Bidden,
maar tot wie eigenlijk ?
STUDIE-INDEX
DE
HEILIGE SCHRIFT
CHRISTELIJKE
SYMBOLEN
De Bijbel is niet een
boek
wat je zomaar even van kaft tot kaft leest. Het kan lastig zijn om je
weg door de Bijbel te vinden, als je niet weet wat zich wanneer heeft
afgespeeld. Deze site kan je helpen om de Bijbel beter te leren kennen.
Ontdek de bron van vrede, het Woord van God:
Bijbelstudie
205 - Bidden, maar tot wie eigenlijk ?
Je kunt Hem ook niet zien
Tot wie moeten we bidden? Het
antwoord op die vraag ligt voor sommige mensen nogal voor de hand: tot
God natuurlijk. Maar voor veel andere mensen is dat antwoord niet zo
vanzelfsprekend.
Want wie is God? Je ziet Hem niet. Je kunt Hem ook niet zien.
Geloven, zonder te zien
(Ex.19) In het boek Exodus wordt verteld, hoe de Israëlieten na
het vertrek uit Egypte en na een lange tocht door de woestijn, bij de
berg Sinaï kwamen. (De Sinaï wordt ook wel Horeb (Ex.20)
genoemd.) Daar spreekt God zelf tot de Israëlieten. De hele berg
was toen in rook gehuld en in vuur. Het waszo erg, dat de
Israëlieten er bang van (Ex. 20: 18) werden en ver uit de buurt
bleven.
God maakte hen daar getuige van Zijn geweldige majesteit. Zijn
aanwezigheid maakte zich duidelijk voelbaar (Ex 32) Hij was er maar
toen Mozes lang wegbleef, werd het volk onzeker. Ondanks die tastbare
aanwezigheid van God, hadden ze geen houvast. Er werd toen een gouden
stierkalf gemaakt, zoals ze die in Egypte gezien hadden. En ze zeiden:
dit is uw God, Israël. Ze meenden iets van God te moeten zien om
werkelijk op Hem te kunnen vertrouwen.
Maar dat is niet de manier waarop God gediend wil worden. Dat blijkt
bijvoorbeeld uit Deuteronomium. Daar spreekt Mozes tot zijn volk, vlak
voordat hij zal gaan sterven. (Deut. 4:9-20) Hij herinnert hen aan het
moment toen ze bij de Sinaï stonden. Het volk heeft toen niets
gezien, geen gestalte, geen zichtbare afbeelding. Ze hebben toen alleen
maar een stem gehoord. Mozes waarschuwt zijn volk dan. De mensen moeten
niet proberen God zichtbaar te maken in de afbeelding van een of ander
schepsel. Pas daar terdege voor op, zegt Mozes, en bedenk dat jullie
God alleen maar gehóórd hebben.
Zo maakt God zich aan mensen be-kend. Alleen door Zijn spreken, door Zijn woorden. Op geen enkele andere manier .
Wie is God?
(Tim. 6:15,16) De Bijbel zegt: 'de Koning der Koningen en de Here der
Heren, die alleen onsterfelijkheid heeft en een ontoegankelijk licht
bewoont, die geen der mensen gezien heeft of zien kan.'
(Ex.33: 11) Zelfs Mozes, van wie de Bijbel zegt, dat God met hem sprak,
zoals iemand met een vriend spreekt, (Ex.33:18-23) mocht Hem niet zien.
(Ex. 34 : 5-9)God wil dat wij Hem op Zijn Woord vertrouwen. Jezus zegt
in het Nieuwe Testament tot Thomas: ' Zalig zij die (Joh.20: 29) niet
gezien hebben en toch geloven' .
Eerst luisteren, dan bidden
Geloven betekent: aanvaarden, zeker zijn van wat gezegd wordt. Daarom
moet je, als je werkelijk wilt bidden, eerst luisteren naar wat God ons
zegt. En dan ons spreken tot Hem laten aansluiten op wat we gehoord
hebben. Dan wordt bidden: antwoorden.
(Mat th, 6:9-15) Als we geloven wat in de Bijbel staat, dat God onze
Vader wil zijn en dat wij Zijn kinderen zijn, als we dat voor waar
willen aannemen, kunnen wij biddend daarop antwoorden: Onze Vader ..
Als God ons in Zijn Woord zegt dat Hij ons (Matth. 6:25-34) wil
verzorgen met alles wat voor ons leven nodig is, dan kan wie dat vast
gelooft, bidden in antwoord daarop: Geef ons heden ons dagelijks
(Matth. 1 : 21) brood. Als God zegt: Ik wil u, om (Luc. 1 : 77)
Christus wil, alle schuld vergeven, dan mogen wij bidden: Vergeef ons
onze schulden... Als God ons zegt wie Hij is, wat Hij doet en wat Hij
belooft, dan kunnen wij Hem daarin vertrouwen. Dan kunnen en mogen wij
Hem bidden.
