Ontdek de Bijbel
De
Bijbel is niet een boek wat je zomaar even van kaft tot kaft leest. Het
kan lastig zijn om je weg door de Bijbel te vinden, als je niet weet
wat zich wanneer heeft afgespeeld. Deze site kan je helpen om de Bijbel
beter te leren kennen. Ontdek de bron van vrede, het Woord van God.
BIJBEL: bron van vrede
Nederland
heeft iets met bijbelvertalingen. Terwijl er in veel landen van de
wereld nog gewerkt wordt aan de eerste vertaling, zijn er in het
Nederlands de afgelopen eeuwen al zo’n 20 vertalingen
geproduceerd die door een breed publiek gelezen werden. Van veel van
deze vertalingen zijn nog (soms ingrijpende) revisies verschenen.
Daarnaast verschenen er nog veel vertalingen die in kleine kring bekend
werden (bijv. persoonlijke initiatieven).
Veel christenen in Nederland
hebben een uitgesproken mening over de kwaliteit van verschillende
vertalingen. Niet zelden kan dat zelfs verhitte discussies opleveren.
Geschiedenis
van de bijbelvertalingen in Nederland
Alsof het met de overlevering en canonisatie van de Bijbel al niet
ingewikkeld genoeg is, hebben we ook nog te maken met de vertaling van
de Bijbel. Met het vaststellen van een grondtekst ben je er nog niet.
De Nederlandse geschiedenis kent vele Bijbelvertalingen. Hieronder een
overzicht van de ontwikkeling van het Bijbelvertaalwerk in Nederland.
Vulgata
Tot aan de vroege middeleeuwen kende men de Vulgata, de Bijbel in het
Latijn.
De Bijbel was zodoende alleen beschikbaar voor de geestelijken, die
deze taal machtig waren.
De kerk was er op tegen dat leken de Bijbel konden lezen. Men zag
bijvoorbeeld een verband tussen ketterij en het zelfstandig lezen van
de Bijbel door leken.
Toch gebeurde het omstreeks 1300 steeds meer dat tijdens de preek een
mondelinge vertaling werd gegeven van het zojuist gelezen
Schriftgedeelte uit de Vulgata.
Vertalingen in
de volkstaal
Omstreeks 1360 verscheen de Eerste Historiebijbel, een vertaling in de
volkstaal vanuit de Vulgata.
Onder leiding van de Moderne Devotie, een beweging die opriep tot
geestelijke vernieuwing, kwam in de Noordelijke Nederlanden het
verschijnen van Bijbels in de volkstaal goed op gang.
In 1477 verscheen de Delftse Bijbel, de eerste gedrukte Bijbel in het
Nederlands.
Alle tot nog toe verschenen vertalingen waren echter niet compleet,
omdat diverse Bijbelboeken erin ontbraken.
Humanisme
Tijdens het Humanisme begon men bij het vertalen van de Bijbel gebruik
te maken van oudere handschriften. De monopoliepositie van de Vulgata
werd enorm aangetast toen Erasmus in 1516 het NT uitbracht in het
Latijn, een regelrechte vertaling vanuit het Grieks.
Luther-bijbel
In 1534 verscheen Luthers complete Bijbel in de volkstaal (het Duits).
Deze Bijbel heeft lang zijn invloed gehad, voor ook omdat Luther zelf
het nodige respect genoot.
Reformatorische
vertalingen
De eerste Reformatorische vertaling in de Nederlanden werd in 1526 door
Jacob van Liesvelt uitgegeven. Het NT was een vertaling van de
Luther-bijbel en het OT een vertaling vanuit de Vulgata. Van Liesvelt
werd toen hij bleef doorgaan met deze verboden activiteiten, die veel
onrust brachten, veroordeeld tot de doodstraf.
De RKKerk, die tegen al deze nieuwe ontwikkelingen was, bracht in 1548
een alternatief op de markt: een NL-vertaling van de Vulgata. Deze
Bijbel heeft nog drie eeuwen lang zijn dienst gedaan.
