holyhome
bijbelstudie 106

Het geweldige wonder van
Het Verbond !
Het wonder van Het Verbond.
(Gen.15-17) Geloven, wat is dat? Geloven is vertrouwen op God en op wat
Hij beloofd heeft. Geloven is de weg gaan die God bevolen heeft. Soms
vervult God zijn beloften niet zo snel als wij gedacht hadden. Dan kan
de mens gaan twijfelen. Dan zal een mens zich kunnen gaan afvragen of
het wel waar is wat God beloofd heeft. De mens wil graag houvast
hebben; heeft graag iemand waarop hij onder alle omstandigheden
áán kan.
Geloven op Zijn Woord
Abram had ook moeite met de belofte van God, Al jaren woonde hij als
vreemdeling in Kanaan, Hij is nu bijna honderd jaar oud, Saraï
bijna negentig. En nog steeds hebben ze geen kinderen. Er is dus alle
reden te gaan twijfelen aan de belofte van God; God die beloofde, dat
Abram en Saraï een nageslacht zouden krijgen zo groot als (Gen.
15: 1-3) het aantal sterren aan de hemel. (Gen. 16: 1-2) Abram gaat
denken, dat één van zijn (Gen. 18:11,12) slaven dan we
erfgenaam zal zijn, En ook Saraï denkt op die manier (Gen.12: 2,
3). Maar God blijft hun Vader , (Gen.13:14-17) Hij blijft zijn kinderen
opzoeken en (Gen.15: 1-5) blijft tot hen spreken.
God herhaalt (Gen.17: 1-7) zijn belofte aan Abram telkens weer. (Gen. 17:~5, 16)
En (Gen. 18. 1-15) iedere keer doet God dat iets uitvoeriger.
Eén ding moet Abram en Saraï duidelijk worden: wat bij
mensen onmogelijk is, dat is bij Gód wel mogelijk. Abram had
natuurlijk nog geen Bijbel, zoals wij die nu wel hebben. Hij kon dus
niet telkens nalezen wat God tegen hem gezegd had. Hij (Gen.12: 8)
zoekt wel contact met God. Hij "roept de Naam des HEREN aan".
Dat aanroepen van de naam van God is te vergelijken met wat veel later
de "openbare eredienst" (de kerkdienst) genoemd zal worden. God zelf
zorgde ervoor dat Abram bleef geloven in de beloften van zijn God. God
had Abram twee dingen beloofd: nakomelingen én land, waarin die
nakomelingen kunnen leven.
Het Verbond tussen God en mensen
God liet het niet bij een woord van belofte alleen. Hij gaf ook een
teken aan Abram. Op een nacht spreekt (Gen. 15) God tot Abram: God
vraagt Abram eens naar boven te kijken. En toen Abram daar de
schittering van de sterren zag, vroeg God hem die sterren eens te
tellen, als hij ze tenminste tellen kon. Abram zal er misschien wel
niet aan begonnen zijn, zo min als wij dat zouden doen. En dan zegt
(Gen.15: 5) God 'zo zal uw nageslacht zijn'.
Abram geloofde toen zijn God. De God, die iedere nacht die ontelbare
sterren liet schijnen was vast en ze- ker ook bij machte zijn
nageslacht ontelbaar in aantal te maken. Ook met de belofte van God
over het land had Abram moeite. Daarom sluit God met hem een Verbond.
Een Verbond als de bijzondere bekrachtiging van Zijn belofte.
Dat was een unieke gebeurtenis. De heilige God verbindt Zich met een
zondig mens als Abram. Door de zichtbare handeling van het sluiten van
het Verbond, stelt God Zich garant om wat Hij beloofd heeft, ook
werkelijk waar te maken. Hij zal het beloofde (Gen. 15: 18) land aan
Abram geven. Abram moest zelf de voorbereidingen voor het sluiten van
het Verbond treffen. Hij moest drie dieren doden, ze middendoor delen,
daarna tegenover elkaar leggen met enige ruimte ertussen, zodat tussen
de stukken door kon worden gelopen. Dat was in die tijd een gewoonte.
Wie tussen geslachte dieren door liep, gaf daar mee te kennen: wat met
die dieren gebeurd was, mocht ook met hem gebeuren, als hij zich niet
aan het verbond, de overeenkomst zou houden.
Als dit unieke Verbond gesloten wordt, gaat God niet met Abram tussen
de geslachte dieren door. In een nachtelijk visioen, ziet Abram een
rokende oven en een vurige fakkel (Gen.15: 17) kel tussen de stukken
doorgaan. Hij zag God alléén tussen de stukken door gaan.
Abram gaat niet. Hij is de ontvangende partij; hij kan immers niets
aanbieden. God heeft de beloften, die Hij aan Abram gegeven heeft,
nageslacht en land, daarna ook bevestigd door op de sterren te wijzen
en een Verbond met Abram te sluiten. God gaf te kennen dat het Hem
ernst was met zijn beloften.
God Almachtig
Al inmiddels 25 jaar in het land Kanaan; maar nog steeds geen kinderen!
Naar menselijke maatstaven zouden Abram en Saraï, oud als ze
waren, nu ook geen kinderen meer kunnen krijgen. Waarom had God zijn
belofte niet vervuld?
Abram en Saraï moesten leren, teten alle menselijke berekening in,
te blijven vertrouwen op God de HERE' Ik ben God, de Almachtige! zegt
.God daarom dan tegen hem. Abram kende God al als de Allerhoogste God,
de Schepper van de hemel en de aarde. Nu leert God Abram ook dat Hij
bij machte is alles te doen wat Hij wil. Voor God, de Almachtige, staat
de toekomst van Abram vast; voor Abram moet dat net zo zeker zijn.
