De zeven gemeenten - Openbaring 1 : 1-8

Lees de Bijbel   De Bijbel is niet een boek dat je zomaar even van kaft tot kaft leest. Het kan lastig zijn om je weg door de Bijbel te vinden, als je niet weet wat zich wanneer heeft afgespeeld. Deze site kan je helpen om de Bijbel beter te leren kennen. Ontdek de bron van vrede, het Woord van God: 

Bijbelstudie 408 -  De zeven gemeenten - Openbaring 1 : 1-8

Here, leer ons bidden

De Openbaring van Johannes (eigenlijk de Openbaring van Jezus Christus aan Johannes) is geschreven aan zeven kerken in Asia (de westelijke kuststreek van het tegenwoordige Turkije). Deze zeven gemeenten vertegenwoordigen de kerk van alle tijden en alle plaatsen. Wel zijn het zeven concrete gemeenten, die ook precies in hun eigen situatie worden aangesproken.

God toont wat gaat gebeuren-  Openbaring 1 1-8

1 De openbaring van Jezus Christus, die God Hem gegeven heeft, om Zijn dienstknechten te tonen de dingen, die haast geschieden moeten; en die Hij door Zijn engel gezonden, en Zijn dienstknecht Johannes te kennen gegeven heeft;
2 Dewelke het woord Gods betuigd heeft, en de getuigenis van Jezus Christus, en al wat hij gezien heeft.
3 Zalig is hij, die leest, en zijn zij, die horen de woorden dezer profetie, en die bewaren, hetgeen in dezelve geschreven is; want de tijd is nabij.
4 Johannes aan de zeven Gemeenten, die in Azie zijn: genade zij u en vrede van Hem, Die is, en Die was, en Die komen zal; en van de zeven geesten, die voor Zijn troon zijn;
5 En van Jezus Christus, Die de getrouwe Getuige is, de Eerstgeborene uit de doden, en de Overste der koningen der aarde. Hem, Die ons heeft liefgehad, en ons van onze zonden gewassen heeft in Zijn bloed.
6 En Die ons gemaakt heeft tot koningen en priesters Gode en Zijn Vader; Hem [zeg ik] zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen.
7 Ziet, Hij komt met de wolken en alle oog zal Hem zien, ook degenen, die Hem doorstoken hebben; en alle geslachten der aarde zullen over Hem rouw bedrijven; ja, amen.
8 Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde, zegt de Heere, Die is, en Die was, en Die komen zal, de Almachtige.

Johannes op Patmos  - Openbaring 1 vers 9 tot 20

9 Ik, Johannes, die ook uw broeder ben, en medegenoot in de verdrukking, en in het koninkrijk, en [in] de lijdzaamheid van Jezus Christus, was op het eiland, genaamd Patmos, om het Woord Gods, en om de getuigenis van Jezus Christus.

10 En ik was in den geest op den dag des Heeren; en ik hoorde achter mij een grote stem, als van een bazuin,

11 Zeggende: Ik ben de Alfa en de Omega, de Eerste en de Laatste; en hetgeen gij ziet, schrijf dat in een boek, en zend het aan de zeven gemeenten, die in Azie zijn, [namelijk] naar Efeze, en naar Smyrna, en naar Pergamus, en naar Thyatire, en naar Sardis, en naar Filadelfia, en naar Laodicea.

12 En ik keerde mij om, om te zien de stem, die met mij gesproken had; en mij omgekeerd hebbende, zag ik zeven gouden kandelaren;

13 En in het midden van de zeven kandelaren Een, den Zoon des mensen gelijk zijnde, bekleed met een lang kleed tot de voeten, en omgord aan de borsten met een gouden gordel;

14 En Zijn hoofd en haar was wit, gelijk als witte wol, gelijk sneeuw; en Zijn ogen gelijk een vlam vuurs;

15 En Zijn voeten waren blinkend koper gelijk, en gloeiden als in een oven; en Zijn stem als een stem van vele wateren.

16 En Hij had zeven sterren in Zijn rechterhand; en uit Zijn mond ging een tweesnijdend scherp zwaard; en Zijn aangezicht was, gelijk de zon schijnt in haar kracht.

17 En toen ik Hem zag, viel ik als dood aan Zijn voeten; en Hij leide Zijn rechterhand op mij, zeggende tot mij: Vreest niet; Ik ben de Eerste en de Laatste;

18 En Die leeft, en Ik ben dood geweest; en zie, Ik ben levend in alle eeuwigheid. Amen. En Ik heb de sleutels der hel en des doods.

19 Schrijf, hetgeen gij gezien hebt, en hetgeen is, en hetgeen geschieden zal na dezen:

20 De verborgenheid der zeven sterren, die gij gezien hebt in Mijn rechter[hand], en de zeven gouden kandelaren. De zeven sterren zijn de engelen der zeven Gemeenten; en de zeven kandelaren, die gij gezien hebt, zijn de zeven Gemeenten.

Even een overzicht van de 7 genoemde gemeenten

In Openbaring 2 en 3 staan de brieven aan de zeven gemeenten in Asia. Dit waren zeven bestaande gemeenten. De eerste toepassing van deze boodschappen gold natuurlijk de toenmalige gemeenten zelf. Ze moesten de aan hen gerichte boodschap ter harte nemen. Daarnaast is er de toepassing voor alle christenen, ook voor ons. Wij kunnen ons met deze zeven gemeenten vergelijken en nagaan of de lofprijzingen en de waarschuwingen van de Heer ook op ons en onze gemeente van toepassing zijn. Er is echter ook een profetische toepassing. De zeven gemeenten vertegenwoordigen elk, in de volgorde waarin ze staan genoemd, waarschijnlijk een bepaalde periode in de geschiedenis van de (belijdende) kerk. Van het ontstaan van de gemeente op de pinksterdag na de hemelvaart van de Here Jezus, tot aan de opname.

Door de eeuwen heen is de kerk de mening toegedaan dat de zeven zendbrieven van Jezus aan de gemeenten gericht waren in de verschillende perioden van de kerkgeschiedenis. (Openbaring 2:l -29; 3:1-22). Er zijn verschillende aanwijzingen dat Jezus Zijn boodschappen bestemde voor een groter publiek dan alleen de zeven plaatselijke gemeenten.

Ten eerste: Er waren veel andere christelijke gemeenten in dat gebied, die belangrijker waren dan de genoemde zeven gemeenten. Jezus koos er blijkbaar zeven uit met een bepaalde bedoeling. Het getal zeven duidt op volmaaktheid. God voltooide de schepping van deze wereld in zeven dagen. De zeven gemeenten stellen de gehele kerk van Christus voor.

Ten tweede: Het boek de Openbaring richt zich tot de leden van de zeven gemeenten (Openb. 22: 16), en toch gaat het in bepaalde gedeelten van dit boek over gebeurtenissen, die op heel de wereld betrekking hebben. De gebeurtenissen reiken tot de wederkomst van Jezus naar deze aarde. De boodschappen van de Openbaring zijn van toepassing op de Christelijke kerk als geheel, zowel in de tijd van Johannes als in de latere geschiedenis van de kerk.

Ten derde: Aan het einde van elk van de zeven boodschappen wordt de aandacht gevestigd op het oordeel, een universele gebeurtenis. De naam van de zevende gemeente Laodicea betekent "het volk van het oordeel.

" Op de landkaart van Klein-Azië vormen deze zeven gemeenten een gesloten geheel. Binnen de kring van de gemeenten is het goed vertoeven, want daar is Christus. (Openb. 1:12, 13, 20) Hij is met de kerk van alle tijden. Jezus maakt zich bekend in zijn brieven aan de zeven gemeenten als de Enige die in staat is in de noden van elk mens te voorzien.

De indeling van de brieven is als volgt: Een adres; een beschrijving van Jezus genomen uit de volledige beschrijving van hoofdstuk 1; een opsomming van de goede eigen­schappen van de gemeente; een overzicht van haar tekortkomingen; raadgevingen om verkeerde ge­woonten te corrigeren; een waar­schuwing voor hen die op de raad geen acht slaan; een oproep voor iedereen die de boodschap van Jezus aan de gemeente hoort en een speciale belofte voor hen, die zijn raad willen opvolgen.

Christus heeft voor elke gemeente lof en aanbeveling, behalve voor de laatste gemeente, de Laodicea gemeente.

Als Jezus zijn bestraffingen uitspreekt, slaat Hij twee gemeenten over. Voor de vroeg christelijke kerk heeft Jezus geen bestraffende woorden. Zij werd zwaar vervolgd tijdens het heidens Romeinse rijk. Zo ook de Filadelfia gemeente, de gemeente die aan de hand van het profetische woord een nieuwe beleving in de kerk bracht. Het was deze gemeente die moderne zendingen stichtte, die de bijbelgenootschappen oprichtte, die de slavernij afschafte, die 1844 aankondigde en die een gods­dienstige herleving teweeg bracht en zo dus het hele christelijke beleven vernieuwde.

Deze beide gemeenten ontvingen ook geen waarschuwende woorden die hen bedreigden. Zij werden alleen gewaarschuwd voor valse broeders, voor mensen die zeiden dat zij Joden waren, d.w.z. christenen waren, maar dit in feite niet waren.

(1) Efeze

De christelijke gemeente van Efeze wordt gezien als de moedergemeente in Klein-Azië. Over het
“weren van de kandelaar”(vs. 5) wordt verschillend gedacht: Wordt de leider hun afgenomen? Houdt de gemeente op te bestaan? Raakt de gemeente haar eerste rangspositie kwijt? Gaat het licht uit,
zodat de gemeente verstart? Er is bewust gekozen voor de tweede optie, omdat de geschiedenis ons
aantoont dat de gemeente ophield te bestaan, als gevolg van het feit dat voortdurende bekering
achterwege bleef.

