aarde. Op deze wijze is Isaäk een mooi beeld van de Heer Jezus die ook, na zijn opstanding en hemelvaart, een bruid ontvangt volgens het eeuwig raadsbesluit van Zijn Vader. De naam Beër-Lahai-Roi betekent “put van de Levende die zich openbaart”. Op die plaats ontmoette Isaäk Rebekka. Deze naam spreekt over de Nieuw-Testamentische openbaring van de Vader en de Zoon. Uit deze bron, het evangelie van Johannes, kunnen ook wij, als met Christus opgestaan, steeds rijkelijk putten, verlangend naar onze hemelse Bruidegom.

In Genesis 26 zien we echter Isaäk als mens en omdat een hongers­nood komt, daalt ook hij af naar het zuiden, om daar in Gerar bij de Filistijnen te verblijven. Ook hij ontkent dat Rebekka zijn vrouw is. Deze leugen brengt hem eerst wat voordelen, maar verwijdert hem van God. Toen hij putten ging graven, werden de Filistijnen jaloers, zodat Isaäk het raadzaam vond om eerst naar Rehoboth te gaan en daarna via Beërscheba in Kanaän terug te keren. De derde periode in het leven van Isaäk staat vooral in het teken van de geboorte van Ja­kob en Ezau. Hij had om een zoon gebeden. God verhoorde hem maar liet toe dat er grote moeilijkheden tussen Jakob en Ezau zouden ontstaan. Jakobs bedrog inzake het eerstgeboorterecht en de zegen werpen een licht op de weinig geestelijke toestand van Isaäk aan het eind van zijn leven. Hij wordt slachtoffer van Rebekka’s listen, iets wat ze zeker uit het huis van de schrandere en oneerlijke Laban had overgehouden.

7. Jakob

Velen die zich met het leven van Jakob hebben beziggehouden, heb­ben zich afgevraagd of God al zijn listen en zelfzucht goedkeurde. Niet alleen zegt het geloof daar “nee” op, maar lezen we Jakobs leven nauwkeuriger, dan merken we op, dat God met volmaakte rechtvaar­digheid elke misstap vergolden heeft en Jakob ernstig getuchtigd heeft. En dit geldt zowel voor de listen van Rebekka als voor die van Jakob. Inderdaad heeft God Jakob voor zijn zonden laten boeten. Een van de meest in het oog lopende karaktertrekken van Jakob was, dat hij in alles zijn eigen aardse voordeel zocht, en toch met God ook voor de toekomst iets goeds wilde overhouden. Dat deze wijze van doen Gods goedkeuring niet wegdroeg, blijkt wel uit het feit dat Jakob een veel moeilijker leven gehad heeft dan wie dan ook. In scherp contrast hiermee staat bijvoorbeeld het leven van zijn zoon Jozef, die het lijden aanvaardde en tot grote eer en rijkdom kwam. Bij Jakob schenen allerlei listen nodig om zegen te verkrijgen, maar Jozef krijgt alles op grond van zijn gelovige wandel.

Het leven van Jakob is leerzaam omdat we helaas meer mensen met zijn karakter ontmoeten dan mensen met Jozefs karakter. Temidden van hen die Christus belijden, vinden we een meerderheid, die alle nadruk leggen op hun aardse voorspoed en daartoe alle beschikbare middelen gebruiken, terwijl ze daarna ook nog wel naar de hemel willen gaan.

Maar dit zijn niet de wegen van het geloof en het is opvallend, dat we werkelijk gelukkige Christenen alleen vinden onder hen die ter wille van de hemelse roeping het lijden, de beproevingen, zelfs de geloofs­vervolging aanvaarden. Dit zijn zij die Christus in zijn lijden temidden van een Gode vijandige wereld volgen en alle gevolgen van het ge­hoorzamen aan Gods Woord aanvaarden. Zulke verschillen tussen wereldse en geestelijke gelovigen hebben we al opgemerkt toen we Abraham met Lot vergeleken. Lot zocht aardse voorspoed en had een ongelukkig leven. Abraham zocht Gods eer en werd door God rijk gezegend.

De naam van Jakob betekent “hielenlichter” of “bedrieger”en helaas ontdekken we telkens deze duistere trek in zijn wegen. Misschien is er tussen Isaäk en Rebekka niet altijd grote harmonie geweest, want Rebekka had Jakob lief terwijl Isaäk een voorkeur had voor Ezau, die van nature een wat aantrekkelijker karakter had, maar een ongelovige was. Het kan wel aan Rebekka gelegen hebben dat Jakob veel thuis was en Ezau een man van het veld werd. We merken op dat Re­bekka, na het bedrog met de geitenvellen ter wille van de zegen, Ja­kob nooit meer teruggezien heeft, zodat ook zij het tegengestelde van wat ze zocht, verkregen heeft.

God had Jakob uitverkoren en in Bethel, waar Jakob van een ladder tot aan de hemel droomt, toont God dit heel duidelijk. De engelen ste­gen op en daalden af, en boven aan de ladder was God. Die beloofde dat Jakobs nakomelingschap gezegend zou worden, en met dat na­geslacht alle volken van de aarde (Genesis 28:10-20).

Jakob noemde deze plaats Bethel, dat is huis van God en poort naar de hemel. Maar bijna direct na dit hemelse visioen worden Jakobs aardse gedachten weer duidelijk in het verbond dat hij met God wilde maken. Als God hem allerlei aardse dingen gaf, dan zou Jakob God dienen en hem tienden betalen (Gen. 28:20-22). De aardsgezinde Jakob was niet in staat om in geloof op een getrouw en liefderijk God te rekenen. Toch was hij een waar gelovige en dat openbaarde zich aan het eind van zijn leven: “Door het geloof zegende Jakob bij zijn sterven elk van de zonen van Jozef en hij aanbad, leunende op het uiteinde van zijn staf.” (Hebr. 11:21).

