Het levende woord van God
Aflevering 12
De vindplaats van materiaal
voor Bijbelstudie, geloofstudie, catechese, school, kring, persoonlijk
geloof, studie thuis, kerk, club, nieuws, godsdienstonderwijs,
zingeving en vooral heel veel mogelijkheden om je Bijbelkennis te
vergroten. Blijf
niet afhankelijk van anderen maar lees zelf de Bijbel. Investeer in
geestelijke rijkdom.
Kies hieronder een studie uit deze serie
| 01 | 02 | 03 | 04 | 05 | 06 | 07 |
| 08 | 09 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 |
"Het Woord van
God is levend en krachtig", zoals ze van zichzelf getuigd.
Begrijpelijk, want het is het Woord van de levende God. Alle dingen
zijn uit het Woord voortgekomen. De neerslag van het levende Woord
vinden we in "de heilige Schriften", dat dan ook prompt "van God
geïnsprieerd" heet. Letterlijk "God geblazen". Zoals ooit de
eerste mens door God ingeblazen en "alzo een levende ziel" werd, zo
zijn ook de heilige Schriften "van God geblazen" en daarom levend.
Gevormd door geschriften, ontstaan op zoveel plaatsen en gedurende
vele, vele eeuwen, vormt het niettemin een wonderbaarlijke eenheid..
Wat
staat er in de Bijbel? deze vraag is al door velen gesteld en even zo
vele malen was daar het antwoord - onderzoek alle dingen en word wijs
1. Profetie
In de Bijbel kunnen we drie vormen, waarin profetie zich manifesteert,
onderscheiden: de oudtestamentische profeten, de nieuwtestamentische
profeten en de gave van profetie. De eerstgenoemde categorie had, om
het zo maar eens te zeggen, het laatste woord: het woord van een
profeet was het einde van alle tegenspraak, God Zelf sprak rechtstreeks
door de profeet en de profeten waren ook vaak richters of leiders van
het volk. De tweede categorie komt later aan de beurt bij punt 18. De
derde categorie, de gave van profetie, is een van de negen gaven van de
Geest uit 1 Cor. 12, gegeven aan ‘gewone’ gemeenteleden,
dus niet ambtelijk bepaald. In 1Co 14 lezen we de volgende uitspraken
van Paulus over deze gave: ‘we moeten er naar jagen’ (vs.
1), ‘wie profeteert spreekt stichtend, vermanend en
vertroostend’ (3), ‘wie profeteert sticht de
gemeente’ (4), ‘Paulus wilde wel dat allen
profeteerden’ (5), ‘de profetie is voor de gelovigen’
(22). ‘Als allen (!) profeteren en er komt een ongelovige of
toehoorder binnen, dan wordt hij door allen weerlegd, wordt hij door
allen doorgrond, het verborgene van zijn hart komt aan het licht en hij
zal zich ter aarde werpen, God aanbidden en belijden, dat God inderdaad
in uw midden is’ (24, 25). In vs 29 is niet direkt duidelijk of
hier sprake is van de gave van profetie of het ambt van profeet {1}.
‘Want gij kunt allen één voor één
profeteren’, staat in vs. 31. En het volgende vers luidt:
‘de geesten der profeten zijn aan de profeten onderworpen’,
dit om wanorde en door elkaar heen praten te voorkomen. En aan het slot
van dit hoofdstuk worden we nogmaals opgeroepen ‘te streven naar
het profeteren.’ In 1Co 11:5 is ook sprake van profeterende
vrouwen, evenals in Hand. Ac 21:9, de vier dochters van Philippus. In
Hand. Ac 19:6 begonnen de twaalf discipelen, na de handoplegging van
Paulus ter vervulling met de Heilige Geest, te profeteren;
waarschijnlijk is dit ook het geval geweest in Hand. 8, de doop met de
Heilige Geest van de gelovigen in Samaria, gezien de reactie van Simon
de tovenaar, en Hand. 10, de gelovigen bij Cornelius.
