holyhome
bijbelstudie 118

Over Bethlehem gesproken
(verleden en heden me elkaar verbonden)
Bethlehem;
wie kent niet de naam van dat kleine stadje in Israël? Bethlehem,
een naam die je kent van de kerstliedjes en kerstvertellingen.
Bethlehem, de herders, de geboorte van Jezus. Kerstfeest, het feest van
de geboorte van Jezus. In veellanden wordt dat feest, elk jaar opnieuw,
door veel mensen gevierd. Maar wat betekent het?
Kerstfeest is Christusfeest
Voor veel mensen betekent het kerst- I , feest hetzelfde als het
Sinterklaasfeest. En zoals niemand na z'n jeugdjaren nog gelooft dat de
goed-heiligman werkelijk bestaat, zo zijn er ook veel mensen die niet
geloven, dat Jezus er nu werkelijk is. Sinterklaas zal ooit wel eens
bestaan hebben: wij geven elkaar op een gezellige avond geschenken.
Jezus zal ooit wel eens geboren zijn: wij scharen ons gezellig rond de
kerstboom en le- zen daarbij een sfeervol verhaal.
Nu bijna 2000 jaar geleden werd in een stal in Bethlehem Jezus geboren.
Die gebeurtenis te herdenken is méér dan een paar
gezellige avonden. Echt kerstfeest vieren betekent: geloven, omdat God
zelf het ons in de Bijbel vertelt dat Jezus op aarde geboren werd, door
God Zelf in onze wereld gezonden is. Om onze zonden weg te nemen. Om
voor ons het eeuwig leven te verdienen.
Een vreemd begin
Het Nieuwe Testament begint met te vertellen, hoe God redding gebracht
heeft voor de wereld door de geboorte van Jezus. Dat verhaal van de
geboorte van .Jezus begint voor je gevoel (Matth. 1) voel erg vreemd.
Want wie verwacht er nu een geslachtsregister ter inleiding op het
verslag van de gebeurtenissen rond de geboorte van Jezus. In de eerste
17 verzen van het boek Mattheus lezen we een hele reeks na- men.
Geordend in drie maal veertien geslachten: van Abraham tot David, van
David tot de Babylonische ballingschap en van daar tot Jezus.
De reeks namen die Mattheus neerschrijft in het begin van zijn
evangelie vormen het geslachtsregister van Jezus, de zoon van David, de
zoon van Abraham. De stamboom van Jezus Iaat met nadruk zien, dat Jezus
koning is. Door Jezus wordt het koningschap voor Israël hersteld.
De profetie van Amos gaat nu in vervulling: 'Te dien dage zal Ik de
Amos 9: 11 vervallen hut van David weder oprichten. En de engel
Gabriël zegt (Luc. 1 :32,33) tegen Maria: 'Deze zal groot zijn en
de Zoon des Allerhoogsten genoemd worden, en de Here God zal Hem de
troon van Zijn vader David geven, en Hij zal als koning over het huis
van Jacob heersen tot in eeuwigheid, en Zijn koningschap zal geen einde
nemen.'
Door het vreemde begin wordt de 'koninklijke linie' duidelijk die
uitloopt op de Koning, Die aan Zijn volk de geschenken geeft van
vergeving (Motth. 1 : 21) ving van de zonden en van eeuwig leven.
Er is nog iets anders, dat je kunt leren uit de opsomming van namen,
die je geneigd bent bij het lezen van de Bijbel maar over te slaan.
Meestal kwamen in de stambomen van het volk Israël geen namen van
vrouwen voor. Maar wel in deze stamboom. Mattheus vermeldt de namen van
vier vrouwen: Tamar en Rachab, twee Kanaanitische vrouwen: Ruth, een
Moabitische en Bathseba, de vrouw van Uria. Zulke namen in een stamboom
te hebben is, ook wat hun afkomst betreft, niet iets om trots op te
zijn.
(Gen.38) Tamar: de vrouw waarmee Juda, de zoon van Jacob, overspel bedreef;
(Joz.2) Rachab: de hoer die meer vertrouwen op God had dan het ongelovige volk Israël;
Ruth 1 Ruth: een vrouw uit een ander volk, die werd opgenomen in het verbond van God met Israël;
(2 Som. 11) Bathseba: de vrouw met wie David overspel pleegde, wat de tevoren beraamde dood van haar man tot ge- volg had.
Niet alleen de namen van deze vier vrouwen, maar ook alle andere namen
in de stamboom van Jezus laten zien, dat God zondige mensen gebruikt
voor Zijn doel. Dat God zondige mensen inschakelt, om Zijn Zoon geboren
te doen worden. Dat mensen wel kunnen zondigen, maar niet kunnen
verlossen. Het geslachtsregister dat Mattheüs aan het begin van
zijn evangelie vermeldt, bepaalt je erbij, dat God genadig is en
vergevend. MattheUs heeft bij het schrijven van zijn evangelie immers
het joodse volk voor ogen. In dat volk waren er velen die meenden dat
ze het binnengaan van het Koninkrijk zelf konden verdienen. Ze
vertrouwden op hun goede werken. Maar verdienste van de kant van mensen
door 'goede werken' is er niet bij. God is genadig voor mensen, die het
voor Hem verdorven hebben; God is vergevend voor mensen die schuldig
staan tegenover Hem. Mattheüs schrijft over Jezus, Die in de
wereld gekomen is om Zijn (Matth.1 : 21) volk te redden van hun zonden.
Hij kent die Jezus als degene die Psalm 130 in vervulling zal doen
gaan; Jezus zal Israël verlossen van al hun (PS: 130: 8)
ongerechtigheden.
Het wonder van Zijn geboorte
De zondige wereld, de zondige mensen, hebben de geboorte van de Redder
van de wereld (de Verlosser) niet kunnen verhinderen. God had een einde
kunnen maken aan het bestaan van het volk Israël. Meer dan eens
was daar ook alle aanleiding toe. En soms leek het erop, dat God dat
ook gedaan had: 'Zal de Here dan voor altijd verstoten en niet meer
goedgunstig zijn?' Ondanks de zonde (Ps. 77: 8) houdt God Zich aan Zijn
belofte. Zijn belofte aan Abraham en David. De beloofde Verlosser zendt
Hij in een zondige wereld. Zo groot is de trouw van God!
De vervulling van die belofte komt op een heel bijzondere manier. Het
kind dat Maria verwacht, is niet door Jozef, haar verloofde, verwekt.
En als hij daarom van plan is 'in stilte van haar te scheiden' wordt
hem in een droom door een engel van God uitgelegd: ' Jozef, zoon van
David, schroom niet Maria, uw Mat th. 1 : 20 vrouw, tot u te nemen,
want wat in haar verwekt is, is uit de Heilige Geest Als God Zijn
belofte vervult, komt Jozef er niet aan te pas. De engel Gabriël
zei tot Maria: De Heilige (Luc. 1: 35) Geest zalover u komen en de
kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen; daarom zalook het hei-
lige, dat verwekt wordt, Gods Zoon genoemd worden.