In Genesis 29 lezen we hoe Jakob Rachel ontmoette. Toen Jakob haar aan Laban ten huwelijk vroeg, werd dat een steekspel van we­derzijds bedrog tussen de listige Laban en de listige Jakob, en het resultaat was dat Jakob twintig jaar van lijden en teleurstelling te doorstaan had. In zijn barmhartigheid verscheen God na die twintig jaar aan Jakob en zei: “Jakob... Ik ben de God van Bethel, waar gij een opgerichte steen gezalfd hebt, waar gij mij een gelofte gedaan hebt; welnu, maak u reisvaardig, ga uit dit land weg en keer naar het land van uw maagschap terug.” (Gen. 31:13).

Het schijnt dat Jakob die twintig jaar niet veel aan Bethel gedacht had, en van een altaar was er in de omgeving van Laban evenmin sprake. Op Gods bevel had Jakob rustig aan Laban kunnen vertellen dat hij vertrekken moest, maar hij maakte liever een listig plan om met zoveel mogelijk bezit te ontsnappen, terwijl Laban afwezig was. Woe­dend joeg Laban hem met zijn knechten na, maar God verscheen aan hem, en beval hem, Jakob geen schade te berokkenen. God hield zijn woord en Laban zag van vergelding af. Daarna beval God een leger engelen om Jakob te begeleiden, maar dat was niet genoeg om Ja­kob rustig verder te laten reizen. Hij was bang voor zijn broer Ezau, en toen deze hem tegemoet kwam, deelde Jakob zijn legertje listig in, zodat Rachel en hijzelf en Jozef in de achterhoede kwamen en het minst gevaar liepen bij een eventuele botsing met een boze Ezau. Dat alles toonde ongeloof. Als God ons iets gebiedt, kunnen we rustig, en zonder onze eigen listige plannen, doen wat Hij van ons vraagt, zon­der al die innerlijke onrust te tonen. Wat was die indeling van de groep, met Lea en haar kinderen en het vee voorop, niet een lafhar­tige daad voor een gelovige!

We merken op dat hij, juist bij deze listige organisatie, weer met God te doen had in Pniël. “Zo bleef Jakob alleen achter. En een man wor­stelde met hem, totdat de dag aanbrak. Toen deze zag, dat hij hem niet overmocht, sloeg hij hem op zijn heupgewricht, zodat Jakobs heupgewricht ontwricht werd, terwijl hij met hem worstelde. Toen zei hij: Laat mij gaan, want de dageraad is gekomen. Maar hij zei: Ik laat u niet gaan, tenzij gij mij zegent.” (Gen. 32:24-26). Dit is een wonder­lijke geschiedenis. Zolang Jakob vol kracht was, kon hij worstelen, maar met een verwrongen heup was hij zo zwak als een klein kind geworden. We hebben hier een blik in Gods wondere wegen met zijn kinderen. Vol van kracht en geweld vervolgde Saulus van Tarsen de Christenen, totdat Christus hem op de weg naar Damaskus ontmoette en hem hulpeloos maakte. Verblind en ter aarde geworpen vroeg Saulus: “Heer, wie bent U?” en het atnwoord was: “Ik ben Jezus die gij vervolgt.” Later kon Paulus zeggen: “Als ik zwak ben, dan ben ik machtig.” Alles wat we in eigen kracht doen is eigenlijk strijden tegen God, totdat eindelijk de krisis in ons leven komt en we aan het einde van onszelf komen. “De gedachte van het vlees is vijandschap tegen God.”

Pas toen zijn kracht verdwenen was, werd Jakob een overwinnaar en werd hij gezegend. Toen ook kon God zijn naam van Jakob: “bedrie­ger”,veranderen in Israël: “Een koning van Godswege.”

Jakobs geschiedenis is ook de geschiedenis van het volk van Israël, dat de eeuwen door gekenmerkt werd door halsstarrigheid en eigen­wil, dat daarna door de grootste vernederingen en vervolgingen moest, dat tijdens de grote verdrukking tot de grootste machteloos­heid zal gebracht worden, maar dat na hun bekering over de aarde zal regeren onder Christus, tegen Wie ze geworsteld hebben en Die ze gekruisigd hebben.

We vinden Jakob later in Sichem en ook daar was hij niet op zijn plaats als pelgrim en als tentbewoner.

Hij gaat in Sichem dan ook grote moeilijkheden tegemoet met zijn dochter Dina en de bewoners van Sichem. Daarop beveelt God hem, om met zijn gezin naar Bethel te trekken, daar een altaar te bouwen, de afgoden weg te doen en God te dienen (Gen. 35).

De contacten met een afgodische wereld hadden ook in Jakobs huis allerlei godsdienstige mengsels binnengebracht, maar Jakob bleef niet in Bethel zoals God hem geboden had, doch reisde verder en op deze reis stierf zijn geliefde vrouw Rachel. Buiten de weg waarop God ons dag aan dag leidt, zullen we slechts droefheid ontmoeten, want God tuchtigt iedere zoon die Hij liefheeft, totdat we Zijn heiligheid in ons leven weerspiegelen. In Hebron zag Jakob zijn vader Isaäk terug. Deze stierf op honderd tachtig jarige leeftijd, en zijn zoons Ezau en Jakob begroeven hem. Daar, in Kanaän, begint ook de voor Jakob zo droevige geschiedenis met zijn geliefde zoon Jozef, wiens verdwijning een donkere schaduw op zijn latere leven wierp. Inderdaad, Jakob, die hier op aarde zo graag voorspoed en geluk had ontmoet, was we­gens zijn bedrieglijke karakter, een voorwerp van voortdurende va­derlijke tucht en God heeft zelfs met zulk een karakter zijn doel bereikt. Kreupel, vermoeid, aanbad Jakob Gods onbegrijpelijke ge­nade, terwijl hij in uiterste zwakheid leunde op zijn pelgrimsstaf.