De stad Efeze lag dicht bij Patmos en was de toegangspoort tot Azië en de doorvoerhaven naar de karavaanroutes die naar de Eufraat liepen. Na Rome, Alexandrië en Antiochië was Efeze de vierde stad in de wereld. Paulus bezocht de stad op zijn Hij liet de zorg daarna tijdelijk over aan Aquila en Priscilla, die Apollos inwijdden in de geheimen van het Christendom. Volgens de overlevering heeft
Johannes er ook gearbeid en ligt hij daar begraven. De gemeente leefde temidden van het heidendomen had het dus niet gemakkelijk

De geschiedenis van Efeze: Het was een zeer bloeiende stad in de oudheid. Door dichtslibbing van de haven is de stad tot twee keer toe verlegd. Vanaf de derde eeuw was de invloed van de stad tanende. Naast de tempel van Artemis (Diana) is de stad bekend geworden om haar amfitheater waar zo’n 24.000 toeschouwers in konden.

De godsdienst valt er te melden dat men in de stad en haar wijde omgeving de godin Artemis, in de Statenvertaling Diana genoemd, vereerde. Deze verering kwam o.a. tot uitdrukking in het verkopen en kopen van beeldjes van deze godin en haar tempel. De zilversmid Demetrius was een van de drijvende krachten achter deze “industrie”.
Openbaring 2 De brief aan Efeze


1 Schrijf aan den engel der Gemeente van Efeze: Dit zegt Hij, Die de zeven sterren in Zijn rechter[hand] houdt, Die in het midden der zeven gouden kandelaren wandelt:

2 Ik weet uw werken, en uw arbeid, en uw lijdzaamheid, en dat gij de kwaden niet kunt dragen; en [dat] gij beproefd hebt degenen, die uitgeven, dat zij apostelen zijn, en zij zijn het niet; en hebt ze leugenaars bevonden;

3 En gij hebt verdragen, en hebt geduld; en gij hebt om Mijns Naams wil gearbeid, en zijt niet moede geworden.

4 Maar Ik heb tegen u, dat gij uw eerste liefde hebt verlaten.

5 Gedenk dan, waarvan gij uitgevallen zijt, en bekeer u, en doe de eerste werken; en zo niet, Ik zal u haastelijk [bij]komen, en zal uw kandelaar van zijn plaats weren, indien gij u niet bekeert.

6 Maar dit hebt gij, dat gij de werken der Nikolaieten haat, welke Ik ook haat.

7 Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de Gemeenten zegt. Die overwint, Ik zal hem geven te eten van den boom des levens, die in het midden van het paradijs Gods is.

De periode van Efeze komt overeen met het apostolische tijdvak. Zij eindigt met de dood van de apostelen. Het is een ijverige gemeente. Zij wordt geprezen om haar werken, haar arbeid en haar geduld. Zij is onvermoeibaar, zij wordt niet moe. Zij haat de werken der Nicolaïeten maar niet de Nicolaïeten als persoon. Zij toetst de valse leraren en kan de kwaden niet verdragen.
Maar één ding was na verloop van tijd verdwenen en dat was de eerste liefde.

De liefde is een hemelse gave die alle andere gaven aangenaam maakt en zonder deze gave is geen enkele andere gave aangenaam. Waar de liefde verdwijnt - de grootste rijkdom -verliezen alle werken hun waarde.

Voor een Christen zou nooit de tijd mogen aanbreken waarin, als hem gevraagd zou worden wanneer hij Jezus het meeste liefhad, hij niet zou kunnen zeggen: "Ik heb Jezus nu meer lief dan ooit tevoren!" wanneer een tijd komt waarin hij dit niet kan zeggen, moet hij nadenken over hetgeen hem ontvallen is.

Een ding moeten wij echter niet vergeten. Als de liefde er is dan betekent dat niet, dat wij de kwaden moeten verdragen. IJver moet er zijn, volharding en doorzetting moeten aanwezig zijn, anders komt het werk niet af. Valse leraren moeten getoetst worden. Maar alles moet gebeuren uit een vurige liefde voor de Heiland. Onze genegen­heden behoren toe aan Jezus. Als onze genegenheden niet bij Hem zijn dan wordt uiteindelijk de kandelaar weggenomen. Het gebrek is dus ernstig. De overwinnaars mogen tenslotte eten van de boom

(2) Smyrna

Smyrna betekent “mirre”. Dit is een Bijbels beeld voor lijden. Christus kreeg gemirrede wijn te drinken. Je zou kunnen beginnen met het bespreken van het (gefingeerde) bord op de kerkmuur zoals dat aan het begin van de schets is opgenomen. Daarna een korte schets geven van de gemeente van Smyrna. Vervolgens kun je tekst voor tekst voor laten lezen en behandelen. Sluit het af met een gesprek over wat wij kunnen doen voor hen die in verdrukking zijn en hoe we onszelf op verdrukking kunnen voorbereiden.
In de brief is een neergaande lijn (armoede, verdrukking, laster, gevangenis, dood) en een opgaande lijn merkbaar (rijk, verdrukking van 10 dagen, kroon des levens), die lijn kun je in je inleiding verwerken.

De engel van de gemeente van Smyrna is waarschijnlijk Polycarpus. Hij zou de ontvanger van deze brief kunnen zijn. Als hij in 156 n Chr. verklaart dat hij 86 jaren zijn Koning heeft gediend, is hij in 74 of 75 n Chr. tot geloof gekomen.
In de bovenstad van Smyrna woonden de rijke burgers en waren de villawijken te vinden. In de benedenstad woonde het armere gedeelte, ook de christenen. De christenen waren extra arm en woonden waarschijnlijk in krotten.

Bekende monumenten waren de kroon van Smyrna (de citadel op de berg Pagos), de stadsbibliotheek en het theater, waar ongeveer 20.000 mensen in konden. De stad was ook beroemde om zijn stadion waarin atletiekwedstrijden en gladiatorengevechten werden gehouden. De stad kende een goede waterleiding. Ook was Smyrna zeer afgodisch: de Romeinse en Griekse goden waren ruim
vertegenwoordigd.

De christelijke gemeente is ontstaan in ongeveer 50 n. Chr. Misschien is hij vanuit Efeze door Paulus gesticht (Handelingen 19:10) Misschien ook al eerder door de Joden, die Handelingen 2 hadden meegemaakt.
Het is de enige van de zeven gemeenten, waar voorzover bekend, nog een christelijke gemeente is overgebleven. Het huidige Izmir telt een gemeente van ongeveer 200 leden. Smyrna lag ongeveer 70 km van Efeze af. Het was de oudste stad van Kl.-Azië. Het oude Smyrna is rondom 600 v. Chr.
verwoest door de Lydische koning en weer opgebouwd in 290 v. Chr. door Alexander de Grote. Smyrna, het huidige Izmir is een belangrijke havenstad en beroemd om zijn vijgen en tapijten.

De brief aan Smyrna

Zo spreekt de Eerste en de Laatste.

8 En schrijf aan de Engel der Gemeente te Smyrna: Zo spreekt de Eerste en de Laatste, Die dood was en leeft:

9 Ik ken uw werken, en uw verdrukking, en uw armoede (maar gij zijt rijk), en de lastering dergenen, die zich Joden noemen, en het niet zijn, maar een Synagoge van de Satan.

10 Vrees niets van alles, wat gij nog lijden zult; ziet, de duivel zal sommigen van u in de gevangenis werpen, om u in verzoeking te brengen, en gij zult een verdrukking hebben van tien dagen: wees getrouw tot de dood, en Ik zal u de de kroon des levens geven.

11 Die oren heeft, hore wat de Geest tot de Gemeenten zegt! Die overwint, die zal de tweede dood geen leed doen.

Het karakter van de gemeente Smyrna, het tijdperk van de vroegchristelijke kerk, toont aan dat de apostolische kerk de boodschap die Jezus haar zond, verstaan en begrepen heeft. Zij heeft haar goede eigenschappen, haar ijver, haar volharding niet opgegeven maar is teruggekeerd naar haar eerste liefde. De vervolgingen zijn aange­wakkerd.

Het Romeinse rijk vervolgt de gemeente tot bloedens toe en miljoenen christenen hebben omwille van hun geloof, hun leven gegeven voor Jezus. Jezus bemoedigt hen en roept hen toe: "Wees ge­trouw tot de dood en Ik zal u geven de kroon des le­vens."
Openb. 2: 10 Door de ver­volging is de gemeente arm. Wat zij heeft wordt haar ontnomen, maar toch is zij rijk, rijk in liefde en goede werken, zij breidt zich uit en het blijkt dat het bloed van de martelaren het zaad van de kerk is. Hij die Zelf dood geweest is en weer leeft houdt de gemeente in zijn hand. Toch was ook deze gemeente niet van gevaar ontbloot.

Er waren mensen die zeiden dat zij christenen waren, maar het niet echt waren. Er was onkruid tussen de tarwe. Gevaren van binnenuit zijn vaak groter dan van buitenaf. Deze gemeente zal uiteindelijk 10 dagen verdrukt worden. Onder keizer Diocletianus werd de gemeente 10 dagen, dat is volgens het jaar / dag principe 10 jaar, gruwelijk vervolgd. De keizer was vastbesloten om de christenen met wortel en al uit te roeien. Het eerste decreet van Diocletianus werd uitgevaardigd in 303, tien jaar later, in 313, vaardigde Constantijn de Grote zijn decreet uit, dat aan de christenen de volle vrijheid verleende om hun godsdienst uit te oefenen.

(3) Pergamum

Het is misschien aardig om bij het onderwerp dat nu besproken wordt (troon van de satan; zonde der Nicolaïeten) eens een actueel onderwerp te betrekken. Ook nu worden christenen om dezelfde redenen vervolgd. Ook nu zijn er christenen die het op een akkoordje met de wereld gooien. Informeer eens bij stichtingen die werkzaam zijn voor de vervolgde kerk als dat bij eerdere schetsen nog niet is
gedaan.
Dat de zonde der Nicolaïeten niet vreemd geweest is in die tijd verklaart ook wel de beslissing die op het apostelconvent genomen is in Handelingen 15, waar besloten werd dat zij zich onthouden moesten “van de dingen die door de afgoden besmet zijn en van hoererij en ……”. (Hand. 15:20)

Pergamus (nu Bergama) ligt 70 km. Ten noorden van Smyrna, aan de rivier Caïcus, ongeveer 2,5 km.
Landinwaarts. De bovenstad was trapsgewijs tegen een heuvel gebouwd. Daarbovenop schitterde de citadel, de acropolis van de stad, waar ook de tempel van Zeus (één van de zeven wereldwonderen) gebouwd was. Eén van de vele tempels die Pergamus kende was gewijd aan Asclepius, de god van de geneeskunde, ook wel tempel van Soter (=Redder) genoemd. Tevens waren er geneeskrachtige bronnen aanwezig. Dit zorgde ervoor dat Pergamus het Lourdes van de oudheid werd genoemd. De stad was ook een grote bibliotheek met 20.000 perkamenten rijk (volgens sommige verklaarders is de
naam Pergamus hiervan afgeleid). 