In 1562 werd in Emden de gereformeerde Bijbel uitgegeven, de Deux Aes
Bijbel. Deze vertaling was deels afgeleid van de Luther-bijbel en deels
overgezet vanuit de grondtekst.
Tot en met de verschijning van de Statenvertaling verschenen er van
deze Bijbel steeds verbeterde uitgaven.
1. De
Statenvertaling
De calvinistische visie op de Bijbel was de volgende: Een vertaling
moet getrouw de grondtekst weergeven, omdat God via de Schrift spreekt
en de mens niet het recht heeft aan Zijn Woord iets toe of af te doen.
Daarom verlangden de Nederlandse Gereformeerden een nauwkeurige
weergave van de oorspronkelijke, heilige tekst - nauwkeuriger dan
Luther dat in zijn vertaling had gedaan. Luther wilde de Bijbel Duits
laten spreken, de calvinisten wilden de mensen laten horen hoe God
spreekt. Sinds de synodevergadering te Emden (1571) kwam op elke
kerkvergadering de kwestie van een betere Nederlandse Bijbelvertaling
wel aan de orde. Er werden ook heel wat pogingen gedaan, maar op het
resultaat was telkens wel iets aan te merken.
Langzamerhand vestigden zich wel een aantal overtuigingen in de hoofden
en harten van de kerbestuurders over hoe een goede vertaling tot stand
zou kunnen komen. Het werk zou aan een groep vertalers opgedragen
moeten worden, die op een rustige en geschikte plaats zouden moeten
kunnen werken. Vanwege de kosten was het raadzaam dat de overheid
financieel zou bijdragen. Verder moest de vertaling een trouwe
weerspiegeling van de grondtekst zijn. Maar ook het Nederlands van de
vertaling moest algemeen, zuiver en gemakkelijk te verstaan zijn. Er
waren namelijk al wat experimenten geweest, waarbij nieuwe woorden
werden uitgevonden en voor het eerst in de Bijbelvertaling werden
gebruikt. Deze oplossing werd als minder geslaagd bevonden.
Op de Nationale Synodevergadering te Dordrecht van 1618 werd
uiteindelijk een concreet voorstel gedaan. In zeven zittingen, van 19
tot en met 27 november 1618 vergaderden de synodeleden over een plan om
tot een Nederlandse Bijbelvertaling uit de grondtalen te komen. Het
vertaalwerk moest uitgaan van de grondtekst en gebruik maken van de
beste overzettingen, commentaren en woordenboeken die al voorhanden
waren. Ook dienden de vertalers bij problemen met moeilijke plaatsen
ter zake kundige geleerden te raadplegen. De belangrijkste regel was
echter: tenzij de duidelijkheid of het Nederlandse taaleigen eronder
leed, moest zo getrouw mogelijk de grondtekst worden gevolgd. Waar
letterlijke vertaling niet goed mogelijk was, mochten de vertalers een
omschrijving gebruiken, mits ze in een kanttekening ook de letterlijke
vertaling zouden opnemen. Het ging dus om een woordelijke,
wetenschappelijk objectieve overzetting.
Besloten werd zes personen met de vertaling te belasten: drie voor het
Oude Testament, drie voor het Nieuwe Testament en de apocriefen. Zij
dienden niet alleen de vereiste taalkundige en theologische
bekwaamheden te bezitten, maar moesten tevens mannen van een vrome
levenswandel zijn. Tot correctoren werden per provincie twee personen
aangewezen, één voor het Oude Testament en
één voor het Nieuwe Testament en de apocriefen.