8. Jozef

Jozef en Benjamin waren de enige zonen van Rachel, de geliefde vrouw van Jakob. Over Jozefs geboorte lezen we: “Toen gedacht God Rachel, en God verhoorde haar; Hij opende haar schoot, en zij werd zwanger en baarde een zoon. Toen zei zij: God heeft mijn smaad weggenomen; en zij gaf hem de naam Jozef, zeggende: Moge de Here mij er nog een andere zoon bijvoegen.”(Gen. 30:22-24).

Het leven van Jozef is een van de weinige waarin de zonde nooit de overhand kreeg; integendeel, het werd gekenmerkt door een gestage overwinning over het vlees, de zonde en Satan. Jakob vergeleek hem met een boogschutter, die steeds de overhand had over de aanvallen van zijn tegenstanders: “De boogschutters hebben hem getergd, be­schoten en vijandig bejegend, maar zijn boog bleef stevig en zijn sterke handen bleven lenig, door de handen van de Machtige Ja­kobs.” (Gen. 49:23,24).

Jozef heeft geen makkelijk leven gehad. De strijd begon al toen hij pas zeventien was. Dertig jaren van lijden en verzoeking volgen daar-op, maar God bracht hem erdoor. Wat Jozefs opvoeding betreft, moeten we niet vergeten dat hij in zijn jeugd zijn grootvader Isaäk had gekend als een stille geloofsman vol gebed, en dat hij in Jakobs moeilijke leven telkens Gods genade had zien zegevieren. En zo werd ook het leven van Jozef een leven vol gebed, en God bewaarde hem voor struikelingen.

Jakob sprak over Jozef ook als: “degene die van zijn broeders afge­zonderd is” (Gen. 49:26). Deze andere broeders hadden zich geo­penbaard als alle mensen dat van nature doen, geleid door zelfzucht en afgunst. Jozef integendeel was door zijn gedrag een troost en vreugde voor zijn vader, een van de boze wereld afgezonderd jong mens. In deze stilheid bleef zijn hart open voor de stem van God, die zich in dromen aan hem openbaarde.

Er was weinig onderscheid tussen het gedrag van zijn broers en dat van de Kanaänieten. Jozef leed onder dat slechte getuigenis en sprak er met zijn vader over (Gen. 32:2). Jakob had Jozef lief en maakte een veelkleurig kleed voor hem. Daar Jakob laat getrouwd was, wa­ren al zijn zoons kinderen des ouderdoms, maar Jozef alleen ging vertrouwelijk met hem om, zonder de begeerten van de jeugd na te jagen en dit was een grote troost en vreugde voor de bejaarde patri­arch.

Toen God hem dromen gaf die duidelijk de toekomst voorspelden, vertelde Jozef deze aan zijn vader en aan zijn broers. Ruben had im­mers zijn eerstgeboorterecht verspeeld door zijn bloedschande, en ze begrepen dat Jozef deze plaats zou innemen, en op grond daarvan verachtten en haatten zij Jozef. Zelfs Jakob vond die eer te groot. “Zijn broeders dan benijdden hem, maar zijn vader hield de zaak in gedachten” (Gen. 37:11). Hij bewaarde deze woorden in zijn hart als een goddelijke belofte. In zijn afzondering, zijn visie op de toekomst en in het feit dat hij door het geloof door God geliefd en gezegend werd, kunnen we Jozef met Daniël vergelijken. Zulke gelovigen wor­den wel diep beproefd, maar later hooggeëerd. In Jozef vinden we eerst het lijden en daarna de heerlijkheid van de Heer Jezus. Zowel Jozef als de Heer Jezus werden tot hun broeders, de kinderen van Israël, gezonden. Jozef werd als slaaf verkocht, Jezus werd door de zijnen verworpen en gekruisigd.

Dat Jozef tot in Dothan zijn broers ging zoeken, toont zijn liefde en zorg voor hen, hoewel hij met hun spot en haat al had kennisge­maakt. Anders zou hij naar huis terug zijn gegaan om te zeggen dat hij ze in Sichem niet gevonden had.

Toen zijn broers hem zagen, smeedden ze een complot tegen hem, rukten hem zijn veelkleurig kleed af en verkochten hem als een slaaf aan een karavaan van Midianieten. Ze doopten zijn kleed in bloed om aan Jakob te laten voorkomen dat Jozef door een wild dier ver­scheurd was, en daartoe doodden ze een geitje.

Jozef was als jonge slaaf twintig zilverlingen waard, terwijl Judas voor het verraad van Jezus dertig zilverlingen kreeg. Onbeschrijfelijk ge­meen waren deze broers voor Jozef en zijn vader. Maar dit alles be­hoorde tot Gods wijs bestel met Jakob, die eens zijn eigen vader bedrogen had om te zegen te ontvangen: “Wat een mens zaait, dat zal hij ook oogsten” (Gal. 6:7). Rebekka liet een geitje slachten om de vellen over Jakobs armen te leggen en Isaäk te bedriegen; nu werd een geitje geslacht om Jakob te bedriegen (verg. Gen. 27:9). Gods rechtvaardigheid eist vergelding, maar Gods genade zegent op het einde.

In Egypte werd Jozef als slaaf verkocht aan Potifar, een hoveling van de Farao. “En de Here was met Jozef, zodat hij een voorspoedig man werd... Jozef won zijn genegenheid... hij stelde hem aan over zijn huis, en alles wat hij had, gaf hij in zijn hand.” (Gen. 39:2-5).