Als God voor een zondige en verloren wereld verlossing brengt, doet Hij
dat door een wonder. Door een wonder werd eenmaal Izak geboren; door
een wonder wordt ook de grote zoon van Abraham, Jezus geboren. Dit
laatste wonder gaat ver boven het eerste uit. Het begin en het einde
van de stamboom van Jezus is een wonder van God. De God die waarmaakt,
wat Hij belooft. Immanuël: God met ons. (Matth. 1 : 23) God heeft
Jezus op aarde gezonden om voor mensen verlossing te bren- gen. Eeuwige
verlossing.
Licht in het duister
Het wonder van de geboorte van Jezus, de Verlosser van de zonde en van
de gevolgen van de zonde, gebeurt in een duistere wereld. Als de
Heiland geboren wordt in Bethlehem regeert Herodes over Israël.
Hij is een Edomiet, een nakomeling van Esau, de tweelingbroer van
Jacob. Dat betekent een zwarte bladzijde in de geschiedenis van
Israël: God straft. Want het is nu niet' Jacob' (Gen. 27: 29) die
heerst over 'Esau' , zoals hun vader Isaak voorzegd had; maar nu zijn
de rollen omgedraaid.
Het volk van God wordt verdrukt door de man die in de geschiedenis
bekend staat als een moordenaar bij uitstek .Een man die er niet tegen
opzag, om al de jongetjes van Bethlehem van 2 jaar en jonger te laten
vermoorden in de verwachting dat daar dan ook wel de pasgeboren
(Matth.2:16-18) koning der Joden bij zou omkomen.
Het is een duistere wereld als Jezus geboren wordt. Maar door Zijn
geboorte straalt er vanaf dat moment een licht over die duistere
wereld. 'Het volk, dat in duisternis gezeten is, heeft een groot Licht
gezien, en voor hen, die gezeten zijn in het land en de schaduw des
doods, is een licht opgegaan. De Heiland is geboren. Hij Die redt
van de zonde. Die het volk van God zal leren Hem te dienen, in
heiligheid en gerechtigheid (Luc. 1 ) heid, al hun dagen.
Dat licht is er niet alleen voor het (Matth. 1 : 1) volk Israël.
De Koning van Israël, de zoon van David, is ook de zoon van
Abraham. Naar de belofte zal Hij alle volken tot een zegen zijn. Hij is
(Gen. 12: 3) het Licht der wereld! (Luc. 2: 29-32)
Vertel het aan de kiunderen - Over de herders van Bethlehem
Het was een stille donkere nacht, maar ook een hele blijde nacht. Want
in deze nacht was de Here Jezus geboren in een stal in Bethlehem.
Buiten op de velden waren herders, die op hun schapen pasten. Zij
moesten er voor zorgen dat er geen wilde dieren kwamen om de schapen
kwaad te doen. Ze hadden een groot vuur gemaakt en daar zaten ze
omheen. Ze dommelden een beetje en vielen bijna in slaap.
Maar opeens waren ze klaarwakker, want er was een heel groot fel licht.
Ze schrokken en sloegen hun handen voor de ogen. Daar stond een engel
bij hen en de engel sprak: "Jullie hoeven niet bang te zijn, want ik
ben een engel en God heeft mij gezonden om jullie een hele blijde
boodschap te brengen. Vannacht is de Here Jezus geboren, de Zoon van
God. Hij is de Redder en Zaligmaker, waar jullie al zo lang op hebben
gewacht. Hij is geboren in een stal in Bethlehem en het kindje is in
doeken gewonden en ligt in een kribbe in een bedje van stro."
En toen kwamen er opeens nog veel meer engelen en die begonnen allemaal
te zingen, zó mooi, als de herders nog nooit hadden gehoord. Het
was een prachtig groot koor en ze zongen allemaal ter ere van God. Ere
zij God in de hemel en vrede op aarde voor alle mensen.
De herders luisterden stil en ontroerd.
Toen gingen de engelen weer terug naar de hemel.
Het was weer stil en donker geworden op de velden. Maar in de harten
van de herders was het helmaal niet donker, maar licht van blijdschap.
Ze spraken opgewonden met elkaar: "Kom, laten wij het kindje Jezus gaan
zoeken en het aanbidden."
Ze gingen snel op weg naar Bethlehem en vonden de stal waar Het kindje
Jezus geboren was. Daar lag het kindje, in doeken gewonden in een
kribbe, precies zoals de engel het gezegd had. Ze knielden neer bij het
kindje in de kribbe en baden zacht. "Lieve Here Jezus, dank u wel dat U
naar deze aarde bent gekomen. Wij hebben geen kostbare geschenken, maar
ons hart is voor U, wij houden van U."
De herders vertelden aan Maria en Jozef wat er allemaal was gebeurd op de velden van Efrata.
Maria luisterde stil en bewaarde al de woorden, die de herders
vertelden in haar hart. Daar zou ze nog vaak aan denken. Oh, het was zo
mooi en ze was zo gelukkig met het kindje Jezus.
Zo is de Here Jezus op aarde gekomen. Niet als een koning in een
paleis, maar als een klein eenvoudig kindje in een arme stal. Zo wilde
Hij ook komen, arm en nederig en klein, om mensen rijk en gelukkig te
maken. De eerste mensen die kwamen om Hem te aanbidden waren eenvoudige
herders, ook zij waren arm. Maar toen ze Jezus gezien hadden voelden
zij zich heel rijk en gelukkig. Ze gingen weer terug naar de schapen op
het veld, en ze vertelden aan iedereen die het horen wilden, dat Jezus,
de Redder en Zaligmaker geboren was in een stal in het stadje Bethlehem.
Jezus was niet gekomen om geld of goud te brengen aan de mensen. Maar
om hen weer dicht bij God te brengen, omdat alle boze dingen hen hadden
gescheiden van God. Daarvoor was Jezus op aarde gekomen en nu mogen wij
allemaal bij het kindje Jezus knielen en ons hart aan Hem geven. Dan is
de weg naar God open voor ons allemaal.
Aanhangsel 1
Rood koord tekent Rachabs leven ( Jozua 2 )
Overal in ons land staan gedenktekenen. Misschien wel bij jou in de straat.
Wie kent niet het monument op de Dam in Amsterdam, die de herinnering
aan de Tweede Wereldoorlog levendig wil houden, of denk aan de
militaire begraafplaatsen, zoals op de Holterberg, die ons de moed van
onze bevrijders wil laten zien?
Ook in het boek Jozua zijn monumenten. Gedenktekenen bij de intocht van
Kanaän. De bedoeling is: de herinnering van het volk levend
houden. We lezen dat: wanneer uw kinderen later hun vaders vragen: wat
zeggen deze gedenkstenen, dan zullen die vaders hun kinderen vertellen:
de HERE heeft Zijn volk verlost en ze in het land Kanaän gebracht,
zoals Hij beloofd had aan Abraham.
