Het
wonder van Gods land
STUDIE-INDEX
DE
HEILIGE SCHRIFT
CHRISTELIJKE
SYMBOLEN
De Bijbel is niet een
boek
wat je zomaar even van kaft tot kaft leest. Het kan lastig zijn om je
weg door de Bijbel te vinden, als je niet weet wat zich wanneer heeft
afgespeeld. Deze site kan je helpen om de Bijbel beter te leren kennen.
Ontdek de bron van vrede, het Woord van God:
Bijbelstudie
113 - Het wonder van Gods land
Mozes maakt de keus
Hoor je dat, dat huilen, het is in één van de
huizen van de Hebreeën?
Het is het huilen van een jongetje, het is het zoontje van Amram en
Jochebed. Het kindje was “uitnemend schoon”, in de
kantekenen staat dat hij schoon was voor God en dus besloten Amram en
Jochebed het kind niet in de Nijl, voor de krokodillen te laten werpen,
maar hem te verbergen.
Nu was hij drie maanden oud en begon hij eigelijk te rumoerig te
worden. Zo doende besloten Amram en Jochebed een oplossing te zoeken om
hem toch in leven te kunnen houden.
“Mirjam ik heb een vraag, zou jij bij de Nijl willen gaan
kijken wat er met je broertje gebeurt.”
“Waarom dan moeder?”
“Nou Mirjam, pa en ik hebben besloten dat we je broertje in
een
biezen kistje, met pek besmeerd, tussen het riet van de Nijl leggen,
dat is beter dan dat we hem thuis houden. Want hij begint steeds
rumoeriger te worden”
“O, dan zal ik maar gouw gaan kijken ma, en weg is
Mirjam.”
Na een tijdje komt ze terug, “Ma, ma, broertje is gevonden
door
de dochter van de Farao. Ze wilde zich gaan wassen en hoorde broertje
huilen. Toen liet ze hem uit het water halen.
Ik heb aangeboden een moeder voor hem te zoeken. Gaat u mee naar de
Nijl”
Aangekomen bij de Nijl, stond daar farao’s dochter. Zij vroeg
aan
Jochebed het kindje op te voeden en na een paar jaar bij haar op het
hof te brengen.
Na een tijd toen het zoontje van Amram en Jochebed wat groter
was, bracht Jochebed hem naar de dochter van de Farao en zij nam hem
ten zoon. Toen noemde zij hem Mozes en zei: “Want ik heb hem
uit
het water getogen.”
Daar gaat een man richting het volk van de Hebreeën, het is
Mozes.
Er staat in Exodus 2:11 “En het geschiedde in die dagen, toen
Mozes groot geworden was, dat hij uitging tot zijn broederen, en bezag
hun lasten; en hij zag, dat een Egyptisch man een Hebreeuwse man uit
zijn broederen sloeg.”
Hierin staat dat Mozes tot zijn volk ging toen hij groot geworden was.
Het woord ‘groot’ houdt in dat Mozes volgens
handelingen
7:23 een leeftijd van veertig jaar had.
Ook staat er duidelijk in, dat hij uitging tot zijn broederen. Hieruit
blijkt dat hij nog steeds een drang had om bij zijn geboortevolk, de
Hebreeën, te horen, waar hij maar een korte tijd bij was
opgegroeid. Het ontroerde Mozes dan ook hevig te zien hoe zijn volk
werd afgebeuld.
Mozes is nog maar net bij zij volk aangekomen en wat ziet hij daar, een
Egyptenaar slaat met een zweep een man, de man die geslagen word is een
Hebreeuwse.
Dat is niet normaal, een man uit mijn volk afranselen met een zweep. Is
die Egyptenaar wel lekker. Hij zal daar eerst eens een stokje voor
steken. In Handelingen 7:24 staat,” En ziende
één,
die onrecht leed, beschermde hij hem, en wreekte degene, dien overlast
geschiedde, en versloeg den Egyptenaar.
Deze handeling van Mozes was niet goed en is niet goed te praten, maar
hier zie je weer en heel duidelijk dat hij koos voor zijn geboortevolk
en voor hun God.
