holyhome
bijbelstudie 122

Over Pinksteren gesproken
Jezus
is naar de hemel gegaan. En daar staan Zijn discipelen dan. Alleen.
Maar niet verlaten. Ze gaan van de Olijfberg terug naar Jeruzalem,
(Luc.24:52) 'met grote blijdschap'. Want ze geloven de belofte die
Jezus hen gedaan heeft vóór Zijn sterven. Jezus zou ze
niet alleen laten. Hij zal de (Joh 14: 18) Heilige Geest sturen. Die
belofte heeft Jezus vlak voor Zijn hemel.vaart nog eens herhaald: ze
zullen (Hand.1:4,5,8) gedoopt worden met de Heilige Geest. De Geest
(Matth. 3 : 11) zal hun de kracht geven en hen leiden bij het
volbrengen van hun moeilijke taak: getuigenis te geven van de blijde
boodschap dat Jezus redt van de zonde. Ze moeten wachten op de Heilige
Geest, voor ze de wereld ingaan met die boodschap. Want zonder de Geest
kunnen ze dat niet. Ondertussen bereiden ze zich voor op hun werk.
Ze laten zich daarbij leiden door wat in het Oude Testament van te
voren gezegd is. De opengeval- len plaats van Judas moet worden gevuld.
Straks, (Hand.1:15-26) als ze de wereld zullen intrekken, moeten ze
voltallig zijn. Onder de leiding van God kiezen ze een nieuwe twaalfde
apostel: Matthias. En ze wahten op wat hun beloofd is.
Komst van de Heilige Geest
Tien dagen na de hemelvaart van Christus begon de viering van het
Pinksterfeest. Dat was toen een Israëlitisch oogstfeest, dat zeven
weken na het Paasfeest gevierd werd. (Het woord Pinksteren is afgeleid
van een grieks woord dat 'vijftigste dag' betekent.) Op het
Israëlitische Pinksterfeest werden de eerste broden die gebakken
waren van het pas geoogste graan, aan God geofferd. Daarom werd het
feest ook wel 'het (Lev.23:15-17) feest van de eerstelingen' genoemd.
Deut.26:1-11 Op die feestelijke dag waren de discipelen en de overige
volgelingen van Jezus allemaal bij elkaar.
Er waren zo'n honderdtwintig mensen, mannen (Hand. 1:14,15) en vrouwen,
bijeen. En opeens (Hand. 2: 1) gebeurde er iets wonderlijks. Ze hoorden
iets dat leek op het geluid van een storm. En ze zagen tongen die op
vuur leken. Die vurige tongen gingen uit elkaar .
De Heilige Geest, die door mensen niet gezien of gehoord kan worden,
wordt nu hoorbaar en zichtbaar als (Matth. 3 : 16) iets dat lijkt op
wind en vuur. De tongen dalen neer op elk van de aanwezigen. Zonder
onderscheid worden zij allemaal met de Geest vervuld. De belofte van
Jezus wordt op de moment werkelijkheid.
Vol van de Heilige Geest
Ze kunnen zomaar spreken in allerlei talen die ze nooit geleerd hebben.
En Petrus kan ook zomaar een toespraak houden tot de verbaasde mensen
die te hoop gelopen zijn nadat het gebeurde. De eenvoudige visser maakt
de menigte duidelijk, dat wat er gebeurt, de vervulling is van de
belofte die God aan Abraham gegeven heeft: (Gen. 17: 7) 'Ik zal Mijn
verbond oprichten tus- sen Mij en u en uw nageslacht in hun geslachten,
tot een eeuwig verbond, om u en uw nageslacht tot een .God te zijn. '
Petrus zegt tegen hen: , deze belofte is voor u en voor uw kinderen;
deze belofte is voor ieder- een die zich bekeert en de doopt tot
(Hand.2 : 39) vergeving van de zonden ontvangt' . Mensen laat je dopen,
opdat jullie (Matth. 3) zonden vergeven worden. Wie zich (Joh. I: 33)
bekeert, wordt door Christus gedoopt met de Heilige Geest. De Heilige
Geest is een gave van God, die Hij geeft aan iedereen die Hij daar- toe
roepen zal. En de Geest is zelf God. Dit is de vervulling van de
belofte: 'Om u en uw nageslacht tot een God te zijn.