Het was een ommuurde stad met goed geplaveide straten. De tempel van Asclepius werdTen tijde van de beroemde Galenus was het de bloeitijd voor deze tempel. Het is nog steeds duister, wie die Nicolaüs geweest is naar wie de zonde der Nicolaïeten genoemd is.
Er wordt wel gedacht door sommige uitleggers dat Antipas de engel van de gemeente geweest is, maar daarvoor zijn geen gronden te vinden.
Witte steen In de rechtspraak van die dagen kregen zij die veroordeeld werden een zwarte keursteen en zij die werden vrijgesproken een witte keursteen. En op die keursteen stond dan je naam gegraveerd. Dan begrijpen we gelijk wat deze witte keursteen inhoud als Christus dit zegt. Dat is niet een verdiende
keursteen door mij en door jou. Deze is verdiend door Christus. En zij die overwinnen zullen deze keursteen krijgen. Vrijspraak voor het Hoogste Rechtscollege.

De brief aan Pergamum

Pergamum: Die het scherp tweesnijdend zwaard heeft

12 En schrijf aan de Engel der Gemeente, te Pergamus: Zo spreekt Hij, Die het scherp tweesnijdend zwaard heeft:

13 Ik ken uw werken, en waar gij woont; daar waar de troon des Satans is! Gij echter houdt vast aan Mijn Naam, en gij hebt het geloof in Mij niet verzaakt, ook niet in die dagen, waarin Antipas, Mijn getrouwe getuige gedood werd bij u, waar de Satan woont!

14 Maar Ik heb enige dingen tegen u: dat gij onder u hebt, die het houden met de leer van Balaäm, die Balak leerde, de kinderen Israëls een struikelblok in de weg te werpen, dat zij afgoden-offer aten en hoereerden.
15 Alzo hebt ook gij er, die het houden met de leer der Nikolaïeten; hetwelk Ik haat.

16 Bekeer u dan, en indien niet, Ik kom haastig bij u, en zal tegen hen krijg voeren met het zwaard van Mijn mond.

17 Wie oren heeft, hore wat de Geest tot de Gemeenten zegt! Die overwint, die zal Ik geven te eten van het verborgen manna; en Ik zal hem een witte lotsteen geven, en op die lotsteen een nieuwe naam geschreven, die niemand kent, dan die hem ontvangt.

Tijdens deze tien dagen vonden er bepaalde ontwikkelingen in het Romeinse rijk plaats die het christendom voor altijd een geheel ander aanzien zouden geven. Diocletianus reorganiseerde zijn rijk en verdeelde het onder vier 'onderkeizers' (satrapen).
Nadat deze reorganisatie doorgevoerd was deed hij plotseling afstand van de troon en waren er 4 keizers in het Romeinse rijk. In 308 waren het er al zes. Er kwam een grote burgeroorlog. In deze burgeroorlog waren er twee keizers, Constantijn en Licinius, die zich tot het christendom wendden, het christendom in de persoon van de bisschop van Rome.

Het christendom werd op een 'verhevenheid', (de betekenis van het woord Pergamum), geplaatst en ontving van de keizers godsdienst­vrijheid, in die zin dat de staat zich met het christendom verbond.

De boodschap die Jezus aan deze kerk zendt maakt daar melding van: "Maar Ik heb enkele dingen tegen u: dat gij daar sommigen hebt, die vasthouden aan de leer van Bileam, die Balak leerde de kinderen Israëls een strik te spannen, dat zij afgodenoffers zouden eten en hoereren." Openb. 2: 14.

Het grote gebrek van de Pergamum gemeente was dat ze heidense invloeden in haar midden toeliet en de leer van Bileam aannam. Moeilijke omstandigheden gelden niet als verontschuldiging voor wantoestanden in de gemeente. Hoewel deze gemeente leefde in een tijd waarin Satan op bijzondere wijze werkte, was het toch haar plicht zich te hoeden voor valse leerstellingen.
Bileam verleidde Israël tot éénwording met de heidenen, waardoor ze toegaven aan afgoderij en onzedelijkheid. (Numeri 22-25 en 31:13-16). Het was onmogelijk gebleken om de kerk te vernietigen door ver­volgingen. Integendeel de ver­volgingen bleken een zegen te zijn. Daarom sloeg Satan een andere richting in. Hij bracht Constantijn, de keizer van het Romeinse rijk ertoe om zich met de kerk te verbinden. Met de keizer kwam natuurlijk ook de godsdienst van de keizer binnen. Korte tijd later werd de heidense zondag wettelijk ingevoerd, in 321.

In 378 werd de bisschop van Rome opperpriester van de heidense cultus (Pontifex Maximus) en in de 15 jaren die volgden werd het gehele heidendom onder keizer Theodosius opge­nomen in de christelijke kerk. In feite werd het christendom ingeleverd voor het heidendom. Natuurlijk ging niet iedereen mee.

Er gebeurde in die tijd nog wat anders. Antipas, de getrouwe getuige werd gedood. Het woord antipas is dikwijls beschouwd als een afkorting van antipapist, tegen de vader (paus). Het was in deze tijd dat de kerkelijke hiërarchie uitgebouwd werd. Doordat er in de kerk een strenge scheiding kwam tussen geestelijken en leken verloor het volk, de gemeente, haar geestelijk karakter. Elk gemeentelid, een priester en elke handeling van een gelovige, een geestelijke handeling, werd weggedaan uit de kerk. God kon niet gediend worden door gewone leden in hun dagelijks werk.

Het monnikenwezen kwam op, de heiligen begonnen voorbede te doen en diegenen die een ambt hadden in de kerk behoorden voortaan tot de geestelijke stand. En wat gebeurde er met de mensen die het hier niet mee eens waren? Die werden gedood.
De kerk zelf werd vervolger. In 385 had de eerste terechtstelling plaats van ketters, alleen om hun geloofswil. Dat waren de eerste slachtoffers om hun protesteren tegen de afval. Hier zou het echter niet bij blijven. Vanaf nu zouden de ketters terechtgesteld worden en dat zou alleen maar erger worden. In dit tijdvak groeide de kerkelijke hiërarchie verder uit, totdat uiteindelijk de hele kerk georganiseerd was, natuurlijk onder de paus van Rome. Maar ook de ketters organiseerden zich opnieuw en staan in de geschiedenis bekend als de Katharen, de Waldenzen, de Albigenzen en vele andere namen.

(4) Thyatira

Wie de leider van de gemeente van Thyatire geweest is, weten we niet. Sommige handschriften lezen bij vers 20: dat gij uw vrouw Izebel. Dan zou Izebel de echtgenote van de voorganger geweest zijn, en is Izebel een verwijzing naar de goddeloze vrouw van Achab.

De belofte uit vers 26 dat Hij hen macht zal geven over de heidenen, is een vervulling van psalm 2:8 en 9. Over de morgenster (vers 28) worden verschillende uitleggingen gegeven. De ene uitlegger zegt dat het een toespeling is op Lucifer in Jesaja 14:12; een ander dat het een verwijzing is naar Daniël
12:3 en de onsterfelijkheid van de rechtvaardigen; een derde dat het op Christus Zelf slaat (Openb 22:16); een vierde dat het een toespeling is op een bepaalde betekenis van de morgenster, zoals deze in Thyatira functioneerde en die wij niet meer kennen.

Over het hart- en nierenonderzoek van vers 23 nog het volgende: in aansluiting op wat Hij gezegd heeft in vers 18 en 19: ‘Ogen als een vlam vuurs’ en ‘Ik weet’, geeft Hij hier aan dat Hij tot in de diepste schuilhoek van ons hart kijkt en dat Hij precies proeft wat onze bedoelingen zijn. Het hart is de zetel van de beraadslagingen, van het overleg. De nieren zijn de zetel van de innerlijke gevoelens, de begeerten, de lusten.

Thyatire lag 60 km ten zuid oosten van Pergamus, aan de weg naar Sardis. De stad was niet zo afgodisch als Pergamus. Slechts twee goden (Apollo en Artemis) werden er openlijk vereerd, naast de vele beschermheiligen van de gilden. Omdat de stad geen verdedigingsmuren had, lag er een behoorlijke legermacht. Thyatire was een garnizoensstad. Het lag op een kruispunt van wegen. Door
de Pax Romana (vrede die in het Romeinse rijk destijds heerste) groeide het uit tot een belangrijk handelscentrum. Er waren allerlei ambachten te vinden, zoals wolwevers, linnenververs,leerlooiers, purperververs. Lydia was afkomstig uit deze stad en waarschijnlijk in Filippi gestationeerd als vertegenwoordigster van haar purperbedrijf.
De ambachtslieden waren verenigd in gilden (vgl. de Middeleeuwen) en elke gilde had zijn schutterspatroon, zijn beschermheilige. Jaarlijks werden er gildenfeesten georganiseerd, waarbij aan de beschermgod geofferd werd. Dat offervlees werd dan daarna gegeten. Daarbij werd ook flink gedronken. Het ontaardde menig keer in een orgie, waar seksuele uitspattingen heel normaal waren.



Openbaring 3 De brief aan Thyatira


18 En schrijf aan den engel der Gemeente te Thyatire: Dit zegt de Zoon van God, Die Zijn ogen heeft als een vlam vuurs, en Zijn voeten zijn blinkend koper gelijk;

19 Ik weet uw werken, en liefde, en dienst, en geloof, en uw lijdzaamheid, en uw werken, en [dat] de laatste meer [zijn] dan de eerste.

