holyhome
bijbelstudie 030

evangelieverhaal:
Johannes
Het
evangelie van Johannes draagt een heel ander karakter dan de drie
andere evangeliën. Maar evenals de andere is dit evangelie
geschreven voor de kerk van alle eeuwen. Ook Johannes richt zich in
zijn boek tot de lezers van alle tijden: 'Jezus (Joh. 20:30, 31) heeft
nog wel vele andere tekenen voor de ogen Zijner discipelen gedaan, die
niet beschreven zijn in dit boek, maar deze zijn geschreven, opdat gij
gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zoon van God, en opdat gij,
gelovende, het leven hebt in Zijn Naam.
Johannes was een van de discipelen van Jezus. In zijn boek noemt hij
uit bescheidenheid zijn eigen naam niet, maar omschrijft die met
uitdrukkingen (Joh. 13:23) als 'de discipel, dien Jezus liefhad', of
met 'een
Zalig zij, die niet gezien hebben Ien toch geloven
Het evangelie van Johannes kent een diepte die met verwondering vervult.
Sommige mensen hebben gedacht aan griekse en heidense invloeden in het
evangelie van Johannes: Het zou ,veel 'geestelijker' zijn dan de
andere. Maar het is duidelijk dat het diep verankerd ligt in het Oude
Testament en niet in de grieks-heidense wereld. Dat blijkt uit de
talloze malen dat Johannes verwijst naar het Oude Testament. Jezus
wordt genoemd 'het Lam Gods', een duidelijke (Joh. 1:29,36)
wijzing naar het Paaslam, dat ten tijde van het Oude Testament bewaarde
(Ex. 12)voor het verderf. Johannes vermeldt ook, dat Jezus zichzelf
noemt 'het ware brood uit de hemel'. Daarmee (Joh.6:22-51) herinnert
hij aan het 'brood uit de hemel' , het manna waarmee de
Israëlieten werden gevoed in de (Ex. 16) woestijn.
Johannes wil zijn lezers brengen tot het geloof dat Jezus de Christus
is, de Zoon van God. Hij vermeldt daarom in zijn evangelie veel
getuigenissen van mensen die Jezus als Messias en als Zoon van God
erkend hebben: belijdenissen van Andreas, (Joh. 1:42, 50)
Nathanaël, Johannes de Doper, de (Joh. 1:20, 27) Samaritaanse
vrouwen, enz.
Als Thomas uitroept 'Mijn Here en mijn God', antwoordt Jezus hem met
een boodschap voor iedereen in (Joh. 20:28, 29) alle tijden: 'Omdat gij
mij gezien hebt, hebt gij geloofd? Zalig zij, die niet gezien hebben en
toch geloven'. Het is voor ons moeilijk om te gelo- ven wat wij (nog)
niet kunnen zien. De meeste mensen valt dat nogal zwaar: ik geloof
alleen maar wat ik zie. Je wilt nu eenmaal graag houvast hebben aan
tastbare en zichtbare dingen.
Maar wie Jezus wil volgen, moet zijn leven lang uitgaan ván
dingen die niet te .zien zijn. Pas na dit leven zal het geloven
overgaan in werkelijk zien. Jezus zegt, dat iedereen die Hem niet
gezien heeft en Hem toch op Zijn Woord gelooft, gelukkig te prijzen is.
Dat is het waar het in de hele Bijbel om gaat: wie gelooft wordt een
gelukkig mens.
Jezus, de énige Zoon van God
In zijn evangelie heeft Johannes veel gesprekken van Jezus met de Joden
beschreven. Dat zijn vooral 'twist- gesprekken'. Jezus is dan bijzonder
scherp tegen de mensen van het volk van God, vooral tegen de leiders in
Israël.
In zijn evangelie laat Johannes heel duidelijk zien, hoe de joden jezus
als Messias verwerpen. 'Hij is gekomen tot het Zijne en de Zijnen
hebben Hem niet aangenomen.' En ook " het feit, dat Jezus de eigen,
énige Zoon van God is, wordt in zijn evangelie heel sterk
benadrukt. 'In den beginne was het Woord en het (Joh. 1: 1) Woord was
bij God en het Woord was God.' De joden verwijten Jezus, dat Hij
Zichzelf tot God gemaakt (Joh. 10 : 33) heeft, terwijl Hij een mens is.
Maar Jezus houdt vol tegenover hun woede: 'Ik en de Vader zijn
één'. (Joh. 10:30)
Een nieuwe schepping - Een nieuw begin.
Johannes vermeldt in zijn evangelie dat Jezus nadrukkelijk wijst op
Zijn bestaan, al ver vóór zijn geboorte als mens. 'De
joden dan zeiden tot Hem: Gij (Joh.8) zijt nog geen vijftig jaar en
hebt Gij Abraham gezien ? Jezus zeide tot hen: Voorwaar , voorwaar, Ik
zeg u: Eer Abraham er was, ben Ik. '
Dat 'ben Ik' is een verwijzing naar het Oude Testament. Daar is 'Ik
ben' de (Ex. 3: 14) naam van God zelf. In het evangelie van johannes
komt vaak het woord 'wereld' voor. Daarmee bedoelt hij de ongelovige
joodse kerk, die Hem niet als Messias erkende. Maar ook " bedoelt hij
daarmee de hele wereld, die door God geschapen is, maar Hem de rug
heeft toegekeerd. 'Hij was in de wereld, en de wereld is (Joh. I: 10)
door Hem geworden, en de wereld heeft hem niet gekend. ' En denk ook
eens aan die andere prachtige tekst uit het evangelie naar Johannes:
'Want alzo lief heeft God de wereld (Joh. 3 : 16) gehad, dat Hij Zijn
eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat ieder, die in Hem gelooft, niet
verloren ga,
maar eeuwig leven hebben. ' Dat eeuwig is hier niet alleen maar een
tijdsbegrip. Maar het heeft tegelijk de betekenis: 'n leven vol van
oneindige vreugde en vrede.
Het evangelie van Johannes begint met de woorden 'in den beginne'. Het
is opvallend hoe alle evangeliën op een soortgelijke manier
beginnen. Mattheüs begint (letterlijk) met: boek van het begin
Jezus Christus.