Voor iedere gelovige
De kleine gemeente van Jezus wordt (Hand. 1 : 8) nu Zijn getuige, zoals
Jezus dat van te voren gezegd had. Allen getuigen zij van het
evangelie, Toen, voor één keer, mochten zij dat doen op
een wonderlijke manier, in allerlei talen die ze niet kenden: 'zoals de
Geest (Hand. 2 : 4) het hun gaf uit te spreken' .Op de dag waarop de
Heilige Geest kwam hebben zich drieduizend mensen bij die kleine
gemeente gevoegd. Of beter: werden er drieduizend mensen (Hand.2 : 41)
bijgevoegd, Door de Geest die hun harten opende, Op het feest van de
eerstelingen, waren zij de eerstelingen van de kerk in het Nieuwe
Testament. Vanaf die dag wordt de kerk bijeengebracht uit al de volken
van de wereld. Door het Woord van Christus en door Zijn Geest. Vanaf
die dag 'woont' de Heilige Geest in de gemeente en in iedere gelovige.
(2 Cor. 6: 16) 'Wij toch zijn de tempel van de Levende God, gelijk God
gesproken heeft: ik zalonder hen wonen en wandelen, en Ik zal hun God
zijn en zij zullen mijn volk zijn' .De gemeente wordt na de Pinksterdag
de woonplaats, de tempel, van de Heilige Geest. Maar ook iedere
gelovige is daarvan een tempel. 'Weet gij niet, (1 Cor. 3 : 16) dat gij
Gods tempel zijt, en dat de (1 Cor. 6: 19) Geest Gods in u woont?
Iedere gelovige wordt als het ware 'als een levende steen' gebruikt
voor het gebouw dat de gemeente is, de (1 Petr. 2:4-10) tempel van de
Geest van God.
Koning, priester en profeet
In het Oude Testament werden mensen die een hoge functie kregen,
gezalfd, begoten met gewijde olie. Die zalving was een teken voor
priesters, (Ps. 133 : 2) profeten en koningen dat zij de Heilige (Ex.
30: 30) (Kon. 19 : 16) geest ontvmgen (Sam.16:12,13) om hen te helpen
bij het vervullen van hun taak. Na de Pinksterdag zijn het niet meer
enkelingen die de Heilige Geest ontvangen, maar dan worden velen
'gezalfd'.
Jezus zelf was zowel priester, profeet als koning. Als teken daarvan
was de Heilige Geest op Hem neergedaald. Na de Pinksterdag wordt elke
gelovige gezalfd met de Heilige Geest. Iedere gelovige moet nu profeet
én (Matth. 3 : 16) priester én koning zijn Profeet om
(Hand. 2:17, 18) tegenover andere mensen voor God uit te komen.
Priester, om krachten en gaven te offeren in dienst van God. Koning, om
te strijden tegen .de zonde en de duivel.
Geen enkele gelovige is daarvan uitgezonderd. Niemand mag en kan zich
een 'leek' noemen. 'Gij echter hebt de zalving van de Heilige' .'Gij (1
Joh. 2: 20) echter zijt een uitverkoren geslacht, (1 Petr. 2 : 9) een
koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk God tot eigendom,
om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duister- nis
geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht.
Laat u leiden
Niet ieder mens ontvangt de Heilige Geest. Toen de Heilige Geest
neerdaalde op de dag van de eerstelingen, is de Geest voorbijgegaan aan
de tempel van steen, de oud-testamentische woonplaats van God temidden
van Zijn volk. De Geest gaat ook voorbij aan de joodse kerkelijke
leiders. De tempel heeft zijn functie vervuld. Die zal verwoest (Matth.
24: 2) worden, zoals Jezus voorzegd heeft. De priesters en de
schriftgeleerden, de geestelijke leiders van Israël, zullen zich
moeten bekeren; ze zullen zich moeten voegen bij de christelijke
gemeente, de gééstelijke tempel van het nieuwe verbond.
Een 'talrijke (Hand. 6: 7) ke schare van de priesters' doet dat ook.
Als de Geest in iemand werkt, kan niemand dat tegenhouden.
De gemeente, die zich snel uitbreidt, is nu de plaats waar de Geest
woont en werkt. Nu is de Geest komen wonen in ieder die gelooft en in
de christelijke kerk. Nu moeten die gelovigen en de kerk zich ook door
die (Openb. 2: 7) Geest laten leiden. 'En wat u betreft, de zalving die
gij van Hem ontvan- (1 Joh. 2 : 27) gen hebt, blijft op u, en gij hebt
niet van node, dat iemand u leert; maar , gelijk Zijn zalving u leert
over alle dingen en waarachting is en geen leugen, blijft in Hem,
gelijk zij u geleerd heeft.
Blijf in Hem!
Met andere woorden: laat u leiden door de Geest; luister naar het Woord
van Christus. De Geest zal de (Joh. !6:!4) gemeente leiden in de
waarheid. Alleen door de waarheid, het Woord van Christus, komt de
Geest wonen in het hart van mensen. Dan zal de Heilige Geest er voor
zorgen dat u blijft vasthouden aan het geloof, blijft vasthouden aan
het Woord van Jezus. Het Woord dat uw redding inhoudt!