20 Maar Ik heb [enige] weinige dingen tegen u, dat gij de vrouw Jezabel, die zichzelve zegt een profetes te zijn, laat leren, en Mijn dienstknechten verleiden, dat zij hoereren en afgodenoffer eten.

21 En Ik heb haar tijd gegeven, opdat zij zich zou bekeren van haar hoererij, en zij heeft zich niet bekeerd.

22 Zie, Ik werp haar te bed, en die met haar overspel bedrijven, in grote verdrukking, zo zij zich niet bekeren van hun werken.

23 En haar kinderen zal Ik door den dood ombrengen; en al de Gemeenten zullen weten, dat Ik het ben, Die nieren en harten onderzoek. En Ik zal ulieden geven een iegelijk naar uw werken.

24 Doch Ik zeg ulieden, en tot de anderen, die te Thyatire zijn, zovelen, als er deze leer niet hebben, en die de diepten des satans niet gekend hebben, gelijk zij zeggen: Ik zal u geen anderen last opleggen;

25 Maar hetgeen gij hebt, houdt dat, totdat Ik zal komen.

26 En die overwint, en die Mijn werken tot het einde toe bewaart, Ik zal hem macht geven over de heidenen;

27 En hij zal ze hoeden met een ijzeren staf; zij zullen als pottenbakkersvaten vermorzeld worden; gelijk ook Ik van Mijn Vader ontvangen heb.

28 En Ik zal hem de morgenster geven.

29 Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de Gemeenten zegt.

De gemeente van Pergamum was daar waar de troon van Satan was, de Tyatira gemeente bevind zich daar waar Izebel de profetes is. Hier raken wij het centrale punt van de boodschap aan Tyatira, die de langste is van de boodschappen aan de zeven gemeenten. De Oud­testamentische Izebel wordt hier naar voren gebracht als symbool en type van wat zich zou voordoen gedurende de 1260 jaren van pauselijke heerschappij.

Izebel was een heidense prinses, wreed en afgodisch, die door Achab, koning van Israël tot vrouw werd genomen. Zij gaf haar bevelen, bekrachtigd met het zegel van de koning om rechtvaardigen ter dood te brengen, l Koningen 18, 19, 21:7-15. De altaren van God werden afgebroken, heidense tempels werden opgericht, zij liet de profeten des Heren doden en leidde heel Israël in de afgoderij. Datzelfde speelde zich af in het christendom tijdens de donkere Middeleeuwen. Bijna elke evangeliewaarheid werd verdonkerd, de eenvoudige instellingen van Jezus werden verdrongen door heidense weelde en ceremonieën. Geestelijke leiders namen de plaats van Jezus in, men moest de mens meer gehoorzamen dan God.

Gedurende deze tijd was er een gemeente van God, maar zij bevond zich in de woestijn. Verborgen in de bergen op afgelegen plaatsen. Als men de Bijbel wilde lezen dan moest men eerst de deuren sluiten. Als men zendingswerk wilde verrichten moest men de afschriften van de evangeliën verbergen onder de koopwaar.

Daarom is het niet verwonderlijk dat de Waldenzen en hun bekeerlingen die wijd en zijd door Europa ver­spreid waren, toch nog vaak naar de katholieke kerk gingen om daar deel te nemen aan het avondmaal. Natuurlijk niet met de gedachte om deel te hebben aan de mis. Het is dit dat Jezus aanhaalt als Hij zegt: "Maar Ik heb tegen u, dat gij de vrouw Izebel laat begaan, die zegt, dat zij een profetes is, en zij leert en verleidt mijn knechten om te hoereren en afgodenoffers te eten." Openb. 2: 20.
 Dit was niet overal zo, maar wat wel duidelijk uitgesproken wordt is dat er meer scheiding moest zijn met de katholieke kerk dan dat er in de praktijk aanwezig was. Gelukkig is dat niet altijd zo gebleven, de laatste werken in deze periode waren meer dan de eerste.

(5) Sardes

Er was een grote Joodse gemeenschap in Sardis. Dit had waarschijnlijk te maken met het goud dat door de Pactolus afgevoerd had. We lezen niet dat joden en christenen niet met elkaar overweg konden. Probeer eens de parallellen op te sporen tussen Sardis en de gemeenten van onze tijd. Ga ook eens na en verwerk het in je inleiding, in hoeverre het materialisme onze gemeenten beïnvloedt.
Suggestie om de slotzin van iedere brief: ‘wie oren heeft die hore’ (zie ook vrg. 5) heel concreet te maken: Neem een radio mee met een frequentiezoeker die je met de hand draait. Stem net niet helemaal scherp af op een zender en laat dat horen, zonder nog iets te zeggen. Vraag wat er aan de
hand is. Stem vervolgens goed af en je hoort het verschil.
Met dit vb kun je extra duidelijk maken wat het gevolg is als je niet (goed) afgestemd bent op Gods Woord door allerlei zaken in je leven. Je hoort dan niet wat de Geest te zeggen heeft!! Spreek door over het belang van deze geestelijke oren.

Sardis lag 80 km. ten noord oosten van Efeze en 80 km oostelijk van Smyrna, dichtbij de rivier Pactolus. Deze rivier voerde goud mee in haar stroom. Sardis was de residentie van de schatrijke Croesus, koning van Lydië. De inwoners stonden bekend om hun weelde, verworven door veroveringen, akkerbouw en handel (wollen stoffen, textiel, tapijten, parfums en zalven). Het was in de
Romeinse tijd een zeer uitgebreide stad met waterleiding, thermen, een stadion en een theater. De belangrijkste verkeersweg van Asia liep als een marmeren straat dwars door de stad. Twee edelstenen uit de mijnen danken de naam aan de stad: sardion en sardonyx. Het huidige Sart is een
arm dorpje.
Er was een tempel voor Artemis en een voor Zeus. Het was een belangrijk centrum voor de keizerverering. Van de christelijke gemeente is niets bekend voor deze brief. Als mogelijke voorgangers van de gemeente worden de namen Zosimus en Vitalis genoemd.

Brief aan Sardes

En schrijf aan de Engel der Gemeente, te Sardes
1 En schrijf aan de Engel der Gemeente, te Sardes: Zo spreekt Hij, Die de zeven geesten van God, en de zeven sterren heeft: Ik ken uw werken, dat gij de naam hebt, dat gij leeft, en gij zijt dood.

2 Ontwaak, en sterk wat nog overig is, en straks sterven zal; want Ik heb uw werken niet volkomen gevonden, voor God.

3 Bedenk dan, wat gij ontvangen en gehoord hebt, en houd u daarbij, en bekeer u! Doch indien gij niet ontwaakt, Ik zal over u komen als een dief, en gij zult niet weten, in welke ure Ik over u komen zal.

4 Doch gij hebt te Sardes ook nog enige namen, die hun klederen niet bevlekt hebben: Daarom zullen zij met Mij in witte klederen wandelen, want zij zijn het waardig.

5 Die overwint, zal met witte klederen bekleed worden; en Ik zal zijn naam niet uitwissen uit het Boek des levens, en Ik zal zijn naam belijden voor Mijn Vader en voor Zijn Engelen.

6 Die oren heeft, hore wat de Geest tot de Gemeenten zegt.

Daarmee komen wij in een nieuwe periode. Een periode die gekenmerkt wordt door 'vernieuwing', de betekenis van het woord Sardes.

De kerkhervorming begint. Johannes Hus, John Wyclif, Maarten Luther, Johannes Calvijn, Menno Simons en vele, vele anderen begonnen een nieuw tijdperk, niet alleen in de kerk, maar ook in de wereld. Wel bleef de valse profetes Izebel profeteren, maar men keerde zich openlijk tegen haar. Geleidelijk vond men de waarheden terug die verloren waren gegaan. De gemeente krijgt een belangrijke raadgeving. "Bedenkt dan hoe gij het gehoord hebt en ontvangen". Men ging weer terug naar de bron, het Nieuwe Testament en de vroeg christelijke kerk.

Men begon weer waar het evangelie begint. Onze zonden werden Christus toegerekend, opdat de gerechtigheid van Christus ons toegerekend kan worden. Christus nam deel aan de menselijke natuur opdat wij deel hebben aan de goddelijke natuur. Toch werden niet alle leerstellingen opnieuw getoetst aan het woord en aan de leer van de vroeg christelijke kerk. De sabbat, de doop, de vrije genade en vele, vele andere zaken zijn niet echt teruggevonden.

Het duurde hon­derden jaren voordat men alles weer teruggevonden had. Velen bleven halverwege steken. Zij verborgen zich in een geloofsbelijdenis, hingen een dode orthodoxie aan. "Gij hebt de naam dat gij leeft, maar gij zijt dood". Maar zoals in alle perioden waren er ook nu mensen die luisterden naar de boodschappen die van God bleven komen. Naarmate de tijd vorderde stichtten zij broedergemeenten waar de partijgeest uitgebannen was. Zij stichtten zendingsgenootschappen, bijbelgenootschappen enz.
Toen Izebel op het ziekbed geworpen werd in 1798, toen zij de dodelijke wond ontving, begon men ook de profetieën beter te bestuderen. Dit alles leidde een nieuw tijdperk in.

(6) Philadelphia

De resten van Filadelfia liggen onder het huidige Alasehir (= stad van god). De heuvel, waarop de citadel was gebouwd was een uitloper van het Tmolosgebergte. Het lag in een vallei die uitliep in de Egeïsche Zee. Aan het eind van de uitloop lag Smyrna, op een kruispunt van handelswegen, 45 km ten zuidoosten van Sardis, aan de weg naar Laodicea en Kolosse. Ze was beroemd om de bron met geneeskrachtig water en de bloeiende industrie. Ze was de jongste van de zeven. Haar naam heeft ze ontleend aan een bijnaam van de stichter, koning Attalus Filadelfus. De laatste naam betekent: broederliefde. De stad lag aan de keizerlijke postroute van Rome, via Troas naar Filadelfia en verder.