Nu was Egypte vol zedeloosheid en weldra werd Jozefs geloof op de proef gesteld door de zondige voorstellen van Potifars vrouw. Met Gods heiligheid voor ogen zei Jozef: “Hoe zou ik dan dit grote kwaad doen en zondigen tegen God?” (Gen. 39:9). Ze drong echter zo aan, dat Jozef eindelijk alleen aan Satans macht kon ontsnappen door te vluchten, waarbij hij zijn kleed in haar hand liet. “Ontvlucht de be­geerten van de jeugd”, zegt Paulus aan Timotheus, en “ontvlucht de hoererij” aan de Corinthiërs. Als we Satans verlokkingen ontvluchten zijn we veilig in de armen van Jezus (2 Tim. 2:22; 1 Cor. 6:18). Het tegenovergestelde van het ontvluchten van de jeugdige begeerten zien we in de onwelvoeglijke kleding van onze dagen, met alle nood­lottige gevolgen.

Woedend kreeg Potifars vrouw het gedaan dat Jozef als een boos­doener in de gevangenis werd geworpen. Maar ook daar was God met hem en zijn woord louterde hem (Ps. 105:17-19). Hij werd over de gevangenen gesteld en zijn gedrag dwong eerbied af. Toen de schenker en de bakker van de Farao in de gevangenis kwamen, won Jozef hun vertrouwen en zij vertrouwden hem hun dromen toe. Jozef legde ze uit en de uitleg kwam spoedig uit: de schenker werd in zijn werk hersteld en de bakker werd gedood.

Jozef vroeg aan de schenker, hem bij de Farao te gedenken, maar deze vergat hem, totdat de Farao zelf droomde, zodat de schenker zich Jozef herinnerde, die voor de Farao werd gebracht om hem zijn dromen uit te leggen. Jozefs uitleg over de zeven jaren van over­vloed, gevolgd door zeven jaren van hongersnood, was van levens­belang voor Egypte, vooral toen hij de wijze raad gaf om de overtol-lige graanoogst op te slaan in schuren. God had hem wijsheid gege-ven voor wereldbestuur. De boeren werden gedwongen om hun over-tollig koren aan de Farao af te staan en Jozef werd onderkoning van Egypte, om zorg te dragen voor de jaren van schaarsheid. In de laat-ste jaren van de hongersnood kregen de inwoners alleen voedsel als ze hun bezittingen in beheer gaven van de Farao. Jozef kwam tot eer en macht en in die tijd huwde hij met een Egyptische vrouw die het beeld is van de Gemeente uit de heidenvolken die met Christus, verheerlijkt aan Gods rechterhand, verbonden wordt. Asnath gaf Jo­zef twee zoons, Efraïm en Manasse, erfgenamen van Jakob.

Toen de hongersnood zich over de hele wereld uitbreidde, was dit voor God de gelegenheid om zich met de broers van Jozef bezig te houden. Intussen lezen we in Genesis 38 hoe God Juda vernederde en tuchtigde als hoofdverantwoordelijke. Maar deze vernedering en tucht moest alle broeders treffen toen ze door honger gedwongen werden om koren bij Jozef te gaan kopen. Jozef behandelde ze met strengheid, zoals ook nu de Heer Jezus veel lijden, vernedering en vervolging voor de Joden toelaat, en uiteindelijk de grote verdrukking, totdat ze hun verschrikkelijke zonde belijden en zich bekeren.

Jozef die geheim hield dat hij hun broeder was, liet ze telkens terug­keren, beschuldigde hen van spionage en diefstal, zodat ze eindelijk tot wanhoop vervielen en zich hun grote zonde tegen Jozef en zijn vader herinnerden. Zo bracht God ze tot diep berouw en belijdenis van hun zonde.

Toen was het grote ogenblik gekomen om zich aan zijn broeders be­kend te maken, en ze tot een maaltijd uit te nodigen. Zo zal ook de Heer Jezus zich als Messias van Israël openbaren, en zij zullen Hem zien die zij doorstoken hebben, en over hem weeklagen als over een eerstgeborene. Zoals ook Jozefs broeders hadden erkend: “Voor­waar, nu boeten wij voor wat wij onze broeder aangedaan hebben: wij zagen zijn zielsbenauwdheid, toen hij ons om erbarming smeekte, maar wij hoorden niet; daarom is deze benauwdheid over ons geko­men.” (Gen. 42:21). En dan zal Israël deel hebben aan de koninklijke glorie van Christus.

Bij de maaltijd kreeg Benjamin vijf maal zoveel, om te zien of ze nog zo jaloers waren als vroeger. Hun eigenwil en harde harten waren gebroken en nu kon Jozef hun zeggen: “Maar weest nu niet verdrietig en ziet er niet zo ontsteld uit, omdat gij mij hierheen verkocht hebt, want om u in het leven te behouden heeft God mij voor u uit gezon­den.” (Gen. 45:5).

Inderdaad is het kruis van Christus de weg van de verlossing gewor­den voor Israël en voor de hele wereld. Ondoorgrondelijke wijsheid van God!

Toen Jakobs zoons bij hun vader terugkwamen, waren hun eerste woorden: “Jozef leeft nog”, maar hij kon het niet geloven. Maar toen hij de wagens zag die Jozef meegegeven had om hen te vervoeren, leefde zijn geest weer op en zei hij: “Het is genoeg; mijn zoon Jozef leeft nog; ik wil gaan en hem zien, eer ik sterf.” (Gen. 45:25-28).

Ze gingen naar Berseba om daar offers aan God te brengen, en God gaf bevel aan Jakob om naar Egypte te gaan.

Daar leefden zij in overvloed, maar God openbaarde aan Jozef dat het volk van Israël weer uit Egypte zou weggaan. “Door het geloof zegende Jakob bij zijn sterven elk van de zonen van Jozef en hij aan­bad, leunende op het uiteinde van zijn staf. Door het geloof maakte Jozef aan het einde van zijn leven melding van de uittocht van de zo­nen van Isra:el en gaf bevel met betrekking tot zijn gebeente.” (Hebr. 11:21,22).