Om verschillende politieke en financiële redenen begon het
echte vertaalwerk pas in 1626. De vertalers kwamen bijeen in de
universiteitsstad Leiden, omdat die de beste bibliotheek bezat. De
Staten-Generaal betaalde voor kost en inwoning. Tevens mochten
aanschafkosten van verder naslagwerken gedeclareerd worden. De
vertalers van het Oude testament verdeelden het werk onder elkaar,
waarna ze dat in vergadering bespraken. De vertalers van het Nieuwe
Testament (die veel minder werk hadden, en al van goede eerdere
vertalingen konden uitgaan) vertaalden ieder voor zich elk boek, die ze
dan samen bespraken. Op 17 september 1637 kon het eerste exemplaar aan
de Staten-Generaal aangeboden worden.
Op verzoek van het Nederlands Bijbelgenootschap is in april 1969 een
adviescommisie ingesteld om een taalkundige bewerking van de
oorspronkelijke Statenvertaling te maken naar het hedendaags
taalgebruik toe. Woorden die in de loop der eeuwen een andere betekenis
of connotatie hebben gekregen, zijn vervangen door woorden die nu
zeggen wat de vertalers toen bedoelden. Vanaf 1977 verschijnt de
Statenvertaling in deze aangepaste vorm.
Lutheranen
De Lutheranen in Nederland negeerden echter de Statenvertaling. In 1648
komt Luthers Hoogduitse Bijbel op de markt. Het is een aangepaste
weergave van de Luther-bijbel, met daarin elementen vanuit andere
grondtekstgetrouwe vertalingen. Tot in 1950 is deze Bijbel binnen de
Lutherse kerk gebruikt.
Nieuwe
vertalingen
Na 1780 verschijnen er naast de Statenvertaling steeds meer nieuwe
vertalingen. Hierin worden de nieuwe ontwikkelingen vanuit de
bijbelwetenschap en de kennis van de klassieke talen verwerkt. In 1912
verschijnt de Leidse vertaling. In 1927 de Utrechtse vertaling.
2. De
NBG-vertaling 1951
In 1911 besloot een aantal theologen een nieuwe vertaling te maken die
in de breedte van de kerken gebruikt kon worden. In 1927 ondersteunde
het Nederlands Bijbel Genootschap (NBG) deze onderneming en kwam er
schot in. De groep vertalers was afkomstig uit verschillende kerken en
maakte deel uit van verschillende theologische richtingen. In 1939
verscheen het Nieuwe Testament en in 1951 de volledige Bijbel. Deze
"Nieuwe Vertaling" (NBG-Vertaling 1951) werd al heel snel door de
meerderheid van de protestantse kerken in gebruik genomen. Nooit eerder
was het voorgekomen dat een bijbelvertaling door zoveel kerken was
aanvaard. Hoewel velen zeer blij waren met deze nieuwe vertaling, kwam
er kritiek op het ouderwetse taalgebruik. Dat klopt ook wel: reeds in
1911 begon men met de eerste voorbereidingen en de groep vertalers was
toen al wat ouder. Dat had consequenties voor het Nederlands van de
vertaling. Zij werd hierdoor, en doordat de groep vertalers breed
samengesteld was, ook wel een "compromisvertaling" genoemd. Van alle
nieuwe vertalingen die de laatste eeuw vervaardigd waren, stond deze
wat betreft de taal het dichtst bij de Statenvertaling.
Als redenen om aan de Nieuwe Vertaling te gaan werken, gezien de
waardering voor de Statenvertaling, werden genoemd:
de veranderingen in de Nederlandse taal sinds het verschijnen van de
Statenvertaling ruim driehonderd jaar daarvoor. De Nieuwe Vertaling is
een vertaling die niet alleen wat woorden betreft in de hedendaagse
taal is, maar waaraan de hele zinsbouw en uitdrukkingswijze zo zijn,
dat de moderne lezer daarin in zijn eigen taal van de grote daden Gods
hoort spreken.
betere kennis van de Hebreeuwse, Aramese en Griekse taal, cultuur en de
wereld waarover het Oude en Nieuwe Testament spreken en waarin zij zijn
ontstaan.
de beschikbaarheid van oudere en betere grondteksten.