Hem kennen door Zijn Woord
Wij kennen God, omdat Hij zich aan ons bekend gemaakt heeft. God ,
heeft zich in Zijn Woord, de Bijbel, aan ons voorgesteld. Wij weten uit
het Oude Testament dat er mensen zijn geweest tot wie God rechtstreeks
(Gen 12: 1-3) gesproken heeft. Zij moesten op die manier te weten komen
wie Hij is. God heeft rechtstreeks gesproken met bijvoorbeeld Abraham.
God maakt zich bekend als de Almachtige, toch wil Hij met de mens (Gen.
17: 11) Abraham een verbond sluiten. God (Gen. 26: 24) sprak ook met
Isaak de zoon van (Gen.28 : 13) Abraham en met zijn zoon.
Later spreekt God ook tot Mozes; Hij zegt Mozes hoe Hij wil zijn
aangesproken. Zijn naam is Jahwe; dat (Ex.3: 13,14) wordt in onze
vertaling weergegeven met HERE. Jahwe. Dat betekent: Ik ben die Ik ben.
Met andere woorden: Ik zal altijd dezelfde zijn, onveranderlijk en
trouw.
God maakt steeds duidelijker bekend wie Hij is. Zo zegt Hij van
Zichzelf in Exodus onder andere: 'Barmhartig (Ex. 34: 6, 7) is Hij, Hij
vergeeft de zonde, maar houdt niet onschuldig wie zich niet bekeert'.
Nog duidelijker spreekt Hij over Zichzelf door middel van de profeten.
God is de eeuwige Schepper (Jes. 45: 20-25). Behalve Hij is er geen
God.God zorgde, dat wij Hem nog beter kunnen leren kennen, toen Hij
Zijn Zoon in deze wereld zond: 'Niemand (Joh. 1: 18) heeft ooit God
gezien; de eniggeboren Zoon, die aan de boezem des Vaders is, die heeft
Hem doen kennen' .
Wij kennen God alleen doordat Hij over Zichzelf heeft gesproken in de
Bijbel. En daarin ook over Zich heeft laten spreken door profeten en
apostelen.
Beelden en denkbeelden
Altijd al hebben mensen geprobeerd meer zekerheid te krijgen over hun
bestaan en over de toekomst. En ook altijd heeft de mens getracht de
krachten waarvan hij zich afhankelijk voelde gunstig te stemmen. Om zo
invloed uit te oefenen op de welvaart en de toekomst. Hij maakte zich
een beeld van die krachten, zijn goden, omdat ze dan niet zo ver weg
leken en niet meer zo ontzagwekkend. De mens wil zekerheid, wil de
toekomst kunnen overzien. Die zekerheid moest komen uit het raadplegen
van allerlei waarzeggers of zelfs door het raadplegen van doden.
Ook het volk Israël heeft zich schuldig gemaakt aan
'afgodendienst'. Telkens weer lees je in de Bijbel hoezeer e profeten
daartegen hebben (1Kon. 18:20) gewaarschuwd.
Ook de Israëlieten raadpleegden (Jes. 8 : 19) soms doden en
waarzeggende geesten. Maar ook daartegen waarschuwden de profeten. Want
God (Deut.19:9-14) had ook dat uitdrukkelijk verboden.
God wil dat wij Hem alleen dienen. Hem alleen vertrouwen, Hem alleen (Jes.45: 20-25) bidden. Behalve Hij is er geen God.
Vandaag, in de twintigste eeuw, lijkt dat gevaar van het vereren van
afgoden niet meer zo groot. We voelen ons ver verheven boven de
primitieve afgodendienaars, waarover we in de geschiedenisboeken lezen
of waarover ons in de Bijbel verteld wordt. Maar toch. Ook vandaag, is
ondanks onze grote kennis, de toekomst en de welvaart nog steeds
onzeker en velen zoeken naar kennis over de toekomst door middel van
horoscopen of raadplegen overledenen (spiritisme).
De mens van vandaag zoekt ook wel' zijn heil bij de mystieke
godsdiensten van het Oosten. De westerse mens maakt nu geen beelden
meer van zijn god, van hout, steen of koper. Maar dat betekent nog
niet, dat hij niet aan beeldendienst doet.
Wie denkt, dat hij God kan kennen buiten Zijn Woord om, maakt zich een
denbeeld van God. Wie een denkbeeld van Hem maakt, maakt zich daarmee
schuldig aan afgoderij. Hij dient een andere God, dan God, die zich in
de Bijbel bekend heeft willen maken. Ook al denkt hij God, de Here, te
dienen.