Hier kunnen we in de eerste plaats zien dat God Zijn Verbond ook aan
dit kind verzegelt. Als God een mens kiest, dan kiest die mens ook voor
God.
In de tweede plaats waren waarschijnlijk de ouders van Mozes, vooral
Jochebed, een instrument in Gods hand om op zeer vroege leeftijd Mozes
hun “zorgenkindje” op te voeden in Gods dienst.
Er staat in Romeinen
10:17 “Zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor
door het Woord Gods.”
Volgens Hebreeën 11:24 weigerde Mozes een zoon van
Farao’s
dochter genoemd te worden. Wie durfde zijn vorstin iets te weigeren, of
tegen haar wil in te gaan, dat is wat! Mozes wilde liever met het volk
van God kwalijk gehandeld te worden, dan voor een tijd de genieting der
zonde te hebben. Achtende de versmaadheid van Christus meerderen
rijkdom te zijn, dan de schatten in Egypte; want hij zag op de
vergelding des loons.
En hij had het zo goed gehad aan het hof van de Farao! Hij had daar
veel geleerd, dat staat in Handelingen 7:22 En Mozes werd
onderwezen in alle wijsheid der Egyptenaren; en was machtig in woorden
en in werken.
Nu koos hij voor Israël een volk wat opstandig was en veel
mopperde.
Maar ook koos hij voor God en niet voor het zondige volk van de
Egyptenaren wat veel afgoden en bijgeloof had.
En
als jij moest kiezen?
Waarom zou je wel eens moeten kiezen?
Heel je leven is toch al voor je bepaald?
Wie is er dan verantwoordelijk voor je woordkeus, je houden tegenover
anderen enzovoorts?
Ben jij en ik het zelf niet die de keus doe?
Waardoor laat jij je keus bepalen of beïnvloeden?
Door je vrienden of vriendinnen of door iets anders?
Mozes
koos voor Israël en hun geloof
Zou jij dit ook durven?
Kies jij voor je geloof en kom je op je school of op je werk er gewoon
voor uit dat je christelijk bent, durf jij midden in de kantine of aula
gewoon te bidden voor je eten?
Ik weet het wel,
zulke keuzes zijn niet makkelijk.
Maar toch, wat trekt je, die leuke muziek of iets anders.
Of vind je de kerk belangrijker?
In de bijbel staan ook voorbeelden van personen die keuzes moesten
maken ook van jongeren
Bijvoorbeeld in Genesis 13:11 Lot deed daar een keus tussen
Kanaän
en de ganse vlakte van de Jordaan, wat bevochtigd werd door de Jordaan.
Later bleek hij zo vergroeit te zijn met zijn gekozen plaats, dat hij
er bijna niet meer vandaan te krijgen was.
Ook in Genesis 39 staat een voorbeeld, hierin staat dat Jozef liever
door ging voor een ontrouwe slaaf, dan dat hij zou zondigen tegenover
God.
Zo stelde ook Elia in 1 koningen 18 vanaf vers19 het volk voor de keus:
Baäl of God; en het volk moest kiezen, direct!
Zo zijn er nog meer bijbelse voorbeelden te noemen.
Maar bij al deze keuzes komt duidelijk naar voren dat je niet de wereld
en je godsdienst kan kiezen. Het is of het één,
of het
ander
Zo ook moeten jij en ik kiezen in ons leven.
Dan moet je, je afvragen, kan ik deze keus verantwoorden tegenover God?
Dit geld zowel voor het persoonlijk leven als ook voor het gemeente
leven, hoe je daaraan met elkaar bouwt. Wie willen we eren God of de
wereld?
Alleen uit genade kan God ons de juiste keus laten doen.
Hij brengt op wegen waar zelf de dwaas niet kan dwalen.
Het volk, zo talrijk als de sterren aan de hemel, kreeg een eigen land.