Over Pinksteren gesproken -
Jezus is naar de hemel gegaan. En daar staan Zijn discipelen dan.
Alleen. Maar niet verlaten. Ze gaan van de Olijfberg terug naar
Jeruzalem, (Luc.24:52) 'met grote blijdschap'. Want ze geloven de
belofte die Jezus hen gedaan heeft vóór Zijn sterven.
Jezus zou ze niet alleen laten. Hij zal de (Joh 14: 18) Heilige Geest
sturen. Die belofte heeft Jezus vlak voor Zijn hemel.vaart nog eens
herhaald: ze zullen (Hand.1:4,5,8) gedoopt worden met de Heilige Geest.
De Geest (Matth. 3 : 11) zal hun de kracht geven en hen leiden bij het
volbrengen van hun moeilijke taak: getuigenis te geven van de blijde
boodschap dat Jezus redt van de zonde. Ze moeten wachten op de Heilige
Geest, voor ze de wereld ingaan met die boodschap. Want zonder de Geest
kunnen ze dat niet. Ondertussen bereiden ze zich voor op hun werk.
Ze laten zich daarbij leiden door wat in het Oude Testament van te
voren gezegd is. De opengeval- len plaats van Judas moet worden gevuld.
Straks, (Hand.1:15-26) als ze de wereld zullen intrekken, moeten ze
voltallig zijn. Onder de leiding van God kiezen ze een nieuwe twaalfde
apostel: Matthias. En ze wahten op wat hun beloofd is.
Komst van de Heilige Geest
Tien dagen na de hemelvaart van Christus begon de viering van het
Pinksterfeest. Dat was toen een Israëlitisch oogstfeest, dat zeven
weken na het Paasfeest gevierd werd. (Het woord Pinksteren is afgeleid
van een grieks woord dat 'vijftigste dag' betekent.) Op het
Israëlitische Pinksterfeest werden de eerste broden die gebakken
waren van het pas geoogste graan, aan God geofferd. Daarom werd het
feest ook wel 'het (Lev.23:15-17) feest van de eerstelingen' genoemd.
Deut.26:1-11 Op die feestelijke dag waren de discipelen en de overige
volgelingen van Jezus allemaal bij elkaar.
Er waren zo'n honderdtwintig mensen, mannen (Hand. 1:14,15) en vrouwen,
bijeen. En opeens (Hand. 2: 1) gebeurde er iets wonderlijks. Ze hoorden
iets dat leek op het geluid van een storm. En ze zagen tongen die op
vuur leken. Die vurige tongen gingen uit elkaar .
De Heilige Geest, die door mensen niet gezien of gehoord kan worden,
wordt nu hoorbaar en zichtbaar als (Matth. 3 : 16) iets dat lijkt op
wind en vuur. De tongen dalen neer op elk van de aanwezigen. Zonder
onderscheid worden zij allemaal met de Geest vervuld. De belofte van
Jezus wordt op de moment werkelijkheid.
Vol van de Heilige Geest
Ze kunnen zomaar spreken in allerlei talen die ze nooit geleerd hebben.
En Petrus kan ook zomaar een toespraak houden tot de verbaasde mensen
die te hoop gelopen zijn nadat het gebeurde. De eenvoudige visser maakt
de menigte duidelijk, dat wat er gebeurt, de vervulling is van de
belofte die God aan Abraham gegeven heeft: (Gen. 17: 7) 'Ik zal Mijn
verbond oprichten tus- sen Mij en u en uw nageslacht in hun geslachten,
tot een eeuwig verbond, om u en uw nageslacht tot een .God te zijn. '
Petrus zegt tegen hen: , deze belofte is voor u en voor uw kinderen;
deze belofte is voor ieder- een die zich bekeert en de doopt tot
(Hand.2 : 39) vergeving van de zonden ontvangt' . Mensen laat je dopen,
opdat jullie (Matth. 3) zonden vergeven worden. Wie zich (Joh. I: 33)
bekeert, wordt door Christus gedoopt met de Heilige Geest. De Heilige
Geest is een gave van God, die Hij geeft aan iedereen die Hij daar- toe
roepen zal. En de Geest is zelf God. Dit is de vervulling van de
belofte: 'Om u en uw nageslacht tot een God te zijn.