En Marcus: begin van het evangelie van Jezus Christus. En tenslotte
Lucas: Die van het begin aan ooggetuigen zijn geweest. Die overeenkomst
in de manier waarop de schrijvers hun evangelie beginnen, is niet zon-
der betekenis. Zij grijpen allen terug naar het begin van Genesis. 'In
de beginne schiep God de hemel en de (Gen. 1: 1) aarde.' De verlossing
door Christus, die door de vier evangelisten beschreven wordt, betekent
een nieuwe schepping, een nieuw begin. Jezus is degene door Wie de
Vader de wereld (Joh. 1: 3) geschapen heeft; 'alle dingen zijn door het
Woord geworden'. Jezus is ook degene door Wie de wereld gered (2 Cor.
5:17) wordt. 'Wie in Christus is, is een nieuwe schepping.' Zij die in
Hem geloven, mogen 'de nieuwe mensheid' genoemd worden.
Het Woord
In zijn evangelie gebruikt Johannes (Joh. 1:1-4) voor Jezus een aantal
malen de uitdrukking: het Woord. Door Zijn Woord laat God zien Wie Hij
is.
Toen God Zijn Woord sprak bij de schepping, werd dat woord meteen
werkelijkheid. jezus is het Woord. (Gen. 1: 3) Dat betekent: God heeft
Zich door Jezus volkomen uitgesproken. Alles wat Jezus van Zijn Vader
gehoord heeft, heeft Hij aan ons bekend gemaakt. Er valt niet
méér voor ons over God te weten en te zeggen, dan wat
Christus ons heeft gezegd.
Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren (Joh. 1 : 8) Zoon, die
aan de boezem van de Vader is, (die de Vader het naast aan het hart
ligt) die heeft Hem doen kennen.'
Jezus is God
Jezus is volledig gelijk aan God. 'Want gelijk de Vader de doden (Joh.
5: 21) opwekt en doet leven, zo doet ook de Zoon leven, wie Hij wil. ,
.opdat allen de Zoon eren gelijk (Joh. 5:23) zij de Vader eren.' Als
johannes schrijft dat in het begin, toen God de hemel en de aarde
schiep, het Woord er al was, bedoelt hij daarmee, dat Jezus eeuwig
leeft.
In de vier evangeliën is een duidelijke opklimming te zien wat
betreft het aanvangspunt. Marcus begint met het publieke optreden van
Jezus; Mattheüs gaat in zijn geslachtsregister terug tot Abraham;
Lucas gaat nog verder terug tot Adam; Johannes begint in de eeuwigheid.
Johannes legt sterk de nadruk op het God-zijn van Jezus. Hij doet dat
omdat er mensen waren, die ontkenden dat Jezus de Zoon van God is. Die
mensen traden nog wel op als voorgangers in de kerk (dwaalleraars). Zij
konden niet geloven, dat God méns geworden was, écht
mens.
Johannes schrijft hun: 'Het Woord (Joh. 1 : 14) is vlees geworden en
het heeft onder ons gewoond en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd,
een heerlij kheid als de Eniggeborene van de Vader, vol van genade en
waarheid'. Wie ontkent, dat Jezus echt God is en dat Hij ook echt mens
is geworden, wordt door Johannes 'antichrist' genoemd.
Ook de drie brieven van Johannes zijn van deze apostel. Daarin schrijft
hij: 'Wie is de leugenaar, dan wie loochent dat Jezus de (1 Joh. 2:22)
Christus is? Dit is de anti-christ, die de Vader en de Zoon loochent'.
Jezus is echt mens: Hij is ook echt God. Dat blijkt ook uit Zijn
sterven. Zijn dood was geen lot, zoals ons de dood overkomt, maar een
daad. 'Ik (Joh. 10: 18) heb macht het (leven) af te leggen en macht het
weer terug te nemen; dat is de opdracht die Ik van Mijn Vader ontvangen
heb'.
Onze woorden schieten tekort
De overweldigende rijkdom, die in het evangelie van Johannes beschreven
is, is niet onder woorden te brengen. Onze taal schiet daarin te kort.
Neem de Bijbel maar en lees zelf. Over de Goede Herder in Johannes 10;
over het huis van de Vader in Johannes 14; over de ware wijnstok in
Johannes 15; over het gebed van Jezus tot Zijn Vader in Johannes 17.
Lees over de blijvende blijdschap, de blijdschap, die jij ook kunt
ontvangen. Zoals ook in alle andere evangeliën is het dát
waar het om gaat.
Johannes heeft geschreven opdat zijn lezers zouden geloven en daardoor
het léven zouden krijgen: (Joh. 20: 31) het leven vol vrede en
vreugde. Jezus zelf zegt ook dat het daarom gaat. 'Dit heb Ik tot u
gesproken, opdat (Joh. 15: 11) Mijn blijdschap in u zij en uw
blijd-schap vervuld worde. Blij omdat Jezus ons 'vrienden' wil noemen;
vrienden voor wie Hij geen geheimen heeft. 'Ik noem u niet (Joh. 15:
15) meer slaven, want de slaaf weet niet wat zijn Heer doet; maar Ik
heb u vrienden genoemd, omdat Ik alles wat Ik van Mijn Vader gehoord
heb u heb bekend gemaakt.' Je kunt een vriend of een vriendin van Jezus
zijn!
De achtergrond van dit evangelie
Het evangelie naar Johannes wordt doorgaans los van de eerste drie evangeliën
besproken. Men ziet grote verschillen tussen de synoptische evangeliën Matteüs,
Marcus en Lucas enerzijds en het evangelie naar Johannes anderzijds. Dit
evangelie is ook in veel opzichten anders. De vraag is echter of het zodanig
anders is dat de Christus van het vierde evangelie een andere is dan die ons in
de eerste evangeliën geschilderd wordt?
Volgens Kümmel[i] en vele
anderen is het neerdalen en opstijgen van de Verlosser, wat zo bepalend is voor
de christologie in het vierde evangelie, kenmerkend voor de gnostiek en een
thema, dat het jodendom niet zou kennen. Met name de verbinding van een
preëxistente Christus met het neerdalen en heengaan van Christus zou in het
jodendom niet worden gevonden; daarentegen wel in de gnostiek. Zo komt men ertoe
dit evangelie tot de gnostisch-christelijke literatuur te rekenen in plaats van
tot de joods-christelijke.
We kunnen in het kader van dit onderzoek geen aandacht besteden aan de
wortels van de gnostiek noch aan de ouderdom van de gnostische verlossersmythe.