Twee voorbeelden om duidelijk te maken hoe gemakkelijk zo'n denkbeeld kan ontstaan. Het denkbeeld: God is liefde.
Zeker, dat staat wel degelijk in de (1 Joh. 4; 16) Bijbel. Maar wie
daarmee bedoelt te zeggen, dat daarom alle mensen be- houden worden,
heeft zich een denkbeeld van God 'gemaakt. Want dat is niet God zoals
de Bijbel van Hem spreekt. Nee, God is liefde, maar ook streng en
rechtvaardig; God straft ook.
Een ander voorbeeld: het denkbeeld dat God Zich niet met deze wereld
bemoeit, dat het lijden in de wereld buiten Hem omgaat, en niet alles
wat een mens overkomt onder Zijn . bestuur staat. God zegt het anders
in Zijn Woord. God zorgt voor ons, zelfs de haren op ons hoofd heeft
(Matth. 10;28-31) Hij geteld.
Jezus' Naam
God is dichtbij als we bidden. Hij is niet zo ver weg, zo hoog, zo
verheven, dat we niet rechtstreeks tot Hem kunnen bidden. Er is geen
tussenkomst nodig, niet van heiligen noch van anderen 'mensen'. Er is
maar één tussenpersoon. De (1 Tim. 2: 5, 6) mens Jezus,
die tegelijk de Zoon van God is. God hoort alleen naar het bidden,
omdat Jezus Zijn leven gaf (Hebr. 7: 25) voor zondige mensen.
Als je dat gelooft, kun je in alle vrijheid (Hebr.10:19-23) je tot God
wenden. Waarom en waarmee dan ook. Daarom moeten (Joh. 14: 6) wij
bidden in de Naam van Jezus. " Mat th. 11:27- Dat staat heel duidelijk
op talloze (Joh.3:35) plaatsen in de Bijbel. Jezus Christus (Joh. 5
:20-23) is de enige Redder. Hij is de enige Middelaar tussen God en
mensen. (Matth. 1 : 21)
Wie bidt in Jezus' Naam wordt altijd (Joh. 16:23,24) verhoord.
Godsbeelden
Hieronder zeven verschillende omschrijvingen van voorstellingen van:
A. Een almachtige God die beloont en straft
Een almachtige God die alles weet, ziet en hoort; die de mensen
bestraft (nu of later) voor hun daden. Een God die heerst over mens en
wereld en het leven van hen ook nauwgezet volgt. Een God, die in kan
grijpen in de loop van de wereldgeschiedenis en in het lot van mensen.
Een vaderlijke God, die mensen liefheeft als ze het goede doen en
mensen straft als ze het verkeerde doen. Een God voor wie mensen ook
bang kunnen zijn.
B. Een bevrijdende God
Een God, die juist partij kiest voor de mensen, die arm zijn of onderdrukt worden. De
God, die ook het slavenvolk Israël bevrijdde uit Egypte en voor
mensen van nu een bron van hoop is. Eens zullen de onderdrukkers en
uitbuiters aan het kortste eind trekken. God staat aan de kant van de
machtelozen.
C. God als levensbron
Een God die aanwezig is in alles wat bestaat. Hij is de grond van ons
bestaan, de diepste wijsheid, de bron waaruit mensen kunnen putten. God
is zoweloneindig en groot als de goddelijke levensbron in ons zelf.
Eén worden met God is het diepste verlangen van de mens.
D. Een vrouwelijke, moederlijke God
Een God, die meer vrouwelijk trekken heeft dan mannelijke. Meer een
liefdevolle, creatieve en concrete God, dan een machtige, afstandelijke
en heersende God. Er zijn mensen die vinden dat er in de kerk
eeuwenlang veel te eenzijdig over God is gesproken. Ze willen nu de
andere, meer vrouwelijk kant van God benadrukken.
E. God als hogere macht
Een God, die door mensen als volgt wordt omschreven: "Ik geloof wel dat
er iets is" of "Er moet toch wel iets meer zijn tussen hemel en aarde",
etc. Achter de dingen en verschijnse- len en gebeurtenissen moet wel
IETS zijn. Niet zozeer een persoonlijke God, maar meer een kracht, een
oorzaak achter alles wat bestaat en gebeurt.
F. Een troostende, mede-lijdende God
Een God, tot wie je je wendt om hulp en steun. Een God, bij wie je terecht kunt als je in
de problemen zit. Een luisterende God, die wil dat mensen gelukkig
worden en die meelijdt met de mensen die pijn hebben. Een God die
plezier heeft als mensen gelukkig zijn en mee- huilt met de mensen die
verdriet hebben.
G. Jezus als beeld van God
Een God, die we kennen door het leven van Jezus van Nazareth. Hij werd
"Zoon van God" genoemd en heeft laten zien wie God is. Door hem na te
volgen en zijn woorden van naas- tenliefde in praktijk te brengen, zijn
we als mensen ook beeld van God.