Eén van die monumenten uit het boek Jozua is de puinhoop van
Jericho. Die is er nu trouwens nog. Daar zijn uitgebreide opgravingen
gedaan. Weliswaar is naast de ruïneheuvel een nieuw Jericho
gebouwd. Maar die puinhoop getuigt van Gods werk: 'Niet door kracht,
noch door geweld, maar door mijn Geest zal het geschieden, zegt de HERE
der heerscharen (Zach. 4:6).
De puinhoop van Jericho is het monument van Gods trouw. Híj
maakt Zijn beloften waar. Hij brengt Israël het Beloofde Land
binnen. Het volk mag dit alles gelovig ontvangen en er gelovig aan
blijven denken. Jericho helpt daarbij.
Maar om te laten zien dat dit geloof een gave van God is, heeft Jozua 2
nog een tweede monument: het huis van Rachab. Dat huis op een stuk muur
van Jericho herinnert het volk én ons eraan: niet alleen
kerk-mensen gunt God het geloof. Ook daarbuiten!
En ook: Gods genade is niet een zaak van ónze normen en waarden.
Ook een prostitué als Rachab ontvangt genade en wordt met haar
familie gered als Jericho in puin valt. Dat is nog zo. Gods Geest
doorbreekt grenzen en wint mensen - uitgegleden, en belast - voor het
Evangelie.
Centraal hangt dan dat rode koord uit Rachabs huis.
Het rode koord is een teken van:
1. geloof
2. ootmoed
3. hoop.
Jericho wordt de sleutelstad genoemd, is de toegangspoort tot
Kanaän en bewaakt de vruchtbare vlakte van Judea met de drukke
handelsweg door de Jordaanstreek omhoog naar Syrië. Wil
Israël Kanaän binnentrekken, dan kan het niet om Jericho heen.
De beide mannen - hun namen worden niet genoemd - doen hun werk met
moed. Ze nemen hun intrek in het huis van Rachab, de stadsherberg, de
enige plaats waar ze kunnen overnachten zonder op te vallen. En, zoals
vaak in de oude oosterse wereld, blijkt voor Rachab het beroep van
caféhoudster samen te vallen met dat van publieke vrouw.
De Israëlieten zijn echter nog niet zo lang binnen of het blijkt
dat ze gesignaleerd zijn. De geruchten en dit bericht zullen
vooruitgesneld zijn: ook de koning vindt die vreemdelingen verdacht!
Nog even en de soldaten van de koning van Jericho melden zich... De
verspieders zijn in levensgevaar.
En dan gebeurt het wonderlijke Rachab uit de roze buurt neemt het op
voor de vijanden van haar volk. Ze riskeert haar eigen leven door de
verspieders te verbergen op het platte dak van haar huis, onder wat
bossen vlasstro. Vervolgens zet ze haar prostituele onschuld in om de
soldaten om de tuin te leiden en laat de verspieders ontsnappen via een
touw uit het venster.
We vragen ons af: hoe kwam Rachab tot deze daad? We moeten daar niet te
licht van denken! Waarom kiest ze tégen haar volk, tégen
haar stadsgenoten, en vóór vreemden, vóór
deze twee Israëlieten?
Nu, de Bijbel, is duidelijk: Rachab kiest vóór
Israël, omdat ze gelooft in de God van Israël. En dat geloof
zet haar aan tot deze moedige daad.
Je vraagt je af: hoe kan nu zo'n vrouw in zo'n heidense stad tot geloof
in God gekomen zijn? Wat kón dat voor geloof zijn?
Het antwoord op deze vraag, geeft Rachab zelf. Ze vertelt de
verspieders dat ze gehoord heeft van de grote daden van de HERE. Ze
noemt die naam in vers 9 uitdrukkelijk. Ze heeft gehoord van de
doortocht door de Rode Zee, n.b. al meer dan 40 jaar geleden. Ze heeft
gehoord van de overwinningen van Israël in het Overjordaanse en
van de plannen van Israël om Kanaän op Gods bevel in te
nemen. Ze zal dat gehoord hebben van kooplui die in Jericho kwamen. En
die berichten zijn bij haar blijven hangen. Het maakte indruk. Ze heeft
bij zichzelf gezegd: de God van Israël is een machtig God, anders
dan onze goden van hout en steen, of een god van vlees en bloed (zoals
koningen in die tijd zich wel lieten vereren). De God van Israël
leeft en helpt en is niet tegen te houden.
In vers 9 zegt ze stellig: 'Ik weet dat de HERE u het land gegeven heeft.' Dat weet ik!
Door al deze verhalen heeft ze de HERE God leren kennen. En ze is ervan
overtuigd, dat Israël Jericho zal innemen. Ze weet: Jericho ligt
onder Gods veroordeling. Ze verwijt God dat niet. Ze vraagt alleen een
gunst aan de mannen van Gods volk, nl. spaar ons leven! En als teken
moet ze dan een felrood koord uit het venster hangen.
Dat koord dat uit het venster van Rachabs muurhuis hangt tekent haar leven.
Het is nl. geen stuk touw, dat toevallig in de buurt lag. Het had een bijzondere betekenis.
Welke dan?
Algemeen wordt aangenomen, dat het het touw is waaraan Rachab de
verspieders heeft laten zakken. Maar dat kan niet, want de grondtekst
gebruikt daarvoor in vers 15 een ander woord, dat is het woord voor een
stevig touw, in de Statenvertaling staat het woord 'zeel', touwen,
gebruikt voor het inspannen van paarden en ossen.
De kleur rood wijst niet alleen naar het bloed van Christus. Rood is
ook de kleur van de zonde. Denk aan de bekende tekst uit Jesaja 1: 18:
'Al waren uw zonden als scharlaken (dat is hel rood), zij zullen wit
worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn (dat is diep rood),
zij zullen worden als witte wol.'
Rood is de kleur van de zonde.
En van zonde spreekt dat scharlaken fel rode koord uit Rachabs venster.
Want zo'n koord was in het oude Oosten het uithangbord van prostituees.
Wat de rode lampen zijn in de roze buurt nu, dat was dat 'teken van
scharlakendraad', zoals er letterlijk staat toen, in het oude Oosten.
Kenmerk dus van een bordeel.
Het was dus het uithangbord van de zonde, waarmee Rachab de kost
verdiende. En nu krijgt Rachab van de verspieders het bevel om precies
dát koord, dat haar 'leven' tekende, aan het achtervenster te
binden. Het uithangbord van de voordeur, binnengehaald voor de nacht
moet verhuizen naar het venster in de achtermuur.
Merkwaardig, díe opdracht van de beide Israëlieten. Het is
niets anders dan het bevel om te breken met de zonde. Het oude leven
achter zich te laten, definitief en te wachten op het heil van de God
van Israël. Geloof in God gaat samen met een radicale
herinrichting van het leven. De zonde moet het venster uit, het leven
uit!
Wie de volgende dagen het huis van Rachab passeerde, ontdekte dat hij
er niet meer terecht kon om van zonde te genieten. Het scharlaken koord
dat mannen moest lokken of klanten winnen was verdwenen.