Ook kunnen we hier geen of slechts zijdelings aandacht schenken aan allerlei
andere karakteristieken van het Johannes-evangelie zoals de tegenstellingen, de
‘Ik ben' uitspraken en de beeldende omschrijvingen van het heil, zoals water des
levens en brood des levens. We willen vanuit een positieve argumentatie de
achtergrond van de Johanneïsche christologie en daarmee van het evangelie van
Johannes als geheel beschrijven.
Over het woordgebruik ‘neerdalen' en ‘opstijgen'
In de eerste plaats moeten we stellen dat het uitsluitend spreken over
‘neerdalen' en ‘opstijgen' van de Christus nogal suggestief is. We vinden in het
evangelie maar liefst 10 verschillende woorden om dit te beschrijven. 65 keer[ii] is het een vorm van de
werkwoorden ‘gaan' en ‘komen'. 43 keer[iii] wordt het omschreven met een vorm van
‘zenden' bijvoorbeeld ‘Hem, die Mij gezonden heeft.' En slechts zeven keer als
‘neerdalen' en ‘opvaren'[iv].
Verreweg de meeste keren spreekt Johannes dus over het ‘komen' en ‘gaan' van
Jezus. We stellen dan ook voor om, als wij generaliseren, dit woordgebruik te
hanteren.
Over de literaire achtergrond
We willen nu zien of de literaire achtergrond ons misschien op een spoor
brengt. Meteen al in Joh.1:1-2 waar we lezen, ‘In den beginne was het Woord en
het Woord was bij God en het Woord was God. Dit was in den beginne bij God'[v] noteert Aland (NA27[vi]) in de kantlijn naast Genesis1:1
een verwijzing naar de Wijsheid in Spreuken 8:22-23, ‘Jahwe schiep mij aan het
begin van Zijn wegen nog voor Zijn werken, van oudsher. Van eeuwigheid ben ik
gevormd vanaf het begin, voordat de aarde ontstond.'
Ook in Openbaring 3:14 beschrijft Johannes Jezus met woorden uit Spreuken
8:22 als hij zegt: ‘Dit is de Amen ... het begin der schepping Gods'. In
Johannes 14:23, waar Jezus zegt, ‘Indien iemand Mij liefheeft... Mijn Vader zal
hem liefhebben en wij zullen tot hem komen...' verwijst NA27 naar Spreuken
8:17, waar de Wijsheid zegt: ‘Wie mij liefhebben heb ik lief.'
In Johannes 6, waar we één van de karakteristieke gedeelten van het
Johannes-evangelie hebben over het ‘brood des levens' en het eten en drinken van
de Zoon des Mensen, verwijst Aland (NA27) bij vers 35 naar Jezus Sirach 24:21,
waar de Wijsheid zegt: ‘Wie mij eten... en wie mij drinken.' Tot het hart van
onze thematiek behoren de woorden, die Jezus in Johannes 7:34 en 8:21 tot de
Joden sprak en in 13:33 ook tot de discipelen.
We citeren Joh.7:33-34, ‘Jezus dan zeide: Nog korte tijd ben Ik bij u en dan
ga Ik heen tot Hem, die Mij gezonden heeft. Gij zult Mij zoeken en niet vinden
en waar Ik ben, kunt gij niet komen.' Als Jezus zegt: ‘Gij zult Mij zoeken en
niet vinden', neemt Hij de woorden van de Wijsheid uit Spreuken1:28 in de mond:
‘Zij zullen mij zoeken, maar mij niet vinden.' Dit is een belangrijke
verwijzing, omdat de drie genoemde tekstplaatsen behoren tot de kern van de
Johanneïsche christologie.
Het is opmerkelijk dat we in de zojuist
geciteerde bewijsteksten een gehypostaseerde Wijsheid ontmoeten, d.w.z. de
Wijsheid wordt gepersonifieerd en representeert God.
Zou een studie van deze gepersonifieerde Wijsheid in Spreuken 1 en 8 en Jezus
Sirach 24 ons misschien verder brengen bij het zoeken naar de herkomst van het
komen en gaan van de Heiland, dat zo centraal staat in het evangelie naar
Johannes?
Het Oude Testament
Job 28
Er is eigenlijk al vóór het boek Spreuken sprake van een verzelfstandiging
van de wijsheid, namelijk in Job 28. Als de discussie tussen Job en zijn
vrienden is vastgelopen en zij het probleem van het lijden van de onschuldige
niet hebben kunnen verklaren, vinden we in hoofdstuk 28 een antwoord op de
vraag: ‘Waar vind je de wijsheid?'. Weliswaar wordt de wijsheid hier niet als
persoon voorgesteld, maar zij wordt wel als een zelfstandige grootheid gezien.
Ze wordt namelijk zowel onderscheiden van God, als ook van de scheppingswerken[vii].
Naar deze wijsheid wordt
zo hartstochtelijk gezocht, dat het zoeken en vragen volgens Von Rad[viii] hier al de klank van een
heilsvraag heeft. Maar laten we eens zien wat er over deze wijsheid wordt
gezegd.
Ten eerste wordt gesproken over de verborgenheid van de
wijsheid,
13 ‘Geen mens kent de weg naar haar toe, in het land der
levenden is zij onvindbaar.'
21 ‘Zij is verborgen voor al wat leeft. Zelfs de
vogels in de lucht kunnen haar niet ontdekken.'
Ten tweede lezen we dat zij alleen door God gevonden of gekend
wordt.
23 ‘God alleen kent het pad er naar toe. Hij weet waar zij zich
ophoudt.'
Ten derde is de wijsheid betrokken bij de schepping van de wereld.
25-27 ‘Toen Hij (God) de kracht bepaalde van de wind en de omvang van
de zee, de wet voorschreef aan de regen, donder en bliksem dirigeerde toen zag
Hij de wijsheid en berekende haar, Hij stelde haar op haar plaats en onderzocht
haar.'
Het in details moeilijk te begrijpen laatste vers (27) zegt in ieder
geval dat God de wijsheid bij de schepping van de wereld gebruikte[ix].
Spreuken 1: 20-33
Spreuken 1, waar we zes kenmerken van de gepersonifieerde Wijsheid vinden,
brengt ons inhoudelijk een heel stuk verder:
1). De oproep van de Wijsheid aan onverstandigen en dwazen.
20
‘De Wijsheid roept luidkeels, buiten op straat, en zij verheft haar stem op de
pleinen. 22 Hoe lang nog, onverstandigen, bemint gij het onverstand ... en zijn
dwazen afkerig van kennis? 23 Keert u tot mijn vermaning! Zie, ik wil mijn geest
voor u uitstorten , u mijn woorden bekend maken.'