Geef jezelf eens een opdracht
A. Kies twee Godsbeelden uit. Een die je het meeste aanspreekt en een
die je het minste aanspreekt. Schrijf ook kort op waarom je er zo over
denkt.
B. Omschrijf hier je eigen "beeld van God" voorzover je je niet kunt vinden in bovenstaan- de omschrijvingen.
C. Een uitdaging: deel jouw Godsbeeld met anderen door het te mailen
naar info@holyhome.nl. onder vermelding van ‘Godsbeeld” .
Als maker van deze site zal ik dat beeld dan toevoegen aan deze
pagina..Nu reeds bedankt voor de moeite
God, Zijn wezen
We laten eerst de Bijbel spreken. De volgende bijbelverzen onthullen slechts gedeeltelijk Wie God is.
Deut. 6:4: “Luister, Israël: de HEER, onze God, de HEER is de enige!”
Marcus 12:29: “Luister, Israël! De Heer, onze God, is de enige Heer;”
Jes. 42:8: “Ik ben de HEER, dat is mijn naam. Ik deel mijn
majesteit niet met een ander, noch de lof die mij toekomt met een
beeld”.
Gen. 17:1: “Toen Abram negenennegentig jaar was, verscheen de
HEER aan hem en zei: “Ik ben God, de Ontzagwekkende. Leef in
verbondenheid met mij, leid een onberispelijk leven”.
Rom. 1:19: “Want wat een mens over God kan weten is hun bekend
omdat God het aan hen kenbaar heeft gemaakt. Zijn onzichtbare
eigenschappen zijn vanaf de schepping van de wereld zichtbaar in zijn
werken, zijn eeuwige kracht en goddelijkheid zijn voor het verstand
waarneembaar. Er is niets waardoor zij te verontschuldigen
zijn…”
Wie is God?
Toen Adam door God werd geschapen en hij het levenslicht zag, wist hij
nog niet wie God was. In Genesis lezen we dat God omging met de mens,
hij wandelde in de hof in de avondkoelte. Hij sprak persoonlijk met
Zijn mens, Adam. Een stukje verderop lezen we van Henoch: daar staat
dat hij wandelde met God.
Waar is die (persoonlijke) God gebleven?
Door de zondeval is de afstand tussen God en de mens steeds
groter geworden. Het volk Israël kreeg 40 jaar lang de gelegenheid
hem terug te vinden en Zijn getuigen te zijn naar de andere volkeren
toe. Helaas zijn zij onvoldoende getuigen gebleken. We kunnen onszelf
de vraag stellen: Zijn wij wel de getuigen die in woord en werk laten
zien wat het is om een beelddrager van God te zijn?
Zoeken naar God
We kunnen naar God zoeken in: het heelal, het microscopische, de natuur.
Maar de juiste en enige basis is: Gods eigen Woord, de Bijbel.
Daar spreekt God Zelf en verklaart Hij zelf Wie Hij is. Toch komt daar
een probleem om de hoek kijken: Onze menselijke onvolmaaktheid om
precies te kunnen bevatten Wie God eigenlijk is.
De God van de Bijbel
God is almachtig: “Ik weet dat Gij alles vermoogt”. Job 42:2
God is alwetend: “De volmaakte in kennis”. Job 37:16
God is alomtegenwoordig: “Waarheen zou ik gaan voor uw Geest... Psalm 139
Het wezen van God
De Drie-enige God. God wordt in de Bijbel Vader genoemd (Rom. 1:7). God
wordt Zoon genoemd, (Hebr. 1:8) en de Heilige Geest wordt God genoemd
(Hand. 5:3 en 4). Moeilijk te begrijpen, maar wij mensen zijn ook een
samengestelde eenheid; wij bestaan uit geest, ziel en lichaam. De namen
van God De verschillende namen van God die in de Bijbel genoemd worden
duiden op de verschillende manieren waarop God zich aan de mens
openbaart – naar de omstandigheden waarin de mens zo’n
openbaring nodig heeft. Het zijn er te veel om ze allemaal te
vermelden...
JHWH Jireh – de Heer zal voorzien
HWH Shalom – de Heer is vrede
JHWH Tsidkenoe – de Heer is onze gerechtigheid
JHWH Shamma – de Heer is aanwezig
JHWH Rohi – De Heer is mijn Herder
JHWH Elohim – De Here God
Als we bedenken dat God er is in alle omstandigheden, mogen we Hem prijzen in aanbidding.