En zo eindigt het boek Genesis, dat begint met het bestaan van de mensheid in de rijkdom van de hof van Eden, met de dood van Jozef: “En Jozef stierf, honderd en tien jaar oud, en men balsemde hem, en hij werd in een kist gelegd, in Egypte.” (Gen. 50:26).

9. Mozes

Hoewel Mozes het overgrote deel van zijn leven in de woestijn door­bracht, buiten een wereld waartoe hij eerst grondig toegerust scheen, is zijn lijst van geloofsdaden in de dienst van God één van de meest indrukwekkende van de Bijbel. Het begon met het geloof van zijn ou­ders in de hoogst benarde tijd waarin hij geboren werd: “Door het ge­loof werd Mozes, toen hij geboren was, drie maanden lang door zijn ouders verborgen, omdat zij zagen dat het kind schoon was; en zij vreesden het gebod van de koning niet.” (Hebr. 11:23).

Er zijn van die mensen die zich altijd in de nesten werken. Op de een of andere manier zijn zij altijd in de buurt als ergens ruzie uitbreekt. Ze hebben altijd wel een mening over alles. Mozes was zo’n iemand. Hij was zijn leven lang op zijn best èn op zijn slechtst als hij reageerde op de conflicten om hem heen. Zijn karakter werd zelfs weerspiegeld in de ervaring met de brandende struik. Toen hij het vuur ontdekte en zag dat de braamstruik niet verbrandde, ging hij direct op onderzoek uit.

Toch trad in de loop der jaren in Mozes’ karakter een merkwaardige verandering op. Hij bleef zich met dingen bemoeien, maar leerde steeds meer op de goede wijze te reageren.

Leiderschap (zoals bij Mozes het geval was) vraagt om reactie. Als wij automatisch willen reageren volgens Gods wil, moeten wij eraan wennen Hem altijd te gehoorzamen… Consequente gehoorzaamheid aan God is het beste aan te leren in tijden met weinig stress… In Mozes zien we een voortreffelijke persoonlijkheid die door God gevormd is. Maar we moeten wel goed begrijpen wat God deed. Hij veranderde niet het wie of wat van Mozes’ wezen, Hij gaf opnieuw vorm aan Mozes’eigenschappen, vaardigheden en karaktertrekken.

Denk jij hierdoor nu anders over Gods doel met jouw leven? In de eerste plaats neemt Hij jou zoals Hij je heeft geschapen. Vraag als je met God praat niet: “Hoe moet ik veranderen?” maar “Hoe kan ik mijn eigen mogelijkheden en krachten gebruiken om Uw wil te doen?”

Het verblijf van Jakobs nakomelingen in Egypte was in het begin een periode van zegen en voorspoed, vooral tijdens het leven van Jozef, omdat het Gods antwoord was op zijn geloof. Maar nadat Jozef en zijn broers gestorven waren, en er een nieuwe Farao kwam, die Jozef niet gekend had, werd de vijandschap van een door Satan geknechte wereld tegen God en Zijn volk meer en meer duidelijk. Vooral toen men merkte dat het volk van Israël sterk in aantal toenam, werden de Egyptische machthebbers bevreesd voor hun macht en trachtten hen eronder te houden. De Farao, onder wiens regering Mozes geboren werd, hield met God absoluut geen rekening, maar God had besloten Zijn volk uit de macht van Egypte te verlossen, en dit zou een machtig getuigenis zijn en blijven over de waarde van het bloed van het Lam voor de bevrijding uit de macht van Satan. Deze Farao beval eerst dat alle jongens die als Israëlieten geboren werden, direct bij hun ge­boorte gedood werden, maar de vroedvrouwen weigerden dit bevel uit te voeren. Daarna beval de Farao, dat de Israëlietische jongens in de Nijl geworpen zouden worden. Toen Mozes geboren werd, vertrouw­den zijn ouders op Gods bewarende macht en maakten een mandje, bestreken het met asfalt en legden daarin de baby te drijven tussen het riet. Een zusje moest haar broertje in het oog houden en weldra zag ze dat de dochter van de Farao juist dicht bij die plaats in de rivier kwam baden. Toen deze Prinses het kindje daar zag drijven, kreeg zij er medelijden mee, en wilde het voor zichzelf houden. Mozes’ zusje bood toen een voedster aan, en toen dit voorstel aangenomen werd, ging de moeder van Mozes mee, om het kind te voeden. Hij zou ech­ter de zoon van Farao’s dochter worden en die noemde hem Mozes: “Uit het water getrokken”.

Zo werd Mozes in de Egyptische beschaving opgevoed, en werd een sterke, intelligente jonge man. Maar God had geen wereldse macht, maar toewijding tot Zijn heilige dienst voor Mozes besloten.

Intussen was de conditie, waarin het volk van Israël verkeerde, on­draaglijk geworden. Ze waren tot slavernij gedoemd en moesten de stenen vervaardigen, die voor de bouw van de Egyptische steden dienden. Deze slavendienst werd steeds zwaarder gemaakt en het volk zuchtte onder hun ondraaglijke lasten. Mozes was een getuige van zulk een erbarmelijk toneel, toen een Egyptenaar een Israëliet met zweepslagen tot hardere arbeid dwong. Hij kon zijn woede niet meer meester, sloeg de Egyptenaar dood en verborg hem in het zand. Hij dacht dat de Hebreeërs hem zouden vertrouwen, maar toen hij de volgende dag twee vechtende Hebreeërs wilde scheiden, voegde deze hem toe:“Denkt u soms mij te doden zoals u de Egyp­tenaar gedood hebt?”

De Farao hoorde ervan en trachtte Mozes te doden, maar Mozes vluchtte naar het land Midian.