2). De Wijsheid wordt afgewezen door de massa, die daarom
onverstandig blijft en het oordeel over zich haalt.
24 ‘Omdat, toen ik riep,
gij hebt geweigerd, omdat toen ik mijn hand uitstak, geen mens er acht op sloeg,
...31 daarom zullen ze de vruchten eten van hun gedrag... 32 Want de
onverstandigen vinden de dood door hun eigen onverschilligheid...'
3). Het vertrek van de Wijsheid.
28 Dan zullen zij mij roepen,
maar ik geef geen antwoord; dan zullen zij mij zoeken, maar zij vinden mij niet.
De kern van het oordeel van de Wijsheid is dat zij zich zal terugtrekken[x], wat dood en verderf tot gevolg
heeft.
4). De Wijsheid wordt aanvaard door enkelen.
33 Maar wie naar
mij luistert, zal gerust wonen, beveiligd tegen de verschrikking van het
onheil.
Hoewel de massa de Wijsheid afwijst, zijn er toch enkelingen die naar
haar luisteren. Dit wordt door vs 33 geïmpliceerd. Je zou hen de uitverkorenen
van de Wijsheid kunnen noemen.
5). De Wijsheid schenkt het heil (vs 32).
32 ‘De onverstandigen
vinden de dood.... 33 Maar wie naar mij luistert, zal gerust wonen, beveiligd
tegen de verschrikking van het onheil.'
De Wijsheid spreekt hier met
goddelijke autoriteit, zoals God ook spreekt door de profeten[xi]. Haar verkondiging stelt voor de keuze van
leven en dood. Wie naar haar luisteren zullen de ware rust en veiligheid
ontvangen. Rust en veiligheid vertegenwoordigen als heilsgoederen het volle
heil[xii].
6). De Wijsheid is zelf het heil.[xiii]
23 ‘Zie ik wil mijn geest voor u
uitstorten.'
We zien in het aanbieden van het heil een analogie met het
aanzeggen van het oordeel. Het oordeel houdt in, dat de Wijsheid zich
terugtrekt, wat dood en verderf tot gevolg heeft. Het heilsaanbod houdt in, dat
de Wijsheid zichzelf aanbiedt, wat het volle heil tot gevolg heeft (vs 33).
Kort samengevat heeft Spreuken1: 20-33 de volgende inhoud: De Wijsheid, als
representante van God, roept de dwazen tot zich en biedt hen zichzelf, namelijk
het heil aan, vindt echter geen gehoor en kondigt dan haar vertrek, het oordeel,
aan. Alleen enkele uitverkorenen luisteren naar haar.
Spreuken 8
In Spreuken 8 ontmoeten we opnieuw een aantal kenmerken van de
gepersonifieerde Wijsheid, die we al zagen in Job 28 en Spreuken 1. We noemen
deze, maar hoeven er in het kader van deze voorstudie niet uitvoerig op in te
gaan. Het zijn:
1. De Wijsheid is betrokken bij de schepping van de wereld (8:27-30).
2.
De oproep van de wijsheid aan onverstandigen en dwazen (8:1-6a).
3. De
Wijsheid wordt afgewezen (8:36).
4. De Wijsheid wordt aanvaard door enkelen
(8:17,21,32-35).
5. De Wijsheid schenkt het heil (8:35-36).
6. De Wijsheid
is zelf[xiv] het heil.
We ontmoeten hier in spreuken 8 ook drie nieuwe kenmerken namelijk:
1. De preëxistente schepping van de Wijsheid (8:22-26)
22 ‘Jaweh
schiep mij aan het begin van zijn wegen, nog voor Zijn werken, van
oudsher.'
God heeft de Wijsheid voor de schepping, aan het begin van Zijn
wegen voortgebracht.
2. De aanwezigheid van de Wijsheid in de volkeren wereld
(8:15-16)
15 ‘Door mij zijn de koningen koning en stellen de vorsten vast wat
recht is. 16 Door mij heersen de heersers, en de gebieders, al degenen die
rechtvaardig oordelen.'
De Wijsheid regeert in al degenen die op aarde macht
hebben en rechtvaardig oordelen. Zij schenkt zo aan de volkeren de weldaad van
recht en orde.
3. De Wijsheid heeft haar aanhangers lief.
17 ‘Wie mij
liefhebben heb ik lief en wie mij zoeken zullen mij vinden.'
Dit is de tekst
waar de woorden van Jezus in Joh.14:23 duidelijk aan herinneren. De Wijsheid
staat met haar kinderen in een wederzijdse liefdesrelatie[xv].
We kunnen spreuken 8 als volgt samenvatten: De preëxistente Wijsheid roept de
mensen, met name de eenvoudigen en dwazen, tot zich. Zij biedt zichzelf en
daarmee het heil aan. In haar prediking wordt al enigszins kenbaar, dat niet de
massa, maar slechts enkele uitverkorenen haar vinden.
Voorlopige opmaak van de balans
We willen hier een voorlopige balans opmaken. Het lijkt erop dat we in het OT
een specifieke wijsheidsleer hebben, waar de Wijsheid wordt
gepersonifieerd en een aantal specifieke kenmerken heeft. Het feit dat deze
gepersonifieerde Wijsheid en haar kenmerken vele malen terugkeren in de
deutero-canonieke en andere laatjoodse geschriften bevestigt dit. We komen daar
aanstonds op terug.
Als dit zo is kunnen we ten tweede ook concluderen dat er sprake is van een
wijsheidstheologie en een wijsheidssoteriologie. Het eerste
wil zeggen dat het de aanwezigheid van de Heer is die in termen van de wijsheid
wordt beschreven, het tweede dat de wijsheid het subject is dat het volle heil
aanbiedt. Want binnen de context van het monotheïstische jodendom kan de
Wijsheid het heil alleen aanbieden namens de Heer, als representante van Hem[xvi].
We willen nu zien of deze conclusies in de intertestamentaire joodse
literatuur bevestigd worden.
De deutero-canonieke en laat-joodse geschriften
Wijsheidstheologie en -soteriologie
De aanwezigheid van een specifieke wijsheidsleer met betrekking tot de
gepersonifieerde Wijsheid in het jodendom is evident. We vinden deze leer op
maar liefst acht plaatsen in zeven verschillende boeken, te weten: Jezus
Sirach, Baruch, Wijsheid van Salomo, een Psalm uit Qumran, 1 Henoch, 4 Ezra en 1
Baruch[xvii].
