OVER
DE BRIEF AAN DE FILIPPENZEN
STUDIE-INDEX
DE
HEILIGE SCHRIFT
CHRISTELIJKE
SYMBOLEN
De Bijbel is niet een
boek
wat je zomaar even van kaft tot kaft leest. Het kan lastig zijn om je
weg door de Bijbel te vinden, als je niet weet wat zich wanneer heeft
afgespeeld. Deze site kan je helpen om de Bijbel beter te leren kennen.
Ontdek de bron van vrede, het Woord van God:
Bijbelstudie
2012 - OVER DE BRIEF AAN DE FILIPPENZEN
Enkele algemene opmerkingen
Voordat we de brief aan de Filippenzen gaan bekijken, willen we eerst
kijken naar de stad Filippi en naar de mensen die daar woonden. Wat was
het voor een stad? Wat voor mensen woonden er? Hoe was Paulus met deze
mensen in contact gekomen? Filippi was een Romeinse provinciehoofdstad
in Macedonië. Belangrijke bronnen van inkomsten waren de goud- en
zilvermijnen, die in de buurt lagen. Er woonden veel Romeinen in de
stad. Met name soldaten en oudgedienden uit het leger. Volgens Hand.
16:12 was Filippi zelfs een Romeinse kolonie met bijzondere
voorrechten. De burgers van Filippi waren Romeins burger.
Daarnaast had de stad ook het zogenaamde 'Ius Italicam', dit betekende
dat de burgers van die stad gelijke rechten hadden als de bewoners van
Italië. Er woonden waarschijnlijk niet veel Joden, want volgens
Hand. 16:13 was er geen synagoge. De joden die er woonden, voornamelijk
vrouwen, kwamen samen bij de rivier.
In Hand. 16 lezen we hoe Paulus met de stad Filippi in aanraking is
gekomen (omstreeks het jaar 50). Als Paulus bezig is met zijn tweede
zendingsreis krijgt hij in Troas het visioen van de Macedonische man.
God roept hem met zijn medewerkers (Silas, Timotheüs en Lucas)
naar Europa. Paulus is de eerste keer niet lang in Filippi geweest.
Toch is er in de korte tijd dat hij daar was heel veel gebeurd. We
lezen hierover in Hand. 16.
Als Paulus en Silas enkele dagen in Filippi zijn, gaan ze op de sabbat
naar de samenkomst van de joodse vrouwen bij de rivier buiten de stad.
In vers 14 maken we kennis met één van die vrouwen:
Lydia. De Heere opent haar hart en zij wordt geraakt door wat Paulus en
Silas verkondigen. Zij komt tot geloof en laat zich dopen. Lydia is de
eerste christen in Filippi en ook de eerste christen in Europa. Direct
na haar bekering zien we dat het geloof van Lydia ook heel praktisch
tot uitdrukking komt. Zij neemt Paulus en zijn medewerkers in huis.
Deze hartelijkheid en de zorg voor elkaar blijft kenmerkend voor de
relatie tussen Paulus en de gemeente in Filippi.
Maar waar het evangelie gaat werken, wordt ook de satan actief. Als
Paulus op een dag bij een waarzegster een boze geest uitdrijft, komen
haar bazen in opstand (vs. 16 e.v.). Ze beschuldigen hen van oproer en
zetten hun boodschap in een kwaad daglicht. Paulus en Silas worden
gegeseld en komen in de gevangenis terecht. Het lijkt alsof het
Evangelie in Europa in de kiem gesmoord wordt. Maar dan lezen we van
het geweldige getuigenis van Paulus en Silas; midden in de nacht, in de
gevangenis, zingen ze lofliederen voor God! Dit getuigenis heeft grote
gevolgen. Er komt een aardbeving en de deuren van de gevangenis gaan
open. Maar wonderlijk genoeg gaat geen van de gevangenen op de loop. Ze
zijn allen diep onder de indruk. Het meest onder de indruk is echter de
gevangenbewaarder. Hij komt tot geloof en laat zich met zijn hele huis
dopen. Ook de stadsbestuurders merken dat er wonderlijke dingen
gebeuren in hun stad sinds Paulus en Silas er zijn. Zij krijgen het er
benauwd van en vragen hen dringend om de stad te verlaten (vs.38-39).
Paulus en Silas verlaten de stad, maar het Evangelie blijft en werkt door. Er ontstaat een gemeente.
De band tussen Paulus en de gemeente in Filippi is altijd bijzonder
hartelijk geweest. Waarschijnlijk is er veelvuldig contact geweest. Op
de derde zendingsreis heeft Paulus opnieuw de gemeente bezocht.