Niemand kan God dienen en Gods volk tot zegen zijn in de kracht van zijn eigen natuur. Zolang we vertrouwen op eigen kracht en wijsheid zijn we nutteloos. God had hem geroepen, en daarom moest Mozes een lange leerschool doorlopen, met het doel zijn geloof te verster­ken, en het vertrouwen op zijn natuurlijke capaciteiten terzijde te stel­len. Veertig jaar was Mozes op menselijke wijze opgevoed, maar nu moest hij veertig jaar in de woestijn door God geleerd worden en toe­bereid tot een grootse en goddelijke taak: de verlossing van Gods volk uit de Egyptische slavernij.

En God bereikte zijn doel. Na veertig jaren een kudde schapen in de woestijn gehoed te hebben, was Mozes de zachtmoedigste en gedul­digste mens ter wereld geworden, zo nederig, dat hij zich zelfs voor zijn Goddelijke roeping onwaardig achtte.

De Schrift wijdt grote aandacht aan de roeping en voorbereiding van Gods dienstknechten. We weten niet waar Jesaja stierf, maar hebben een indrukwekkend hoofdstuk over zijn roeping door God, gezeten op de troon van de heerlijkheid in de hemel. (Jesaja 6). Zo is het ook met Mozes’roeping, toen de God der heerlijkheid hem verscheen in de brandende braambos. Toen God hem riep dacht Mozes dat God zich in hem vergiste: zo’n onbenullig herdertje voor zulk een machtige en grootse levenstaak! In de eenzaamheid was zijn redenaarstalent tot niets verdroogd, en zozeer drong Mozes op zijn onbekwaamheid aan, dat God hem zijn broeder Aäron als helper meegaf. “Wie ben ik?” wa­ren Mozes’ woorden.

Hij was uiterst zwak en klein in eigen ogen geworden en als er iets gedaan moest worden, dan moest God wel alles doen. Zo had hij in de veertigjarige eenzaamheid alle menselijke aanmatiging, zo sterk aan koninklijke hoven, afgeleerd, en geleerd op God alleen te ver­trouwen. Veertig jaar daarvoor dacht hij dat de Hebreeërs hogelijk vereerd zouden zijn toen een prins van Farao’s hof hun belangen wilde behartigen. Nu wist hij niet op welke wijze hij zich voor hen aan­vaardbaar kon maken. Welnu, God kwam hem te hulp en gaf hem macht om zulke tekenen en wonderen te verrichten dat inderdaad de Hebreeërs hem als een door God gezondene aanvaardden. “Door het geloof weigerde Mozes, toen hij groot geworden was, een zoon van Farao’s dochter genoemd te worden, omdat hij er de voorkeur aan gaf met het volk van God slecht behandeld te worden, boven een tijdelijke genieting van de zonde; hij achtte de smaad van Christus groter rijk-dom dan de schatten van Egypte, want hij zag op de beloning.” (Hebr. 11:24-26).

Bij zijn roeping bij het brandende braambos, openbaarde God aan Mozes Zijn Naam: “Jehova”; “Ik ben die ik ben”. God was de Verlos­ser van Zijn volk, de eeuwig getrouwe die volbrengt wat Hij beloofd heeft.

Daarop deed God de herdersstaf van Mozes in een slang veranderen, en daarna de slang weer in een stok. Daarna moest Mozes de hand in zijn boezem steken en deze kwam er melaats uit. Maar bij de tweede maal werd de melaatse hand weer gezond. Ook zou Mozes nijlwater in bloed kunnen veranderen, dingen die God alleen vermag. Toen durfde Mozes zijn zending aan en ging naar Egypte terug. On­derweg dwong God hem, zijn zoon te besnijden.

Voor Farao verschenen, legden Mozes en Aäron hem Gods eisen voor: een vrije uittocht uit Egypte naar het land van de belofte. Maar Farao weigerde hardnekkig, met de woorden: “Wie is de Here, naar wie ik zou moeten luisteren om Israël te laten gaan?” (Ex. 5:2).

Integendeel, de slavendienst werd nog verzwaard. Daarop kondigde God aan, dat hij verschrikkelijke gerichten over Egypte zou brengen en Farao zou dwingen het volk te laten gaan. Mozes wierp zijn staf voor Farao op de grond en deze werd in een slang veranderd, maar de tovenaars van Farao wierpen hun staven ook op de grond en deze werden, door Satans bovennatuurlijke macht, ook slangen. Zo wisten de tovenaars telkens de macht van God te ondermijnen, zodat deze op Farao geen indruk meer maakte. In de huidige Christenheid wer­ken ook zulke satanische machten, die door imitatie van het werk van God de kracht van het evangelie teniet trachten te doen. Paulus schrijft hierover: “Ogenschijnlijk bezitten zij godsvrucht... die altijd leren en nooit tot kennis van de waarheid kunnen komen. Zoals nu Jannes en Jambres zich tegen Mozes verzet hebben, zo verzetten ook dezen zich tegen de waarheid.”(2 Tim. 3:5-8).

Er kwam echter een ogenblik waarop de tovenaars machteloos ston­den. Dat was toen uit stof levende wezens moesten voortgebracht worden. Zo werd, volgens Paulus, hun dwaasheid openbaar. Allen die, in de Schrift, konden genezen, konden ook doden opwekken, en dit ontbreekt bij de moderne wonderdoeners, die veelal niet uit God zijn. Gods kracht gaat gepaard met wandelen in de waarheid, met gehoorzaamheid zonder reserve aan Zijn heilige wil en dat ontbreekt helaas in de huidige Christenheid.

Toen Farao bleef weigeren het volk vrij te laten, bracht God door mid­del van Mozes tien plagen over Egypte, en het enige resultaat was, dat Farao’s hart verhard bleef. Zijn vier tegenwerpingen waren:

Waarom blijven jullie niet in het land om daar aan uw God te offe­ren? Mozes weigerde dit voorstel, omdat aanbidding van God niet met afgoderij vermengd kan worden.