De stad gold als de poort naar het oosten. De stad was erg gevoelig voor aardbevingen. Dionysus (de wijngod) was de belangrijkste god die vereerd werd.
In de tijd dat deze brief geschreven is, was de stad economisch ernstig getroffen door een edict van Domitianus: de helft van de wijngaarden in de provincie moest gerooid worden. De nieuwe aanplant werd verboden. Dit om concurrentieredenen. Hierdoor werd de wijnbouw behoorlijk gedupeerd.

Openbaring 3 De brief aan Filadelfia

7 En schrijf aan den engel der Gemeente, die in Filadelfia is: Dit zegt de Heilige, de Waarachtige, Die den sleutel Davids heeft; Die opent, en niemand sluit, en Hij sluit, en niemand opent;

8 Ik weet uw werken; zie Ik heb een geopende deur voor u gegeven, en niemand kan die sluiten; want gij hebt kleine kracht, en gij hebt Mijn woord bewaard, en hebt Mijn Naam niet verloochend.

9 Zie, Ik geef [u enigen] uit de synagoge des satans, dergenen, die zeggen, dat zij Joden zijn, en zijn het niet, maar liegen; zie Ik zal maken, dat zij zullen komen, en aanbidden voor uw voeten, en bekennen, dat Ik u liefheb.

10 Omdat gij het woord Mijner lijdzaamheid bewaard hebt, zo zal Ik ook u bewaren uit de ure der verzoeking, die over de gehele wereld komen zal, om te verzoeken, die op de aarde wonen.

11 Zie, Ik kom haastelijk; houd dat gij hebt, opdat niemand uw kroon neme.

12 Die overwint, Ik zal hem maken tot een pilaar in den tempel Mijns Gods, en hij zal niet meer daaruit gaan; en Ik zal op hem schrijven den Naam Mijns Gods, en de naam der stad Mijns Gods, [namelijk] des nieuwen Jeruzalems, dat uit den hemel van Mijn God afdaalt, en [ook] Mijn nieuwen Naam.

13 Die oren heeft die hore wat de Geest tot de Gemeenten zegt.

De studie van de profetieën en de adventbeweging die daarvan het gevolg was, had als middelpunt van al haar hoop de wederkomst van Christus.

De wederkomst van Christus wordt in zicht gebracht. In de eerste brieven was er nog geen sprake van de wederkomst. In Tyatira werd de grote hoop gewekt: "Houdt dat vast totdat Ik gekomen ben."

In de Sardes periode wordt het meer dringend: "Indien gij niet wakker wordt zal Ik komen als een dief'. In de Filadelfia gemeente is de gebeurtenis nog dichterbij: "Ik kom spoedig."

De profetieën leerden dat de Heer zou komen in 1834-1844. Overal ging de boodschap rond en de mensen begonnen in te zien dat de wederkomst voorbereiding vereist. Eén van de belangrijkste dingen is de onderlinge eenheid.

Hoe kan bewezen worden dat ik God liefheb? Alleen door de broeders lief te hebben. Broederliefde is de voornaamste toets van discipel­schap. Lees daarvoor de eerste brief van Johannes. Alle onderlinge twisten werden bijgelegd, scheidsmuren, opgetrokken door geloofsbelijdenissen, werden afge­broken. De studie van de profetie en de verwachting van de komende Heer ging door alle kerken en geloofsgemeenschappen. Maar men werd teleurgesteld. In plaats van komst van Jezus naar de aarde om zijn kinderen op te halen, werd er een deur geopend in de hemel.

Hij die de sleutel van David had, kwam niet terug, maar begon een nieuw dienstwerk, een werk van oordeel en verzoening in het heilige der heiligen van de hemelse tempel. Want hoewel er grondig werk was verricht en de broederliefde hersteld was, was in het licht van Gods oordeel, in het oog van God, de gemeente nog steeds 'ellendig, arm, jammerlijk, blind en naakt'. Er moest, voordat de gemeente bestaan kon, een oordeel plaats vinden. In dit oordeel moet de gemeente gerechtvaardigd worden.

(7) Laodicéa

Laodicea was een belangrijke stad in de Lydius-vallei. Het lag 70 km. ten noorden van Filadelfia op een kruispunt van twee belangrijke hoofdwegen: die van Efeze naar het oosten en van Pergamus/Sardis naar het zuiden. De stad is gesticht door Antiochus II en genoemd naar zijn eerste vrouw: Laodice. Het was een centrum van handel en industrie. Er werden veel afgoden vereerd. De
keizercultus was daar al vroeg aanwezig. Het lag dicht bij Kolosse en Hiërapolis. Laodicea was een stad met veel miljonairs. Het bankwezen bloeide daar volop. Er was een medische faculteit, verbonden aan de tempel van Men Carou. Ze ontwikkelden medicijnen, zoals nardus voor de oren en ogenzalf. Waarschijnlijk heeft Lucas hier gestudeerd (Kol. 4:14)
Uit warmwaterbronnen bij Hiërapolis stroomde door een goot water naar Laodicea. Als het bij de stad aankwam, was het lauw. De gemeente is mogelijk gesticht vanuit Efeze door Epafras (Kol. 1:17)
Paulus heeft de gemeente waarschijnlijk nooit bezocht (Kol.2:1), maar heeft hen wel een brief geschreven, die helaas verloren is gegaan (Kol. 4:16)

In 1402 is de stad door de Turken verwoest en niet meer opgebouwd.
Van de oude stad zijn nog ruïnes van de waterleiding, de watertoren, het stadion, het gymnasium met het bad, de resten van de Syrische poort, van de stadsmuren en twee theaters over. Er woonden een groot aantal Joden, die hun bijdragen leverden in de handel en het bankwezen.

Openbaring 3 De brief aan Laodicea

14 En schrijf aan den engel van de Gemeente der Laodicensen: Dit zegt de Amen, de trouwe, en waarachtige Getuige, het Begin der schepping Gods:
15 Ik weet uw werken, dat gij noch koud zijt, noch heet; och, of gij koud waart, of heet!
16 Zo dan, omdat gij lauw zijt, en noch koud noch heet, Ik zal u uit Mijn mond spuwen.
17 Want gij zegt: Ik ben rijk, en verrijkt geworden, en heb geens dings gebrek; en gij weet niet, dat gij zijt ellendig, en jammerlijk, en arm, en blind, en naakt.
18 Ik raad u dat gij van Mij koopt goud, beproefd komende uit het vuur, opdat gij rijk moogt worden; en witte klederen, opdat gij moogt bekleed worden, en de schande uwer naaktheid niet geopenbaard worde; en zalf uw ogen met ogenzalf, opdat gij zien moogt.
19 Zo wie Ik liefheb, die bestraf en kastijd Ik; wees dan ijverig, en bekeer u.
20 Zie, Ik sta aan de deur. en Ik klop; indien iemand Mijn stem zal horen, en de deur opendoen, Ik zal tot hem inkomen, en Ik zal met hem avondmaal houden, en hij met Mij.
21 Die overwint, Ik zal hem geven met Mij te zitten in Mijn troon, gelijk als Ik overwonnen heb, en ben gezeten met Mijn Vader in Zijn troon.
22 Die oren heeft, die hore, wat de Geest tot de Gemeenten zegt.

Er kwam dus een nieuwe boodschap. Een boodschap die gericht is aan een volk in het oordeel. Een gemeente die licht ontvangen heeft over de dienst van Jezus in het hemelse heiligdom.

In het licht van het oordeel, in het licht van de tweede komst en in het licht van het strenge onderzoek van Gods gerechtigheid, is elke wedergeborene, hoewel een nieuwe schepping, 'ellendig, arm, jammerlijk, blind en naakt.'

De enige hoop ligt bij het betreden van de open deur, door in geloof binnen te gaan daar waar Jezus nu is en deel te hebben aan de weldaden van het verzoeningswerk dat daar verricht wordt:
* Het uitdelgen van de zonde
* Het deelhebben aan de late regen
* Het ontvangen van het zegel van de levende God
Als deze zaken ontvangen zijn dan is de gemeente echt in de Filadelfia toestand en kan zij met vertrouwen de ure der verzoeking tegemoet zien welke over de gehele wereld komen zal om te verzoeken allen die op de aarde wonen. Dan zal Christus ons bewaren omdat wij zijn woord bewaren. Dat is nu waar, dat is altijd waar, maar is op een bijzondere manier waar in die tijd, die spoedig komt.

Tot slot

Er waren meerdere gemeenten in Asia en in andere streken op het moment dat Johannes, in opdracht van de Here Jezus, deze brieven opschreef. Waarom koos de Heer juist deze gemeenten uit? Omdat ze allen een fase in de ontwikkeling van de belijdende kerk vertegenwoordigen. Het zijn er zeven, dat spreekt in de bijbel vaak van volheid, van volledigheid. De zeven gemeenten geven, als het ware, een volledige weergave van de geschiedenis van de gemeente.

De Here Jezus bepaalde de volgorde waarin Hij de boodschappen voor de diverse gemeenten doorgaf. Die volgorde is niet willekeurig, want hij komt precies overeen met de ontwikkelingen in de geschiedenis van de gemeente.

De profetische betekenis van de boodschap aan de zeven gemeenten is eerst later duidelijk geworden. In de negentiende eeuw konden de mensen de kerkgeschiedenis van bijna negentien eeuwen naast de boodschappen aan de zeven gemeenten leggen en toen bleek de overeenkomst tussen de eerste zes gemeenten en de kerkgeschiedenis tot op dat moment. Omdat de eerste zes fasen, die parallel lopen met de boodschappen aan de eerste zes gemeenten, reeds vervuld waren verwachtte men de komst van de zevende periode, die parallel moet lopen met de situatie in Laodicéa. Intussen zijn wij ruim een eeuw verder. De Laodicéa-toestand van de gemeente begint zich meer en meer af te tekenen ( De kenmerken zijn: Lauwheid (Openb. 3:15,16), intussen denken dat het prima gaat, terwijl dat niet het geval is, geestelijke verblinding (Openb. 3:17,18), Jezus wordt weggeredeneerd (Openbaring 3:20); de gemeente van Laodicéa representeert als het ware de laatste fase van de kerkgeschiedenis. Zoals die gemeente was, zo zal de christelijke gemeente, de belijdende christenheid, er in de eindtijd uitzien.