Voorzitter bij de vertaling van het Nieuwe Testament was dr. Grosheide.
Zijn levensloop zullen we wat nader bekijken.
De RKKerk heeft intussen in 1939 de Canisiusbijbel uitgegeven, de
eerste officiële RKe vertaling uit de grondtekst. In 1975
wordt deze vertaling opgevolgd door de Willibrord-vertaling. Hierin
worden de nieuwste inzichten uit de bijbelwetenschap en taalwetenschap
verwerkt. In 1995 verschijn er een herziene Willibrord-vertaling.
FREDERIK WILLEM GROSHEIDE
(25 november 1881 - 5 maart 1972)
Grosheide was Amsterdammer van geboorte, afkomstig uit de gegoede
burgerstand, die behoorde tot de trouwe aanhang van Abraham Kuyper.
Zijn theologische opleiding ontving hij aan de Vrije Universiteit in
Amsterdam. Hij schreef zich in 1899 niet alleen voor de studie in de
faculteit der godgeleerdheid in, maar eveneens voor die in de faculteit
der letteren. Dat was toen niet bepaald een uitzondering; hier verdient
het echter opzettelijke vermelding. Grote invloed heeft namelijk de
hoogleraar in de klassieke letteren, dr.J.Woltjer, op Grosheide
uitgeoefend. Meer dan alle andere hoogleraren moet juist Woltjer, bij
wie hij ook het candidaatsexamen in de klassieke letteren heeft
afgelegd, hebben bijgedragen tot zijn wetenschappelijke vorming.
Op de Vrije Universiteit ontbrak in die tijd een deskundige op het
gebied van de Nieuwtestamentische wetenschap in de toenmalige faculteit
der godgeleerdheid. Grosheide heeft zich door eigen inspanning de
nodige bekwaamheden op dit gebeid weten te verwerven. In december 1902
werd P. Biesterveld aangesteld aan de VU als hoogleraar in de
Nieuwtestamentische wetenschappen. Deze was eerder verbonden aan de
Kampense Theologische school van de Gereformeerde kerken. Grosheide
werd aan de Vrije Universiteit de eerste die met het leveren van een
proefschrift over dat onderdeel der theologie het doctoraat in de
godgeleerdheid mocht behalen. Hij promoveerde op 2 juli 1907 op een
dissertatie, welke tot onderwerp had De verwachting der toekomst van
Jezus Christus.
Het lag helemaal in de lijn der verwachtingen dat deze nieuwe doctor in
de theologie de aangewezen man was om de leerstoel voor de
Nieuwtestamentische vakken te bezetten. Deze kwam namelijk in december
1908, door het overlijden van Biesterveld, beschikbaar. Vermoedelijk
heeft men Grosheide toen nog te jong geacht om hem reeds onmiddellijk
voor een benoeming in aanmerking te doen komen. Door de bevoegde
instanties werd iemand anders tijdelijk met de waarneming van de
bedoelde vakken belast. Grosheide zat intussen niet stil. Naast zijn
werk als predikant in het Zuidhollandse Schipluiden hield hij zich
bezig met de zelfstandige bewerking van de grammatica van het griekse
Nieuwe Testament dat oorspronkelijk door de amerikaanse geleerde
A.T.Robertson was opgesteld. Deze bewerking zag het licht in 1912,
voorzien van een woord ter introductie door dr.J.Woltjer, gedateerd
juni 1912. Grosheide verklaart in het voorbericht: 'Mijn bewerking is
een geheel nieuw boek geworden. Niet één enkele
zin is vertaald. En stond het niet op het titelblad, niemand zou in dit
gewaad den Amerikaanschen Robertson vermoeden.' Karakteristiek is de
zinsnede waarmede hij dat voorbericht afsluit: 'En nu ten slotte,
misschien zal iemand zeggen, waarom hebt gij als Gereformeerd theoloog
uw tijd besteed en uw krachten beproefd aan een Grammatica? Waarom dat
niet liever aan anderen overgelaten en zelf u aan den zoo hoog noodigen
arbeid der Schriftuitlegging gegeven? Ik antwoord, ook ik wensch op
exegese aan te werken, doch er is geen goede exegese mogelijk zonder
grammatica. En al had ik nooit dit boek samengesteld, dan had ik voor
mijzelf om tot exegese te komen, toch al de stof moeten verwerken, die
hier wordt geboden. Ik hoop nu door dit werk te hebben bevorderd, dat
ook in onzen kring de grammatische studiën meer zullen worden
gewaardeerd en beoefend. En God de Heere geve, dat mede door mijn
arbeid als middel, het Boek der boeken beter worde verstaan en
verklaard.' Deze gedachte ligt in de lijn van Erasmus' gedachtengoed.