Bidden tot God niet gemakkelijk
“Wij weten niet wat wij bidden zullen, gelijk het behoort”
(Rom. 8:26). Van nature zijn wij mensen zonder gebed, maar ook als we
de Heere hebben leren kennen en enigermate hebben leren bidden, kunnen
we Guido Gezelle wel nazeggen: “O leert mij, armen dwaas, hoe dat
ik bidden moet!” Het is erg als we zó onze onkunde ten
aanzien van het gebed moeten belijden, al is het nog erger als we er in
berusten kunnen dat we slordig bidden, ongelovig bidden of zelfs
helemaal niet bidden.
In vier afleveringen willen we lering proberen te trekken uit het
gebedsleven van de profeet Elia. Juist Elia wordt ons immers in het
Nieuwe Testament voorgehouden als een voorbeeld van een krachtig gebed
van de rechtvaardige, dat veel vermag (Jak. 5:16). Wij kijken wel tegen
hem op, maar toch was Elia “een mens van gelijke bewegingen als
wij” (Jak. 5:17).
Er doen zich noodsituatie voor
De zoon van de weduwe te Zarfath is gestorven (1 Kon. 17:17-24). Een
onbeschrijflijk verdriet voor deze moeder, die na haar man nu ook nog
haar kind verliest. Haar verdriet is niet te peilen, als ze daar met
haar pas gestorven kind op schoot zit. Eerder waren ze bereid geweest
om samen te sterven, toen zij voor de laatste keer naar buiten de stad
ging om wat hout te verzamelen. Maar het vuurtje van de hoop was weer
aangeblazen door de komst van Elia. Door een wonder bleek er olie in de
fles en meel in de kruik. Maar die herleefde hoop is ineens gedood met
het overlijden van haar zoon.
Ook voor Elia is de nood hoog, zij het op een andere manier. De weduwe
verwijt Elia dat hij bij haar is gekomen om haar “ongerechtigheid
in gedachtenis te brengen.” Ze trekt een conclusie die haar
heidense afkomst verraadt. Men dacht dat goden niet alles even scherp
zagen, maar dat ze in ieder geval goed keken naar profeten en hun
omgeving. Daarbij is die vrouw blijkbaar in ongunstige zin opgevallen;
daarom is haar zoon nu gestorven.
Voor Elia is dit een noodsituatie. De naam van God zal worden
gelasterd. “Kijk, dat komt er van als je een profeet van de HEERE
in je huis toelaat.” En hoe de mensen het dan ook uitleggen,
hetzij als een straf van Baäl, die tóch machtiger is dan de
HEERE, hetzij als een straf van de HEERE, die zo’n strenge God is
dat je voor Hem niet kunt bestaan – schadelijk is het.
Er kunnen noodsignalen zichtbaar zijn
Elia neemt de jongen mee naar boven, en hij bidt in deze grote nood. Maar hoe?
Elia stort allereerst zijn hart uit. Hij probeert niet eerst
alles keurig op een rij te krijgen. Heel het onontrafelde raadsel legt
hij voor de Heere neer. Heeft de Heere dan ook deze weduwe, waarbij hij
als gast verblijft, zo kwalijk gedaan, dat Hij haar zoon gedood heeft?
Wat een vraag. Elia kan toch zien dát het zo is? Ja, maar Elia
begrijpt het niet. Blijkbaar past dat bij een gebed in grote nood: dat
je er, ook als profeet, niets van begrijpt. We komen in de Bijbel geen
onaanraakbare geloofshelden tegen die Gods handelen altijd direct
begrijpen. Nee, het is onbegrijpelijk. Elia doet eigenlijk niet veel
meer dan een noodsignaal uitzenden naar de Heere, één
groot vraagteken.
En toch blijft het daar niet bij. Elia bidt ook dat de HEERE de
levensadem weer terug wil laten komen in dit kind. Dat is nogal een
gebed! Elia bidt zonder te rekenen met menselijke mogelijkheden. Hij
bidt immers om het onmogelijke. Tot op dit moment in de
heilsgeschiedenis zijn er nog geen doden opgewekt. Maar Elia rekent
niet met logica of met de geschiedenis, maar slechts met de levende God.
Wat wij hier van leren, is dat een gebed in nood vaak begint met
openheid. Je hele hart voor de Heere uitstorten. Eerbiedig, dat wel;
Elia roept de Heere eerbiedig aan. Maar toch: “stort voor Hem uit
uw ganse hart.” Met alle vragen, verwarring, pijn en nood. En dan
mogen we ook bidden om een uitweg uit de nood. Het belangrijkste is
waarschijnlijk wel, dat Elia, een mens van gelijke bewegingen als wij,
er van overtuigd was dat de Heere het gebed hoort. Zijn wij daar ook
van overtuigd? Zouden we niet tegelijkertijd eerbiediger, openhartiger
én verwachtingsvoller bidden als we er écht van overtuigd
waren dat de Heere het gebed hóórt?