Voor iedere gelovige
De kleine gemeente van Jezus wordt (Hand. 1 : 8) nu Zijn getuige, zoals
Jezus dat van te voren gezegd had. Allen getuigen zij van het
evangelie, Toen, voor één keer, mochten zij dat doen op
een wonderlijke manier, in allerlei talen die ze niet kenden: 'zoals de
Geest (Hand. 2 : 4) het hun gaf uit te spreken' .Op de dag waarop de
Heilige Geest kwam hebben zich drieduizend mensen bij die kleine
gemeente gevoegd. Of beter: werden er drieduizend mensen (Hand.2 : 41)
bijgevoegd, Door de Geest die hun harten opende, Op het feest van de
eerstelingen, waren zij de eerstelingen van de kerk in het Nieuwe
Testament. Vanaf die dag wordt de kerk bijeengebracht uit al de volken
van de wereld. Door het Woord van Christus en door Zijn Geest. Vanaf
die dag 'woont' de Heilige Geest in de gemeente en in iedere gelovige.
(2 Cor. 6: 16) 'Wij toch zijn de tempel van de Levende God, gelijk God
gesproken heeft: ik zalonder hen wonen en wandelen, en Ik zal hun God
zijn en zij zullen mijn volk zijn' .De gemeente wordt na de Pinksterdag
de woonplaats, de tempel, van de Heilige Geest. Maar ook iedere
gelovige is daarvan een tempel. 'Weet gij niet, (1 Cor. 3 : 16) dat gij
Gods tempel zijt, en dat de (1 Cor. 6: 19) Geest Gods in u woont?
Iedere gelovige wordt als het ware 'als een levende steen' gebruikt
voor het gebouw dat de gemeente is, de (1 Petr. 2:4-10) tempel van de
Geest van God.
Koning, priester en profeet
In het Oude Testament werden mensen die een hoge functie kregen,
gezalfd, begoten met gewijde olie. Die zalving was een teken voor
priesters, (Ps. 133 : 2) profeten en koningen dat zij de Heilige (Ex.
30: 30) (Kon. 19 : 16) geest ontvmgen (Sam.16:12,13) om hen te helpen
bij het vervullen van hun taak. Na de Pinksterdag zijn het niet meer
enkelingen die de Heilige Geest ontvangen, maar dan worden velen
'gezalfd'.
Jezus zelf was zowel priester, profeet als koning. Als teken daarvan
was de Heilige Geest op Hem neergedaald. Na de Pinksterdag wordt elke
gelovige gezalfd met de Heilige Geest. Iedere gelovige moet nu profeet
én (Matth. 3 : 16) priester én koning zijn Profeet om
(Hand. 2:17, 18) tegenover andere mensen voor God uit te komen.
Priester, om krachten en gaven te offeren in dienst van God. Koning, om
te strijden tegen .de zonde en de duivel.
Geen enkele gelovige is daarvan uitgezonderd. Niemand mag en kan zich
een 'leek' noemen. 'Gij echter hebt de zalving van de Heilige' .'Gij (1
Joh. 2: 20) echter zijt een uitverkoren geslacht, (1 Petr. 2 : 9) een
koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk God tot eigendom,
om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duister- nis
geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht.
Laat u leiden
Niet ieder mens ontvangt de Heilige Geest. Toen de Heilige Geest
neerdaalde op de dag van de eerstelingen, is de Geest voorbijgegaan aan
de tempel van steen, de oud-testamentische woonplaats van God temidden
van Zijn volk. De Geest gaat ook voorbij aan de joodse kerkelijke
leiders. De tempel heeft zijn functie vervuld. Die zal verwoest (Matth.
24: 2) worden, zoals Jezus voorzegd heeft. De priesters en de
schriftgeleerden, de geestelijke leiders van Israël, zullen zich
moeten bekeren; ze zullen zich moeten voegen bij de christelijke
gemeente, de gééstelijke tempel van het nieuwe verbond.
Een 'talrijke (Hand. 6: 7) ke schare van de priesters' doet dat ook.
Als de Geest in iemand werkt, kan niemand dat tegenhouden.
De gemeente, die zich snel uitbreidt, is nu de plaats waar de Geest
woont en werkt. Nu is de Geest komen wonen in ieder die gelooft en in
de christelijke kerk. Nu moeten die gelovigen en de kerk zich ook door
die (Openb. 2: 7) Geest laten leiden. 'En wat u betreft, de zalving die
gij van Hem ontvan- (1 Joh. 2 : 27) gen hebt, blijft op u, en gij hebt
niet van node, dat iemand u leert; maar , gelijk Zijn zalving u leert
over alle dingen en waarachting is en geen leugen, blijft in Hem,
gelijk zij u geleerd heeft.
Blijf in Hem!