In hetzelfde jaar 1912 kwam eveneens zijn benoeming tot hoogleraar aan
de VU. En reeds op 13 december van dat jaar kon hij zijn ambt
aanvaarden met het uitspreken van een oratie over Nieuw-Testamentische
exegese.Volle veertig jaren heeft Grosheide dit ambt mogen bekleden. Na
het medegedeelde behoeft het niet te verwonderen, dat hij zich vooral
heeft toegelegd op de uitlegging der Nieuwtestamentische geschriften.
Hij deed dat met grote nauwgezetheid, met vermijding van elke
dogmatisch ingestelde benadering van de tekst, waartoe in de kring
waaruit hij was voortgekomen een bepaalde neiging en misschien zelfs
traditie bestond. Zijn streven was er juist op gericht om aan de tekst
zelf alle recht te doen wedervaren. Hij schreef op deze manier heel wat
verklaringen bij het Nieuwe Testament.
Daarnaast hield hij zich vooral bezig met vragen rondom het vertalen
van de Bijbel, vanzelfsprekend met name die van het Nieuwe Testament.
In 1916 deed hij een brochure verschijnen onder de titel
Bijbelvertalen, welke over dit onderwerp een algemene uiteenzetting
inhield. Maar daarbij liet hij het niet. Hij begreep dat het
noodzakelijk was zich te gaan verdiepen in allerlei concrete vragen,
samenhangende met de moeilijke en ingewikkelde kwestie die het leveren
van een goede en alleszins verantwoorde vertaling nu eenmaal is. Hij
sneed daartoe gaarne de geschiedenis der bijbelvertalingen aan. In de
eerste periode van zijn hoogleraarschap werden dergelijke onderwerpen
door hem aan de orde gesteld op zijn doctoraal-colleges; hij was in de
faculteit de eerste die afzonderlijke colleges van zodanige aard
instelde. Onder meer hield hij zich bezig met de oude vertaling in het
Syrisch, en - wat in dit verband vooral vermelding behoeft - met de
vertalingen in de Nederlanden uit de voorreformatorische en
reformatorische periode.
Het behoeft geen verwondering te wekken, dat Grosheide betrokken werd
in de toenmaals zeer actuele zaak van het totstandbrengen van een
nieuwe Bijbelvertaling, ter vervanging van de Statenvertaling uit de
zeventiende eeuw. In 1921 werd hij als lid opgenomen in het
hoofdbestuur van het Nederlands Bijbelgenootschap, waarvan hij
gedurende de jaren 1939 tot 1952 zelfs het voorzitterschap zou
vervullen. In 1927 trad hij op als voorzitter van de vertaalcommissie
van het Nieuwe Testament, welke commissie in 1939 het resultaat van
haar arbeid in eerste lezing kon afleveren.
Bijbel in omgangstaal
In 1983 verschijnt de Groot Nieuws Bijbel, de Bijbel in de
omgangstaal. Bij dit project werken Gereformeerden en katholieken voor
de eerste keer samen.
Ook verschijnen er in de laatste decennia van de 20ste eeuw
enkele vertalingen in dialect, bijvoorbeeld de Twentse Bijbel.