Verschillende keren heeft de gemeente hem geholpen, hoewel de mensen
het zelf niet breed hadden. Uit Fil.4:16 blijkt dat men Paulus in
Thessalonika zelfs meerdere malen had gesteund door giften. En in
Efeze, waar de Filippenzenbrief geschreven is, heeft hij Epafroditus
ontvangen als afgezant van Filippi om hem opnieuw door hun gaven te
helpen. Als we de brief aan de Filippenzen gaan lezen zullen we deze
hartelijkheid ook steeds weer tegenkomen. Blijdschap is het kernwoord
van deze brief.
Het ware medeleven
De tijd van de bedéling is gelukkig voorbij. Als je leest en
hoort over de tijd van vóór de Tweede Wereldoorlog en nog
eerder, dan moet je je soms afvragen: was dat nu de 'goeie ouwe tijd?
Wat een armoede is er toen geleden en wat een hardheid is toen vaak
tentoongespreid, ook door de kerk. Het werkwoord 'bedelen', speelde in
het diaconale werk.van toen een grote rol. En wie van de
bedéling moest leven, voelde zich soms als een bedelaar.
"Wat is er dan veel veranderd in
kerk en maatschappij. Ja, maar niet in alles ten goede. Gelukkig hoeft
niemand meer van de bedeling te leven. Toch wordt er nu, ook in
Nederland, nog veel verborgen armoede geleden. Vroeger was de armoede
vaak meer zichtbaar. De hulp (het diaconale werk) was daardoor voor
veel mensen ook persoonlijker en concreter. Tegenwoordig is er vaak
veel meer onpersoonlijke naastenliefde. Het diaconale werk staat verder
van ons bed. Als ik zo nu en dan maar wat in een collectebus stop of
mijn gaven geef in de kerkenzak, dan is het wel in orde. Verder zijn er
genoeg verenigingen, instellingen en commissies voor, zo menen we vaak.
En trouwens: we betalen nog al wat belasting en daar moet de overheid
dan maar uit putten om bepaalde mensen uit de nood te helpen.
Het volgende bijbelgedeelte
spreekt over het ware medeleven' en dan gaat het over: gedenken -
gemeenschap - vruchtenoffer - vervullen - en in dat alles: verblijd
zijn.
Lezen: Filippenzen 4:10-23
Overzicht van het bijbelgedeelte
Nu, bijna aan het einde van de brief, komt de aanleiding waarom deze
brief geschreven is naar voren. Paulus bedankt de Filippenzen voor de
ondersteuning (in geld of in natura) die hij van hen ontvangen heeft.
Paulus dankt niet in de eerste plaats voor de hoeveelheid die hij
gekregen heeft, maar hij bedankt hen vooral voor hun medeleven. Niet
dat Paulus zonder hun steun niet zou kunnen leven. We lezen in vers 11
en 12 dat hij is ingewijd in alle levensomstandigheden. Hij heeft
geleerd te leven in rijkdom en in armoede. Hij heeft geleerd om
tevreden te zijn met de omstandigheden waarin hij "verkeert. Hij kan al
die omstandigheden aan. Niet omdat hij zelf zo sterk of zo standvastig
is, maar omdat Christus hem daarvoor de kracht geeft.
Paulus ziet het medeleven van de
Filippenzen vooral als een geloofsdaad. Daarom wijst hij dit medeleven
niet van de hand, maar gaat hij er op in en spreekt er vrijmoedig over.
In vers 17 zegt Paulus nog een keer duidelijk dat hij er niet zelf
beter van wil worden. Hij ziet het medeleven met de daad, in geld zou
je kunnen zeggen, als vrucht van het geloof. Zowel het geven als het in
ontvangst nemen van geldelijke steun mag en moet in het geloof
gebeuren. Dan is het geen kwestie van bedeeld worden of bedelen, maar
een zaak van medeleven. Dan zal het zijn als een offer voor God. Dan
zal God er ook een welgevallen in hebben. Zulke offers zijn Hem
aangenaam (zie Hebr. 13:16). Paulus beantwoordt het medeleven van de
Filippenzen met wederzijds medeleven. Hij verzekert de Filippenzen
ervan dat zijn God, naar Zijn rijkdom in al hun behoeften zal voorzien
(vers 19).
Zo zet Paulus de tekenen van
medeleven in groter verband. Hij laat er hemels licht op vallen. En
omdat hij dat kan, is hij blij. Daarom loopt het uit op de
verheerlijking van God (vers 20).
Hoewel Paulus de gaven van de Filippenzen helemaal in het licht van het
geloof plaatst, betekent dat niet dat het hem onverschillig is of de
Filippenzen hem wat zenden of niet. Juist het medeleven van die
gemeente die hem zo lief is, doet hem goed en bemoedigt hem. Hij wijst
erop dat zij de enige gemeente zijn die hem iets terug geeft voor alles
wat ze van hem gekregen hebben. En dat niet één keer,
maar iedere keer opnieuw. Door de hele brief heen zagen we al dat er
een innige band was tussen Paulus en de Filippenzen. Ze waren echt
vrienden. Zowel op geestelijk gebied als op materieel gebied kwam dat
tot uiting.
