Jezus:
Zijn opstanding
STUDIE-INDEX
DE
HEILIGE SCHRIFT
CHRISTELIJKE
SYMBOLEN
De Bijbel is niet een
boek
wat je zomaar even van kaft tot kaft leest. Het kan lastig zijn om je
weg door de Bijbel te vinden, als je niet weet wat zich wanneer heeft
afgespeeld. Deze site kan je helpen om de Bijbel beter te leren kennen.
Ontdek de bron van vrede, het Woord van God:
Bijbelstudie
212 - Jezus: Zijn opstanding
Voor iedereen die in Hem gelooft :
Hij is waarlijk opgestaan
Je leeft maar
ééns . Na je dood is het afgelopen. De doden
komen niet terug, zeggen mensen. En ze vechten voor hun leven.
Wie God niet kent, en alles moet hebben van de ervaringen van dit
leven, kan moeilijk iets anders zeggen dan de weinig uitzicht biedende
kreten hierboven. Maar het is niet afgelopen als je dood bent. Want
Jezus is opgestaan uit de dood. Hij heeft de dood overwonnen. Voor
zichzelf . Voor iedereen die in Hem gelooft.
Als Jezus Christus niet werkelijk levend is geworden na Zijn dood dan
is het Christelijk geloof waardeloos. In het jaar 56 schreef de apostel
Paulus dat meer dan 500 mensen Christus gezien hebben nadat Hij
gestorven was. De meeste van deze getuigen waren op dat moment zelf nog
in leven. In die tijd had Paulus veel tegenstanders, als hij iets zou
beweren dat niet waar was, dan zou men daar zeker gebruik van hebben
gemaakt om Paulus het zwijgen op te leggen. De apostel Paulus was de
belangrijkste verkondiger van het Evangelie. Het Christendom zou nooit
de enorme groei hebben kunnen meemaken die het destijds gekend heeft,
als men Paulus het zwijgen had kunnen opleggen.
Van de apostel Petrus is bekend dat hij, evenals zijn Meester, is
gekruisigd, omdat ook hij de boodschap verkondigde dat Jezus was
opgestaan uit de dood. Hij had zijn leven kunnen redden door deze
beweringen te ontkennen. Waarom zou hij zijn leven opgeofferd hebben
omwille van een leugen? Hij was een van degenen die Jezus na Zijn dood
in levende lijve gezien had. Als hij sindsdien leugens verkondigd had,
dan had hij in ieder geval zelf geweten dat het een leugen was. Dat
lijkt meer als voldoende reden om die beweringen in te trekken en zo
zijn eigen leven te redden. Het feit dat Petrus dat niet gedaan heeft
bewijst dat hij er tenvolle van overtuigd was dat Jezus levend was
geworden
Het
Loon op Zijn werk
Jezus is door Zijn goddelijke kracht uit het graf opgestaan. Het bewijs
dat Hij de Zoon van God is. Hij heeft Zichzelf vrijwillig
overgegeven aan de dood; Hij is ook uit eigen (Joh. 10 : 18)
kracht weer uit de dood herrezen: dat noemt de Bijbel de opstanding van
Christus.
In de Bijbel staat meer dan eens iets wat hiermee in tegenspraak lijkt:
'Gód heeft Jezus onze (Rom. 4: 24) Heer opgewekt' .Toch is
dat niet tegenstrijdig. Want er is altijd een samengaan van het werk
van de Vader (Joh. 10:37,38) en van de Zoon. Als er in de Bijbel staat,
dat God Jezus heeft opgewekt uit de dood, wijst dat op de aanvaarding
door God van het offer van Jezus. God geeft door de opwekking van Zijn
Zoon te kennen, dat de schuld betaald is.
De schuld, waarop de doodstraf stond, is geheel vereffend. Voldaan! De
dood heeft geen recht meer. Dat is de betekenis van de opwekking van
Jezus door God. Jezus kreeg het loon op Zijn werk. De mens Jezus heeft
het leven, het eeuwige leven, verdiend. Voor Zichzelf, maar ook voor al
die mensen voor wie Hij de doodstraf heeft ondergaan.