Dat had God aan Abraham beloofd, wonen in het land Kanaan. Daar waar in
de tijd van Jacob en Jozef nog steeds andere volken hun land hadden,
zouden de nakomelingen van Abraham en Jozua. zich eens vestigen. Het
beloofde land. Maar nog niet het verkregen land. In de hele
geschiedenis gaat het om de komst van de Zoon van God op aarde. Jezus,
die geboren zal worden in het land, dat God Zijn volk beloofd heeft.
Het land, waarheen hij hen zalleiden.
De
uittocht uit Egypte

In de boeken Exodus en Numeri staat de geschiedenis van de reis van het
volk Israël naar het beloofde land. Maar eerst wordt verteld
over
de onderdrukking, die het volk moest ondergaan en over de moorden (Ex,
1, 2) op hun jongetjes. Eén van de jongetjes die gedood
moest
worden was Mozes.
God zorgt ervoor dat Mozes van de verdrinkingsdood gered wordt en leidt
zijn leven zodanig, dat hij wordt opgevoed aan het hof van de
Egyptische Farao. Mozes wordt onderwezen 'in al de wijsheid van de
Egyptenaren' .Ondanks die opvoeding kiest Mozes op latere leef tijd
vóór zijn eigen volk en daarmee (Hebr, 11: 24,27)
vóór God.
In Exodus 3 en 4 wordt dan beschreven hoe God Mozes roept nadat Hij
veertig jaar van zijn volk gescheiden was geweest omdat hij moest
vluchten voor de Farao. God verscheen aan Mozes als een vuurvlam in een
Ex. (3 : 2) braamstruik; Hij gaf Mozes de opdracht, het volk
Israël uit Egypte weg te leiden. God openbaart Zich dan voor
het
eerst onder Zijn Naam Jahwe: Ik ben.
De Farao van Egypte laat het volk echter niet zo gemakkelijk los. Pas
na tien vreselijke plagen laat de koning van Egypte het volk
Israël gaan. (Ex.5-11)
Bij de tiende plaag, als alle oudste jongens van de Egyptische gezinnen
sterven, stelt God voor Zijn volk het Pascha in. De
Israëlieten
moesten een lam slachten en het bloed ervan aan de deurposten bij de
ingang van hun huizen strijken. Bij het zien van (Ex. 12) dat bloed zou
God Zijn straf hun deur doen voorbijgaan: Pascha betekent voorbijgang.
In alle huizen waar geen bloed aan de deurpost gestreken was, zouden de
oudste jongens sterven. Het bloed van het lam redde van de dood. Het
was een teken van de Verlosser die zou komen, de Messias, het Lam
waarvan (Joh. 1; 29) het bloed werkelijk van de dood en (I Cor. 5 ; 7)
van de zonde redden zal. ' Zie het (I Petr. 1;18,19) Lam Gods, dat de
zonde der wereld (Openb. 5) wegneemt.
Vanaf dat moment zal Israël jaarlijks het Pascha vieren als
herdenking van de manier waarop God Zijn volk uit Egypte had laten
wegtrekken. Die jaarlijkse viering van het Pascha zag ook vooruit naar
het offer van Jezus aan het kruis. Evenals de besnijdenis was het
Pascha een teken van het komende lijden en sterven van Jezus Christus.
En toen Jzus eenmaal aan het kruis zijn bloed gegeven had, Zichzelf
geofferd had, waren de bloedige tekenen van besnijdenis en Pascha niet
meer nodig. De tekenen waren werkelijkheid ge- worden.
Nu worden Doop en (Luc.22;14-20) Avondmaal gevierd als tekenen dat
Jezus Zijn leven gegeven heeft. Wij zien erop terug; de
Israëlieten zagen er naar uit.
Als het volk vertrokken is uit Egypte probeert de Farao toch nog hen
weer terug te krijgen. Maar terwijl het volk Israël met droge
voeten tussen de muren van water doorloopt, komt het Egyptische leger,
dat Farao hen achterna gestuurd heeft, om in de golven van de Rode Zee
(Schelfzee). Na die doortocht door de Rode Zee is het volk definitief
bevrijd van de (Ex.14) Egyptische onderdrukking. Vooraf- gegaan door
een wolk, die 's nachts licht geeft, trekt Israël door de
woestijn. Niet direct naar het Land .Kanaan, maar eerst naar de berg
Horeb (Sinaï), zoals God tegen Mozes (Ex. 3: 12) gezegd had.