Dit heeft ook betekenis voor ons. Wie gelooft in het verlossende bloed
van Jezus Christus, die moet met de zonde breken, bordjes verhangen,
instellingen wijzigen, abonnementen opzeggen, verkeerde gewoontes
verleggen.
Aanhangsel 2
Tamar staat bekend om haar schandelijke hoererij en overspel
Genesis 38: 13 - 18
Toen aan Tamar bericht werd: Zie, uw schoonvader is naar Timna gegaan
om zijn schapen te scheren, trok zij haar weduwkleed uit, bedekte zich
met een sluier, vermomde zich en ging zitten aan de ingang van Enaim,
dat aan de weg naar Timna ligt, omdat zij gezien had, dat Sela groot
geworden was, en zij hem niet tot vrouw was gegeven. Toen Juda haar
zag, hield hij haar voor een hoer, omdat zij haar aangezicht bedekt
had. En hij wendde zich tot haar aan de weg en zeide: Welaan, laat mij
toch tot u komen, want hij wist niet, dat zij zijn schoondochter was.
Daarop zeide zij: Wat zult gij mij geven, wanneer gij tot mij komt? En
hij zeide: Ik zal u een geitebokje van de kudde zenden. Zij dan zeide:
Als gij mij dan maar een pand geeft, totdat gij het gezonden hebt. Hij
zeide: Wat voor pand moet ik u geven? Zij zeide: Uw zegelring, uw
snoeren en de staf, die in uw hand is. Toen gaf hij het haar, en hij
kwam tot haar en zij werd zwanger van hem.
Het was haar zonde die haar bracht in het geslachtsregister van Hem,
die gekomen is om het verlorene te redden en het te behouden. De grote
Koning is de Redder van zondaars.
De stamboom waarmee Matteüs zijn verhaal over Jezus begint is een lange lijst van mannennamen. Des te opvallender
dat hij die lange rij van mannennamen op vier punten onderbreekt met het noemen van een vrouw. Naast Abraham, Izaäk
en Jacob en al die andere mannen verschijnen daar op eens ook Tamar, Rachab, Ruth en Batseba. Wat daarvan zijn
bedoeling ook mag zijn, het heeft in ieder geval het effect dat je als lezer bij zo'n vrouwennaam even blijft hangen. Tamar
– wie was dat ook al weer? En zo zoomen wij vanmorgen met de evangelist Matteüs in op het verhaal van Tamar.
Wie was Juda ook al weer? Juda was een van de broers van Jozef. De initiatief nemer van de verkoop van Jozef als
slaaf. Vorig najaar hebben we hier uitgebreid bij stilgestaan. En als de verkoop van een broer nog niet ernstig genoeg is
zet het drama zich in genesis 38 in Kanaän voort.
Het is wel - een voor ons - heel vreemde wereld waarin dit verhaal ons binnen voert. Een wereld waarin mannen voor
hun gestorven broer nakomelingen moeten verwekken. Waarin de dood van een ander met het grootste gemak lijkt te
kunnen worden toegeschreven aan het misnoegen van God. En waarin we iemand tot het uiterste zien gaan om te
overleven. Maar laten we ons toch eens door het verhaal in deze zo vreemde wereld mee laten nemen!
Juda kiest, zo begint het verhaal, een vrouw voor zijn oudste zoon. Tamar heet ze. Palmboom betekent dat. Een naam
vol belofte, waarin zegen en overvloed doorklinkt.
Maar wat Tamar overkomt staat met deze belofte in schril contrast. Er- haar man- ontvalt haar. En daarmee ontvalt haar
in die patriarchale wereld de basis van haar bestaan. Ze hoort nergens meer bij… Ze is geen maagd meer die
onder de verantwoordelijkheid van haar vader valt. Maar ze is ook geen moeder van kinderen in het huis van de familie
van haar man: Sociaal isolement en uiteindelijk armoede zullen haar lot zijn.
Tenzij haar zwager Onan doet wat hij in die wereld geacht wordt te doen: voor zijn gestorven broer nakomelingen
verwekken. Maar als zijn vader hem dat opdraagt, drukt hij hem. Dat heeft niets te maken met wat wij ten onrechte!
onanie zijn gaan noemen. De één zijn dood is de ander
zijn brood. Doordat zijn broer kinderloos gestorven is, heeft
Onan de positie van eerstgeborene in de schoot geworpen gekregen. Nu is hij de oudste. En hij denkt er niet aan die
positie ten gunste van zijn dode broer en diens weduwe, weer op te geven. En alle keren dat hij met Tamar
gemeenschap heeft laat hij zijn zaad op de grond terechtkomen.Uiterlijk voor het oog wél meedoen maar ondertussen
Stiekem iets anders regelen.
Ook Onan sterft. Nu heeft Juda nog maar één zoon over. Te
jong nog om de rol van Onan over te nemen. Bovendien heeft de dood van
twee van zijn drie zonen Juda bang en onzeker gemaakt. Die onzekerheid
projecteert hij op Tamar. Wat is dit voor femme fatale dat al wie met
haar gemeenschap heeft, sterft? En hij stuurt haar weg. Terug naar haar
vader. Om daar te wachten -zo zegt hij - totdat zijn jongste zoon oud
genoeg is om met haar te
trouwen.
En Tamar gaat. Ze antwoordt niet, ze protesteert niet, ze doet helemaal niets, behalve terug gaan naar haar vaders huis.
Wat kan ze anders? In die wereld? Ze heeft geen keus. En daar zit ze dan. Weer in haar vaders huis. Maar ook daar
rechteloos, zonder positie, een sta in de weg. Waarschijnlijk de slavin en voetveeg van haar broers. Vele dagen. stille
dagen en nachten die vruchteloos voorbij gaan.
En dan Juda verliest ook zijn vrouw. Het lijkt alsof hij zich daar niet door van de wijs laat brengen. In tegenstelling tot
Tamar die haar weduwen kleren draagt, gaat Juda direct na de vastgestelde rouwtijd samen met zijn compagnon Chira
naar het jaarlijkse schaapscheerders feest in Timna. Business first!
Dan staat Tamar op. Zij is het zat. Ze is verontwaardigt omdat toekomst haar ontnomen is; haar schoonvader doet haar
onrecht. Haar bestaan is uitzichtloos …. Ze zit op de bodem van de put. Maar op een bodem kun je je afzetten en
dat doet ze…. Zij vecht terug met middelen binnen
háár bereik. Want een riskante onderneming! Wat een moed!
Zo verdient zij volgens Matteüs een plek in de stamboom van Jezus. Ze ging als een zalm tegen de stroom in.
Tamar legt haar weduwenkleed af en sluiert zich zoals eenmaal aartsmoeder Rebekka toen ze tot aartsvader Izaäk
gebracht werd. als wás ze de bruid. Tamar, staat op om haar recht te halen. Zij zet zich als hoer bij de ingang van de
oase bij Enaïm, wat tweelingenbron betekent. Dit keer is de naam
wel een gunstig voorteken, maar dát weet zij nog niet.