Met andere woorden: laat u leiden door de Geest; luister naar het Woord
van Christus. De Geest zal de (Joh. !6:!4) gemeente leiden in de
waarheid. Alleen door de waarheid, het Woord van Christus, komt de
Geest wonen in het hart van mensen. Dan zal de Heilige Geest er voor
zorgen dat u blijft vasthouden aan het geloof, blijft vasthouden aan
het Woord van Jezus. Het Woord dat uw redding inhoudt!
Aanhangsel: Wekenfeest of Pinksteren
Gaven van God
Net als Pasen en het Loofhuttenfeest was ook het Wekenfeest
oorspronkelijk een oogstfeest. Dit feest werd zeven weken na Pasen
gevierd en heet daarom in de joodse traditie nog steeds 'sjawoeoth'
ofwel 'Wekenfeest'. In het Grieks kreeg dit feest de naam 'Pentekoste'
omdat het in feite dus op de vijftigste dag na Pasen viel. Ons huidige
woord Pinksteren is niets anders dan een verbastering van de
oorspronkelijk Griekse benaming.
Omdat men traditioneel de neiging heeft een feest dat met
één van de belangrijke seizoenswisselingen samenvalt te
verbinden met andersoortige ingrijpende gebeurtenissen die het
natuurlijke niveau overstijgen, werd ook het Wekenfeest een historisch
feest. Werd Pasen in verbinding gebracht met de uittocht uit Egypte, zo
ontwikkelde het Wekenfeest zich op den duur tot de viering van de gave
van de leefregels op de berg Sinai. In het Nieuwe Testament wordt
hieraan tenslotte nog een nieuwe dimensie toegevoegd: de herinnering
aan de gave van de Geest na Jezus' hemelvaart. Als men een lijn in deze
ontwikkeling wil ontdekken, kan men het beste over het feest van de
godsgaven spreken. Het gaat dan niet om gelegenheidscadeautjes, maar om
gaven die een nieuw begin mogelijk maken en waar men blijvend plezier
van kan hebben.
Oogsten in de woestijn
Aanvankelijk stond bij het Wekenfeest alles in het teken van de oogst
van de gerst in de zomer. Aangezien men de oogst als een geschenk van
God beschouwde, wilde men in de vorm van een offer ook graag iets
terugdoen. In de zeven weken voor dit feest, die de 'Omertijd' genoemd
werd, was het volgens Leviticus 23,15-17 de bedoeling dat er elke week
een korenschoof werd aangeboden, terwijl op het feest zelf het geschenk
dient te bestaan uit twee eerstelingsbroden uit het fijnste meel
bereid. Net als bij de twee andere oogstfeesten moest men zijn gaven
liefst persoonlijk presenteren in de tempel, waar uiteraard het boek
van de korenraapster Ruth op de feestrol stond. Kortom, het werd een
pelgrimsfeest en opnieuw was het dus druk in Jeruzalem. Langzamerhand
ging men daar naast de natuurlijke oogst ook de geestelijke oogst van
de Sinaï herdenken. De twee broden bleven, maar werden nu ook tot
symbolische compensatie voor de gave van de twee stenen tafelen met hun
tien verbondsregels. Ook chronologisch was het oorspronkelijke
oogstfeest aardig te combineren met de gebeurtenissen op de Sinaï.
Volgens Exodus 19,1 kwam men immers in de derde maand na de uittocht,
na Pasen dus, bij de Sinaï aan. De combinatie van beide aspecten
lijkt overigens pas relatief laat plaats gevonden te hebben. In de tijd
dat Lucas zijn pinksterverhaal in Handelingen 2 schreef was dit proces
toch wel zo'n beetje voltooid.
Op weg naar een nieuw verbond
Aanvankelijk werd in de vroeg-christelijke traditie waarschijnlijk nog
geen onderscheid gemaakt tussen Pasen, Hemelvaart en Pinksteren. Jezus'
verrijzenis, zijn vertrek naar z'n Vader en het schenken van zijn Geest
waren aspecten van één en dezelfde gebeurtenis. Volgens
Johannes 20,22 vielen Pasen en Pinksteren nog op één dag.
Pas in Handelingen 1-2 zien we dat de verschillende aspecten duidelijk
onderscheiden gaan worden, hoewel ook Lucas de samenhang niet uit het
oog verliest, zoals uit Handelingen 2,32 blijkt. Het feest van de gave
van de Geest gaat nu tijdens het Wekenfeest samenvallen met het verbond
op de Sinaï. Dit lag niet alleen chronologisch voor de hand. Ook
de combinatie Geest-verbond vormde een uitstekend aanknopingspunt. Iets
daarvan wordt al duidelijk bij Jesaja 59,21 en bijna zeker als men de
tekst van Ezechiël 36,26-27 in het perspectief van Pinksteren
leest. Als Israël zich niet meer aan de leefregels van het
Sinaïverbond wenst te houden, profeteert Ezechiël: 'Ik zal u
een nieuw hart geven en een nieuwe geest in u uitstorten; ik zal het
stenen hart uit uw lichaam verwijderen en u een hart van vlees geven.
