1
Corinthiërs 12
Veel Gaven, één Geest
STUDIE-INDEX
DE
HEILIGE SCHRIFT
CHRISTELIJKE
SYMBOLEN
De Bijbel is niet een
boek
wat je zomaar even van kaft tot kaft leest. Het kan lastig zijn om je
weg door de Bijbel te vinden, als je niet weet wat zich wanneer heeft
afgespeeld. Deze site kan je helpen om de Bijbel beter te leren kennen.
Ontdek de bron van vrede, het Woord van God:
Bijbelstudie
445 - 1 Corinthiërs 12
Veel Gaven, één Geest
Here, leer ons te ontvangen
Je kunt dit hoofdstuk in twee
delen verdelen, zoals ook de vertaling van het Ned. Bijbelgenootschap
doet, nl. Vers 1 t/m 11 met als samenvatting: "Veelgaven,
één Geest" en vers 12 tot 31: "allen leden van
één lichaam". Beide delen sluiten nauwelkaar aan.
In de hoofdstukken 12 t/m 14 schrijft de apostel Paulus over "de
geestelijke gaven", de gaven van de Heilige Geest. Hoofdstuk 12 is
hiervan het begin. Misschien zijn de apostel vragen gesteld over die
Geestesgaven, wellicht dat hij daarom zo uitvoerig over deze
belangrijke zaak schrijft.
Jezus is Heer
De apostel herinnert de Corinthische christenen aan de tijd nog maar
kort geleden, dat ze nog heidenen waren en zich "blindelings maar de
stomme afgoden lieten heendrijven' , .Ze zochten toen contact met die
"goden". Maar dat waren geen goden; je kon met die goden geen
verbinding krijgen. Je kon tot die "goden" bidden, je kon ze aanroepen,
maar er kwam nooit antwoord. De bijbel spreekt ook in het Oude
Testament over die "stomme" goden (1 Kon. 18 : 25-29.
Maar de gemeente van Christus in Corinthe heeft de Heilige (Ps. 115;
135) Geest ontvangen. Ze belijden nu: " Jézus is Heer". Tot die
belijdenis (Jes.44 : 6-20) kom je alleen door de Heilige Geest, doordat
de Geest je daarvoor de ogen opent door middel van de prediking van het
evangelie.
Paulus weet, dat de gemeente van Corinthe de Here Jezus erkent als haar
Heer. Daardoor weet hij, dat de Heilige Geest in die gemeente aan het
werk is. Dat ziet de apostel als één van de grootste
geschenken die God geeft: zijn Geest. Die Geest doet wonderen. Die
veran- dert en vernieuwt heel het leven. Die radicale verandering kun
je samenvatten in die paar woorden: Jezus is Heer .
Dat betekent een grondige breuk met het verleden: toén dienden
de Corinthiërs als slaven de afgoden. Harde meesters waren dat! Nu
weten ze zich het eigendom van de Here Jezus. Nu willen ze graag zijn
slaven en slavinnen zijn en de wil van deze Meester doen, uit
dankbaarheid voor hun verlossing uit het slavenjuk van het heidendom.
Ze laten zich daarbij leiden door de Heilige Geest: het evangelie wijst
hen de weg. De apostellegt in dit hoofdstuk op twee zaken de na- druk:
op de verscheidenheid en de eenheid van de gemeente.
In vers 1-11 gaat het vooralover de éne Geest, in vers 12-31
over het éne lichaam. Veel gaven, één Geest.Eerst
over de vele, verschillende gaven van de éne Geest. Dan over de
vele en verschillende leden van dat éne lichaam.
De apostel somt een hele rij "genadegaven" op: (grieks: charismata)
bedieningen, werkingen, spreken met wijsheid, spreken met kennis,
geloof, gaven van genezingen, werking van krachten, profetie,
onderscheiden van geesten, allerlei tongen, vertolking van tongen (vs.
4- 10). Gaven van die éne Geest. Maar niet ieder in de gemeente
ontvangt dezelfde gaven. De Geest is vrij in het uitdelen daarvan,
zoals Hij wil (vs. 11).
In de gemeente dus geen uniformiteit en nivellering! De gemeente van
Christus toont een veelvormig beeld. Maar dat mag geen aanleiding zijn
tot onderlinge afgunst. De Geest geeft het immers aan ieder in het
bijzonder, de één deze, de ander die gave, naardat de
Geest wil. Wat betekenen nu deze genoemde gaven?
Verscheidenheid in bedieningen (diakoniai) is er, zegt de apostel (vs.
5). Je herkent daarin het woord "diaken" en "diaconie". Maar Paulus
denkt hier niet alleen aan het bijzondere ambt van diaken. Zijn
bedoeling reikt verder: de hele gemeente wordt geroepen tot "diaconie'
, tot dienstbetoon aan elkaar. Er is wel verscheidenheid in die
bediening, de één doet en kan het zus, de ander zo. Maar
de gelovigen worden ertoe in staat gesteld door de Geest. In dat
dienstbetoon volgt de gemeente het spoor van haar Heer. Jezus Christus
is niet gekomen Marc. 10 : 45 om gediend te worden maar om zelf te
dienen.