Alle door ons geïnventariseerde kenmerken komen hier terug en wel meerdere
malen. De tweede vraag is of er sprake is van een wijsheidstheologie en een
wijsheidssoteriologie. Dit is expliciet het geval in twee geschriften, namelijk
Jezus Sirach en Wijsheid.
We lezen in Sirach 1:16-18,20
‘De Heer vrezen is de voltooiing van de
wijsheid en zij verzadigt de mensen met haar vruchten. Hun hele huis vult zij
met kostelijkheden en hun voorraadkamers met wat zij voortbrengt. De vrees voor
de Heer is de bekroning van de wijsheid en zij doet vrede opbloeien en gave
gezondheid. De Heer vrezen is de wortel van de wijsheid en haar takken zijn
lange levensdagen.'
De wijsheid is onlosmakelijk verbonden met de vreze des Heren en deelt
heilsgoederen mee aan haar kinderen. Met name vrede[xviii], gezondheid en een lang leven
vertegenwoordigen het volle heil.
In Sirach 24 vinden we ook nog het gegeven dat de Wijsheid zelf het heil is[xix]. Ook in het boek Wijsheid
vinden we dat de Wijsheid zowel het heil schenkt als het heil is. Als de
schrijver in hoofdstuk 9:18 de hoofdstukken 6-9 samenvat, lezen we het volgende:
‘Zo zijn de paden recht gemaakt van hen die de aarde bewonen; zo hebben de
mensen geleerd wat U welgevallig is en zijn zij gered (σVζω) door de
wijsheid.'
We zien hier dat het heil door de Wijsheid aan de rechtvaardigen
wordt geschonken[xx].
En in 8:17-18 staat:
‘Toen ik dit bij mijzelf had overdacht en ik in mijn
hart had overwogen dat er onsterfelijkheid ligt in de band met de wijsheid,...
toen ging ik rond en zocht ik, hoe ik haar tot de mijne kon maken.'
De inhoud
van het heil bestaat voornamelijk uit de Wijsheid zelf[xxi]. Wij kunnen dus concluderen dat het
voorchristelijk jodendom een wijsheidstheologie en een wijsheidssoteriologie
kende, die gebaseerd was op de Schriften van het OT.
Oudtestamentische wijsheidsleer uitgewerkt
Er is veel te zeggen over de uitwerking en de toepassing van de wijsheidsleer
in het late jodendom. Bijvoorbeeld over de relatie met de Tora. Wij kunnen hier
op deze zaken nu niet ingaan. Eén uitgewerkt kenmerk is voor ons speurwerk naar
de achtergrond van de Johanneïsche Christologie relevant. We lezen in Spreuken
dat de Wijsheid bij God aanwezig was toen Hij de wereld schiep (8:27-30) en
vervolgens ook dat de Wijsheid de mensen oproept op straat en bij de ingang der
stad (1:20-21; 8:1-5). Eerst is de Wijsheid in de hemel bij God, daarna op aarde
onder de mensen. Dit impliceert een neerdalen van de Wijsheid. Dit geïmpliceerde
kenmerk nu wordt uitgewerkt en is expliciet te vinden in de boeken Wijsheid,
Jezus Sirach, Baruch en 1 Henoch.
‘Zend haar uit de heilige hemelen en laat haar neerdalen van de troon van uw
heerlijkheid om bij mij te zijn...' (Wijsh. 9:10)
‘Bij hen allen (volken) zocht ik een rustplaats: in wiens erfdeel moest ik
gaan wonen? Toen gaf de schepper van alles mij zijn opdracht en wees Hij die
mij geschapen heeft de plaats aan voor mijn tent. Hij sprak: Sla uw tent op in
Jacob en vind in Israël uw erfdeel.' (Sir. 24:7-8)
‘Daarna is ze op aarde verschenen en leefde onder de mensen (Bar. 3:38)
En tot slot 1 Hen. 42:1-2, waar de Wijsheid vereenzelvigd wordt met de
hemelse ‘mensenzoon'!
‘De Wijsheid vond geen plaats waar zij kon wonen. Toen is haar een woonplaats
toegewezen in de hemel. De Wijsheid ging uit om haar woning onder de
mensenkinderen te bouwen maar vond geen woonplaats. Zij keerde terug naar haar
plaats en nam haar zetel in onder de engelen.'[xxii]
Wijsheid eschatologisch geduid
In twee boeken vinden we de wijsheidsleer in een zogenaamde
‘Zeichenkatalog', d.w.z. een opsomming van eindtijd-gebeurtenissen, namelijk in
4 Ezra 5 en 1 Baruch 48, geschriften uit de joodse apocalyptiek. Dit sluit aan
bij het rabbijns jodendom, waar we niet alleen in de Misjna, de Misdrasjim en de
Babylonische Talmoed een identificatie van God en de Wijsheid vinden[xxiii], maar ook en al in de
Misjna een eschatologische duiding van Spreuken 8.
We citeren het traktaat Aboth 5:19,
‘De discipelen van Abraham, onze vader
(...) zullen de toekomende wereld beërven zoals staat geschreven: ‘opdat Ik aan
hen die mij liefhebben bezit zal verlenen en hun schatkamers zal vullen.'
Hier wordt Spreuken 8:21 aangehaald, waar de Wijsheid aan het woord is. In de
toekomst, in de toekomende eeuw, zal dit woord voor de rechtvaardigen in
vervulling gaan. Het ligt dus in de lijn van de joodse verwachting dat Jezus,
die met Zijn komst de ‘toekomende eeuw' inluidt, ook woorden van de Wijsheid in
de mond neemt en dit gebeurt dan ook, zoals we met betrekking tot het
Johannes-evangelie al zagen in Johannes 7:34 (en 8:21; 13:33) en 14:21.
Als dit inderdaad in de lijn van de verwachting ligt mogen we verwachten dat
ook in de woorden van Jezus in de synoptische evangeliën de relatie tussen Jezus
en de goddelijke Wijsheid merkbaar is.
Jezus en de Wijsheid
De achtergrond van de wijsheidstheologie is bij Jezus inderdaad duidelijk
aanwezig. Tweemaal refereert Jezus expliciet aan de goddelijke Wijsheid en
minstens driemaal is duidelijk de invloed van de joodse wijsheidsleer merkbaar.