Nadat Paulus de eigenlijke inhoud van de brief bij vers 20 heeft
afgesloten, eindigt hij zijn brief op de gebruikelijke wijze. Eerst
groet hij zelf al de christenen in Filippi. Vervolgens brengt hij ook
de groeten over van allen die bij hem zijn, van alle christenen met
name van de christenen die in dienst bij de keizer zijn. Tenslotte
geeft hij hen de apostolische zegen.
Aantekeningen
vers 10 ‘verwakkerd': letterlijk staat er 'opgebloeid'. Dit
is dus het beeld van een boom die in de winter afgestorven schijnt te
zijn, maar in de lente toch weer gaat uitlopen.
vers 11 Vergenoegd': hierbij moeten we niet denken aan
zelfvoldaan, maar aan genoegen nemen met, geleerd om genoegen te nemen
met.
vers 13 Vermag': in staat zijn te doen, aankunnen. 'kracht
geeft': Het griekse werkwoord dat hier gebruikt wordt geeft een
tegenwoordige en een voortdurende handeling aan. Dus Christus geeft nu
kracht, maar blijft dat ook voortdurend doen.
vers 15 Paulus gebruikt hier en in de volgende verzen het
beeld van een rekening opmaken. De Filippenzen hebben van hem wat
ontvangen en staan zodoende bij hem in de schuld. De enige gemeente die
Paulus wat betaald heeft voor wat zij van hem ontvangen hebben. Luther
vertaalt dit vers als volgt: 'Gij Filippiërs weet ook zelve, dat
van het begin des Evangelies af, toen ik vertrok uit Macedonië,
geen gemeente met mij ene rekening heeft gemaakt om voor mij te geven
naar hetgeen zij ontvangen heeft, dan gij alleen.'
vers 18 'een welriekende reuk': Paulus gebruikt hier een term,
die ontleend is aan de offerplechtigheden in de tempel te Jeruzalem. De
dankoffers in het oude Israël waren aangenaam bij God. Zo ook de
dankoffers in het Nieuwe Testament, bijv. in geld of natura voor hen,
die in het Evangelie dienen.
vers 22 Van het huis des keizers1: In het Grieks staat er
'uit...'. Het gaat hier dus om de christenen die behoren tot het
keizerlijk dienstpersoneel in het rechthuis in Efeze, zowel slaven als
vrijen (zie ook 1:13).
Toespitsing
De zorg voor elkaar, daar gaat het in dit gedeelte concreet over. Wij
maken vaak een onderscheid tussen geestelijke zaken en materiele zaken.
Maar we zien in dit gedeelte dat deze dingen helemaal met elkaar
verweven zijn. De Filippenzen hebben op geestelijk gebied heel veel van
Paulus ontvangen. Zij danken hem daarvoor door middel van materiele
ondersteuning. Paulus op zijn beurt interpreteert deze steun weer als
vruchten van het geloof van de Filippenzen en verzekert hen dat God hen
daarvoor zal belonen.
Wij leven in een maatschappij waarin alles om het
materiële lijkt te draaien. Kijk maar naar de reclame. Tevreden
zijn met wat je hebt is er niet bij. Nee, je moet het nieuwste van het
nieuwste proberen. Je moet met de nieuwste mode meedoen, want wat je nu
hebt is al weer verouderd. En ons geloof dan? Dat is voor ons gevoel
vaak een heel ander levensterrein. Dat heeft niet zoveel met het
materiële te maken. 'Nee', zegt Paulus, 'gemeenschap hebben in het
geloof betekent ook de ander dienen met de materiele dingen die je
hebt.' En dat houdt meer in dan elke week een gulden in de kerkenzak
doen. Die ene gulden kunnen we allemaal wel missen.
Nee, het geloof vraagt om (offers) van. dankbaarheid. Een offer vraagt wat van je. Misschien financieel, misschien in tijd, hoe dan ook een ding is zeker, een offer maakt je er bewust van dat Christus ook Heer en Meester is over de materiele kant van ons leven. Niet de reclame bepaalt hoe wij moeten leven, maar we moeten iedere keer vragen: 'Heere, wat wilt U dat ik doen zal?' Als je zo leert leven zul je merken da er ook een stuk van onze menselijke bezorgdheid weg zal vallen (Fil. 4:6). Je zult ervaren dat Christus kracht zal geven voor je leven onder alle omstandigheden (Fil. 4:13).



