Verscheidenheid in "werkingen"
Van dat onderling dienstbetoon binnen de gemeente gaat een krachtige
werking uit, weer onderling verschillend. Deze bedieningen en
"werkingen" hebben betrekking op alle leden van de gemeente. Maar het
is ook altijd bedoeld "tot welzijn van allen" (vs. 7). Er zijn ook
gaven die de één wel en de ander niet ontvangt (vs.
8-10): -"Spreken met wijsheid" en "spreken met kennis".
De Geest geeft aan sommige gemeenteleden uitzonderlijke wijsheid in geloofszaken.
Aan anderen een grote kennis van de Heilige Schrift. Bij hen kan ieder
terecht als hij problemen heeft over het geloof of vragen over wat de
Here in de Schrift zegt.
De gave van "geloof" zal niet zien op het geloof dat ieder gelovige
ontvangt. Het gaat hier om een uitzonderlijk, krachtig geloof, waardoor
iemand wonderen kan doen, die met het verstand niet zijn te
beredeneren.
Zo zijn er die zieken kunnen genezen of andere krachten kunnen doen.
Anderen hebben gaven van de profetie, zij ontvangen dus openbaringen door de Geest.
Weer anderen onderscheiden scherp waarheid van leugen.
En zo worden ook als bijzondere charismata van de Geest genoemd:
spreken in tongen (glossolalie) en vertaling van dat spreken in tongen,
(1 Cor. 14: 1-19) (zonder die vertaling vindt de apostel dat spreken in
tongen nutteloos). In hoofdstuk 14 gaat Paulus daar uitvoeriger op in.
De verscheidenheid in gaven is dus groot. Toch is de gemeente daardoor
niet verdeeld: alle gaven komen immers van één en
dezelfde Geest. En daar gaat het om al die gaven moeten dienen tot de
geestelijke opbouw van het geheel, de gemeente: het lichaam van
Christus. Zo komt de apostel op het menselijk lichaam, als beeld van de
gemeente.
Veel leden, één lichaam
Dat menselijk lichaam is één geheel, maar het bestaat uit
veel leden, veel lichaamsdelen. Elk lid heeft een eigen aparte functie,
in het geheel is het echter onmisbaar. De leden hebben elkaar nodig om
het lichaam goed te doen functioneren. De apostel werkt dat uitvoerig
uit. (1 Cor. 12 : 12) En zo staat het nu ook met de gemeente. De
Christus is één lichaam. Dat is kernachtig uitgedrukt:
Christus is één met de gelovigen, Christus is het hoofd
van het lichaam en de gelovigen zijn de leden.
Dat is bij Paulus een geliefd beeld dat hij ook in andere brieven
(Efeze 1 : 22) gebruikt. Het gaat steeds om de eenheid én de
verscheidenheid van de (Col. 1 : 18) gemeente; er is een sterke, hechte
eenheid, hoe verschillend van (Rom. 12 : 1-8) afkomst en positie de
leden ook zijn Goden, grieken, slaven, vrijen), allen zijn tot
één lichaam gedoopt en met één Geest
gedrenkt. (1 Cor. 12: 13) Die doop was aan de Corinthiërs bediend,
die éne Geest hadden ze ontvangen, toen ze met "de stomme
afgoden" hadden gebroken en Jezus als Heer waren gaan belijden. Dat
betekende: niet meer leven in de zonde, maar een nieuw leven beginnen.
Dat konden ze door de Geest, waarmee ze "gedrenkt" waren, de Geest die
hen nu vervulde. En elk lid van de gemeente heeft zijn eigen waarde.
Zoals we de zwakste en onaanzienlijkste leden van ons lichaam met grote
zorg behandelen, zo moeten ook de onopvallende leden van de gemeente,
die misschien minder buitengewone gaven hebben ontvangen, juist met
grote zorg worden behandeld. Zorgen voor elkaar als gemeenschap der
heiligen, meeleven met elkaar bij vreugde en verdriet. (1 Cor. 12 :
24-26). Ons menselijk lichaam: wat een verscheidenheid.
Maar we kunnen er niets van missen, want dan zijn we niet meer
compleet. Zo is het ook met de gemeente: "Gij nu zijt het lichaam van
Christus (1 Cor. 12 : 27) en ieder voor zijn deelleden". En evenmin als
het lichaam alleen maar "oog" kan zijn of "oor", zo móet er ook
verscheidenheid zijn in de gemeente. De Geest geeft verschillende
gaven: niet ieder kan apostel of leraar of bestuurder zijn. Daarom geen
afgunst, maar dienst aan elkaar! De gelovigen mogen niet leven als los
zand naast elkaar, ieder bedacht op eigen welzijn. Elk lid moet de
ontvangen gaven gebruiken op een manier die de andere leden ten goede
komt.
IDienstbetoon uit liefde. Op die weg van de liefde wil de Geest de (1
Cor. 12: 31) gemeente leiden. Over die liefde zingt de apostel in
hoofdstuk 13 zijn lied.
Openbaring 21 :9-27 - De kerk: een zaak van geloof
We belijden: "ik geloof een heilige, algemene, christelijke kerk, de gemeenschap der heiligen". We zeggen niet: ik zie de kerk.