Het is niet afgelopen na de dood. Niet voor gelovigen, ook niet voor
wie niet gelooft. Alle doden, alle doden, zullen worden opgewekt. Ze
zullen allemaal vóór Jezus worden gesteld.
Iedereen zal moeten horen naar Zijn stem. Of ze willen of niet. En wie
geweigerd heeft tijdens zijn leven naar de stem van Jezus te luisteren,
kan er dan niet meer onderuit. Jezus is opgewekt door Zijn Vader, Die
Hem de macht gegeven (Joh.5 : 24-29) heeft om rechter te zijn.
Als Rechter zal Hij dan het eeuwige leven geven aan de Zijnen; en de
anderen geeft Hij de straf van de (Matth. 25:31,41) eeuwige dood.
De opstanding van Jezus is niet een tijdelijke ontsnapping aan de dood,
(1 Kon. 17:17) zoals de verrijzenis van de zoon van de weduwe van
Sarfath of van Lazarus.
Jezus is niet aan de dood ontsnapt, Hij heeft de dood
overwónnen. Jezus is nu onsterfelijk. Niet de dood heeft Hem
in zijn (Openb. l : 18) macht, maar Hij de dood!
De
opgestane Christus zet Zijn werk voort
Christus heeft de schuld van de mens betaald. Hij heeft de vrijspraak
verworven voor de mensen die bij Hem horen. De verschrikkelijke
doodstraf van Genesis 2 : 17, is voor Zijn volgelingen nu van
de baan. Maar die vrijspraak moet hun ook worden meegedeeld. Met het
recht op leven, léven dode mensen nog niet. Ze moeten eerst
de stem van de Zoon (Joh. 5 : 25) van God horen om tot leven te komen.
Mensen, die dood zijn door (Ef .2 : 1) hun overtredingen en zonden,
worden levend als zij horen spreken over de vrijspraak van de straf .
Christus laat die vrijspraak mee de- len over de hele wereld. Ook
van-daag nog zorgt Hij ervoor, dat het evangelie van zijn lijden, dood
en opstanding verkondigd wordt. Wat hij verdiende, deelt Hij uit. Zodat
allen die Zijn evangelie geloven, vrijspraak van hun schuld en vrede
met God ontvangen.
Christus roept overal ter wereld, (Luc. 24;7) door de monden van mensen
op te ontvangen de kwijtschelding en vrijspraak en de gunst
van God. Wie die boodschap van vrijspraak horen mag en gelovig
aanneemt, wordt daardoor een ander mens. Een ander mens met een ander
leven. Dat is geen prestatie van die mens zelf. Het is een gave van
God. Een gave, die op één lijn staat met de
vrijspraak. Gelukkig is het niet zo, dat je eerst een ander mens moet
worden om pas daarna vrijspraak te kunnen krijgen. Dat beweren sommige
mensen wel, ook christenen. Maar gelukkig is dat niet waar. Het 'een
ander mens worden' (de heiliging), is evenals de (I Cor. 1:30, 31)
verlossing van de zonde een gave van God.
Maar met de vrijspraak en de heiliging zijn de gaven van God nog niet
uitgeput. Ook de heerlijkheid, die (I Tim. 3 : 16) Jezus nu al heeft,
staat wie in Hem (Col. 3: 4) gelooft nog te wachten. Iedereen, die bij
Hem hoort, komt in die heerlijkheid. Wie deelt in de rechtvaardiging,
de vrijspraak, zal ook delen in (Rom. 8:29, 30) de heerlijkheid.
Na Zijn opstanding zet Jezus Zijn werk zonder ophouden voort. Hij
blijft Zijn gaven uitdelen. Hij gaat daarmee door tot Hij iedereen die
in Hem gelooft in de heerlijkheid van het eeuwige leven gebracht heeft.
(Joh. 6:37, 39). Dat zijn de mensen die Zijn Vader Hem gegeven heeft.
Hij zelf bezit die heerlijkheid nu. En dat is de garantie dat ook zij
die bij Hem horen die heerlijkheid eens zullen verkrijgen.