Het Boek
Het Boek is een zogenaamde gedachte-voor-gedachte vertaling van de
Bijbel, op Amerikaanse leest geschoeid. In plaats van de originele
Hebreeuwse en Griekse tekst woord voor woord te vertalen, worden de
verhalen verteld voor mensen van deze tijd met taal, woordspelingen en
uitdrukkingen van nu.
Het Boek wordt ook wel smalend "vertaling van een parafrase van een
vertaling van de Bijbel" genoemd. Ondanks de forse kritiek uit
orthodox-protestantse kring, geniet deze 'kinderbijbel voor
volwassenen' al meer dan tien jaar een gedoogstatus. Meer dan een kwart
miljoen exemplaren werden er sinds de introductie in 1988 verkocht.
Onbekend is nog altijd wie aan het project meewerkten en wie vertaalden.
NBV
Vanaf 1994 werken de KBS en het NBG samen aan een Nieuwe
Bijbelvertaling, die in 2004 verschijnt.
Momenteel wordt er nog gewerkt aan een revisie van de
Statenvertaling.
Enkele doelstellingen van de NBV:
Interconfessioneel karakter: Protestants, Katholiek en Joods.
De modernste inzichten op het gebied van taal en wetenschap zijn er in
verwerkt.
Grondtekstgetrouw en doeltaalgericht.
Doelgroep: buitenkerkelijken en Protestanten die beschikken over een
verouderde vertaling.
Gebruiksdoel: voor individueel en liturgisch gebruik.
Terugblik
Wat een drang hebben Nederlanders gehad om goede Bijbels te maken. Er
heeft zelfs bloed voor gevloeid. Laten we deze daden van onze
voorvaderen in gedachten houden.
Het is uniek dat wij het verschijnen van een nieuwe vertaling, de NBV,
hebben kunnen meemaken. Daarbij is geen bloed gevloeid, alhoewel er in
kerkelijke kringen wel veel over te doen geweest is. We kunnen daardoor
iets meevoelen van de sfeer die het Bijbelvertaalwerk altijd met zich
meegebracht heeft. Bij het verschijnen van Bijbelvertalingen zijn er
altijd mensen enorm enthousiast en ook mensen die het graag willen
houden bij het oude. Ook het debatteren over vertaalkeuzes is niet
nieuw.
Factoren die een rol spelen bij het vertalen en het omgaan met
vertalingen
De geschiedenis van het vertalen van de Bijbel laat zien dat niet
alleen de drang om Gods Woorden zo zuiver mogelijk over te brengen
hierbij een rol speelt; maar ook andere zaken als:
machtsverhoudingen
reactie op een andere vertaling
afzetting tegen of samengaan met andere geloofsgenootschappen
ontwikkeling van wetenschap en taalkunde
afnemende vertrouwdheid van mensen met de tijd of de boodschap van de
Bijbel
Hieronder een uitwerking van enkele belangrijke factoren die bij het
vertalen van de Bijbel een rol spelen.
Handschriften
Je wilt grondtaalgetrouw vertalen, maar van welke handschriften maak je
gebruik?
Met name bij het OT kan er veel verschil zijn tussen de Griekse
vertaling van het OT (Septuagint) en oudere Hebreeuwse handschriften.
Er bestaan handschriften van de Masoreten, maar ook versies die
tekstinterpretaties bevatten van latere rabbijnen.
Gezag
Je gebruikt de grondtekst, maar welk gezag ken je toe aan (bepaalde
delen van) de Bijbel?
De historisch-kritische methode maakt onderscheid tussen de waarde van
verschillende zaken in de Bijbel en komt met allerlei vervreemdende
vertaaloplossingen.
Grondtekstgetrouwheid
Je wilt dicht bij de grondtekst blijven, maar het ook leesbaar maken
voor mensen van nu.