God legt die verre toekomst vast in de nieuwe namen, die hij geeft.
Vanaf dat ogenblik is het Abraham en Sara geworden. Die nieuwe namen
die God geeft, hebben symbolische betekenis. Het betekent een
verandering van positie; de persoon op wie de nieuwe naam betrekking
heeft, wordt door die nieuwe naam aan de gever van de naam verbonden.
De gewoonte van het geven van nieuwe namen komt veelvuldig voor , ook
onder andere volken. De naam van Jozef verandert in Zafnath Paaneach
als hij onderkoning van de (Gen. 41 : 45) Farao van Egypte wordt.
Daniël krijgt de naam Beltsazar als hij in dienst genomen wordt
door de koning(Dan. 1: 7) ning van Babel.
Als God mensen een nieuwe naam geeft, betekent dat eveneens, dat de
ontvanger van die naam in een volkomen andere positie wordt geplaatst.
Hij ontvangt een nieuwe opdracht, wordt door God in dienst (Openb. 2 :
17) genomen en begint als het ware een nieuw leven. aco wor srae .
Hosea wordt Jozua. Abram wordt Abraham. Saraï wordt Sara. De
nieuwe namen die God hen geeft, betekenen dat zij nu worden
klaargemaakt om in Zijn dienst te treden. Want er zal iets totaal
nieuws gaan gebeuren. Abram, zonder zoon, zal worden Abraham, de vader
(Gen 17: 5) van een menigte volken. En Saraï, de onvruchtbare, zal
Sara zijn, de moeder (Gen.17:15,16) der van koningen van volken.
God was bezig hen zover te brengen, dat zij onvoorwaardelijk in Hem
zouden geloven, onvoorwaardelijk vertrouwen zouden hebben. Nadat God
Zijn Verbond met hen had gesloten, gaat Hij dat nu nadere in- houd
geven: 'Wat Mij aangaat, zie, Mijn verbond is met u! ' 'En wat u
(Gen.17: 4) aangaat, gij zult Mijn verbond houden (Gen. 17: 9), gij en
uw nageslacht in hun geslachten! ,
Let wel: God eist
God, hoe heilig Hij ook is, heeft Zich ontfermd over de zondige,
onheilige mens. Het Verbond maakte bevrijding van zonde mogelijk;
maakte het mogelijk, dat Abraham een nieuw leven begon, een leven door
het geloof . Het was God, die daarmee begon. Ik ben uw God, zei Hij
tegen Abra- ham. Nu zullen Abraham en zijn nakomelingen, ja moeten
zeggen tegen God. Door Hem te erkennen, Hem op Zijn Woord te geloven en
naar Zijn wil te leven. God stelde een teken in, dat zij moesten
aanbrengen: de besnijdenis. 'Wie acht dagen oud (Gen.17:11,12) is, zal
bij u besneden worden, a! wat mannelijk is in uw geslachten; gij zult
het vlees van uw voorhuid laten besnijden, en dat zal u tot een teken
zijn van het verbond tussen Mij en u.' De besnijdenis was een kleine
operatie aan het mannelijk geslachtsdeel: een stukje huid, de
'voorhuid' werd daarbij weggesneden.
En ook: God dreigt
Abraham en zijn nakomelingen moesten van hun kant het Verbond met God
aanvaarden. Ze moesten dat tonen door hun jongetjes, als ze acht dagen
oud waren te laten besnijden. Wie dat niet deed, zou door God gestraft
worden. De onbesnede- ne moest worden gedood omdat het (Gen 17 :14)
Verbond verbroken was
Het Verbond is nog steeds van kracht. Het Verbond, dat God met Abraham
sloot, geldt nog steeds. Zoals God in de tijd van het Oude Testa- ment
(testament = verbond), Zijn verbond sloot tussen Zichzelf en Abraham en
zijn nageslacht, zo sluit Hij nu een verbond met de gelovigen en hun
kinderen. En het teken van dat nieuwe verbond is de doop. De belofte
van nakomelingen en land aan Abraham was niet maar om een oud echtpaar
wat warmte en vreugde te geven; om een zwervende nomade op z'n oude dag
wat zekerheid en rust te geven. Het Verbond had een veel diepere
betekenis. Uit het nageslacht van Abraham zou later Jezus Christus, de
Messias, geboren worden in het land dat God beloofd had. De besnijdenis
was een teken, dat wees op de toekomst: er moest voor de zonde betaald
worden.
In het Nieuwe Verbond belooft God vergeving van de zonde en eeuwig
leven. Het niet-bloedige teken, de doop, wijst naar het verleden: er is
al voor de zonde betaald. Er hoeft nu geen bloed meer te vloeien: Het
bloed van Jezus, dat Hij aan het kruis vergoot, is genoeg. Het water
van de doop, betekent het wegwassen van alle zonde: vergeving. Onder
(Hand. 2:38-40) het oude Verbond bleef de belofte (Hand. 22 : 16) van
God beperkt tot het volk Israël.
Nu, in de tijd van het Nieuwe Verbond (Rom.4), geldt de belofte voor de
gelovigen (Gal. 3) uit alle volken. Nu doelt de belofte op een ander
land: de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, waarvan het land Kanaan
vroeger een afbeelding was. (Hebr. 11:8-16).
|