Waartoe dient nu de gave van profetie en het ambt van profeet?
‘Het profeteren is naar de mate van ons geloof’ (Ro 12:6),
hoe meer iemand van God verwacht, gelooft, wat God kan geven, des te
meer kan God ook door zo iemand geven aan duidelijkheid betreffende
Zijn plannen. Maar toch, hoe groot het geloof van iemand met een
profetische gave ook is, altijd zal het profeteren onvolkomen zijn (1Co
13:9), totdat de tijd aanbreekt dat we God van aangezicht tot
aangezicht (vs. 12) zullen zien en we Hem volkomen zullen kennen. Er
wordt gewaarschuwd voor het uitdoven van de Geest (1Th 5:19) en het
verachten van profetieën (vs. 20).
2. Dienen of dienstbetoon
Op het eerste gezicht lijkt het niet duidelijk, waarom het dienen tot
de genadegaven, de charismata, gerekend wordt. Immers, dienen is voor
iedere gelovige een vanzelfsprekende zaak, de ambten in Eph 4:11 zijn
in eerste instantie gegeven voor deze taak; letterlijk staat er:
‘om de heiligen volmaakt te maken in het dienstbetoon.’
Maar net als in het vorige, het profeteren, wil Jezus door het dienen
in ons werkzaam zijn, immers Hij was onder ons als een die dient. Het
griekse woord diakonia wordt ook gebruikt in 1Co 12:5,
‘verscheidenheid in bedieningen, maar het is dezelfde
Here’, en van de dienst van Paulus (2Ti 4:11 Ac 12:25 21:19,
bijv.). Het overeenkomstige werkwoord diakoneo betekent gewoon: dienen,
maar ook dienen als diaken, bijv. in 1Ti 3:10. Heel duidelijk wordt het
bijzondere van het dienen uit 1Pe 4:11, ‘dient iemand, laat het
zijn als uit kracht door God verleend, opdat in alles God verheerlijkt
worde door Jezus Christus....’ Daardoor wordt het dienen op een
hoger vlak gebracht, niet meer uit onszelf, uit eigen kracht, maar God
Zelf doet het door en in mensen.
3. Onderwijzen
Een leraar of onderwijzer brengt uit zijn voorraad nieuwe en oude
dingen te voorschijn, zegt Jezus in Mt 13:52. Het zou kunnen lijken dat
een leraar door hard te studeren altijd in staat is om de wil van God
aan anderen door te geven. Inderdaad komt het nog al eens voor, dat
verhandelingen over God verstandelijk best kloppen, maar toch dor en
droog zijn, het leven ontbreekt. Daarom is het niet voor niets, dat
deze eigenschap onder de charismata valt, m.a.w., God Zelf wil de
leraar inspireren om Zijn woorden fris en levend te laten zijn. In Mt
23:8 noemt Jezus Zichzelf de Meester, Nicodemus noemt Hem de Leraar van
God gezonden (Joh 3:2). Iedere leraar, in dienst van God, kan dit
aspect van Jezus laten zien in zijn werk: ‘spreekt iemand, laten
het woorden zijn als van God’ (1Pe 4:11). Jezus sprak met gezag,
niet zoals de farizeeën, en dit verlangt Jezus ook van allen die
namens Hem spreken. En dit geldt voor alle ‘spreek-gaven’.