Natuurlijk is er van de kerk wel wát te zien, maar wat we zien
is toch maar een klein deel van het geheel. Daarom: we geloven de kerk.
We geloven niet in de kerk: we geloven in God.
De Heidelbergse Catechismu zeg: ik geloof' , dat de. Zoon. van God uit
het hele menselijke geslacht Zich een gemeente, die tot het eeuwige
leven uitverkoren is, van het begin van de wereld tot aan het einde,
vergadert, beschermt en onderhoudt". De Zoon van God is met de
vergadering van de kerk begonnen bij "het begin van de wereld".
(Gen.3:15) Dat was toen Hij de in zonde gevallen Adam en Eva in hun
angst en verbijstering opving. Terwijl de slang (de satan) werd
vervloekt, beloofde God aan Adam en Eva en hun nageslacht de
verlossing: Het vrouwenzaad (de Christus) zou de kop van de slang
vermorzelen en zó zijn volk verlossen uit de macht van de
duivel. Dat was het prille begin van de kerk. We geloven dat, omdat God
ons dat in zijn Woord openbaart. Van die kerk wordt later de eerste
publieke samenkomst vermeld. Die vergadering van de kerk zal doorgaan
tot "het (Gen. 4 : 26) eind van de wereldgeschiedenis'.
Ook dat is een zaak van geloof. De Zoon van God is nog altijd bezig
zijn gemeente te vergaderen. Ook over het eind daarvan heeft God ons
iets geopenbaard. Johannes heeft op het eiland Patmos in visioenen de
voltooiïng gezien van het vergaderwerk van de Zoon van God, dat de
eeuwen omspant. De kerk is klein begonnen: met maar twee mensen. Ze zal
eindigen in (Openb. 7 : 9) "een schare die niemand tellen kan". Groots
en overweldigend. (Openb. 21,22)
In de laatste hoofdstukken van Openbaring beschrijft Johannes de
voltooide kerkstad. Ze is zo indrukwekkend en heerlijk, dat Johannes
nauwelijks woorden kan vinden om het allemaal op te schrijven. Ook dat
alles zien we nog niet. We geloven het, omdat God het zo zegt. Daarom:
"Ik geloof een heilige, algemene, christelijke kerk".
In vers 9 van hfdst. 21 roept een engel Johannes omdat hij hem iets wil
laten zien: "de bruid, de vrouw van het Lam". En wat krijgt Johannes te
zien? "De heilige stad Jeruzalem, nederdalende uit de hemel van God"
(vs. 10). De stad met haar bevolking is dus "de bruid van het Lam". In
vs. 2 werd van die stad gezegd dat zij was "getooid als een bruid, die
voor haar man versierd is". De stad had "de heerlijkheid van God" (vs.
11) en dan probeert Johannes die heerlijkheid onder woorden te brengen.
De glans van de stad lijkt op een zeer kostbaar gesteente, als de
kristalheldere diamant (vs. 11).
Vandaag, nu de gemeente nog vergaderd wordt, is er helaas nog genoeg
kritiek op haar en haar leden te leveren. Maar als de vergadering van
de kerk voltooid is, en ook de laatste smet weggenomen, is alles nieuw
gemaakt (vs. 5). De voltooide kerkstad is vol van Gods heerlijkheid:
kristalhelder, als de diamant.
De afmetingen van de stad
De muren van deze stad zijn groot en hoog: 144 el (vs. 17), dat is 70
meter. Dat is erg hoog, maar nog merkwaardiger wordt het als we letten
op de afmetingen van de stad zelf. Die lag in het vierkant
Ven elke zijde meet 12.000 stadiën, dat is ongeveer 2400 km. Maar
dat is ook haar hoogte. (vs. 16). We krijgen dus het beeld van een
machtige kubus, die met alle menselijke afmetingen spot, stralend en
fonkelend als een ontzaglijke edelsteen. Misschien moeten we ons
voorstellen: een stad in terrassen gebouwd tegen de helling van een
enor- me berg. Ze is niet beklimbaar, maar de geringheid van de hoogte
van de muur in vergelijking met de afmetingen van de stad, maakt dat de
bewoners zich niet op gesloten voelen. Ze kunnen vrij uitzien naar
buiten. Dan lijkt die muur niet eens zo hoog. Toch is die muur
belangrijk.
We hebben hier met een visioen te maken, dat is duidelijk. Al die maten
en getallen hebben een symbolische betekenis. Als we dat vergeten,
begrijpen we de eigenlijke boodschap niet en wordt alles erg
onwezelijk. Die kubusvormige stad met allemaal gelijke zijden is het
beeld van de voltooide, complete kerkstad, de gemeente van Jezus
Christus, van het begin van de wereld tot het einde, door Christus
vergaderd. Daar ontbreekt niets meer aan, alles is in harmonie. Het
werk van Christus is helemaal áf: "ze zijn geschied". (vs. 6).
Joh. 10: 16 Allen, die de Vader Hem gegeven heeft, heeft Christus
vergaderd: het Joh. 17: 12 is nu één kudde,
één Herder.



