We hebben hier veel te danken aan het uitvoerig onderzoek, dat Felix Christ
verrichtte en waarvan we de neerslag vinden in een boek dat in 1970 in
Zwitserland verscheen: Jesus Sophia, Die Sophia-Christologie bei den
Synoptikern.[xxiv] Van alle
vijf uitspraken van Jezus, kan vormkritisch en literair-kritisch de achtergrond
van de wijsheidstraditie aangetoond worden. We hebben hieraan elders uitvoerig
aandacht besteedt[xxv] en kunnen
hier niet veel meer doen dan de conclusies weergeven.
Het Rechtvaardigingswoord
De eerste uitspraak waar Jezus uitdrukkelijk de Wijsheid noemt vinden we in
Matteüs11:16-19 en Luc.7:31-35. We lezen in de versie van Lucas:
‘Waarmee zal
ik dan de mensen van dit geslacht vergelijken ... ? Want Johannes de Doper is
gekomen, geen brood etende of wijn drinkende en gij zegt: hij heeft een boze
geest! De Zoon des Mensen is gekomen, wel etende en drinkende en gij zegt: Zie,
een vraatzuchtig mens en een wijndrinker, een vriend van tollenaars en
zondaars! Maar de wijsheid vindt rechtvaardiging bij al haar kinderen.[xxvi]
We vinden hier vier wijsheidsmotieven:
1. De Wijsheid roept, namelijk via Johannes en Jezus.
2. De Wijsheid wordt
afgewezen door de massa, namelijk de mensen in dit geslacht.
3. De Wijsheid
wordt aanvaard door enkelen, namelijk haar kinderen.
4. De Wijsheid richt
zich met name tot de eenvoudigen, de tollenaars en zondaars.
Het ‘Wijsheidswoord'
Het tweede wijsheidswoord van Jezus vinden we in Lucas 11:49-51
‘Daarom
ook heeft Gods Wijsheid gezegd: Ik zal profeten en afgezanten tot hen zenden,
maar sommigen van hen zullen zij doden en vervolgen, zodat dit geslacht
verantwoordelijk gesteld zal worden voor het bloed van alle profeten, dat
vergoten is vanaf de grondvesting der wereld, vanaf het bloed van Abel tot het
bloed van Zacharia, die gedood werd tussen het altaar en het tempelgebouw. Ja,
zeg Ik u, dit geslacht zal verantwoordelijk zijn !'
Jezus citeert hier de goddelijke Wijsheid, die voorgesteld wordt als een
persoon, die spreekt in de eerste persoon enkelvoud, die als bovenhistorisch
wezen de hele geschiedenis van Israël overziet en die goddelijk gezag heeft,
want ze zendt profeten en gezanten.
We ontmoeten hier drie wijsheidsmotieven, te weten:
1. De Wijsheid roept de mensen tot zich.
2. De Wijsheid wordt
afgewezen.
3. De Wijsheid zegt het oordeel aan.
Dan hebben we nog drie Woorden van Jezus, waar de term ‘wijsheid' niet
voorkomt, maar die wel sterk beïnvloed zijn door de wijsheidstheologie.
Het ‘Jeruzalemwoord'
Ten eerste het zogenaamde Jeruzalemwoord (Mat.23:37-39 par. Luc.13:34-35). We
geven de versie van Matteüs:
‘Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt en
stenigt die tot u zijn gezonden! Hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen
verzamelen, zoals een kloek haar kuikens verzamelt onder haar vleugels, maar
gij hebt niet gewild. Zie, uw huis zal onbewoond achtergelaten worden. Ik zeg
u: van nu af zult gij mij niet meer zien, totdat gij zeggen zult: Gezegend de
Komende in de naam des Heren!'
Hier ontmoeten we minstens drie wijsheidsmotieven:
1. De oproep van de Wijsheid.
2. De Wijsheid wordt afgewezen.
3. Het
vertrek van de Wijsheid.
Verder zien we hier ook een nieuw element in de relatie tussen Jezus en de
Wijsheid. In de vorige twee uitspraken was Jezus primair de gezant, de bode van
de Wijsheid. In het ‘Jeruzalemwoord' moeten we echter uit de toepassing van het
laatste wijsheidsmotief, het ‘gij zult mij niet meer zien', wel concluderen tot
een vergaande vereenzelviging van zender en gezondene, van de Wijsheid en Jezus.
Deze op het eerste gezicht wat eigenaardige wisseling tussen Jezus als bode van
de Wijsheid en Jezus als de Wijsheid zelf, is goed mogelijk in een
‘profetisch-dynamische' relatie tussen zender en gezant[xxvii].
De ‘Jubelroep'
Vervolgens hebben we de ‘Jubelroep' in Mateüs 11:25-27 (par. Luc.
10:21-22).
‘Op een zeker ogenblik nam Jezus weer het woord en sprak: Ik prijs
U, Vader, Heer van hemel en aarde, omdat Gij deze dingen verborgen gehouden
hebt voor wijzen en verstandigen, maar ze hebt geopenbaard aan kleinen. Ja,
Vader, zo heeft het U behaagd. Alles is Mij door mijn Vader in handen gegeven.
Niemand kent de Zoon tenzij de Vader, en niemand kent de Vader tenzij de Zoon en
hij aan wie de Zoon het wil openbaren (versie Matteüs).
We vinden hier maar liefst vijf wijsheidsmotieven, namelijk:
1. de verborgenheid van de Wijsheid.
2. de Wijsheid richt zich met name
tot de onverstandigen.
3. alleen God kent de Wijsheid.
4. de Wijsheid
schenkt het heil.
5. de Wijsheid is zelf het heil.
En ook hier neemt Jezus functies aan, die in de wijsheidstheologie aan de
hemelse Wijsheid worden toegeschreven. Daarom is er ook hier sprake van een
vergaande vereenzelviging van Jezus met de Wijsheid. Maar omdat Jezus elders
zich duidelijk als bode van de Wijsheid presenteert is er geen sprake van een
statisch-personele identificatie.
De Roep van de Heiland
De laatste uitspraak van Jezus in de synoptische evangeliën met een invloed
van de wijsheidstheologie is de Roep van de Heiland (Mat.11:28-30):
‘Komt
allen tot Mij, die uitgeput zijt en onder lasten gebukt, en Ik zal u rust en
verlichting schenken. Neem mijn juk op uw schouders en leert van mij: Ik ben
zachtmoedig en nederig van hart; en gij zult rust vinden voor uw zielen, want
mijn juk is zacht en mijn last is licht.'