4. Vermanen
De tekst: ‘wie vermaant in het vermanen’ is op het eerste
gezicht niet zo duidelijk. In het Grieks worden hier na elkaar twee
woorden gebruikt, nl. parakaleo en paraklesis. Deze woorden lijken veel
op een bij iedereen bekend Grieks woord: Parakleet, de aanduiding van
de Trooster, Die Jezus zenden zou volgens Joh 14$, 15$, 16$. Inderdaad
worden deze twee Griekse woorden ook vaak vertaald met troosten,
bemoedigen, aansporen, opbeuren, voorspraak, erbij roepen, iemand
terzijde staan. Het Boek vertaalt deze tekst zo: ‘wie anderen
moet aansporen en bemoedigen, krijgt daar de woorden voor.’ De
vertaling van J.B. Phillips luidt: ‘and if our gift be the
stimulating of the faith of others, let us set ourselves to it;’
W.F. Beck gebruikt ‘encourage’, aanmoedigen; Ludwig
Albrecht vertaalt met zielzorg. In 1Jo 2:1 wordt Jezus ook de Trooster,
Parakleet, genoemd, en in 2Co 1:4 noemt Paulus God de Vader als de
Trooster. Ook hier geldt weer: het troosten, bemoedigen, aansporen,
enz., is een goddelijke eigenschap, die wij in Zijn Naam mogen
gebruiken en toepassen. Eigenlijk is dit het charisma van de zielzorg.
De zielzorger wordt profetisch geleid in het onderkennen van de diepere
oorzaken van een conflict en ook wordt juist in deze gave duidelijk hoe
de gaven en de vrucht van de Geest samen functioneren.
5. Mededelen, uitdelen
De NBG-vertaling heeft hier: ‘wie mededeelt, in eenvoud;’
Ludwig Albrecht: ‘wie liefdegaven uitdeelt, moet onpartijdig
zijn.’ Het geven aan anderen van geld of tijd dient in elk geval
zo te zijn, dat we er niets voor terug verwachten, alles wat we hebben
komt van God en als we iets aan anderen geven, geven we het eigenlijk
aan God terug. In Jas 1:5 wordt deze manier van geven een goddelijke
eigenschap genoemd: ‘Die aan allen geeft, eenvoudigweg en zonder
verwijt.’ Het kostbaarste dat God te geven had heeft Hij aan ons
gegeven, Zijn Zoon, aan mensen die er maar weinig voor teruggeven; en
die manier van geven zoekt Hij ook in ons. Maar dat kunnen wij alleen
maar in de kracht van Zijn Geest.
6. Leiding geven, besturen
‘Wie leiding geeft, in ijver’ (NBG); voor het leiding geven
aan (dikwijls moeilijke) mensen is alle kracht nodig, die de Heilige
Geest geven wil. In 1Ti 3:4,5 5:17 wordt deze uitdrukking gebruikt voor
het regeren van de ouderlingen, in dienst van God, Die het al regeert:
‘De Heer regeert, Zijn koninkrijk staat vast (Gez. 304:2).’
Iedereen die regeert, vertegenwoordigt God en kan dat ook alleen maar
doen in Zijn kracht.
7. Barmhartigheid bewijzen
God is de Vader van alle barmhartigheden; als God Zich aan Mozes
kenbaar maakt, is Zijn Naam: barmhartig en genadig, lankmoedig, groot
van goedertierenheid en trouw (Ex 34:6). Gods barmhartigheid is groot,
zegt David (2Sa 24:14). Ook wij allen worden opgeroepen barmhartig te
zijn, zoals onze hemelse Vader barmhartig is (Lu 6:36). Deze goddelijke
eigenschap mogen we uitoefenen in blijdschap, dus niet al zuchtend of
ons op de borst slaande (op de protestantse manier tenminste, om te
laten zien hoe goed we zijn), maar gewoon, vanzelfsprekend, omdat we zo
aan de wereld iets mogen laten zien van Wie God is, wat God doet, in
Zijn kracht.