Het verslag van die reis staat in Exodus 13: 17 -19: 25; Exodus 32;
Exodus 33; Exodus 34: 1-35; Numeri 10: 11-36; Numeri 11; Numeri 12;
Numeri 13 en Numeri 14 : 1-45.
Een
ontevreden volk - Een trouwe God
Het verslag van de reis door de woestijn is niet bepaald een verhaal
over dankbare mensen, die blij zijn met hun bevrijding en gelukkig
uitzien naar de toekomst die hun te wachten staat. Het volk van God
blijkt telkens weer een ontevreden, een balsturig en weerbarstig volk
te zijn. Nooit tevreden. Nooit eens dankbaar. En altijd tegen de draad
in. Maar daartegenover is het wel het verhaal waaruit de grote trouw
van God blijkt. Als Zijn liefde wordt geminacht kan Hij Zijn volk
streng straffen. Maar Hij blijft altijd hun God. Want Hij is trouw aan
Zijn verbond met Abraham.
Toen het volk geen eten meer had gaf Hij hun manna, 'brood uit de
hemel'. Toen (Ex.16) er geen water was gaf Hij hun water uit de rots.
God leidde Zijn volk (Ex. 17: 1-7 1) door de woestijn. Een wolk ging
hen voor. Zo kwamen :ze bij de Horeb. ,
Dat wordt een heel belangrijk moment (Ex. 19-20:21) in de geschiedenis
van het volk Israël. Daar, bij de Horeb, geeft God Zijn volk
Zijn
wet, de tien geboden. Daar krijgt Mozes ook van God al de voorschriften
en wetten .1
die het volk moet gaan naleven. Dan (Ex.25.31:11) schrijft God ook
nauwkeurig voor (Ex. 35 : 30-40:38) hoe de tabernakel moet worden
gebouwd en ingericht en hoe de dienst (Lev. 1-9) daarin moet
plaatshebben.
Zelfs op dat heel belangrijke moment in zijn bestaan bewijst het volk
van God hoe ongelovig het eigenlijk (Ex. 32, 33) Mozes heeft een
ontmoeting met God op de berg. Als hij dan lang wegblijft wordt het
volk ongeduldig. Het mist een leider. En God is ver weg en onzichtbaar.
Ze gaan zich dan een zichtbaar beeld maken van God, een gouden kalf,
zoals ze dat in Egypte hadden gezien. Het betekende een verloochening
van God. Hun eigenwijze godsdienst brengt hun ondergang nabij. God
straft hard. Drieduizend mannen worden gedood. En alleen door het
dringend gebed van Mozes voor zijn volk, redt God Israël toch
nog
van de totale ondergang. Mozes biedt zelfs aan dat (Ex. 32 : 32) hij de
straf van God wil dragen in plaats van het volk. God wijst dat offer
van Mozes af. Niet Mozes redt het volk, hun redding is de genade van
God. Hij kan het volk waaraan Hij zich verbonden heeft en waaruit Zijn
Zoon moet voortkomen niet aan z'n lot overlaten.
Zonder
vertrouwen aan de grenzen van het beloofde land
Voordat de inval in het land Kanaan zal plaats hebben worden
verspieders uitgezonden om het land te verkennen. Ze blijven veertig
dagen weg. En na hun terugkomst brengen ze verslag uit. Ze zijn het er
allemaal over eens, dat het een rijk en vruchtbaar land is. Maar
slechts twee van de twaalf verspieders zien het land ook als het
belóófde land. Als het land van God, dat hij voor
het
volk Israël had bestemd en daarom aan hen in bezit zal geven.