Enkele keren in de geschiedenis zijn er idiolecte vertalingen gemaakt;
vertalingen die het Hebreeuws en Grieks letterlijk vertaalden naar de
doeltaal toe, zonder het aan de taalregels van de doeltaal aan te
passen. Een andere naam hiervoor is ook wel ‘concordant
vertalen’; de vertaling in de doeltaal kent dan (bijna) een
even grote rijkdom aan woorden dan het oude handschrift; een soort
Hebreeuws-Nederlands.
Voorbeeld:
Ruth 4:17 Idiolecte tekst ‘En de buurvrouwen riepen hem een
naam toe, zeggende: “Geboren is een zoon aan Naomi”
En zij riepen zijn naam: “Obed”. Hij: de vader van
Isaï, de vader van David.’
Ruth 4:17 SV ‘En de naburinnen gaven hem een naam, zeggende:
Aan Naomi is een zoon geboren; en zij noemden zijn naam Obed; deze is
de vader van Isai, Davids vader.’
De Statenvertaling heeft ook idiolecte trekken. Een groot pluspunt van
de Statenvertaling was, dat ze door het weergeven van kanttekeningen de
lezer in staat stelde om mee te kijken bij eventuele vertaalkeuzes.
Helaas wordt de Statenvertaling tegenwoordig uitgegeven zonder deze
kanttekeningen, wat het verstaan van sommige uitdrukkingen bemoeilijkt.
Leesbaarheid
Elke vertaling is leesbaar, maar de meningen verschillen over de mate
waarin mensen dat wat vertaald is ook daadwerkelijk zo begrijpen zoals
het in de grondtekst bedoeld werd. Dit laatste heeft uiteraard invloed
op de vertaalkeuzes die gemaakt worden.
Lijnrecht tegenover de idiolecte vertaalmethode staat de methode van de
dynamische equivalentie, de Bijbelvertaling in de omgangstaal. Bij deze
methode gaat licht men de bedoelde boodschap uit de grondtaal en zet
men die boodschap over in een nieuwe taal, waarbij de boodschap zo
verwoord wordt dat daardoor hetzelfde effect ontstaat zoals dat was in
de grondtaal. Vertalen is volgens deze methode niet
‘simpelweg’ overzetten, maar ook transformeren.
Voorbeeld:
Hand.1:12 GNB ‘Toen gingen ze van de berg naar Jeruzalem
terug. Die berg heette de Olijfberg en ligt vlakbij Jeruzalem, op nog
geen kilometer afstand.’
Hand.1:12 SV ‘Toen keerden zij wederom naar Jeruzalem, van
den berg, die genaamd wordt de Olijf berg, welke is nabij Jeruzalem,
liggende van daar een sabbatsreis.’
Het woord ‘sabbatsreis’ is in het Nederlands
ongebruikelijk en herinnert aan een tijd waarin men op de sabbat niet
meer dan een bepaalde afstand aflegde om zodoende de rust van deze dag
niet te verstoren. Het woord ‘kilometer’ heeft een
andere gevoelswaarde (meer kwantitatief) dan het woord
‘sabbatsreis’ (meer kwalitatief).
Als je bij het vertalen nog verder en vaker van het origineel
verwijderd raakt, kun je niet meer spreken van een Bijbelvertaling,
maar van een parafrase (zoals Het Boek en The Living Bible).
De
vertaalgeschiedenis
Je kunt de Bijbel niet vertalen alsof je hem voor het eerst
vertaalt. De Bijbel is een Boek wat door alle eeuwen heen wortels
geschoten heeft in kerk en cultuur. De Bijbel is daarmee een Boek wat
generaties verbindt; de vertaling mag (moet) ook zeker in dienst staan
van de continuïteit in het omgaan met de Schrift. Het is
daarom jammer als vertalingen elkaar gaan uitsluiten of als er een
breuk ontstaat tussen een nieuwe vertaling en woorden / begrippen die
in de kerkelijke traditie de eeuwen door inhoud gekregen hebben.