8. De gave van onthouding
We kunnen veronderstellen, dat als Paulus die gave niet had gehad, als
hij een gezin had moeten onderhouden, we dan een groot gedeelte van
zijn brieven niet gehad zouden hebben. Dan zou hij zijn zendingsreizen
niet hebben kunnen volbrengen en zou ook, menselijkerwijs gesproken,
het evangelie moeilijker voortgang hebben gevonden. ‘Er zijn
gesnedenen die zichzelf gesneden hebben terwille van het Koninkrijk der
hemelen’, zegt Jezus in Mt 19:12. In 1Co 7:33 geeft Paulus de
raad niet te trouwen, omdat anders de zorgen voor het aardse leven
iemand teveel in beslag kunnen nemen. Maar het gaat te ver hieruit een
verplichting tot celibaat te destilleren, want ouderlingen en diakenen
mogen getrouwd zijn (1Ti 3$), en het is niet goed voor de mens om
alleen te zijn. Echter, als iemand die gave ontvangt voor een speciaal
geval, en zeker weet dat hij er gebruik van moet maken, is dit iets
geweldigs.
9. Met wijsheid spreken
Wijsheid is zeker een goddelijke eigenschap, daar is de Bijbel heel
duidelijk over. Ook deze eigenschap wil God met mensen delen, om zo
iets van Zichzelf te laten zien. Wijsheid heeft niet zoveel met
intellect te maken, zie het verhaal van de arme wijze man in Pred. 9,
die een stad kon redden. Salomo ontving deze gave op gebed, en in Jas
1:5 staat ook, dat God deze gave geeft als wij Hem er om vragen. In
Jac. 3 Jas 3$ wordt een definitie van wijsheid gegeven: ‘rein,
vreedzaam, vriendelijk, gezeggelijk, vol van ontferming en goede
vruchten, onpartijdig en ongeveinsd.’ Wat is daar een behoefte
aan in de Kerk, aan mensen die in conflicten een oplossing kunnen
geven, die partijen weer bij elkaar kunnen brengen, die de raad van God
in moeilijke ethische kwesties kenbaar kunnen maken. Wat zou de Kerk
een zegen voor de wereld kunnen zijn als deze gave weer meer zou
functioneren. Moge Paulus’ gebed nog eens verhoord worden:
‘het woord van Christus wone rijkelijk in u, zodat gij in alle
wijsheid elkander leert en terechtwijst en met psalmen, lofzangen en
geestelijke liederen zingende, Gode dank brengt in uw harten’
(Col 3:16). Deze gave is ook van belang wanneer we voor stadhouders en
overheden getuigenis van ons geloof moeten afleggen. De Heilige Geest
zal ons dan de woorden in de mond leggen (Mt 10:18-20). Stefanus en de
apostelen voor de hoge raad zijn daar een voorbeeld van, hoe plotseling
samenhangen zichtbaar worden. Na de uitspraak van Salomo lezen we, dat
God in het middelpunt wordt gesteld: ‘Toen geheel Israel het
oordeel vernam, dat de koning had uitgesproken, werden zij met ontzag
voor de koning vervuld, want zij merkten, dat de wijsheid Gods in hem
was om recht te doen’ (1Ki 3:28). Typisch voor deze gave is de
instemming van anderen. Als iemand bij de meest uiteenlopende
moeilijkheden zo’n treffend en verlossend woord spreekt, ontstaat
een vertrouwensrelatie, sterker dan sympathie.
10. Met kennis spreken
Met kennis wordt bedoeld: inzicht hebben in de raad van God, maar ook
in de werken van satan. Een paar voorbeelden uit de Bijbel: Samuël
wist waar de ezels van Saul waren en dat hij koning van Israël zou
worden. Elisa wist dat Gehazi Naäman was gevolgd en wat de koning
van Aram zelfs in zijn slaapkamer sprak. Jezus zag Nathanaël onder
de vijgeboom zitten en Hij wist dat de Samaritaanse vrouw vijf mannen
had. Petrus wist van het bedrog van Ananias en Sapphira, om maar enkele
voorbeelden te noemen. Vooral in het pastoraat is deze gave onmisbaar:
wat is de eigenlijke oorzaak van iemands problemen of beschadigingen?
Een simpele vraag of opmerking kan, door de leiding van de Heilige
Geest, de ware oorzaak van een probleem aan het licht brengen en zo de
weg tot genezing vrij maken.