Hij
is waarlijk opgestaan
In de Bijbel staat, dat Jezus is opgestaan. De Bijbel, het Woord van
God, is volkomen betrouwbaar. Er staat niet, dat iemand het feit van de
opstanding heeft gezien. Geen mens was er bij toen dat gebeurde. Het
Woord van God zegt wel, dat veel betrouwbare getuigen Hem in de (Hand.
1: 3) veertig dagen na Zijn opstanding hebben gezien. De vier
evangeliën vermelden aan het slot verschillende verschijningen
van de opgestane Christus. In de brief aan de Corinthiërs
worden ook getuigen genoemd. Paulus noemt daar getuigen (1 cor. 15) van
de verschijningen van Jezus, die ze in Corinthe kennen en die nog
nagevraagd kunnen worden.
Stefanus (Hand. 7: 55) zag Jezus in de hemel. Kort daarna, op weg naar
Damascus, zag Paulus (Hand. 9 : 5-7) Hem. En Johannes op Patmos zag en
hoorde Hem vele malen.
Jezus is opgestaan uit de dood met hetzelfde lichaam dat gekruisigd
was. Als de opstanding van Christus niet waar zou zijn is het
christelijk geloof (1 Gor. 15:17) zonder zin en zonder inhoud.
Dat Jezus werkelijk uit de dood is opgestaan, is voor ons
niet te begrijpen. Want God zelf heeft dat gedaan. Wie kan Zijn almacht
peilen? Wie kan de macht van de Schepper begrijpen, de macht waardoor
Hij mensen het leven geeft? Wie kent Zijn herscheppingskracht, waarmee
Hij Jezus heeft opgewekt?
Hij, die dat alles in Zijn macht heeft, zal ook allen die Christus
toebehoren, eens uit de dood opwekken in heerlijkheid.
Pasen
- Opstanding - In het licht van I Korinthen 15
Eerst iets over de gemeente van Korinthe. De apostel Paulus heeft 2
brieven aan de gemeente in Korinthe geschreven. In deze brieven richt
hij zich tot een gemeente van Christus in een van de belangrijkste
handelscentra van de antieke wereld. Door haar gunstige ligging was de
stad aangewezen als het centrum voor de handel tussen Oost en West.
Vooral in de Romeinse tijd is Korinthe tot grote bloei gekomen. Tijdens
de regering van keizer Augustus werd Korinthe de hoofdstad van de
provincie Achaje. Deze provincie viel ongeveer samen met het
huidige Griekenland. De inwoners van Korinthe bestonden uit Romeinen,
Grieken, Joden, Syriers en Egyptenaren. Eens in de twee jaar was
Korinthe het middelpunt van de nationale Griekse spelen. Men kwam van
heinde en ver om ter ere van de zeegod Poseidon te wedijveren in
atletiek, muziek en dichtkunst. Deze spelen waren bijna even belangrijk
als de Olympische Spelen.
Opgravingen hebben aangetoond dat Korinthe niet voor niets
“de ster van Griekenland ”genoemd
werd. Het aantal tempels was aanzienlijk en vele
beelden sierden de straten en pleinen. Het ligt voor de hand dat het
zedelijk leven in een dergelijke plaats aan grote gevaren blootgesteld
was. Het geld verdienen kon tot passie worden, de weelde tot
materialisme leiden, en het menselijk kennen en kunnen tot verafgoding.
Dat deze gevaren niet denkbeeldig waren, blijkt wel uit het feit dat
Korinthe in de oudheid spreekwoordelijk is geworden vanwege haar
bandeloosheid. “Op z’n Korintisch leven”
was een uitdrukking waarmee geen al te beste levensbeschouwing
omschreven werd.
Dat
kun je ook lezen in bijvoorbeeld :
1 Korinthe 6:10, waar staat: “ Dwaalt niet: noch hoereerders,
noch afgodendienaars, noch overspelers, noch ontuchtigen, noch die bij
mannen liggen, noch dieven, noch gierigaards, noch dronkaards, geen
rovers zullen het koninkrijk Gods beërven.”