Voorbeelden:
· Bisschop (Deux Aes); opziener
(SV)……Bisschop (RKe bijbels); leider (WilV)
· Diakenen (SV); kerkelijke assistenten (GNB);
helpers (WilV).
· Gemeente (SV, …) wordt in de NBV
‘kerk’.
Ook de weergave van de Godsnaam valt onder deze problematiek: HEERE
(SV); HERE (NBG); HEER (NBV). Gevoelsmatig verschuift de betekenis van
eigennaam naar titel.
De vertalers
en hun specialisme
Hoe breed is het team van vertalers qua kennis en kunde en welke takken
van de wetenschap worden erbij gebruikt? Iedere vertaler brengt weer
zijn eigen specialisme en daarmee ook zijn eigen mening mee. Daarnaast
heeft iedere vertaler weer zijn of haar eigen visie op God en Zijn
Woord. Ook dat beïnvloedt weer de vertaalkeuzes.
Voor het beoordelen van een vertaling is het belangrijk om te weten wat
de vertaalprincipes zijn waaraan de vertalers zichzelf gehouden hebben.
We moeten ook begrijpen dat de Bijbel een Boek van God is, wat van
zichzelf al een bepaald niveauverschil geeft tussen de mens en God. Dat
verschil kun je niet weg-vertalen en je mag het ook niet proberen weg
te vertalen.
Je zult bij het vertalen altijd tegen het feit aan blijven lopen dat
het verstaan van Gods Woord niet zonder de kennis van Christus en de
openbaring van Gods Geest kan gebeuren. De vertaling kan uitermate
dienstbaar zijn, maar het is God zelf die ons Zijn Woord openbaart.
We leven in een maatschappij waarin alles hapklaar en snel toegankelijk
moet zijn. De Bijbel, in welke vertaling dan ook gemaakt, vraagt een
bepaalde gerichtheid en soms ook bepaalde kennis. Het tot je nemen van
de Bijbelse boodschap vraagt geloof, vaak ook veel tijd en soms ook
geld (aanschaffen van naslagwerken). Is het ons dat waard?
Kennis van de
grondtaal een pluspunt?
Een christen verzuchtte eens: ‘Konden we de grondtalen maar
lezen, dan was ik van al dat gezeur met die vertalingen af.’
Iemand anders reageerde: ‘Misschien kwamen er dan nog wel
veel meer Bijbelversies op de markt en werd de verwarring alleen maar
groter’.
Kennis van de grondtaal stelt ons in staat om een vertaling te
beoordelen op details, maar het helpt niet om alles helemaal duidelijk
te maken. Het grote pluspunt van een vertaling is dat je daardoor een
beeld kunt krijgen van het geheel van de Schrift, zonder te
‘verdrinken’ in het grote bos van vertaalkeuzes.
Ook als de duidelijkheid van de Bijbelvertaling niet volledig is,
blijkt de duidelijkheid van de bijbelse openbaring van God en Zijn
werk. In de Bijbel is een grote mate van veelvuldigheid, waardoor we
niet van de vertaling van één woord of
één zin afhankelijk zijn.
Welke
vertaling is de beste?
Het zal duidelijk zijn dat we het beoordelen van vertalingen niet
alleen af kunnen gaan op de klank of het vergelijken van woorden of
zinsdelen die wel of niet in een vertaling zijn opgenomen. Het
vergelijken van vertalingen begint bij het naast elkaar zetten van de
verschillende vertaalkeuzes en de intentie die de vertalers hadden bij
hun werk. Het zou handig zijn als in de bijbels die uitkomen (ook
herdrukken) heel kort dit soort informatie opgenomen wordt, zodat het
voor de lezer goed te vergelijken is. De beste tip die ik op dit moment
kan geven is het gebruiken van meerdere vertalingen naast elkaar. Weet
waar je over praat als je kritiek hebt op een vertaling en wees
voorzichtig met je oordeel als je niet goed thuis bent in deze materie.


