Hier vinden we drie wijsheidsmotieven:
1. De roep van de Wijsheid.
2. De Wijsheid verkiest zich enkelingen.
3.
De Wijsheid schenkt het heil.
Met het overnemen van wijsheidsfuncties door Jezus moeten we ook hier
concluderen tot een profetisch-dynamische identificatie van Jezus met de hemelse
Wijsheid.
Conclusie met betrekking tot Jezus en de Wijsheid
Op grond van de profetisch-dynamische identificatie van Jezus met de Wijsheid
mogen we aannemen dat de hemelse Wijsheid uit de joodse wijsheidstheologie
invloed heeft uitgeoefend op de vorming van het zelfbewustzijn (beter
‘Hoheitsbewusstsein') van Jezus. Jezus heeft zijn optreden gezien als een
eschatologisch heilsgebeuren en daarom transcendeert Zijn zendingsbewustzijn
dat van de profeten en moeten we veeleer met Joachim Jeremias[xxviii] zeggen dat Jezus zichzelf als
heilaanbrenger zag.
Het is nu juist deze lijn van de ‘Heilbringer' die sterke invloed van de
hemelse Wijsheid vertoont. Ten eerste, omdat we zagen dat het kenmerk van Jezus
als heilsmiddelaar verbonden met dat van Jezus als heilsinhoud uit de joodse
wijsheidstheologie komt. Ten tweede omdat we in de wijsheidstheologie een
formele parallel vinden van het benadrukte ‘ik' (Gr. ego,
Spr.8:12,17,30; Sir.24:3,4,16,17) dat we tegenkomen in de zogenaamde
‘IK-woorden', waaruit de lijn van de Heilaanbrenger voor een groot deel
bestaat[xxix]. Ook inhoudelijk
is de invloed in deze uitspraken aanwezig. De goddelijke almacht[xxx], waarmee dit ego,
dat zich een representant van God weet, spreekt en het ‘selbstzeugnis'[xxxi] zijn bekende en centrale
kenmerken van de hemelse Wijsheid.
Over de hemelse Wijsheid en de Christus bij Johannes
We komen nu tot een afsluitende bespreking van de achtergrond van het
evangelie naar Johannes.
We concluderen dat de achtergrond van de
preëxistente Christus, die naar de aarde afdaalt, door de mensen wordt verworpen
en die weer opvaart naar Zijn Vader, niet de gnostiek is, maar de
oudtestamentische wijsheidsleer, zoals we al vermoed hadden op grond van de
literaire achtergrond. We vinden hier namelijk een gepersonifieerde hemelse
Wijsheid, die zowel preëxistent bij God aanwezig is als ook in de geschiedenis
afdaalt naar de aarde, maar na door de meeste mensen afgewezen te worden, zich
enkelingen verkiest en weer vertrekt.
Als we inventariseren ontmoeten we in de Christus van dit evangelie de
volgende kenmerken van de hemelse Wijsheid:
1. De verborgenheid van de Wijsheid. ‘De wereld heeft Hem niet gekend' (Joh.
1:10)
2. Alleen God kent de Wijsheid. ‘Ik ken de mijne ... gelijk Mij de
Vader kent' (Joh. 10:15).
3. Het preëxistente wonen van de Wijsheid bij God.
‘In den beginne was ... het Woord bij God' (Joh. 1:1-2).
4. De Wijsheid is
betrokken bij de schepping van de wereld'. ‘En de wereld is door Hem geworden'
(Joh. 1:10).
5. De aanwezigheid van de Wijsheid in de volkerenwereld. ‘Het
Woord was leven en het leven was het licht der mensen' (Joh. 1:4).`Het
waarachtige licht, dat ieder mens verlicht' (Joh.1:9).
6. De Wijsheid daalt
af naar de aarde om er te wonen. ‘Het waarachtige licht ... was komende in de
wereld' (Joh.1:9). ‘Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond'
(Joh.1:14).
7. De oproep van de Wijsheid. ‘Voorwaar, voorwaar Ik zeg u, wie
Mijn woord hoort ... heeft eeuwig leven'.
Joh. 5:24).
8. De Wijsheid
wordt afgewezen. ‘...en de zijnen hebben Hem niet aangenomen' (Joh.1:11).
9.
De Wijsheid wordt aanvaard door enkelen. ‘Doch allen die Hem aangenomen hebben,
hun heeft Hij macht gegeven om kinderen Gods te worden' (Joh.1:12).
10. De
Wijsheid heeft haar aanhangers lief. ‘Gelijk de Vader mij heeft liefgehad, heb
ook ik u liefgehad' (Joh.15:9-10).
11. Het vertrek van de Wijsheid, dat een
oordeel inhoudt. ‘Ik ga heen tot Hem die mij gezonden heeft. Gij zult Mij zoeken
en niet vinden en waar Ik ben kunt gij niet komen' (Joh. 7:33-34).
12. De
Wijsheid schenkt het heil namens God. ‘Ik ben gekomen, opdat zij leven hebben en
overvloed' (Joh.10:10).
13. De Wijsheid is zelf het heil. ‘Wie Mijn vlees eet
en Mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven' (Joh. 6:54).
We merken op dat de invloed van de hemelse Wijsheid aanwezig is in centrale
christologische teksten bij Johannes, namelijk daar waar gesproken wordt over de
‘Logos' en de ‘Zoon'. Dit verbaast ons niet, want deze drie zijn al voor
Christus in het jodendom met elkaar verweven[xxxii], hetgeen ook blijkt uit de jubelroep van
Jezus in Matteüs 11:25-27.
Omdat het begrip ‘wijsheid' zelf in het evangelie echter niet voorkomt kunnen
wij niet spreken van een wijsheidschristologie bij Johannes. Wel kunnen we
concluderen dat het hele boek het klimaat van de hemelse Wijsheid uit de joodse
wijsheidstheologie ademt.
Verder moeten we concluderen we dat de Johanneïsche christologie veel minder
verschilt van de andere evangeliën en van Jezus zelf dan wel wordt voorgegeven.
Slechts drie van de dertien wijsheidskenmerken bij Johannes komen we in de
synoptische evangeliën niet expliciet tegen, namelijk de preëxistentie van de
Wijsheid, de aanwezigheid in de volkerenwereld en het liefhebben van haar
aanhangers.