Symboliek

Openbaring spreekt veel in symbolen; zinnebeeldige voorstellingen. De vele getallen die in het boek voorkomen hebben symbolische betekenis. Het getal zeven spreekt van volkomenheid: de zeven geesten Gods; een boek verzegeld met zeven zegels; zeven engelen met zeven bazuinen; enz. Ook de getallen 3, 4, 10, 12 hebben deze symbolische betekenis van volkomen volheid, vaak nog versterkt door hun veelvouden: 1000= 10x10x10; 144000= 12xl2x10x10x10 enz.

Openbaring is geschreven tot bemoediging van de kerk in allerlei verdrukkingen. Want de kerk zal altijd leven in strijd , de duivel strijdt voortdurend tegen Christus (en dus tegen God) en tegen zijn kerk. Maar juist daarom wordt door de Here Jezus Christus aan Johannes onthuld, dat Hij deze wereld regeert. Dat er niets gebeurt buiten Hem. Zo wordt aan de kerken getoond op welke wijze Christus regeert, vanaf zijn hemelvaart tot zijn wederkomst , ook al schijnt deze wereldge- schiedenis en de geschiedenis van zijn kerk soms een chaos.

Echter geeft Openbaring geen geschiedenisbeschrijving. Geen onthulling van de gang van zaken in de toekomst, zodat men zou kunnen zeggen: dan en dan gebeurt er dit of dat. Wel worden de hoofdlijnen van het regeringsbeleid van de verhoogde Christus duidelijk.

Deze profetie dient om bekend te maken dat alles wat er gebeurt -de grote gerichten die over de wereld gaan; de verdrukking en moeiten van de kerk; de verschrikkingen die komen over Gods vijanden , staat onder de regering van Christus. In telkens verschillende visioenen onder telkens wisselende aspecten wordt belicht wat er met de kerk en met de wereld gebeuren zal tussen hemelvaart en wederkomst.

Dit boek spreekt van zegen over het volk van God , want God is trouw. Maar ook van vloek over allen die Christus niet als hun Koning willen aanvaarden. De geschiedenis van de wereld wordt bepaald door de geschiedenis van de kerk, dus door de geschiedenis van Gods Verbond met zijn volk.

Johannes ontvangt deze openbaring op Patmos, een eilandje in de Egeïsche Zee. Daarheen is hij verbannen. De grote prediker van het (Marc. 3 : 17) evangelie, "de zoon des donders" moet monddood gemaakt worden. Joden en Romeinen zijn tegen hem. Maar Christus gebruikt de handelingen van Joden en Romeinen om Johannes zo te laten spreken, dat hij al de eeuwen door wordt gehoord.

In de zegengroet van Johannes maakt God zich bekend als de Drieënige (vers 4 en 5) God: Vader, Zoon en Heilige Geest. In naam van de Drieënige zegent Johannes de zeven gemeenten en in hen de gehele kerk met genade (schuldvergeving) en vrede. Vrede , wat er ook gaat gebeuren.

God maakt zich bekend als: God de Vader , die is en die was en die komt. (Ex. 3 : 13, 14) Zo maakte Hij zich al aan Mozes bekend: de HERE -Jahwe - Ik Ben. Hij is de onveranderlijke in trouwaan zijn woord en werk, eeuwig Dezelfde in al wat wisselt en gebeurt. Hij heeft ook in het verleden laten zien de trouwe God te zijn en zó komt Hij, is Hij bezig te komen in volle heerlijkheid. Hij is, die Hij was en Hij zal zijn, die Hij was en is: Trouw. Hij doet zijn woord; Hij vervult zijn beloften en doet wat Hij dreigde.

God de Heilige Geest , de zeven geesten die voor zijn troon zijn. Bij de Vader is de volheid van de Heilige Geest. De genade en de vrede die uitstromen van de Vader worden uitgedeeld door de Heilige Geest. Alle gaven zijn bij Hem. Hij geeft de genade die ieder nodig heeft.

Jezus Christus , de getrouwe getuige. De Zoon komt hier vooral naar voren in zijn menselijke natuur. Hij is gestorven voor de zonden, maar ook opgestaan als eerstgeborene uit de doden. Veel kinderen van God zullen opstaan door Hem.

Thans zijn allen die iets te gebieden hebben op deze aarde aan Hem (vers 6) onderworpen. Hij heeft ons verlost en heeft ons gemaakt tot een koninkrijk van priesters, zoals veel vroeger al werd beloofd. Met Vader (Ex. 19 : 6) en Geest ontvangt Hij alle eer. Hier staat het hoofdthema van dit boek: Jezus Christus zal terugkomen (vers 7 ) in grote majesteit. Dan worden de rollen omgekeerd. Mensen hebben Hem eens voor zich gedaagd en veroordeeld: Joden, Herodes, Pilatus. Mensen hebben Hem gedood. Hebben Hem beschuldigd en verworpen , ook in onze tijd. Maar dán zullen allen voor Hém staan; (vers 8) voor Hem de Rechter in volle heerlijkheid.

 Deze Drieënige God is de Alpha en de Omega (de Alpha is de eerste, de Omega de laatste letter van het Griekse alfabet). Hij is de oorsprong van alles en alles eindigt in Hem. De Almachtige God staat aan het begin en aan het eind van de wereldgeschiedenis. Die geschiedenis is geen chaos. Ze wordt beheerst door Hem, die is en die was en die komt.

Wat Johannes gaat zien is het regeren van deze wereld door de Drie-enige God, die trouw is aan zich zelf en aan het verbond met zijn volk; maar ook trouwaan zichzelf in zijn toorn over allen die dit verbond verbreken en verachten.

Ziet, Ik kom haastelijk (een oud document maar nog steeds actueel)

Gezeten aan de rechterhand des Vaders in den hemel, waar Hij heenging om voor de zijnen plaats te bereiden, roept de liefhebbende Bruidegom zijne geliefde bruid, die nog in de vreemdelingschap wandelt, gedurig de heerlijke woorden toe: "Ziet, Ik kom haastelijk!" Niet eens, niet tweemaal, maar verscheidene malen herhaalt Hij dezelfde woorden. Sla slechts het laatste gedeelte van het twee en twintigste hoofdstuk der Openbaring op, en gij zult dáár, op die ééne bladzijde der Schrift, dezelfde belofte verscheidene malen herhaald vinden. Waarom zoo dikwijls? vraagt gij misschien. Heeft niet de bruidegom, die naar zijne bruid verlangt, behoefte haar gedurig te zeggen, dat zij weldra bij elkander en onafscheidelijk aan elkander verbonden zullen zijn? 

Welnu, de Heere Jezus verlangt naar ons; zijn hart verheugt zich bij de gedachte, dat wij weldra bij Hem zullen zijn; Hij haakt naar het oogenblik, dat Hij ons in de vele woningen des Vaders kan binnenleiden, om ons zijne heerlijkheid te doen genieten en bovenal zijne liefde te doen smaken; en daarom heeft zijn hart behoefte ons gedurig toe te roepen: "Ziet, Ik kom haastelijk!" Welk een onuitsprekelijke liefde! Jezus verlangt naar ons - naar ons, zulke ellendige, ondankbare schepselen! Wie zou het kunnen gelooven, als het niet zoo duidelijk en zoo herhaaldelijk in Gods Woord geschreven stond! Maar, Gode zij dank! hoe onbegrijpelijk het ook is, het is waar. Wij zijn Hem door den Vader gegeven, en nu wil Hij, dat wij zijn zullen, waar Hij is. (Joh. 17.) O, dat is het heerlijkste van alles! Voorzeker, 't is gelukkig, wanneer wij naar Jezus verlangen; 't is verblijdend voor onze harten , wanneer wij ons in zijne liefde en in zijne tegenwoordigheid verheugen; maar oneindig heerlijker is het, dat Jezus naar ons verlangt, en zich in onze tegenwoordigheid wil verheugen. Dat vervult de ziel met een onuitsprekelijke vreugde, en brengt ons vol bewondering en aanbidding aan de voeten van Hem, die niet alleen zijn leven voor ons gaf, maar ons verheft tot de hoogste heerlijkheid.

Er is nog een andere reden, waarom de Heer zijne belofte zoo dikwerf herhaalt

Er is toch geen waarheid, die zoo spoedig vergeten wordt als de wederkomst van Jezus. Nauwelijks waren de Apostelen des Heeren ontslapen, of de Gemeente vergat allengs de belofte van Jezus' wederkomst; en het duurde niet lang, of deze heerlijke waarheid was geheel en al verloren gegaan. Eeuwen gingen voorbij, waarin niemand er aan dacht en niemand er aan geloofde. Doch wat behoeven wij zoover achter ons te zien, slaan wij slechts den blik op onszelven. Door Gods genade zijn onze oogen voor deze waarheid geopend geworden; wij hebben de roepstem van den Bruidegom vernomen; zij vond weerklank in ons hart, en wij hebben onze lampen in gereedheid gebracht om Hem te gemoet te snellen. Zalige blijdschap heeft ons hart vervuld, toen wij voor de eerste maal deze waarheid met het gansche hart omhelsden. De glans der hemelsche vreugde lag op ons gelaat, wanneer wij er onder elkander over spraken. Is dat nog zóó? Helaas, neen! Hoevele uren, ja, hoevele dagen gaan er voorbij, dat wij er nauwelijks of in 't geheel niet aan denken! Onze harten zijn kouder geworden. Die hoop is niet meer zoo levendig bij ons. Zij vervult niet meer zoo onverdeeld ons hart; zij heiligt niet meer zoo geheel ons leven. Wij voelen ons weer meer te huis op de aarde, in de aardsche omstandigheden en genoegens. 