11. Geloof
Cousen onderscheidt drie vormen van geloof: Het reddende geloof, het
geloof om uit te leven en de gave van geloof. Om deze derde vorm gaat
het hier, kort gezegd: het geloof dat grote daden van God verwacht.
Cousen noemt een mooi verhaal ter illustratie: ergens in de V.S. was
een langdurige droogte waardoor de oogst dreigde te mislukken. De
plaatselijke predikant schreef een bidstond en een dag van vasten uit,
maar er was maar één boer die een paraplu mee naar de
kerk nam. Die man had echt geloof. Toen de kerk uitging stortregende
het, waarop een boer opmerkte: we kwamen om voor regen te bidden, maar
dit is belachelijk. Zo klein denken we van God, merkt Cousen op (p.
192). Wat een verschil met het geloof van Elia (1Ki 18:41-45); hij bad
om regen na een droogteperiode van drieëneenhalf jaar. Van tevoren
had hij al tegen Achab gezegd dat het zou gaan regenen, zó groot
was zijn geloof. Veel voorbeelden van dat geloof zijn bekend uit het
leven van Jezus, waarin Hij ons ook tot voorbeeld wil zijn. Het is het
geloof dat bergen verzet, dat de storm kan bedwingen, dat alles van God
verwacht, ook het menselijk-onmogelijke. In de St.V. worden Rom.
én Ga 3:22 vertaald met: ‘het geloof vßn Jezus
Christus;’ Brouwer merkt bij de Romeinen-tekst op: ‘door
het geloof in Jezus Christus’ kan ook vertaald worden met:
‘door de trouw van Jezus Christus.’ De St.V. en Brouwer
vertalen Op. Re 14:12 beide met: ‘geloof van Jezus.’ Zie
voor dit verschil in vertaling ook Ga 2:16. Hoe dan ook, het staat
buiten kijf, dat niemand een zo groot geloof heeft als Jezus en dat
geloof van Hemzelf wil Hij ook aan ons meedelen.
12. Gaven van genezing
Cousen (p. 104) onderscheidt vijf vormen van genezing in het Nieuwe
Testament. Dat is waarschijnlijk de reden dat deze gave in het meervoud
wordt genoemd. Hij noemt: 1. handoplegging, 2. zalving met olie, 3.
bidden voor elkaar, 4. het woord van gezag en 5. de gaven van genezing.
Voor elk onderdeel wat teksten:
1. Heb 6:2, de leer van handoplegging (niet alleen voor genezing, maar
ook voor het geven van de Heilige Geest, aanstelling in een ambt en
bijvoorbeeld ook zegening), die hoort tot de eerste beginselen; Mr 6:5,
Jezus geneest enkele zieken door handoplegging, maar door hun ongeloof
kon Hij niet meer doen; Hand. Ac 28:8, Paulus geneest zo de vader van
Publius; Mr 16:18, ‘deze tekenen zullen de gelovigen volgen: op
zieken zullen zij de handen leggen en zij zullen genezen.’
2. Jas 5:14, de oudsten, die de zieke met olie zalven; Mr 6:13, de discipelen zalven veel zieken met olie.
3. Jas 5:16, ‘bidt voor elkander, opdat gij genezing ontvangt.’
4. Hand. Ac 3:6, ‘Petrus zeide: zilver of goud bezit ik niet,
maar wat ik heb geef ik u: in de Naam van Jezus de Christus, de
Nazoreeër, wandel.’ (Over dit gedeelte is nog een aardige
anekdote: een kardinaal liep met de paus over het Sint-Pietersplein,
vol ontzag over de rijkdommen. ‘We hebben het toch maar flink wat
verder geschopt dan onze eerste paus’ zei de kardinaal,
‘want die moest nog zeggen: zilver of goud heb ik niet, en kijk
nou eens om u heen, wat een weelde.’ ‘Dat kan wel waar
zijn,’ zei de paus, ‘maar het vervolg van zijn uitspraak
tegen de verlamde, dat kunnen wij weer niet zeggen’). Lu 9:1,
toen Jezus de twaalf uitzond, gaf Hij hun macht en gezag over alle boze
geesten en om ziekten te genezen; Lu 10:9, de zeventig krijgen macht om
zieken te genezen.
