
108. Ik ben Jozef, uw
broeder. |

109. Dat is zeker één van de
Hebreeuwse
jongetjes. |

110. De farao echter
bleef
hardnekkig. |

111. Paard en ruiter wierp
Hij in de
zee. |

112. Veertig jaren lang. |

113. Ik lever Jericho aan
U
over.
|

114. Voor Jahweh en Gedeon
rechters. |

115. Hij was zes el en een
span lang. |

116. Afgescheurd heeft nu Jahweh
van U
het koningschap. |

117. Geestdriftig danste David
voor
Jahweh uit. |

118. De tempel die koning Salomon
voor
Jahweh bouwde. |

119. Nu sprak Elias...
komt
dichterbij. |