Ziet, geliefden! daarom roept de Heer ons zoo dikwijls toe: "Ziet, Ik kom haastelijk!" Hij wist, dat wij het zoo licht zouden vergeten, en Hij heeft toch zoo gaarne, dat wij er veel aan denken. Of verheugt zich de bruidegom niet over het verlangen zijner bruid om bij hem te zijn? En zou Jezus zich niet verblijden, wanneer wij sterk en vurig naar Hem verlangen? O, gewis! dat is zijne grootste vreugde. En daarom doet Hij alles om dat verlangen in ons te wekken, te versterken en te verlevendigen. 't Verveelt u toch niet, dat Hij er zoo dikwijls op terugkomt? Ik heb het wel eens gehoord, hoe men, wanneer er over de wederkomst van Jezus gesproken werd, zeide: "Nu al weêr daarover, we hebben er nog pas over hooren spreken!" - 't Is wel treurig, wanneer het zóó ver gekomen is. Voorzeker, de vrouw, die haren man liefheeft, zal bij elken brief, waarin hij haar schrijft, dat hij spoedig weder zal komen, zich opnieuw verblijden; en 't zou zeer zeker tot groote droefheid voor den man zijn, wanneer hij vernam, dat zij het vervelend vond, zoo dikwijls over zijne terugkomst te hooren. En welk een droefheid moet het dan niet voor onzen liefdevollen Jezus zijn, wanneer Hij ziet, dat wij ons niet verblijden, als Hij ons toeroept: "Ziet, Ik kom haastelijk." Voor den geloovige, die Jezus vurig liefheeft, zal dat woord telkens opnieuw een heerlijke vertroosting zijn. Ja, al werd het hem ook honderd maal op één dag toegeroepen, het zou hem telkens met zalige blijdschap en heiligen ernst vervullen. Hoe goed zou het zijn, wanneer wij er elkander wat meer aan herinnerden! 

O, dat ééne woord: "Ziet, Ik kom haastelijk!" kan wonderen verrichten!

Daar is een broeder in nood, in zorgen, in moeielijkheden; de tranen vloeien hem langs de wangen; gij gaat tot hem, en roept hem toe: Jezus komt haastelijk!" Welk een omkeering in dat hart, welk een verandering op dat gelaat! De zorg verdwijnt, de nood is minder drukkend, de moeielijkheden zijn minder groot, de glimlach der hoop schijnt door de tranen heen; dankbaar drukt hij u de hand, en gij gaat heen met het bewustzijn een broeder vertroost te hebben. - Ginds ligt een zuster op haar ziekbed; de dagen en vooral de nachten vallen haar lang; het lijden is zoo langdurig; zij is ongeduldig en zou zoo gaarne van hier. "Weldra komt de Heer!" roept gij haar toe, en 't is alsof ge balsem giet in de wonde, alsof het lijden op eens gemakkelijker te dragen valt. - Op een anderen tijd ziet gij een broeder een verkeerden weg inslaan, of op het punt een zondige daad te verrichten; gij gaat tot hem, klopt hem zachtjes op den schouder, en fluistert hem in 't oor: "Ziet, Ik kom haastelijk!" Hij schrikt; hij slaat de oogen neer; hij komt tot zichzelven, en eindelijk valt hij vol schaamte en berouw aan Jezus' voeten neer, om Hem zijne schuld te belijden, maar Hem tevens te danken, dat Hij hem verhinderd heeft den weg der zonde te betreden. - Bij een andere gelegenheid zoudt gij zoo gaarne eenig geld voor de armen of voor het werk des Heeren verzamelen, maar gij bemerkt, dat men ternauwernood de beurs uit den zak haalt en zeer karig geeft. "Spoedig komt de Heer, broeders!" roept gij uit; en 't is, alsof men op eens rijker is geworden; de verontschuldigingen zijn verdwenen, het hart is wijder geworden, de beurzen worden geleegd, en allen verkeeren onder den indruk, dat, wanneer Jezus komt, alles hier moet blijven en in de handen der ongeloovigen zal vallen, en het dus veel beter is met het geld en goed, dat God ons gaf, nu nog winst te doen voor de eeuwigheid. - Welk eene verandering brengt de herinnering aan de komst van Jezus derhalve te weeg in alle toestanden en omstandigheden des levens! Dit zal ons nog duidelijker worden, wanneer wij een oogenblik stilstaan bij de verschillende malen, dat de Heer Jezus in Openb. 22 over zijne spoedige wederkomst spreekt.

"Ziet, Ik kom haastelijk; zalig is hij, die de woorden der profetie dezes boeks bewaart" 

Ziedaar de eerste maal, dat de Heer hier belooft spoedig weder te komen! En wat is er aan die belofte verbonden? "Zalig is hij, die de woorden der profetie dezes boeks bewaart." De Heer zegt niet: "Behouden is hij, die de woorden der profetie dezes boeks bewaart;" want de behoudenis is niet afhankelijk van het geloof in de profetie, maar van het geloof in Jezus; maar Hij zegt: "Zalig, dat is, welgelukzalig, gelukkig is hij, die de woorden der profetie dezes boeks bewaart." De geloovigen toch, die de woorden der profetie dezes boeks niet verstaan en derhalve ook niet bewaren, zijn wel behouden, maar kunnen onmogelijk gelukkig voor hun hart zijn; want zij meenen, dat zij gedurende de oordeelen, waarvan dat boek spreekt, op aarde zullen zijn. Nu is het onmogelijk welgelukzalig te zijn bij het lezen van al die ontzettende oordeelen, wanneer men zich voorstelt daarbij tegenwoordig te zullen zijn; men zal dan integendeel met vrees en schrik vervuld zijn , en in plaats van de woorden der profetie dezes boeks te bewaren, die zooveel mogelijk trachten te vergeten. 

Hij echter, die de woorden der profetie dezes boeks verstaat, weet, dat de Gemeente van Christus gedurende de oordeelen, welke in dit boek beschreven worden, in volmaakte rust bij haren Heer en Bruidegom in den hemel woont. Dat maakt zijn hart onuitsprekelijk gelukkig. Want bij het lezen en hooren dier vreeselijke oordeelen kan hij tot zichzelven zeggen: "Wanneer dat alles op aarde geschieden zal, zult gij er niet meer zijn; want dan zijt gij reeds ingegaan in het huis des Vaders, en omringt gij reeds den troon des Almachtigen." Ja, dat is heerlijk! In plaats van vrees en schrik vervult blijdschap zijn hart bij het lezen van de woorden dezer profetie, want de liefde van Jezus straalt hem hier op heldere wijze tegen, en roept hem toe: "Ik heb u niet alleen van het eeuwig verderf, maar ook van den toekomenden toorn verlost!" En wanneer hij dan die woorden niet alleen hoort en verstaat, maar ook, gelijk Maria, bewaart in zijn hart, dan blijft hij gelukkig, ook wanneer men hem van alle kanten op de teekenen der tijden wijst, en men in de oorlogen en geruchten van oorlogen de uitstorting der oordeelen en de vervulling der profetieën wil zien. Bedaard en kalm antwoordt hij: "Dat kan niet zijn, want vóór de vervulling dier profetieën zal de Gemeente in den hemel zijn!"

Verder lezen wij: "Verzegel de woorden der profetie dezes boeks niet; want de tijd is nabij." (vs. 10.) 

Tot Daniël werd gezegd: Verzegel de woorden der profetie, want het zal nog lang duren, eer hare vervulling zal komen. Hier wordt gezegd: Verzegel niet, want de tijd is nabij. De vervulling dezer profetie zou haastelijk geschieden, en daarom was het niet der moeite waardig het boek te verzegelen; want nauwelijks zou het verzegeld zijn, of het zegel zou weer opengebroken moeten worden. En wat volgt er nu? "Die onrecht doet, dat hij nog onrecht doe; en die vuil is, dat hij nog vuil worde; en die rechtvaardig is, dat hij nog gerechtvaardigd worde; en die heilig is, dat hij nog geheiligd worde." Ernstige woorden! De tijd is nabij, dat een iegelijk zal geoordeeld worden; en daarom moeten allen, zoowel de goddeloozen als de rechtvaardigen, rijp worden voor het oordeel. Die onrecht doet, dat hij nog onrecht doe, opdat hij zoodoende rijp zij om geoordeeld te worden. Die rechtvaardig is, dat hij nog gerechtvaardigd worde, opdat hij zoodoende rijp worde voor de heerlijkheid. Geliefde broeders! overdenkt met heiligen ernst deze woorden. De tijd is kort; weldra komt de Heer; wat gij heden nog doen kunt, doet het nog heden; morgen kan de tijd van werken voorbij zijn, en dan zoudt gij het u te laat beklagen, zooveel, wat nog had moeten verricht worden, tot gelegener tijd te hebben uitgesteld.

In verband hiermede staan de volgende woorden: "Ziet, Ik kom haastelijk; en mijn loon is met mij, om een iegelijk te vergelden, gelijk zijn werk zijn zal." 

Wanneer de Heere Jezus komt in zijne heerlijkheid, dan zal Hij, de zijnen beloonen voor het werk, dat zij op aarde in zijnen naam gedaan hebben. Gezeten op den troon zijner heerlijkheid, zal Hij den één macht geven over tien, den ander over vijf, den derde over drie steden. Allen zullen een plaats in zijn koninkrijk ontvangen; en de heerlijkheid van die plaats zal afhangen van hetgeen zij op aarde hebben verricht. Ieder lid van de Gemeente heeft een gave, een talent van den Heer ontvangen om mede te woekeren. leder heeft een plaats van den Heer gekregen, om Hem te verheerlijken. De een heeft een geringe en de ander een verheven plaats; maar beiden kunnen den Heer evenzeer verheerlijken, omdat beider plaats hun door Hem is aangewezen. De een is een prediker des evangelies, de ander een koopman, weer een ander een handwerksman, een vierde een landbouwer, een vijfde een huisvrouw; maar hoe verschillend hunne roeping ook zijn moge, zij zijn allen door den Heer in die roeping geplaatst en kunnen Hem daarin verheerlijken. Waren allen evangelieverkondigers, of allen handwerkslieden, dan zou alles in verwarring komen; maar nu heerscht er de schoonste orde, want nu kan de naam des Heeren op alle plaatsen en in alle betrekkingen verheerlijkt worden. Hoe gelukkig zou het zijn, wanneer deze heerlijke waarheid door alle christenen verstaan werd! Hoeveel redenen van ontevredenheid en murmureering zouden er eensklaps verdwijnen! Hoeveel gelukkiger zou een ieder zich in zijne roeping en op zijne plaats gevoelen! Niets kan toch bij alle moeielijkheden en bezwaren van het werk, dat wij te verrichten hebben, ons hart zóó vertroosten en bemoedigen als de gedachte: ik werk voor den Heer, ik drijf handel voor den Heer, ik timmer voor den Heer, ik ploeg voor den Heer, ik voed mijne kinderen op en doe mijn huishouden voor den Heer. Dan is geen werk te nietig, te gering in onze oogen. Dan zullen wijl niet naar wat anders verlangen, alsof wij daarin nuttiger konden zijn. Dan zal het ons eenig streven zijn om hetgeen wij te doen hebben, goed te doen, en de roeping, die de Heer ons gegeven heeft, getrouw te vervullen. En dan zullen wij eenmaal ons loon voor onzen arbeid ontvangen.