De
andere tien hebben het land gezien als een land waarin sterke vijanden
woonden. Vijanden, tegen wie ze niet zijn opgewassen. Ze durven het
land niet binnen te trekken, omdat zij twijfe- len aan de macht van
God, Zijn beloften niet aanvaarden. Het hele volk Israël staat
achter die tien verspie- ders. Het volk vertrouwt niet op God.
God straft hen daarvoor. Ze zullen moeten blijven rondzwerven in de
woestijn, tot die hele oudere generatie gestorven is. Alleen het nieuwe
geslacht zal het land mogen binnengaan, samen met Jozua en Kaleb, de
twee verkenners die wel hun"vertrouwen op God hadden gesteld. (Num 13,
14)
Ook Mozes en Aaron mogen tenslotte het beloofde land niet binnen- gaan.
Zij hebben niet precies gedaan wat God hun gezegd had. Toen het volk
tijdens de rondzwervingen in de woestijn, oproerig werd omdat er geen
water was, kreeg Mozes de opdracht van God tegen de rots te spreken
opdat er water uit zou komen. Dat spréken zou voldoende
zijn.
Maar een woedende Mozes sláát op de rots; zo
maakt hij
dat de Israëlieten de macht van God niet kunnen zien. Het
lijkt nu
of Mozes zelf met zijn wonderstaf voor water uit de rots gezorgd heeft.
God maakt geen onderscheid voor Mozes en evenmin voor Aaron. Door hun
ongehoorzaamheid blijft Kanaan ook Num. (20; 2-13) voor hen gesloten.
Het
beloofde land wordt het verkregen land
Na veertig jaar zwerven in de (Num.27:12-23) woestijn leidt Jozua, de
opvolger van Mozes, het volk het land binnen. Die intocht wordt
beschreven in het boek Jozua. Eigenlijk had het volk het bezit van het
land Kanaan verspeeld. Maar toch geeft God hun dit land. Omdat Hij dat
aan Abraham, Isaak en Jacob beloofd had. En omdat Hij met Zijn volk nog
verdere bedoelingen had.
De veroveringen van het land gaan, zoals zoveel in de geschiedenis van
Israël, langs een bijzondere weg. Net als bij de uittocht van
Egypte komt het volk weer voor water te staan. De rivier de Jordaan
scheidt het volk van het beloofde land. De macht van (Joz. 3) God maakt
dan voor hen een pad door de rivier. Een nieuw, levensgroot
obstakelligt dan vóór hen: de sterke vestingstad
Jericho.
Alleen door enkel.sterk bewaakte poorten is de stad te bereiken.
Maar God heeft geen geweld nodig om die stad te veroveren. Hij laat het
volk een stille rondgang maken rond de stad. Zeven dagen lang. En op de
zevende dag zeven keer. De Israëlieten lopen achter de ark
aan,
het teken dat God temidden van Zijn volk is. Na de ze- vende rondgang
op de zevende dag wordt op trompetten geblazen en heft het volk een
gejuich aan. De sterke muren van de stad storten in: de toegang tot het
land is vrij .
(Joz. 6) De verovering van Jericho, de verovering van Kanaan is niet
het werk van het volk Israël. Het is het werk van God. Door
het
geloof. Jericho moet op bevel van God als een (Hebr. 11: 30) verwoeste
stad blijven liggen. Door dit 'monument' moet Israël er voor
altijd aan herinnerd worden, dat het niet door eigen kracht het land
heeft veroverd. Het bezit van het land hebben zij alleen te danken, aan
de genade van God. De genadige God, die Rachab, de hoer die de
verspieders verborgen gehouden heeft, redt en zelfs tot stammoeder van
Jezus maakt. (Matth, 1":-5)
God
is rechtvaardig
Israëlieten die Zijn beloften niet konden geloven en
aanvaarden,
komen het beloofde land niet binnen. Ze sterven allen in de woestijn.
God is barmhartig. Een niet-israëlietische vrouw, een hoer nog
wel, die erkent dat Hij betrouwbaar is wordt gered en in Zijn (Joz. 2 :
9-13) volk opgenomen.



