Er kan noodhulp worden gegeven
Elia’s gebed wordt verhoord! De jongen ontvangt het leven terug
en zijn moeder ontvangt hem terug uit de dood. Voor de vreugde van die
moeder als ze haar zoon, die ze dood uit handen gaf, levend weer terug
ontvangt, zijn evenmin woorden als voor haar eerdere verdriet.
Maar ja, wat heeft dit ons te zeggen? Onze ervaring strijdt zo vaak met
die directe gebedsverhoring die we hier lezen. En toch: God blijkt die
God te zijn die de doden levend maakt. Een voorteken van Pasen. In de
opwekking van Jezus Christus uit de dood blijkt Gods macht en genade.
Is dat uiteindelijk niet dé gebedsverhoring bij uitstek? Terwijl
we nu misschien nog in diepe nood onze weg gaan, toch biddend
Christus’ komst verwachten, die alle dingen nieuw maakt, en die
de doden opwekt. De zoon van de weduwe te Zarfath is uiteindelijk weer
gestorven. Maar wie in Christus gelooft, zal leven al was hij ook
gestorven.
Het spreekt niet vanzelf dat we daar bij kunnen. Wie onder nood en zorg
gebukt gaat, voor wie elke dag een opgave is, is het niet gemakkelijk
om zich hiermee te vertroosten. Laten we dan toch uit het voorbeeld van
Elia de weg van het gebed zien. En biddend om Gods Geest, die weg ook
gaan.
Lering te trekken uit Elia’s gebed
Moderne media zouden de confrontatie op de Karmel misschien
Elia’s finest hour noemen. In een directe confrontatie met de
Baälpriesters bleek immers juist op Elia’s gebed antwoord te
komen door vuur uit de hemel. Toch voert op het cruciale moment, als
Elia bidt, niet zijn heldendom of iets dergelijks de boventoon.
Integendeel, we worden getroffen door Elia’s eenvoudige,
pleitende en afhankelijke gebed.
In dit tweede artikel van vier over het gebed willen we nogmaals
proberen onderwijs te ontvangen voor ons eigen gebedsleven; nu vanuit
Elia’s gebed om vuur.
Een eenvoudig gebed
Het eerste dat opvalt aan Elia’s gebed is de eenvoud ervan. Wat
een verschil met de Baälspriesters. Die zoeken het in de macht van
het getal, zijn met 450. Elia is alleen. De Baälspriesters
schreeuwen samen uit alle macht, Elia daarentegen doet een eenvoudig
gebed. Aan de ene kant zie je de Baälspriesters een soort
aanbiddingsdans doen om de aandacht van Baäl te trekken, maar bij
Elia zie je niets van dat alles. Hét grote verschil is dat de
Baälspriesters het zoeken in uiterlijk vertoon, in wat ze zelf
kunnen doen, terwijl Elia het zoekt bij de levende God, toe wie hij
zich richt.
Eigenlijk weten we wel, dat ons
gebed eenvoudig moet zijn. Maar wat kunnen we geneigd zijn om het toch
in het bijzondere te zoeken; misschien wel juist als het om een
openbaar gebed gaat, als bij Elia. Eenvoudig bidden is altijd moeilijk,
maar eenvoudig bidden in het openbaar is buitengewoon moeilijk, omdat
we ons zo bewust kunnen zijn van de mensen die meeluisteren en hopelijk
meebidden.
We kunnen denken aan de woorden
van de Heere Jezus: “Als gij bidt, zo gebruikt geen ijdel verhaal
van woorden, gelijk de heidenen; want zij menen dat zij door hun
veelheid van woorden zullen verhoord worden.” (Matth. 6:7). Laten
onze gebeden eenvoudig zijn!
Een pleitend gebed
Een tweede bijzonderheid aan Elia’s gebed is het pleitend
karakter ervan. Elia pleit op het verbond dat de Heere met Israël
gemaakt heeft. Opvallend genoeg spreekt Elia de Heere aan als de God
van Abraham, Izak en Israël. Die aanspraak is vrij zeldzaam;
meestal wordt de Heere de God van Abraham, Izak en Jakob genoemd. Dat
Elia de Heere zó aanroept, heeft er waarschijnlijk mee te maken
dat Elia het altaar op de Karmel had gemaakt van twaalf stenen, die
verwezen naar de twaalf kinderen van Jakob, tot wie het woord van de
Heere kwam dat zijn naam Israël zou zijn (vs. 31). Dat herinnert
ons aan Pniël, waar Jakob worstelde met God en een nieuwe naam
kreeg. Van Jakob, dat is ‘bedrieger’, werd hij Israël,
‘strijder Gods.’ Inmiddels heeft de geschiedenis zich
ontvouwd als een geschiedenis van Israëls ontrouw, waarom het rijk
verbroken ligt in een tien- en een tweestammenrijk. Eigenlijk heeft het
volk zich de naam ‘Jakob’ weer waard gemaakt. Maar Elia
doet een krachtig appèl op Gods verbondstrouw.