Als jullie dan toch de woestijn in willen, waarom zo ver? (Ex. 8:25-28) Mozes antwoordde dat ze minstens drie dagreizen ver zouden gaan.

De volwassenen mogen gaan maar laat de kinderen hier. Hierop antwoordde Mozes, daar hij wist dat de harten van de ouders naar hun kinderen zouden terugverlangen, dat het hele volk zou weggaan.

Als de mensen weggaan, laten ze dan hun kudden en bezittingen achterlaten. Hierop antwoordde Mozes dat ze al hun bezittingen ook in de woestijn nodig hadden.

Toen de Farao halsstarrig bleef, kondigde Mozes Gods laatste oor­deel aan, en tevens de verlossing van Israël.

In één nacht zouden alle eerstgeborenen in Egypte sterven, maar Israël zou veilig zijn door het aanbrengen van het bloed van het paaslam aan de deurposten en dorpels van hun huizen. Dit paaslam is een treffend beeld van de voor onze zonden gekruisigde Christus: “Want ook ons Pascha, Christus, is geslacht. Laten wij daarom feest­vieren, niet met oud zuurdeeg, ook niet met zuurdeeg van slechtheid en boosheid, maar met ongezuurd brood van oprechtheid en waar­heid.” (1 Cor. 5:7,8).

Zoals het bloed van het paaslam heel Israël verloste, niet alleen van Gods oordeel over Egypte, maar ook van de slavernij, zo verlost het bloed van het kruis ons van het komende oordeel en van de slavernij van Satan. Met bittere kruiden moest het lam gegeten worden, wat betekent dat niet alleen Christus voor ons stierf, maar dat ook wij met hem gestorven zijn.

Deze verlossing maakt ons tot aanbidders van de Vader en de Zoon. Ook was het gezamenlijk eten van het paaslam een beeld van Israëls eenheid en het tegenbeeld is dat het Avondmaal de eenheid van Gods kinderen uitdrukt, ook in onze tijd.

Tot Israëls verlossing hoorde ook de doorgang door de Rode Zee, en eigenlijk ook de doorgang door de Jordaan, om in het Beloofde Land te komen.

In Exodus 14 vinden we de Rode Zee, en Paulus zegt daarvan:“..Dat onze vaderen allen onder de wolk waren, allen door de zee heenge­gaan zijn, allen tot Mozes gedoopt zijn in de wolk en in de zee, allen hetzelfde geestelijke voedsel aten, allen dezelfde geestelijke drank dronken. (Want zij dronken uit een geestelijke steenrots die volgde; de steenrots nu was Christus)...En deze dingen gebeurden ons tot voorbeelden.” (1 Cor. 5:1-6).

Israëls geschiedenis is één grote gelijkenis, waaruit we leren wat de grond en het karakter van het levende Christendom zijn. Toen Israël na de paasnacht uit Egypte trok, merkten ze spoedig dat Farao ze met een leger achtervolgde. Zo hadden ze dan de Rode Zee vóór zich en een leger achter zich en God alleen kon uitredding geven. Dat deed Hij ook, om Zijn macht en heerlijkheid tegenover alle volken te openbaren, zoals in de toekomst Israël zal behouden worden on­danks een menselijk onmogelijke situatie. Maar de Israëlieten mop­perden: “Waren er soms geen graven in Egypte, dat gij ons hebt meegenomen om te sterven in de woestijn?” (Ex. 14:11). Maar het geloof van Mozes had daarop een afdoend antwoord: “De Here zal voor uw strijden en gij zult stil zijn.” (vs. 14). Daarop beval God aan Mozes om zijn staf op te heffen en over de zee uit te strekken. Intus­sen ging de wolkkolom, die voor hen uitging, achter hen staan, en scheidde ze van de Egyptenaren. De zee week toen naar rechts en links en een weg werd gevormd, zodat Israël droogvoets kon door­trekken. Zodra Israël aan de andere oever gekomen was, stroomde de zee weer terug en verzwolg het Egyptische leger. Inderdaad was het geloof van Mozes de basis van deze verlossing, want we vinden dat Israël hem volgde, maar zonder levend geloof. Ze werden tot Mo­zes gedoopt, en de doop is een teken van belijdenis en niet een be­vestiging van een levend geloof. Wegens hun ongeloof zouden hun lijken later in de woestijn blijven.

Israël zag de vernietiging van Farao en zijn leger en kon met Mozes het verlossingslied aanheffen (Ex. 15).

Daarna komt de woestijnreis die voor ons, gelovigen, een beeld is van onze levensweg door deze wereld nadat we in Christus geloofden.

Weldra kwamen de moeilijkheden toen ze dorst kregen en er niet da­delijk water was. Ze kwamen eerst aan het bittere meer van Mara dat echter zoet werd toen Mozes er een stuk hout in wierp.

Daarna kwamen ze te Elim, een oase met twaalf bronnen en zeventig palmbomen, een welkome verkwikking op de woestijnreis. Het Chris-telijke leven brengt beproevingen mee, maar ook veel troost, bemoe-diging en verkwikking door de gezegende dienst van de Heilige Geest.

In die tijd werd aan Mozes een tweede zoon geboren, die Eliëzer, “God is mijn hulp” genoemd werd.

Toen ze aan de berg Sinaï kwamen, toonde het volk zijn aanmatiging door te beloven dat ze alles zouden doen wat God hun zou bevelen. Daarop gaf God hun door Mozes de wet van de tien geboden, die al gebroken werd voordat Mozes weer van de berg afgekomen was. Ze pleegden afgoderij door om het gouden kalf van Aäron te dansen.