Voorlopig moet zij Juda zien te verleiden…. Dát
blijkt niet zo moeilijk. Hij hoeft haar maar in het oog te krijgen, of
gretig vraagt hij haar, van haar diensten gebruik te mogen maken. Zó gretig dat hij niet eens opmerkt wie hij voor zich
heeft. Als hij blijkbaar niet kan voldoen aan de gewone prijs voor een bijslaap, levert hij moeiteloos al zijn waardigheid bij
haar in. Al de tekenen van zijn positie als leider van de stam; zijn
keten, zijn zegelring, zijn staf – hij geeft ze haar
zo maar in handen. Paspoort, trouwring en pincode. Zo heeft zijn begeerte hem in de macht.
Als hem drie maanden later gemeld wordt: Tamar is zwanger, toont hij zich zeer gekrenkt;: ‘Naar de brandstapel
met die slet!' Maar onderweg naar de brandstapel speelt Tamar de troef uit die hij haar zelf in handen heeft gegeven:
“Zie toch: van wie zijn deze keten, deze ring, deze staf?
En dan gebeurt er iets verrassends. Niet dat wat je zou verwachten, en wat meestal gebeurt: loochening. Het 8 uur
journaal, radar, netwerk en nova staan er bol van… Nee Juda kijkt in de spiegel die Tamar hem voorhoudt en
zegt:Zij is een rechtvaardige, ik niet, omdat ik haar niet gegeven heb aan mijn zoon Sela. Hij komt tot het inzicht dat
Tamar vecht voor haar recht. Het recht dat hij haar heeft onthouden.
Tamar speelt hoog spel. Ze gaat om haar recht te halen tot op het randje van het toelaatbare. En als Juda het ontkend
had – ik ben bestolen - had ze het met de dood moeten bekopen. Maar ze speelt haar rol met zoveel inzet, zoveel
humor ook, dat Juda de ruimte vindt tot iets wat ons altijd weer zo veel moeite kost namelijk te zeggen: ‘ik zat
fout’. Ze redt niet alleen haar eigen eer, ook de zijne. Hij
wordt weer wie hij hoort te zijn: stamvader in Israël. En
de hoer wordt toch de bruid. De miskende… een aartsmoeder in Israël. Moeder van twee zonen met namen vol
belofte; Perez, doorbraak; en Zerach, morgenrood.
Onze eerste indruk van dit verhaal was: wat een vreemde wereld! Maar als je je door de vertellers laat meenemen in die
wereld, blijkt het veel dichterbij dan we denken. Zo vergaat het mij tenminste. Want zoals Tamar zijn er nog altijd velen.
Mensen die geen plek in onze samenleving kunnen veroveren. Die de aansluiting missen en over de rand gedrukt
worden. En daar hun eigen listen verzinnen om toch te overleven. Daarbij vaak balancerend op de rand van het
toelaatbare. Met daarnaast de gesettelden, de Juda's. Die natuurlijk het gesjoemel van wie aan de onderkant moeten
zien te overleven veroordelen. Maar ondertussen maar wat graag van hun diensten profiteren. Als schoonmakers, als
zwartwerkers. En inderdaad ook als prostituees. Maar die hen verder liever niet kennen. Laat staan hen tot hun recht
willen laten komen. Er is dus minder veranderd dan we denken.
Aanhangsel 3
Ruth en het volk van God
De liefde neemt een centrale plaats in in het boek Ruth: de liefde van
Ruth voor haar schoonmoeder en haar volk, daarnaast de liefde van Boaz
voor Ruth en de aan lager wal geraakte familie van Elimelech. Toch is
het meer dan een ‘love story’. Het bijbelboek Ruth komt na
het boek Richteren, waarin we regelmatig lezen dat ieder deed
‘wat recht was in zijn
eigen ogen’. Het gaat daar steeds mis met Israël; ze
kúnnen niet het volk van God zijn. In het boek Richteren druipt
het bloed van bijna iedere bladzijde. Het boek Ruth is dan een
verademing, omdat we hier op iedere bladzijde lezen van tere zorgzame
liefde.
Het belangrijkste van dit boek is misschien wel dat in alle besluiten
van mensen God Zijn verborgen weg gaat. Elimelech en Naomi kiezen om
economische redenen voor het heidense Moab. In Bethlehem (huis van
brood) is geen werk, geen brood, geen toekomst meer. Het gezin
verwijdert zich meer en meer van het land der belofte, van de God der
vaderen. De zoons trouwen met vrouwen uit Moab. Ondanks al hun keuzen
laat God hen niet los. De tegenslag die Naomi te verwerken krijgt,
ervaart ze als slagen van God (´de Almachtige heeft mij
bitterheid aangedaan´) Opvallend is het dat Elimelech met Naomi
en hun kinderen kiezen voor het heidense Moab, maar dat Ruth kiest voor
het volk van God en daarin ook voor de God van het volk.
Ruth en Gods heilsplan
Het boek Ruth werd gelezen op het wekenfeest, het feest van de oogst,
dat ook het feest van de wetgeving was. Uit Ruth 1 blijkt dat
Israël zich keerde tegen de wet en dat God zich daarom moest keren
tegen het volk. (´Vervloekt is een ieder die niet blijft in
hetgeen geschreven staat in het boek der wet om dat te doen´,
Galaten 3: 10).
De ongehoorzaamheid van de Israëliet ontsluit echter het heil voor
een heidin. In alle keuzen van mensen, van Ruth en naderhand ook van
Boaz, is God bezig Zijn plan uit te werken. Juist Ruth wordt door God
verkozen als één van de stammoeders van Christus. Zo
wordt ´door de val van Israël de zaligheid aan de heidenen
gegeven´. Ruth wordt door de God van Israël ingezet. Zij is
één van de heidenen die door God wordt gebruikt om Zijn
volk tot jaloersheid te verwekken.
Christus heeft al de ongehoorzaamheid, de verkeerde keuzes van Zijn
volk gedragen. Hij kwam onder de vloek (Galaten 3:13). Dank zij Degene
die verborgen was in haar schoot, mocht Ruth bij het volk van God
horen. Omdat Hij verworpen werd, werd zíj aangenomen.
Voor christenen uit de heidenen een grote troost!
Ruth 2 - Genade die verheft
In Ruth 2 staat ´genade´ centraal. Het is een sleutelwoord
(vers 2, 10, 13). Als kerntekst, en misschien ook als preektekst, zou
daarom vers 10b goed kunnen functioneren:
´Waarom heb ik genade gevonden in uw ogen, dat gij mij kent, daar ik een vreemde ben?´
Genade: mercy en grace.
Genade is een woord dat we vaak in de kerk horen, dat vaak in de Bijbel
staat. ´Genade zij u´ horen we aan het begin van de dienst.