Mijn geest zal ik in u uitstorten en ik zal ervoor zorgen dat ge mijn
wetten en voorschriften nauwkeurig onderhoudt'. In de
intertestamentaire literatuur zoals de pseudepigrafische 'Testamenten
van de twaalf Patriarchen' is men nog steeds op zoek naar die
messiaanse geest. Eindelijk werd met de komst van Jezus voor zijn
volgelingen die verwachte belofte toch werkelijkheid. Er was zowel
sprake van een nieuw verbond in de vorm van het Nieuwe Testament als
van een nieuwe geest die men bij het vertrek van Jezus erfde. Die
inspiratie van de nieuwe geest konden de leerlingen goed gebruiken. Ze
dienden niet alleen in de geest van het nieuwe verbond te handelen, ze
hadden ook nog eens de opdracht meegekregen dat verbond in Jezus' geest
uit te dragen en een nieuwe kerk op poten te zetten.
Het verschijnsel geest
De gave van de pinkstergeest lijkt te voldoen aan alle verwachtingen.
Lucas' beschrijving in Handelingen 2 sluit dan ook nauw aan bij beelden
en tradities die we uit het Oude Testament kennen. Niet alleen door de
combinatie met het Wekenfeest, maar ook door het feit dat meer dan 20%
van Handelingen 2 uit letterlijke citaten uit de profeet Joël en
de Psalmen bestaat, onderstreept Lucas dit element van continuiteit.
Ook bij de beschrijving van de verschijningsvorm van de Geest staat
Lucas met beide voeten in de traditie. Zo wordt er in Handelingen 2,2-3
gesproken over een gedruis als een geweldige wind en verscheen er iets
dat op vuur leek. Net als een aardbeving behoren deze verschijnselen
tot het klassieke motievencomplex van het genre 'theofanie', de
godsverschijning. Hoewel het soms subtieler kan, zoals in 1 Koningen
19,12 waar alleen van een zacht briesje sprake is, is dit de normale
manier waarop JHWH's aanwezigheid wordt aangeduid. JHWH zelf krijgt men
eigenlijk alleen in pre-historische tij den te zien. Later verliep de
communicatie via zijn vertegenwoordigers, engelen of profeten, hetgeen
werd uitgedrukt in termen als 'het woord van JHWH kwam tot...' of 'de
geest van JHWH kwam over...'. Deze geleidelijke abstractie leidt ertoe
dat JHWH steeds meer vergeestelijkt. Op den duur gaat de Geest zelfs
een soort eigen leven leiden. Het feit dat zijn naam met een
hoofdletter begint te verschijnen spreekt boekdelen.
Niettemin blijven in Handelingen 2 de traditionele motieven van de
theofanie opduiken, zodat men weet dat als de Geest verschijnt, het
uiteindelijk over God zelf gaat. Bij het noemen van de Geest heeft
uiteraard het theofanie-motief 'wind' de voorkeur. Ook Lucas wist dat
het Hebreeuwse 'roeach' zowel 'geest' als 'wind' betekent.
De geest als levensadem
Naast 'geest' en 'wind' heeft het Hebreeuwse woord 'roeach'
tegelijkertijd de betekenis 'adem' of 'levensadem'. Deze adem heeft een
onmiskenbaar vitaliserend effect. Zonder deze ingeblazen geest is
volgens Ezechiël 37 de mens weinig meer dan een zak botten. Deze
adem van God kan zowel in letterlijke - zoals in Genesis 2,7, waar
overigens een synoniem wordt gebruikt - als in figuurlijke zin als
levenscheppend verstaan worden. In het laatste geval is er van de
noodzaak van een nieuw élan sprake en van de inspiratie die men
nodig heeft voor een nieuwe levensfase. De uitgestorte levensgeest
markeert in principe een belangwekkende nieuwe beginsituatie. Zo'n
beginsituatie was bijvoorbeeld het opzetten van de jonge kerk in het
pinksterverhaal van Handelingen 2. Het is ook niet toevallig dat Lucas
aan het begin van zijn evangelie de Geest veelvuldig laat verschijnen.
Zo horen we in Lucas 1,35 bij de aankondiging van de geboorte van Jezus
dat de Geest Maria zal overschaduwen, terwijl Jezus zelf zijn openbaar
optreden niet behoorlijk kon beginnen zonder dat de Geest er uitvoerig
aan te pas komt. Bij de doop in de Jordaan laat Lucas in 3,22 de Geest
in de vorm van een duif op Jezus neerdalen, waarbij een stem uit de
hemel duidelijk maakt dat Jezus de Zoon van God en de langverwachte
messias is.