Waar Elia pleitend om bidt is dat het volk zal erkennen dat de
HEERE God in Israël is (vs. 37). Het gaat dus om Gods Naam en Gods
eer. Daarop stelt Elia zijn hoop, dat de Heere redenen neemt uit
Zichzelf, dat Hij ter wille van Zijn heilige Naam aan Israël Zijn
macht openbaren zal.
Ook in onze tijd geldt het dat
veel kinderen van het verbond ongehoorzaam zijn aan de Heere. Als de
Heere redenen zou moeten vinden in ons om onze gebeden te verhoren,
welke reden zou Hij dan vinden? Laten we leren om de pleitgrond van ons
gebed niet te zoeken in onszelf, maar in de genadige trouw van de
Heere. Dat betekent wel dat we dan ook zullen bidden om wat past bij de
eer van Zijn Naam.
Een afhankelijk gebed
Een derde kenmerk van Elia’s gebied is de afhankelijkheid die er
in doorklinkt. Elia bidt wel haast woordelijk hetzelfde als de
priesters van Baäl, namelijk ‘antwoord mij’, maar toch
bidt hij het anders. Bij de Baälspriesters heeft dat een dwingende
klank, bij Elia niet. Elia verklaart zich afhankelijk van de Heere.
Eigenlijk zegt hij niet veel meer dan dat hij gedaan heeft wat de Heere
door Zijn Woord van hem vroeg, en dat hij nu wacht op Gods genade.
Misschien is dat nog wel het
moeilijkste in het gebed. Ook in onze tijd zijn er mensen die proberen
de Heere te ‘dwingen’ door middel van een bepaald gebed,
door een bepaalde bijzondere persoon uitgesproken, soms met een
voortdurende herhaling van wat er gevraagd wordt. Wij kunnen en mogen
de Heere nooit dwingen. Aanhoudend bidden is wat anders. Dat krijgt
geen dwingend karakter, maar wordt – als het goed is –
voortdurend afhankelijker en ootmoediger.
Zelfs de Heere Jezus Christus
toonde zich in Zijn gebed afhankelijk, in die nacht van
Gethsémané, waarin Hij zo opzag tegen wat komen zou. Hij
bad: “Niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt.” (Matth.
26:39). Hij die de Koning Zelf was. Zouden wij ons dan niet afhankelijk
verklaren van de Heere?
Als we zo naar Elia kijken, komt
de vraag op ons af of onze gebeden wel écht
‘afhankelijkheidsverklaringen’ zijn. Of we inderdaad het
verwachten van de Heere, en wachten op Zijn heil. Wij zijn vaak zo
ongeduldig, en zo weinig afhankelijk. Sterker nog, van nature willen we
enkel maar onafhankelijk zijn: “Laat ons hun banden breken”
(Ps. 2). Maar wat ben je gezegend als je bidden leert, en steeds
opnieuw leert. Eenvoudig, pleitend en afhankelijk.
Gebed om regen (1 Kon. 18:42)
Op de Karmel bad Elia twee keer. De eerste keer bad hij om vuur, de
tweede keer om regen; de eerste keer in het openbaar, de tweede keer
alleen.
De manier waarop Elia bidt als
hij met zijn knecht alleen is achtergebleven, dient als een voorbeeld
voor ons bidden. De apostel Jakobus haalt Elia aan als hét
voorbeeld dat een krachtig gebed van de rechtvaardige veel vermag.
Opvallend genoeg verwijst Jakobus dan niet naar Elia’s gebed om
vuur, maar naar zijn gebed om regen daarna. Juist dát is een
voorbeeld van een krachtig gebed. Waarom?
Over Elia's ebedshouding nagedacht
Let op Elia’s gebedshouding. We weten niet precies of Elia nu een
houding aannam ongeveer zoals moslims bidden, dus met de knieën op
de grond en dan vervolgens het hoofd ter aarde gebogen, of dat Elia
gehurkt ging zitten met zijn hoofd tussen de knieën. Hoe dan ook,
het is duidelijk dat Elia zich letterlijk zo klein mogelijk maakt in
het gebed tot God.
Elia was blijkbaar niet alleen
maar groot. Groot was hij, leek hij althans, tijdens de vorige episode
op de Karmel, toen hij in zijn eentje de 450 Baälspriesters
bespotte, en hun afgod er bij. Toen hij eenvoudig bad, en verhoord werd
door de Heere met vuur uit de hemel. Toen hij de executie beval van de
Baälspriesters. Wat lijkt Elia daar groot.