In het gewone spraakgebruik klinkt dit woord echter nauwelijks meer,
daar heeft het haast een negatieve klank gekregen: ´Je bent er
nog genadig vanaf gekomen´ of ‘De leraar streek zijn hand
over zijn hart en gaf de leerling een voldoende, terwijl hij een vier
had verdiend’. Iemand krijgt dus niet wat hij verdient.
Zo is het ook met Gods genade. De moordenaar aan het kruis verdiende om
te sterven onder het oordeel en dat verwachtte hij ook. Hij kreeg
echter niet wat hij verdiende, de straf werd hem kwijtgescholden. Dat
is de diepte van de Bijbelse genade. Vergeving ontvangen terwijl je
weet dat je schuldig bent. Onverdiende genade.
Een mens heeft echter méér nodig dan vergeving. De
Bijbelse betekenis van genade is veel rijker dan
´kwijtschelding´. Ik heb eens een jongen ontmoet die veel
ruzie met zijn ouders had. Toen een van zijn ouders echter overleed,
kreeg hij spijt. Ondanks dat het hem heel moeilijk viel, vroeg hij de
Heere om vergeving. Die vergeving mocht hij ook ervaren, ondanks het
feit dat hij de relatie met zjn moeder niet meer kon herstellen.
Ondanks de vergeving, voelde hij zich toch niet geaccepteerd. Hij had
niet alleen vergeving nodig, maar ook liefde die hem kon bevestigen.
Zodat hij weer aangenomen zou worden en kon groeien op zijn nieuwe weg.
Dit was niet iets waar hij recht op had, maar hij ontving het in de
gemeenschap van de Bijbelschool, waar hij terecht kwam.
Dat is de tweede betekenis van genade: dat je er weer mag zijn, dat je
verrast wordt omdat mensen goed voor je zijn. Het eerste, de genade van
de vergeving, de kwijtschelding (in het Engels: mercy), is voor ons
nodig, maar het tweede, de genade van de aanvaarding, de bevestiging
(in het Engels: grace) is evengoed nodig. Mercy: je kijgt niet wat je
verdiend hebt (namelijk straf en veroordeling); grace: je krijgt wat je
niet verdiend hebt (namelijk aanvaarding, bevestiging, kindschap).
Nu, in Ruth 2 komen we in aanraking met genade in de tweede betekenis,
niet zozeer de genade van schuldvergeving, maar de genade van
verheffing, dat een mens in zijn of haar eer bevestigd wordt. We zullen
zien dat die genade ook van God komt.
Er zijn drie gebieden waarin de genade van de verheffing in Ruth 2 in het bijzonder oplicht.
1. In de familieverhoudingen: Ruth heeft gekozen voor haar
schoonmoeder; zij steunt haar en bewijst haar liefde. Zij neemt ook het
initiatief om koren te gaan verzamelen op de akker (vers 2, 3).
2. Op de werkvloer (vers 4): in de opvallende manier waarop Boaz, de
boer van stand, zijn personeel begroet en hoe ze terug groeten.
3. Vooral in de manier waarop Boaz Ruth tegemoet treedt en zich over haar die een vreemdelinge, een asielzoeker is, ontfermt.
1. Genade in de familieverhoudingen
Er is hier sprake van een bijzondere verhouding tussen schoondochter en schoonmoeder.
Ruth 1 vermeldt ons de keuze van Ruth om niet alleen met haar
schoonmoeder mee te gaan, maar ook van harte haar pijn, armoede en zorg
mee te dragen. Ze verkiest de smaadheid van Naomi en haar volk, in
plaats van een goede toekomst in Moab. De steun van Ruth wordt nog
praktischer in haar initiatief om aren te gaan oplezen. Ruth moet hier
heel wat barrières overwinnen. Als vreemdeling is het niet
gemakkelijk om ergens nieuw binnen te komen. Daarbij komt dat Ruth
alleen is, Naomi gaat niet met haar mee. Misschien was Naomi te
verbitterd, te depressief of had ze er geen kracht meer voor. Ruth
gáát echter, waarna Naomi de genade erkent en haar ogen
open gaan voor Gods weg:
´Gezegend zij de Heere, die Zijn weldadigheid niet heeft
nagelaten aan de levenden en de doden´. Ze verklaart hier dat de
genade zo ver gaat dat die ook nog posthuum aan de doden (haar man en
zoons) wordt bewezen.
God geeft familieverbanden om te zegenen, om elkaar te helpen en te
bevestigen. In andere culturen is dat vaak veel duidelijker dan bij ons
(Suriname, Midden Oosten). In onze tijd en cultuur zijn deze
verhoudingen vaak aangetast door de zonde van het individualisme. Door
eigengereidheid gaat er veel mis; wat God als zegen bedoeld heeft,
wordt een vloek. Denk aan kinderen die meer geïnteresseerd zijn in
de erfenis dan in hun ouders, aan de vele ouderen in Parijs die in de
zomer van 2003 overleden terwijl niemand op hun begrafenis aanwezig was.
Het tegenovergestelde gebeurt gelukkig ook, dat in familieverhoudingen
die jarenlang verziekt zijn iemand het initiatief neemt om gewoon te
gaan helpen. Dat is de positieve genade, de bevestiging. Zoals Jezus,
die Zacheüs niet aanspreekt op zijn verleden, maar zegt: ‘ik
wil bij je op bezoek komen’. Dit maakt Zacheüs zo blij, dat
hij erdoor verandert.
Hoe ver moeten we daar in gaan? Iemand vertelde eens over zijn
schoonvader, die hij iedere week met zijn vrouw bezocht. Deze man had
echter altijd zoveel kritiek, dat het een negatieve invloed had op hun
geloofsleven. Ze besloten om zich de vrede van Christus niet te laten
ontnemen en hem niet meer elke week op te zoeken. Dat gaf meer
ontspanning in de verhoudingen. Er is geen vast recept voor de wijsheid
en de liefde die nodig is. Voor Ruth
betekende het praktische hulp, eten zoeken, in de kommervolle
omstandigheden van haar schoonmoeder. Soms kan het zelfs betekenen dat,
zoals bij de vader in de gelijkenis van Lukas 15, we een geliefde laten
gáán. Als deze zoon terugkomt, wijst de vader hem niet
af, maar schenkt hem vergeving. Hij geeft hem nieuwe kleren, schoenen
en een ring en richt een feestmaal voor hem aan. Hij wordt in ere
hersteld. Dat is opnieuw genade die verheft.
2. Genade in de arbeidsverhoudingen
In Ruth 2 gaat het ook om arbeidsverhoudingen, namelijk tussen Boaz en zijn personeel.
Het eerste wat zijn werknemers horen als hij eraan komt is ‘De
Heere zij met u!’ Waarop zij antwoorden: ´De Heere zegene
u´. Hieruit spreekt een diep onderling respect en meeleven. De
zegen en nabijheid van de Heere wordt toegewenst. Dat betekent dat Boaz
het goede zoekt voor zijn werknemers. Hij ziet hen niet als
arbeidskrachten die de winst voor hem moeten binnen halen. Omgekeerd
ziet zijn personeel hem niet als de big boss, die ongenaakbaar is.