De geest van de profetie
Mensen die de vitaliserende kracht van de geest ontvangen krijgen over
het algemeen een profetische functie te vervullen. Met de komst van de
geest komt het woord van JHWH tot hen, en staan zij vervolgens voor de
taak dit woord te verkondigen en het eventueel met tekenen of wonderen
te onderstrepen. Inhoudelijk komt hun boodschap neer op een steeds
herhaalde herinnering aan de aan het verbond verbonden beloften en
regels. Men kan in het Oude Testament naar talloze teksten verwijzen,
maar één van de meest typische vertegenwoordigers van de
profeten blijft Elia, die zelfs door de geest plotseling verplaatst kon
worden (vergelijk 1 Kon.18,12 en 2 Kon.2,16). Bij zijn hemelvaart zien
we dat hij zijn geest kan laten erven door zijn opvolger Elisa, die in
zijn spoor verder gaat. De parallel met Mozes en vooral met Jezus is
opmerkelijk. Ook de laatste geeft zijn geest na zijn hemelvaart door
aan zijn leerlingen die vervolgens zijn werk voortzetten en de
boodschap van het Nieuwe Verbond met tekenen kracht bijzetten. Ze
opereren als plaatsvervangers.
In verband met het pinksterverhaal is niet oninteressant te zien dat de
gave van de geest vaak gepaard gaat met een zekere vorm van extatisme.
De dienaar van Elisa komt in 2 Koningen 9,11 als 'mejokke' over terwijl
Jesaja in 28,10-13 met zijn 'Saw lasaw, saw lasaw, kaw lakaw, kaw
lakaw' babybrabbeltaal lijkt uit te kramen. Echt ingewikkeld wordt het
als de profeten ook nog eens in groepen beginnen op te treden. Wanneer
in Numeri 11 een deel van de geest die op Mozes rustte, verdeeld wordt
over zeventig oudsten en er dan ook nog eens twee extra beginnen te
profeteren, rijzen er problemen. Toch zou Mozes echter, net als de in
Handelingen 2 geciteerde profeet Joël, graag willen dat het hele
volk profeteerde en JHWH zijn geest op allen legde. Paulus kreeg in
Korinte met de praktische problemen van dit ideaal te maken. Om de zaak
enigszins in de hand te kunnen houden stelt hij in 1 Korintiërs 14
dat er twee, hoogstens drie mensen tegelijk mogen spreken, waarbij
vrouwen liefst helemaal hun mond moeten houden. Het gevaar was immers
dat buitenstaanders zouden kunnen denken dat ze met een groepje
waanzinnigen te maken hadden. Dat dit gevaar niet geheel denkbeeldig
was, blijkt uit Lucas' verslag van de pinkstergebeurtenissen zelf. Daar
had een aantal toehoorders duidelijk het idee dat de sprekers dronken
waren. Petrus was nuchter genoeg te constateren dat de dag daarvoor nog
niet ver genoeg gevorderd was: het was immers vroeg in de morgen. Hoe
dan ook, de komst van de geest in Handelingen 2 had zeker geen
babylonische spraakverwarring tot gevolg. Integendeel, als men wil zou
men het pinksterverhaal zelfs als een soort tegenhanger van het verhaal
van de toren van Babel in Genesis 11 kunnen lezen.
De geest van de verkondiging
Aangezien de gave van de geest op de eerste plaats in het teken van de
verkondiging van het verbond staat, is het niet zo vreemd dat Lucas bij
zijn beschrijving van het pinkstergebeuren voor de vorm van een
talenwonder koos, en het liet samenvallen met het joodse Wekenfeest.
Het was een pelgrimsfeest en het was dus druk in Jeruzalem.
Vertegenwoordigers 'uit alle volkeren onder de hemel' waren present en
er was dus gehoor genoeg. Dit feest was ook een goede gelegenheid om
alle volgelingen van Jezus weer eens bijeen te brengen, ook degenen aan
wie Jezus buiten Jeruzalem en her en der in Galilea verschenen zou
zijn. Lucas schept weer eenheid van tijd en plaats. Vanuit Jeruzalem
zal het geloof zich langzaam maar zeker in steeds groter wordende
geografische cirkels verspreiden.
Het verschijnen van rond honderdtwintig vurige tongen met Pinksteren en
het spreken van evenveel daarmee corresponderende vreemde talen door de
aanwezige leerlingen leverde wel verbazing maar weinig problemen op.
Iedere vreemdeling in de stad voelde zich volgens Lucas aangesproken.