Onze eindconclusie is dan ook dat Johannes met zijn logos- en
zoonchristologie direct en primair aansluit bij de verkondiging van de aardse
Jezus, die zichzelf heeft gezien als de eschatologische incarnatie van de
hemelse Wijsheid[xxxiii]. En de
achtergrond van het evangelie wordt niet bepaald door de gnostiek, maar evenals
bij de synoptische evangeliën door het OT en het jodendom.
Nadere uitleg
[i]. W.G. Kümmel, Introduction to the
New Testament (Eng. vert., London 21977) 227
[ii].
_ρχoμαι 31x ; _κω 2x ;
_ξÎρχoμαι 6x ;
_πÎρχoμαι 1x ;
πoρεÏoμαι 7x ;
_πάγω 18x
[iii]. πÎμπω 26x ; _πoστÎλλω 17x
[iv]. καταβαίvω en _vαβαίvω 7x in 5
teksten : 3:13; 6:38,42,62; 20:17
[v]. Wij volgen in dit hoofdstuk vanwege
de citaten uit de deutero-kanonieke boeken bij voorkeur de Willibrordvertaling
(Boxtel, 31978), tenzij we om exegetische redenen of redenen van
helderheid de voorkeur gaven aan een eigen vertaling of die van het NBG
(1951).
[vi]. Nestle-Aland, Novum Testamentum
Graece, 27. revidierte Auflage, Stuttgart 1993
[vii]. G. von Rad, Weisheit in Israel
(Neukirchen-Vluyn, 1970) 192-193 ; G. Fohrer, Das Buch Hiob
(Gütersloh 1963) 394
[viii]. G. von Rad, Theologie des
Alten Testaments, I (München 41965) 460
[ix]. Fohrer, Hiob, 399
[x]. B. Gemser, Sprüche Salomos
(Tübingen, 1963) ad loc.
[xi]. C. Kayatz, Studien zu
Proverbien 1-9 (Neukirchen-Vluyn 1966) 128
[xii]. Von Rad, Weisheit, 212;
zie ook Spr. 3:18,22; 4:13,22v; 8:35; 9:6
[xiii]. Het onderscheid tussen kenmerk
5 en 6 wordt ook gemaakt door Kayatz en Fohrer. Kayatz, Studien, 139;
G. Fohrer, σoφία κτλ., G. Friedrich, G. Kittel, (eds.), Theological
Dictionary of the New Testament VII (Eng. vert. Grand Rapids, 1964) 491
[xiv]. Kayatz, Studien,
139
[xv]. Gemser, Sprüche, ad loc.
; Kayatz, Studien, 98
[xvi]. Von Rad, Theologie I,
458
[xvii]. Sirach 1:1-20; 24; Baruch
3:9-4:4; Wijsheid 6-9; 11QPsA XVIII; 1 Henoch 42; 4 Ezra 5:9-10; 1 Baruch
48:33,36
[xviii]. Ryssel vertaalt ε_ρήvη met
`Heil', zie: V. Ryssel, `Die Sprüche Jesus's, des Sohnes Sirachs', in: E.
Kautzsch, Apokryphen und Pseudepigraphen des Alten Testaments I
(Tübingen, 1900, 1923) ad loc.
[xix]. Sir. 24:13-17, het motief van de
`boom des levens'. J. Marböck, Weisheit im Wandel (Bonn, 1971) 74-75;
Sir. 24:25-29 het motief van het `water des levens'. B.L.Mack, Logos und
Sophia (Göttingen 1973) 32; A. van de Born, Wijsheid van Jezus Sirach
(Roermond, 1968) ad loc.
[xx]. J.M. Reese, Hellenistic
influence on the book of Wisdom and its consequences (Rome, 1970) 41; Mack,
Logos, 32
[xxi]. Wijsheid 6:12-16; 7:14,27;
8:17,18 e.a. U. Wilckens, σoφία, TDNT VII, 499
[xxii]. Onze vertaling van de
Ethiopische tekst is gebaseerd op die van Charles en Rau. R.H.Charles, The
Apocrypha and Pseudepigrapha II (Oxford,1913) 213; E. Rau, Kosmologie,
Eschatologie und die Lehrautorität Henochs (Hamburg 1974) 449
[xxiii]. Misjna: Aboth 5,19; Uktzin
3,12; Midrasj Rabba: NuR16(181d); GnR18(12b); Babylonische Talmoed: Sanh. 100a.
Citaten te vinden in: H.L. Strack, P. Billerbeck, Kommentar zum Neuen
Testament aus Talmud und Midrasch I-IV, München 1926, 61974. En
wel in SB I,231; III,612; IV,2,261
[xxiv]. F. Christ, Jesus Sophia,
Zürich, 1970
[xxv]. G. van den Brink,
Sophiatraditie en Sophiachristologie in de Synoptische Evangeliën
(doctoraalscriptie, Utrecht, 1982) 38-65
[xxvi]. Mattheüs heeft hier `werken'.
De tekstvariant _ργωv i.p.v. τÎκvωv is waarschijnlijk het bewijs van een
oeroude Arameese variant: avadajja (werken) i.p.v. avdajja
(knechten).
[xxvii]. Christ, Jesus Sophia,
74 n.265
[xxviii]. J. Jeremias,
Neutestamentliche Theologie, I, (Gütersloh, 1971, 21973)
242
[xxix]. H.M. Schenke, `Die Tendenz der
Weisheit zur Gnosis' in: B. Aland u.a. (red.), Gnosis, Festschrift für Hans
Jonas (Göttingen, 1978) 363
[xxx]. Jeremias, Theologie I,
242
[xxxi]. Jeremias, Theologie I,
243; Spr. 1:23; 8:12-21; Sir. 24
[xxxii].
In Wijsheid 9:1-2 komen λoγoς en
σoφία parallel voor en in het hele boek
krijgt de joodse σoφία kenmerken van de
Griekse λoγoς toegedacht. R. Bultmann, Das Evangelium des Johannes
(Göttingen, 1941, 101968) 9 n. 1. Ook de `wijsheid' en de `zoon'
zijn met elkaar verweven in het boek Wijsheid (Wijsh. 2; ook in Spr.30:3-4?).
Christ, Jesus Sophia, 89 n. 333
[xxxiii]. Daarnaast is er ook een
aanwijsbare invloed van de joodse Messias. Op de relatie van de Messias en de
Wijsheid in het jodendom kunnen wij hier niet ingaan.
|