Toch is Elia tegenover de Heere
klein. Dat is hét geheim van het leven van het gebed. Om in het
leven van elke dag sterk te zijn in de Heere, is het nodig om eerst en
vooral klein te zijn in de binnenkamer. Daaraan herken je het werk van
de Heilige Geest, die me in ootmoed leert knielen voor de levende God.
Wat een contrast: Elia en Achab.
Elia heeft zich in Gods kracht groot getoond op de Karmel, maar
vernedert zich hier en maakt zich klein. Achab daarentegen is met zijn
getwijfel en zijn Baälsdienst vernederd op de Karmel, maar Achab
houdt zich groot. Hij knielt niet neer voor Israëls God, maar hij
gaat even een hapje eten en wat drinken, want het is toch een hele dag
geweest. Hij is immers de koning, en de koning moet zich groot houden.
Zo hard is een mens dus als Gods Geest niet in zijn hart werkt. Zelfs
het meest indrukwekkende kan hem niet vermurwen en bekeren.
Wat is het nodig dat wij allen
deze gebedshouding leren, dat de Heere me op de knieën brengt,
zodat ik me niet langer groot houd, maar mijn kleinheid besef. Helaas
is er ook namaak van ootmoed, en van alle vormen van namaak is deze
welhaast de ergste. Je ootmoediger voordoen dan je bent, zó dat
je het haast zelf nog zou geloven. Dat niet!
Over Gods belofte nagedacht
Wat opvalt aan Elia’s gebed, is dat hij bidt om wat God al
beloofd had. Immers, de reden waarom hij zijn toevluchtsoord Zarfath
moest verlaten om naar Achab te gaan, lag in Gods bevel, “want Ik
zal regen geven op de aardbodem.” (1 Kon. 18:1). En wat God
belooft, doet Hij ook. Daarvan was Elia overtuigd, want nog voordat er
een wolk te zien is, zegt hij al tegen Achab dat hij een geraas hoort
van een stortbui. Dat hoort hij met de oren van het geloof, met
natuurlijke oren is er nog niets te horen.
Maar als God het beloofd heeft,
hoef je er toch niet nog een keer om te bidden? Juist wel, zo blijkt.
Bidden is wachten op wat God beloofd heeft. Stil zijn en wachten op wat
Hij doet. Dat is wezenlijk voor het echte geloof: de Heere vertrouwen
op Zijn beloftewoord, en je daarom biddend, verwachtend vastklemmen aan
dat Woord. “Ik verwacht den HEERE; mijn ziel verwacht, en ik hoop
op Zijn Woord.” (Psalm 130:5). Gods belofte wil in geloof
ontvangen zijn. Gebed is de houding die daarbij past: stil wachten op
het heil des Heeren.
Gods belofte betekent dus niet
dat we achterover kunnen leunen: de Heere heeft het beloofd, dus het
komt goed, en daarom maar werkloos afwachten. Wie zo met Gods belofte
omgaat, miskent het karakter van die belofte. Hetzelfde geldt voor
degene die Gods belofte in het geheel niet vertrouwt en naar wat anders
zoekt dan het Woord van de Heere. Belofte en geloof, belofte en gebed
horen onlosmakelijk bij elkaar.
Laten we zó werkzaam zijn
met de belofte. Bijvoorbeeld die belofte die ons in de doop geschonken
is. Die betekent niet dat we maar stil kunnen rusten, omdat de belofte
ons geschonken is. Integendeel. Wie niet gelovig werkzaam wordt met de
belofte – tegen hem of haar zal de belofte eens getuigen. De
belofte wil het geloof wakker roepen, dat biddend wacht op wat God
doet.
Zie volharding niet over het hoofd
Dat vraagt ook volharding, zo blijkt. Maar liefst zeven keer moet Elia
zijn knecht sturen om te kijken of er al wat gebeurt. Hij moet wachten.
Waarom eigenlijk? Toen hij bad om vuur hoefde hij immers niet te
wachten. De reden is waarschijnlijk dat Israël, en Elia, moeten
zien dat het niet aan Elia ligt dat het gebed wordt verhoord, maar dat
God alleen de machtige is. En misschien ook om Elia nog weer
nederigheid te leren. Die leer je namelijk niet ineens, maar in een
levenslange oefening.
Uiteindelijk ziet Elia’s knecht het wolkje ter grootte van de hand van een man. Elia weet: dit is de hand van God. Dat is geloofstaal. Het was denkbaar geweest dat Elia gedacht had: “zo’n klein wolkje is nog geen stortregen, zoals beloofd is.” Maar hij merkt het op als de vervulling van zijn gebed. Misschien is de reden waarom wij zo weinig gebedsverhoring zien, wel dat we zo onnauwkeurig kijken. De Heere begint vaak klein. Maar het kleine heeft de belofte van de volheid in zich.



