Prostitutie tierde welig en afgoderij en overdaad waren aan
de orde van de dag.
Maar ook in Korinthe is het Evangelie van Jezus Christus gekomen. Op
zijn tweede zendingsreis heeft Paulus na Athene ook Korinthe bezocht.
Hij vindt daar onderdak bij Aquila en Priscilla die ook tentenmaker van
beroep zijn. Op de sabbat predikt Paulus in de synagoge. Maar ook op
andere dagen evangeliseert hij. Dat roept weerstand op bij de Joden en
daarom gaat Paulus maar onder de heidenen prediken. De vruchten op zijn
prediking blijven niet uit: vele Korinthiers komen tot bekering. Toch
heeft Paulus het niet makkelijk, maar hij wordt door de Heere Zelf
bemoedigd. Anderhalf jaar lang kan Paulus ongestoord het Woord Gods
verkondigen.
Wat de aanleiding was
voor Paulus om deze brief te schrijven naar de gemeente van Korinthe,
wordt in de brief zelf eigenlijk duidelijk gemaakt. Er zijn drie
redenen:
1. In Korinthe heeft men al eerder een
brief van de apostel ontvangen, maar die is op een bepaald punt
misverstaan.
2. Paulus heeft ongunstige berichten
ontvangen over de Korinthiers van “die in het huis van Chloe
zijn. Waarschijnlijk heeft Paulus met betrekking tot andere misstanden
uit dezelfde bron inlichtingen gekregen.
3. De gemeente van Korinthe heeft Paulus
een brief geschreven, met daarin verschillende vragen aan de orde
gesteld die betrekking hebben op het huwelijk, het gebruik van vlees
dat eerst aan de afgoden geofferd is geweest, de werkingen van de Geest
in het midden van de gemeente en de collecte voor Jeruzalem.
In deze brief gaat Paulus in op de moeilijkheden die in Korinthe
gerezen zijn en op de vragen waarom men hem om raad verzocht heeft. Wie
de dankzegging leest zou niet zeggen dat er in de gemeente van Korinthe
zoveel verontrustende dingen gebeuren. De apostel zegt God te kunnen
danken vanwege de genade die haar in Christus geschonken is, omdat zij
in elk opzicht rijk is in Hem. Het getuigenis aangaande Christus is in
haar midden bevestigd. Zij ziet uit naar de wederkomst van de Heere
Jezus Christus.
Hierin staat de dankzegging niet alleen. Door de hele brief heen
spreekt Paulus zeer positief over de gemeente. Hij noemt de leden van
de gemeente niet minder dan 19 keer broeders, een woord waarmee de
verbondenheid met Christus, de eenheid des geloofs in de Heere zeer
sterk uitgesproken wordt. In 1 Korinthe 2 noemt hij haar de gemeente
Gods, in 1 Korinthe 3 Gods tempel waarin de Geest Gods woont. Haar
leden zijn gewassen, geheiligd en gerechtvaardigd in de naam van de
Heere Jezus Christus en door de Geest van God (1Korinthe 6:11)
Maar er is ook een andere zijde: de Korinthiers zijn toch nog
vleselijke mensen. Er is tussen hen twist en nijd, zij leven als
onveranderde mensen. Sommige zijn in hun geweten nog niet los van de
afgoden, men heeft er maar weinig besef zijn dat alle leden een lichaam
zijn.
Er zou nog meer te noemen zijn, maar uit het bovenstaande blijkt dat er
een zekere spanning is op te merken in deze brief. Aan de ene kant
erkent Paulus de Korinthiers als geroepen heiligen en blijft hij hen
zien als de gemeente van Christus. Aan de andere kant duidt hij precies
aan waar het in de gemeente aan schort en aarzelt hij niet haar
“vleselijk” te noemen. Ook in deze gemeente blijkt
duidelijk kaf onder het koren te zijn.
Paulus blijft ook
niet aan de oppervlakte. Om de gemeente van Korinthe de rechte weg te
wijzen, laat hij alle vragen terugvallen op de verhouding tot Christus.