Dit loon nu hangt natuurlijk niet af van de grootheid, de uitgestrektheid en de verhevenheid van het werk, dat wij verricht hebben, maar alleen van de getrouwheid, waarmeê wij het deden.

Een straatveger, die voor den Heer, in alle getrouwheid zijn werk heeft verricht , zal meer loon ontvangen dan de evangelieprediker, die in zijne prediking zichzelven gezocht heeft. Een huisvrouw, die in stilte haar dagelijksch werk heeft verricht en hare kinderen heeft opgevoed voor den Heer, zal gewis evenveel loon ontvangen als de man, wiens naam door zijne christelijke werkzaamheden overal bekend is geworden. Een arme, die niets had om te geven dan een beker koud waters, en dit deed in den naam des Heeren, zal evengoed zijn loon ontvangen als de rijke, die honderden guldens heeft weggegeven. Ja, niets, hoe gering, hoe nietig het ook zijn moge, hoezeer ook in het verborgen geschied, zal aan dien dag onbeloond blijven. De Heer zal alles aan 't licht brengen, en het geringste bewijs van liefde voor Hem niet vergeten.

Uit welk een geheel ander oogpunt leeren wij hierdoor ons leven op aarde en onze werkzaamheden beschouwen.

Al doen wij dezelfde dingen, die de wereld ook doet, zoo hebben zij toch voor ons een geheel andere beteekenis, en worden met een geheel ander doel verricht. Zij houden op bloot aardsche bezigheden te zijn, maar staan voor ons, omdat wij ze voor den Heer, tot zijne verheerlijking doen, in verband met den hemel, en zullen eenmaal op hemelsche wijze beloond worden. Ja, 't zal onuitsprekelijk heerlijk zijn, wanneer wij daar uit den mond des Heeren zullen vernemen: "Wel gij goede en getrouwe dienstknecht, over weinig zijt gij getrouw geweest, over veel zal ik u zetten." Men zegge niet: " 't Is mij genoeg, wanneer ik maar in den hemel kom;'' want daardoor bewijst men maar al te duidelijk hoe weinig liefde men voor den Heer heeft. Wat is ons toch aangenamer dan een geschenk van een onzer vrienden te ontvangen? Niet de pracht of de waarde van het geschenk maakt ons gelukkig, maar dat het een geschenk is van hem, dien wij liefhebben. Zoo zal het ook dan zijn. Het loon wordt ons door Jezus, onzen besten Vriend, gegeven, en dat vervult reeds nu, in het vooruitzicht, mijn hart met zalige vreugde. En o, hoe heerlijk zal zijne liefde ons daar tegenstralen! Hij zal het werk beloonen, dat wij niet door onze, maar door zijne kracht hebben verricht. Hij zal eveneens handelen, alsof wij het alles zelf hadden gedaan. 't Is onbegrijpelijk, maar heerlijk! En 't zal zeer zeker met een onbeschrijfelijk gevoel van dankbaarheid en zaligheid zijn, dat wij de kroon, door Jezus ons op het hoofd gedrukt, zullen afnemen en aan zijne voeten zullen werpen met de woorden: "Gij, Heer! zijt waardig te ontvangen de heerlijkheid, en de eer, en de kracht; want Gij hebt alle dingen geschapen en door uwen wil zijn zij en zijn zij geschapen."

"Ik, Jezus, heb mijnen engel gezonden, om ulieden deze dingen te getuigen in de gemeenten. Ik ben de wortel en het geslacht Davids, de blinkende morgenster." 

Ziedaar opnieuw de belofte van Jezus' komst voor de Gemeente. Eer de dag aanbreekt, verschijnt de morgenster. Zoo zal Jezus, voordat de dag der wraak en der heerlijkheid op deze aarde zal aanbreken, als de Morgenster voor de Gemeente verschijnen, om haar vóór de ure der verzoeking te brengen in het huis des Vaders. En zoodra nu de Bruidegom zich als Morgenster aan de Gemeente vertoont, antwoorden de Geest en de bruid: .,Kom!" De Bruidegom roept: "Ziet, Ik kom haasteliik!" en de bruid antwoordt: "Ja, kom, Heere Jezus!" Hoe zou het ook anders kunnen? Hij is het hoofd, en zij het lichaam; Hij de man en zij de vrouw; Hij haar één en haar alles, en zij de vervulling van Hem, die alles in allen vervult. Ja, de bruid verlangt bij den Bruidegom te zijn; dààr is hare plaats, hare woning, haar "te huis." Daar eerst zijn al de wenschen haars harten bevredigd; daar eerst kan zij rusten van haren arbeid en van hare omzwervingen hier op aarde; daar eerst is zij volmaakt gelukkig.

Is die gezindheid de uwe, waarde lezer? Verlangt gij evenals een bruid naar uwen bruidegom? Antwoordt gij altijd terstond op de belofte van Jezus: "ziet, Ik kom haastelijk!" "Amen, ja, kom, Heere Jezus?" 

O, niets is gelukkiger en zaliger voor het hart! Het verbindt de ziel steeds nauwer aan den Heer, en vervult haar steeds meer met het gevoel zijner liefde. En wanneer die gezindheid uw hart vervult, en gij met vurig verlangen roept: "Kom, Heere Jezus!" dan zult gij zeer zeker tot uwe medegeloovigen gaan, en hun toeroepen: "Die het hoort, zegge: Kom !" en dan gij zult uwe liefde uitstrekken tot degenen, die nog rondom u in de schaduwe des doods voortwandelen, en tot hen zeggen: "Die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet." Ja, het geloof aan de komst des Heeren maakt ons ijverig in zijn werk, en vervult ons met medelijden voor degenen, die buiten zijn; want nog een weinig tijds en Hij, die te komen staat, zal komen en niet vertoeven; en dan zal het voor die duizenden, die ons omringen, te laat zijn, dan zullen zij moeten achterblijven om geoordeeld te worden. Mochten daarom onze harten steeds met de levendige verwachting van Jezus' komst vervuld zijn! Mochten wij ten allen tijde met blijdschap de belofte uit zijnen mond ontvangen, die Hij ons zoo gedurig toeroept: "Ziet, Ik kom haastelijk!" en er terstond op antwoorden: "Amen. Ja, kom, Heere Jezus!"

Deutsch
de
English en français fr italiano it Nederlands nl español es português pt Norsk no svenska sv Polski pl čeština cz Slovák sk Magyar hu român ro Български bg hrvatski hr Pyсский ru Türkçe tr عربي ar

       

Heer, wees mijn Gids  -  Come, Now Is The Time To Worship

                              

INFO: DE WEG - DE WAARHEIDHET LEVENFILM - AUDIO

 Meld aub een 'dode link'onder vermelding van de pagina waarop

Please report a ' dead link' onder mention of the page on which

Wie zoekt zal vinden           


www Holyhome.nl

Boeiende Series :

Kijk ook eens op: * Bible Study: The Bible alone!

* L'étude biblique: Rien que la Bible!

* Bibelstudium: Allein die Bibel!

* Software voor Bijbelstudie

Read and Hear the Holy Bible in over 40 languages:


De Statenvertaling is opgenomen in de canon van de Nederlandse geschiedenis. Het boek der boeken Een stempel gedrukt op de Nederlandse cultuur:


  Webmaster    Assistente

Successfull checked XHTML 1.0 !

Successfull checked CSS version 3!

Waard om te weten :

Een hartelijk welkom op de site
Deze pagina printen
Sitemap
Wie zoekt zal vinden


Vragen naar de weg
Leerzame antwoorden op levens- en geloofsvragen

Hebreeën 4:12 zegt: "Want levend en krachtig is het woord van God, en scherper dan een tweesnijdend zwaard: het dringt diep door tot waar ziel en geest, been en merg elkaar raken, en het is in staat de opvattingen en gedachten van het hart te ontleden"Lees eens: Het zwijgen van God

God heeft zoveel liefde voor de wereld, dat Hij Zijn enige Zoon heeft gegeven; zodat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat maar eeuwig leven heeft. Lees eens:  God's Liefde

Meer weten over de Psalmen, gezangen, liturgieën, belijdenisgeschriften: Catechismus, Dordtse Leerregels en veel andere informatie? . Kijk opOnline-bijbel.nl

Bible-people - stories of famous men and women in the Bible
Bible-archaeology - archaeological evidence and the Bible
Bible-art - paintings and artworks of Bible events
Bible-top ten - ways to hell, films, heroes, villains, murders....
Bible-architecture - houses, palaces, fortresses
Women in the Bible -
 great women of the Bible
The Life of Jesus Christ - story, paintings, maps


Read more for Study - (Apocrypha, Historic Works, Pseudepigrapha, Old Testament Apocrypha, New Testament Apocrypha, New Testament Discoveries, Commentary, New Testament Pseudepigrapha, Egyptian, Babylonian, Ugaritic, Dead Sea Scrolls (NL-uitleg over de rollen)

Bijbel voor Slechtzienden Online       en ook:  Begrippenlijst   -1-   -2-



Spirit24 omdat er meer is