Tot de wetgeving behoorde de bouw van de tabernakel, de plaats waar offers gebracht moesten worden, en die in beeld een weg aangaf om de vergeving van zonden te krijgen. “Zonder bloedstorting is er geen vergeving.” God woonde echter achter het voorhangsel en Israël kon tot Hem niet naderen. Dit bleef later ook zo voor de tempel. Pas toen Christus stierf aan het kruis, werd het voorhangsel in de tempel gescheurd, zodat gelovigen nu vrije toegang hebben tot God door Zijn Geest en kunnen naderen voor gebed en aanbidding (Hebr. 10:19).

God had ondernomen om in alle behoeften van zijn volk in de woes­tijn te voorzien, maar het volk was voortdurend ongelovig, afgodisch en ontevreden en toen ze na vrij korte tijd aan de grens van Kanaän kwamen, was hun ongeloof zo groot dat ze weigerden het binnen te trekken. Twaalf verspieders werden uitgezonden, maar tien ervan ontmoedigden het volk; slechts twee, Jozua en Kaleb, hadden geloof om als overwinnaars het land in bezit te nemen; de lijken van alle an­deren vielen gedurende een veertigjarige rondwandeling in de woes­tijn. Jozua en Kaleb overleefden en zij konden het beloofde land binnen gaan.

In Deuteronomium vinden we het profetische lied van Mozes, waarin hij de komende zegen van Israël bezingt.

Zelfs Mozes mocht het land niet binnengaan, omdat hij gefaald had met betrekking tot de steenrots, Christus. Nu beperkte de dienst van Mozes zich tot de woestijn, omdat regeren over een aards volk tot deze wereld behoort, terwijl het beloofde land een beeld van de he­mel is. Zelfs belijdende Christenen, die onder de wet van Mozes blij­ven, kunnen niet genieten van de hemelse zegeningen zoals we die in de Efezebrief opgesomd vinden.

Treffende beelden van het heil vinden we in Exodus 17, waar het volk drinkt uit de geslagen rots, een beeld van de gekruisigde Christus en in Numeri 21, waar Mozes een koperen slang opricht, nadat de Israë­lieten wegens hun gemopper door giftige slangen gebeten waren. De Heer Jezus zegt over dit beeld: “En zoals Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, zó moet de Zoon des mensen verhoogd worden, opdat een ieder die in hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.” (Joh. 3:14,15).

Ook het manna, dat ze in de woestijn aten, was een beeld van Chris­tus, zoals de Heer zelf zei: “Voorwaar, voorwaar, ik zeg u: niet Mozes heeft u het brood uit de hemel gegeven, maar mijn Vader geeft u het ware brood uit de hemel. Want het brood Gods is hij die uit de hemel neerdaalt en aan de wereld leven geeft.” (Joh. 6:32,33). De wet van Mozes brengt oordeel en dood, terwijl in Christus levengevende ge­nade en waarheid gekomen zijn. Mozes bewerkte een tijdelijke verlos- sing voor zijn volk, Israël, maar Christus bewerkte aan het kruis een eeuwige verlossing voor allen die in Hem geloven.

Deutsch
de
English en français fr italiano it Nederlands nl español es português pt Norsk no svenska sv Polski pl čeština cz Slovák sk Magyar hu român ro Български bg hrvatski hr Pyсский ru Türkçe tr عربي ar

       

Heer, wees mijn Gids  -  Come, Now Is The Time To Worship

                              

INFO: DE WEG - DE WAARHEIDHET LEVENFILM - AUDIO

 Meld aub een 'dode link'onder vermelding van de pagina waarop

Please report a ' dead link' onder mention of the page on which

Wie zoekt zal vinden           


www Holyhome.nl

Boeiende Series :

Kijk ook eens op: * Bible Study: The Bible alone!

* L'étude biblique: Rien que la Bible!

* Bibelstudium: Allein die Bibel!

* Software voor Bijbelstudie

Read and Hear the Holy Bible in over 40 languages:


De Statenvertaling is opgenomen in de canon van de Nederlandse geschiedenis. Het boek der boeken Een stempel gedrukt op de Nederlandse cultuur:


  Webmaster    Assistente

Successfull checked XHTML 1.0 !

Successfull checked CSS version 3!

Waard om te weten :

Een hartelijk welkom op de site
Deze pagina printen
Sitemap
Wie zoekt zal vinden


Vragen naar de weg
Leerzame antwoorden op levens- en geloofsvragen

Hebreeën 4:12 zegt: "Want levend en krachtig is het woord van God, en scherper dan een tweesnijdend zwaard: het dringt diep door tot waar ziel en geest, been en merg elkaar raken, en het is in staat de opvattingen en gedachten van het hart te ontleden"Lees eens: Het zwijgen van God

God heeft zoveel liefde voor de wereld, dat Hij Zijn enige Zoon heeft gegeven; zodat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat maar eeuwig leven heeft. Lees eens:  God's Liefde

Meer weten over de Psalmen, gezangen, liturgieën, belijdenisgeschriften: Catechismus, Dordtse Leerregels en veel andere informatie? . Kijk opOnline-bijbel.nl

Bible-people - stories of famous men and women in the Bible
Bible-archaeology - archaeological evidence and the Bible
Bible-art - paintings and artworks of Bible events
Bible-top ten - ways to hell, films, heroes, villains, murders....
Bible-architecture - houses, palaces, fortresses
Women in the Bible -
 great women of the Bible
The Life of Jesus Christ - story, paintings, maps


Read more for Study - (Apocrypha, Historic Works, Pseudepigrapha, Old Testament Apocrypha, New Testament Apocrypha, New Testament Discoveries, Commentary, New Testament Pseudepigrapha, Egyptian, Babylonian, Ugaritic, Dead Sea Scrolls (NL-uitleg over de rollen)

Bijbel voor Slechtzienden Online       en ook:  Begrippenlijst   -1-   -2-



Spirit24 omdat er meer is