De Korinthiers moeten leren vanuit Christus te leven en te wandelen in
deze wereld: in 1Korinthe 3:23 zegt hij: “Doch gij zijt van
Christus, en Christus is Gods.
Nu weet je een beetje waarom Paulus de brief aan de Korinthiers heeft
geschreven, en hoe het er in de gemeente van korinthe aan toeging. En
dan wilik nu in het kort 1 Korinthe 15 uitleggen. In dit hoofdstuk gaat
het namelijk over de opstanding van Christus en de betekenis daar van.
1 Korinthe 15 neemt dan ook een bijzondere plaats in, in het geheel van
de eerste brief aan de Korinthiers. Een nieuw onderwerp wordt
aangesneden. Tot nu toe heeft Paulus gesproken over de misstanden die
in de gemeente heersen en waarvoor de hele wereld verantwoordelijk
wordt gesteld; nu gaat het om de dwaling van enkelen. Tot nu toe heeft
Paulus allen gewezen op de afwijkingen die het Christelijke leven
betreffen, nu gaat het over de leer, de inhoud van de prediking van het
Evangelie.
Er zijn in Korinth e sommigen die beweren dat er geen opstanding der
doden is. Dat zijn eigenlijk het meest de Grieken die Christen geworden
zijn die dat zeggen. Ze staan nog onder de invloed van het Griekse
denken dat zij de verwachting van de opstanding der doden niet kunnen
aanvaarden.
(De Grieken stelden het lichaam voor als de kerker van de ziel. Het
lichaam was een lagere orde en kon dus niet opstaan. Het sterven van
het lichaam was de bevrijding van de ziel. Alleen de ziel leefde dan
ook verder na de dood.)
De dwaling van deze
mensen was dus niet dat zij een eeuwig leven na de dood ontkenden, maar
dat dit leven uitsluitend een voortbestaan van de ziel was. In de
lichamelijke opstanding geloofden ze niet. De opstanding van Christus
erkenden ze wel, maar ze beschouwden dit als een uitzonderingsgeval.
Tegen deze dwaling
verzet Paulus zich met alle kracht.
Ontkenning van de opstanding der doden ontneemt de grond aan elk geloof
en aan elke hoop!
Dit hoofdstuk kun je als
volgt indelen, en zo wil ik het nog even uitleggen
• Christus is
opgestaan. (vers 1-12)
• De betekenis van
Christus’ opstanding (vers 13-28)
• De zin van het leven
(vers 29-34)
• Hoe de opstanding
zal zijn (vers 35-49)
• Het einde (vers
50-58)
Christus
is opgestaan
Paulus begint zijn uiteenzetting met te herinneren aan het hart van de
boodschap die hij gebracht heeft en brengt: Christus die gestorven is
voor onze zonden en begraven is, is op de derde dag opgestaan. Het feit
van de opstanding van Christus wordt bevestigd door vele getuigen. Ook
Paulus is daarvan getuige geweest. Dit is de kern van het Evangelie:
Christus, Die gestorven is voor de zonde, is opgestaan. Ook zij die met
de betrekking tot de opstanding der doden dwalen, zijn het hiermee
eens. Op deze gemeenschappelijke basis kan Paulus zijn gesprek met hen
beginnen.
De
betekenis van Christus opstanding
Het eerste wat Paulus met nadruk zegt is dat de opstanding van Christus
en de verwachting van de opstanding der doden niet van elkaar zijn los
te maken. De opstanding van Christus wel belijden en de opstanding der
doden ontkennen is onmogelijk. Verwerping van deze verwachting houdt in
dat Christus niet is opgestaan. Dat is het gevolg. En dan heeft het
geloof geen inhoud meer, dan zijn de apostelen leugenaars geweest, dan
zijn zij die gestorven zijn, rustend op de belofte van de vergeving der
zonden en de wederopstanding des vleses, verloren. Het Evangelie wordt
zo beperkt tot het aardse leven.
Maar dan maakt
Paulus een eind aan de overdenkingen hoe het zou zijn als Christus niet
was opgestaan. Christus is opgestaan, en de Eersteling geworden
dergenen die ontslapen zijn en weer opstaan. Allen die van Christus
zijn zullen door de levendmakende Geest van Christus worden opgewekt.