Wat is het mooi als managers zegen verspreiden, omdat ze ook de mens
achter de werker zien. Dan is er aandacht voor de zorgen en vreugden
van je werknemers. Maar omgekeerd ook is het belangrijk dat we als
werknemers het goede met onze werkgevers voorhebben. Hoe licht valt het
om alleen maar kritiek en aanmerkingen te hebben. Dat breekt meestal
af. Directie en collega´s kunnen voorbede wel gebruiken. Hoe
zullen ze iets van de zegen merken van het personeel dat naar de kerk
gaat?
In de praktijk kan het heel moeilijk zijn om vol te houden als de
arbeidsverhoudingen gecompliceerd zijn, als je als werknemer
voortdurend op de vingers getikt wordt, als het nooit goed is. Hoe moet
je daar mee
omgaan? We leren van deze geschiedenis dat we beginnen mogen met te
zegenen. Zelfs als het een vijand betreft? Voor hem of haar bidden! Het
contact blijven zoeken en dat kan alleen als we liefhebben. Liefhebben
kunnen we niet eens op eigen kracht. Het kan alleen vanuit de kennis
van de onvoorwaardelijke en ontzagwekkende liefde die Christus voor ons
over had. Daarom kan ik die ander, die collega eigenlijk niet anders
zien dan in de schaduw van het kruis, waar ik zelf moet staan om behoud
te vinden.
3. Genade in de omgang met vreemdelingen en asielzoekers
Tenslotte toont Ruth 2 de genade die bewezen wordt aan een asielzoeker, een vluchteling.
´Dat gij mij kent, daar ik een vreemde ben?´ (vers 10). In
het Hebreeuws staat hier een woordspeling. Dezelfde woordstam (nokri)
wordt gebruikt: dat u mij aanvaardt, die een niet- aanvaarde ben. Dat u
mij erbij laat horen, die er niet bijhoort. Het woord dat voor
vreemdeling gebruikt wordt, heeft de betekenis van iemand die niet
erkend is, die geen
status heeft. In vers 13 noemt Ruth zichzelf een
´dienstmaagd´, hiermee wordt echt de laagste rang van de
sociale ladder bedoeld.
Hoe gaat Boaz met haar om? Daarbij is het goed te weten van de
voorzieningen die God in Israël had bevolen ten aanzien van
vreemdelingen en weduwen. Er waren wel meer vreemdelingen in het Oude
Israël. Gastarbeiders, ingehuurde hout- of steenbewerkers, denk
maar aan de knechten van Hiram die in de tijd van David en Salomo komen
helpen. Er waren ook reizigers. Maar ´nokri´ waren mensen
die behoorden tot de vijandige volken en de vreemde goden.
Vreemdelingen mochten niet verdrukt worden. Ze vielen onder dezelfde
sociale zorg als de armen, weduwen en wezen. Ze kregen daarom elke drie
jaar een deel van de tienden (Deuteronomium 14: 28-29), of een deel van
de oogst (Leviticus 19: 10v, 23: 22). Ze mochten ook delen in de rust
van de sabbath en het sabbathsjaar (Leviticus 25:35).
Opmerkelijk dat Jesaja profeteert over de vluchtelingen uit Moab
(Jesaja 16)´verberg de verdrevenen, verraad de vluchtelingen
niet´.
Nu was er dus de voorziening in de wet van God over de oogsten (zoals
de hoeken en randen niet afmaaien; wat is blijven staan of hangen,
laten hangen). Maar het is wel zeker dat daar nog al eens de hand mee
werd gelicht. Het was voor de weduwen en asielzoekers bepaald niet
gemakkelijk. Waarschijnlijk ook voor Ruth niet. (Vers 8 suggereert dat
ze gezegd hebben: ‘ga ergens anders heen’. Vers 9 wijst
erop dat ze haar lastig hebben gevallen en dat ze niet mocht drinken
van het water dat de jongens schepten.)
Meer dan Boaz is hier Boaz´ zorg gaat verder dan de wet van God. Hij zorgt dat ze niet zo maar een plekje achteraf
krijgt, maar dat ze kan blijven en niet lastig gevallen wordt. Hij gaat
veel verder: ze mag meeeten, een duidelijk bewijs dat ze er echt bij
mag horen. Hij gebiedt zijn jongens om wat méér te laten
vallen, waardoor ze veel bij elkaar raapt ( een epha: ongeveer 15
liter, daar konden ze zeker een paar weken van leven). Boaz misbruikt
zijn macht niet om de vreemdeling uit te buiten, of buiten de deur te
zetten. Integendeel, Ruth krijgt een plek aan zijn tafel.
De genade van Boaz is een spiegel van Gods genade, hij is hier
‘type van Christus’. Hoe gaan navolgers van Christus om met
vluchtelingen, met asielzoekers, met mensen die werk zoeken? We hebben
hen als Nederlandse samenleving in het verleden nodig gehad. Nu ervaren
veel autochtonen, ook in de kerken, hen als bedreiging. Van de
multiculturele samenleving lijkt niets terecht te komen. Sinds de moord
op Theo van Gogh zijn de tegenstellingen aangewakkerd. We zijn bang om
aangetast te worden in onze identiteit, onze zekerheden, onze
veiligheid. Zulke gedachten onthullen echter pijnlijk waar wij onze
identiteit in zoeken. Voor de gemeente van Christus wordt door dit
soort denken een streep gezet,
een kruis. Zouden we het niet anders moeten zien?
Dat de Heere al deze buitenlanders in onze straten heeft gebracht. Is
het toeval dat ze er zijn? Waar we ons heil zoeken in land, afkomst,
veiligheid en welvaart, daar raken we spoedig gevangen in de strikken
van het heidendom. Boaz lijkt op de Heere Jezus en een discipel van
Christus zal de weg van Boaz
vandaag in praktijk moeten brengen. Door genade die de vreemdeling,
degene die hier geen rechten heeft, verheft. En die genade is niet zo
maar een vrome wens, die krijgt handen en voeten. (zoals Boaz Ruth niet
alleen vrome woorden toevoegt, vers 12, maar ze ook tastbaarmaakt).
Waarom ook wij geroepen om deze verheffende genade uit te delen
1. Omdat God het geboden heeft in Zijn wet. Die wet, de sociale regels
in het Oude Testament, zijn niet afgeschaft. We kunnen niet alles
klakkeloos overnemen (we hoeven niet kosher te gaan eten of kleding van
tweeërlei stof te mijden). Als we echter zeggen dat deze wetten in
Christus vervuld zijn, dan zoeken we in de Geest van Christus te
handelen. Dan zijn de geboden van het Oude Testament richtlijnen, ook
voor de samenleving en de economie, waar geen sprake kan zijn van
uitbuiting en mateloze verrijking ten koste van armen. Er is nog steeds
groot sociaal onrecht dat schreeuwt naar de hemel in de manier waarop
het ´christelijke´ westen omgaat met de arme landen.