Op zich is het enorme aantal talen ietwat overdreven. In een stad als
Jeruzalem had men in die tijd waarschijnlijk genoeg aan Grieks of
Aramees en wist men ook wel dat 'taal' en 'tong' synoniem waren. De
vele talen moeten meer gezien worden als symbool voor de universele
aanspraken van de nieuwe boodschap. Dit universalisme komt ook al in
een oude joodse traditie rond de presentatie van de tien leefregels van
het Oude Verbond naar voren. Die traditie wil dat JHWH zijn Wet in niet
minder dan zeventig talen verkondigde - evenveel als het aantal
volkeren volgens Genesis 10 - zodat ook niet-joden geen argument in
handen hadden er geen kennis van genomen te kunnen hebben. Mogelijk
heeft Lucas bij zijn pinksterverhaal van deze traditie gebruik gemaakt,
maar dan niet zonder het aantal talen even te verdubbelen. Deze
traditie demonstreert opnieuw hoe logisch de combinatie van het
Wekenfeest met zijn herinnering aan het verbond op de Sinai en dat van
het Pinksterfeest met zijn gave van de geest was.
Doop in de geest
Bij zijn vertrek gaf Jezus zijn leerlingen niet alleen de opdracht tot
verkondiging: deze moest gepaard gaan met doop. Dit laatste is evenals
de verkondiging een essentieel onderdeel van het pinkstergebeuren. Door
het meer spectaculaire talenwonder is dit aspect echter vaak
ondergesneeuwd. Hoezeer doop en geest met elkaar verbonden zijn hebben
we al aangeduid bij de doop van Jezus in Lucas 3,22 aan het begin van
zijn openbaar leven. In vers 16 van hetzelfde hoofdstuk laat Lucas
Johannes de Doper al zeggen dat er na hem iemand zal komen die niet met
water, maar met 'de heilige Geest en met vuur zal dopen'. Deze belofte
wordt herhaald vlak voor de pinkstergebeurtenissen in Handelingen 1,5.
In feite is de komst van de geest met Pinksteren in Handelingen 2 dus
niets anders dan een massale geestelijke doopplechtigheid. Niet alleen
Jezus' leerlingen ontvangen deze geestelijke doop. In Handelingen 2,41
horen we dat niet minder dan drieduizend mensen op die dag voor de
boodschap van het Nieuwe Verbond kozen en zich lieten dopen.
Waarschijnlijk door handoplegging (zie Hand.8,14vv) ontvingen zij de
Geest aan het begin van een nieuwe christelijke levensfase.
Zoals Petrus, wiens naam in Handelingen bij alle doopplechtigheden
opduikt, in Handelingen 2,38 duidelijk aangeeft, markeert de doop en de
ontvangst van de geest niet alleen het begin van een nieuwe levensfase,
maar tegelijkertijd de afsluiting van een minder geslaagde. Het zich
bekeren gaat gepaard met vergeving van fouten uit het verleden. Net
zoals het water heeft ook het vuur van de geest niet alleen een
krachtgevende maar ook een zuiverende werking.
Doop en bevestiging
Met de pinkstergebeurtenissen was het niet afgelopen met de gave van de
geest en de daarbij behorende doop. Nu begint, met nog steeds Petrus in
de hoofdrol, de verkondiging van de boodschap van het Nieuwe Testament
pas goed. Na de Joden in Handelingen 2 komen in Handelingen 8 de
Samaritanen aan de beurt en in Handelingen 10- 11 ontvangen de heidenen
de geest en het doopsel. Ook nu nog raken mensen geïnspireerd door
de boodschap van het Nieuwe Verbond. Zij laten zich ook dopen. Meestal
wordt dit doopsel tegenwoordig al gegeven aan kinderen die niet of
nauwelijks in staat zijn teksten als die van Jesaja 28,10-13 te lezen.
Dit is niet onbegrijpelijk aangezien 'doop' en 'redding' traditioneel
nauw verbonden zijn. Beter te vroeg dan te laat is hier de stelregel.
Men is zich er echter tegelijkertijd van bewust dat de doop nauw zou
moeten samenhangen met het nodige persoonlijke engagement. Daarom heeft
men ook gedacht aan een latere bevestiging of confirmatie van wat de
doop zou moeten betekenen. Deze bevestiging, beter bekend onder de naam
'vormsel', is een bewust hernieuwde doop en daarmee een bewust
hernieuwde herinnering aan Pinksteren. Het is interessant te zien dat
in verschillende joodse kringen ook het gebruik van de 'confirmatio'
zijn intrede begint te doen en dat daarvoor uitgerekend het Wekenfeest
als datum wordt gekozen.
|