De opstanding van Christus en de opstanding der doden behoren
beide tot dezelfde opstanding. Maar er is wel een rangorde in het
verlossingsplan van God: eerst Christus en daarna degenen die bij de
wederkomst van Christus Hem toebehoren.
De opstanding van
Christus is een volkomen overwinning. Toch zal de zegepraal van
Christus in het einde pas ten volle blijken. Dan is ook de laatste
vijand, de dood verslagen. Dan komt de Drie-enige God werkelijk aan
Zijn eer: God is dan alles in allen. Op dat ogenblik wacht de
opstanding der doden. Nu kan deze nog niet plaatsvinden, omdat nog niet
alle vijanden onder de voeten van Christus zijn gezet.
De
zin van het leven
Voordat Paulus ingaat op de vragen rondom de opstanding der doden, wil
hij door twee voorbeelden duidelijk maken dat alles zinloos wordt als
men deze ontkent. Als eerste voorbeeld noemt Paulus het “zich
laten dopen voor de doden”. Wat hier precies bedoeld wordt is
niet bekend maar het is in ieder geval een gebruik dat alleen zin heeft
al de doden worden opgewekt. Bij het tweede voorbeeld wijst Paulus op
zichzelf en de andere apostelen. Hun leven in dienst van de prediking
van het Evangelie is een weg van verdrukking, vervolging en
levensgevaar. Als er geen opstanding komt is al dat lijden zinloos. Dan
is het veel beter om zoveel mogelijk van het leven te genieten.
Hoe
de opstanding zal zijn
Een van de argumenten die men tegen de belijdenis van de
opstanding gebruikte was het feit dat het menselijk lichaam vergaat na
het sterven. Hoe is dan de opstanding mogelijk?
Paulus antwoordt op
deze vraag met een beroep op de almacht en wijsheid van de Schepper. In
de schepping toont god steeds opnieuw Zijn werkende kracht.Zoals een
dode tarwekorrel weer tot leven komt zal ook het dode lichaam weer tot
leven gebracht worden. In de schepping heeft God grote verscheidenheid
gemaakt. Zo zal God ook in staat zijn om van het tot stof vergane
lichaam een geestelijk lichaam te scheppen. In de opstanding komt het
geestelijke in plaats van het natuurlijke., het onvergankelijke in
plaats van het vergankelijke, kracht in plaats van zwakheid,
heerlijkheid in plaats van oneer. Zoals we nu het beeld dragen van de
vergankelijke mens, zo zullen we dan het beeld dragen van de opgestane
Christus. Tegelijk is het hetzelfde lichaam, in die zin dat de
persoonlijkheid zich handhaaft in de opstanding. Er is
continuïteit, zoals de aard van de gezaaide graankorrel
bepaalt hoe de halm zal zijn.
Het
einde
Paulus vat het voorgaande samen. Het sterven van het aardse lichaam is
noodzakelijk voor de opstanding: dit aardse lichaam onderworpen aan
zonde en vergankelijkheid, kan niet komen in het koninkrijk Gods.
Een vraag blijft er dan nog over:
hoe zal het gaan met hen die op het ogenblik van Christus wederkomst
nog in leven zijn?
De levenden zullen
op de jongste dag dan in een oogwenk veranderd worden en dezelfde
verheerlijkte lichamen ontvangen als degenen die op dat ogenblik uit de
doden zullen opstaan. Al het vergankelijke zal van hen weggedaan worden
en de onvergankelijkheid zal hen aangedaan worden. Dan zal er de
volkomen overwinning zijn op de dood.
Zo heeft Paulus zijn geloof beleden in de overwinning van christus. Het hoofdstuk eindigt in een loflied. Midden in de schijnbare macht van de dood is de gemeente verzekerd van de toekomst van Christus. De dood jaagt geen schrik meer aan. Daarom roept Paulus op om verder te gaan in de dienst des Heeren, standvastig en onwankelbaar, “als die weet dat uw arbeid niet ijdel is in de Heere”.



