2. Omdat mensen er de genade van God in zullen ontdekken. Hoe zullen
mensen om ons heen het gezicht van Christus zien? Hoe zullen ze de
genade van God leren kennen? Zie Boaz. Ruth kende hem niet. Hij was een
grote onbekende voor haar, maar Naomi ziet in hem Gods helpende hand
(vers 20). Zien de mensen om ons heen Gods genade in ons, of vallen ze
over ons heen? Hoe kijken wij zelf naar de mensen om ons heen? Zijn we
als gemeente een ´community of compassion´? Pas als je zelf
gaat weten –door Gods ontdekkend licht- dat je vreemdeling´
bent, dat je helemaal geen rechten hebt, alleen grote schulden, maar
dat je midden in dat vreemdelingschap aangenomen bent, uit je ellende
verlost, dan weet je wat ontferming is. Dan ga je je uit dankbaarheid
over een ander ontfermen.
3. Voor Israël kon het niet anders, omdat ze hoorde bij God.
Leviticus 19. ´Ik ben de Heere´. Deze genade die verheft,
is geworteld in Gods wezen, in Zijn karakter. Het volk dat bij God
hoort, kán daarom ook niet anders. Hoezeer geldt dat dan voor de
christelijke gemeente. Als Christus alles, maar dan ook alles voor ons
over had, kunnen we dan nog hard oordelen over vreemdelingen, of over
mensen die anders zijn dan wij? Hoe kunnen we God liefhebben en onze
broeder links laten liggen? Temeer als het een buitenlandse broeder is?
Christus zocht ons op in den vreemde. Hij kwam om arm te worden,
terwijl Hij rijk was. Hij verkeerde als een gast en vreemdeling op de
aarde. Om onzentwil. Als je dat diep beseft, dan kun je je hart niet
meer toesluiten voor de vreemdeling. Paulus peilde de diepte van Gods
genade toen
hij schreef aan de Korinthiërs over de collecte die ze hielden: 2
Korinthiërs 2: 7, 8 en dan ook vers 9. Want gij weet de genade van
onze Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar
Hij rijk was, opdat gij door Zijn armoede zoudt rijk worden. Hier ligt
de diepste reden waarom we net zoals Boaz ontfermen over degene die van
Godswege op onze weg wordt gebracht.
Aanhangsel 4
Over de draagkracht van Batseba (2 Samuel 11 en 12)
Ze zegt haast niks, onze Batséba. Haar naam wordt maar zelden genoemd. Ze is of de vrouw of de vrouw van Uria.
Haar overkomt van alles. Ze wordt besteld, opgehaald en genomen op een mooie zomerdag. Ze raakt zwanger, ze
verliest haar man, ze wordt Davids vrouw, baart hem een zoon en ook deze zal ze verliezen. Pas aan het eind van al
deze gebeurtenissen vindt ze iets van troost en klinkt er in de naam van haar nieuwgeboren Salomo eindelijk vrede door.
Dit alles maakt haar tot een heel andere figuur dan de andere drie vrouwen uit de stamboom van Jezus. Er was moed,
gastvrijheid en trouw en nu is er voor ons via haar die lastige – want veel passievere - notie van draagkracht.
Lastig omdat deze een andere dimensie van leven aanraakt, waar we soms minder goed raad mee weten.
Met het actieve zijn we meer vertrouwd. Dat is prettiger, we hebben invloed, of de illusie van invloed. Het maakt uit wat
we doen en dat maakt ook uit. Je bent er zelf ook bij, maar tegelijk is er ook veel – soms beangstigend veel
– dat je niet in de hand hebt, waar je niets aan kunt doen,
wat je niet kunt veranderen, wat je overkomt, op je bord krijgt, voor
je kiezen en waar je niet om hebt gevraagd en niet op zat te wachten.
Het is er, het is gebeurd of juist niet, en je moet daar mee verder
waar je ook leeft in Rwanda maar ook gewoon hier.
Draagkracht gaat over het vermogen en de bereidheid om iets op je te
nemen. Daar je schouders maar onder te zetten. Je schrap zetten of
juist de last verwelkomen, de druk voelen en weten van binnenuit dat je
deze zult kunnen dragen. Misschien ternauwernood, maar toch, want je
bent ook sterk, er is ook kracht in je, een reservoir aan stille kracht
die pas beschikbaar komt als het er in je leven op aankomt.
Soms is dat zo. Dan komt het er op aan. Dan worden we daarop aangesproken en op niets anders. In tijd van tegenslag,
van ziekte en pijn, afscheid, sterven en dood. Het leven hier op aarde onder de hemel heeft echt ook een donkere kant.
Daar hoef je niet steeds mee bezig te zijn, het is heerlijk om fluitend je weg te kunnen vervolgen, en een tijdje de andere
kant op te kijken en heerlijk te genieten.
Maar er zijn ook dingen die je moet en kunt aanvaarden en op je nemen. Ook daar kunnen je de ogen voor opengaan.
Dat het zo en niet anders is en daarmee verder gaan. Als er ergens een
verband is tussen voormoeder Batséba en Jezus van Nazareth dan
zit dat in deze draagkracht, deze bereidheid om wat op je schouders te
nemen. De joodse
traditie rekent haar toch niet voor niets onder de beroemde 22 dappere vrouwen!
En ik wil maar zeggen. Jij kan ook tegen een stootje. Ja, je hebt een last verborgen pijn, je kent onuitsprekelijke
droefheid, maar je valt niet zomaar om. Jij weet heel goed dat leven meer is dan genieten en genot, dat leven soms
vooral dragen en verduren is, wenen en vechten tegen de bierkaai. Maar je valt niet samen met het donker, je hoeft er
niet aan onderdoor te gaan. Je kunt opstaan en gehoor geven en eindelijk de zin gaan begrijpen van wat Jezus ooit
tegen zijn leerlingen zei: ‘Neem je kruis op en volg mij’.(Marc.8,34)
En wie weet zul je gaandeweg ontdekken, dat doordat je die last op je neemt, er gaandeweg ook iets verandert. Dat er
iets in je opengaat en gaat stromen. Dat je kracht krijgt, een bodem voelt onder je tranen, dat je diepte ervaart, dat je
ontdekt dat zoveel dingen niet ‘of of’ zijn, het
een of het ander, maar heel veel ‘en en’. Dat er vreugde schuilgaat in verdriet en verdriet in vreugde.
Dat misschien juist verdriet en donkerheid wat met je doen, ze woelen je om, keren je binnenste buiten met alle pijn van
dien, maar er zo ook wat in je kan opwellen van de levenskracht van God die helend en dragend is. En je er toch door
komt, en het gerooid hebt, volgehouden, verduurd en voltooid en het goed is: dit is mijn leven. Wat ik gewild heb, wat ik
gedaan heb. Wat mij gedaan werd, wat ik misdaan heb. Dat ik dit was en geen ander. Dit was mijn liefde God, hier ben
ik! .
|