5. Naast 1Co 12:9 worden de gaven van genezing ook nog genoemd in 1Co
12:28. Iemand heeft eens uitgerekend, dat ongeveer een derde deel van
de evangeliën over genezingen gaat.
Cousen (p. 112) maakt nog een interessante opmerking in dit verband.
Hij schrijft: ‘Jehova-Rophi, Ik, de HERE, ben uw Heelmeester (Ex
15:26) is één van de zeven Jehova namen in het Oude
Testament. Wanneer we in gedachte houden dat Jezus Zich identificeerde
met Jehova, Die Zich noemde: IK BEN, kunnen we gevoeglijk ieder van
deze Jehova namen zien als een belangrijk aspect van het leven en de
dienst van onze Here Jezus Christus. In dit verband wordt de gave van
genezing gezien in de juiste context in het voortzetten door de Kerk
van het werk, dat Jezus is ‘begonnen te doen en te
onderwijzen.’ We kunnen niet aanvaarden Jehova-Jireh, de Here zal
voorzien; Jehova- Nissi, de Here mijn banier; Jehova-Tsidkenu, de Here
mijn rechtvaardiging; Jehova-Shalom, de Here mijn vrede; Jehova-Shamma,
de Here is er; en Jehova-Raah, de Here mijn herder; we kunnen deze zes
niet aanvaarden en Jehova-Rophi verwerpen, Ik ben de Here, uw
Heelmeester.’ In dit verband mag ook gewezen worden op Joh 12:14,
‘wie in Mij gelooft, de werken, die Ik doe, zal hij ook doen en
grotere nog dan deze, want Ik ga tot de Vader;’ het werk, dat
Jezus begonnen is te doen, mag de Kerk voortzetten, om zo Jezus te
laten zien aan de wereld.
13. Werken van krachten
In de eerste plaats is in de Schrift sprake van krachten en wonderen
met betrekking tot het werk van Jezus Christus. Immers, Hij stilde de
storm op het meer, hij wekte doden op, twee keer wordt een wonderbare
spijziging vermeld, Hij veranderde water in wijn. En ook in het Oude
Testament wordt hier vaak melding van gemaakt. De Bijbel geeft geen
definitie van het begrip krachten en wonderen, maar algemeen wordt toch
wel aangenomen dat exorcisme, dodenopwekking en beïnvloeding van
het weer hier onder vallen. Een paar keer wordt vermeld, dat de
evangelieprediking gepaard ging met het betoon van wonderen en
krachten. Enkele voorbeelden: Mr 16:20, ‘terwijl de Heer
medewerkte en het woord bevestigde door de tekenen, die er op
volgden;’ Hand. Ac 2:22, ‘een Man u van Godswege aangewezen
door krachten, wonderen en tekenen;’ Hand. Ac 8:13, Simon was
verbijsterd door de tekenen en grote krachten die hij zag geschieden;
Hand. Ac 5:12, ‘en door de handen van de apostelen geschiedden
vele tekenen en wonderen onder het volk;’ Hand. Ac 14:3,
‘in vertrouwen op de Here, die getuigenis gaf aan het woord
zijner genade en tekenen en wonderen door hun handen deed
geschieden;’ Ro 15:19, ‘door heidenen tot gehoorzaamheid te
brengen door woord en daad, door kracht van tekenen en wonderen, door
de kracht des Geestes;’ Hand. Ac 19:11, ‘En God deed
buitengewone krachten door de handen van Paulus, zodat ook zweetdoeken
of gordeldoeken van zijn lichaam aan de zieken gebracht werden en hun
kwalen van hen weken en de boze geesten uitvoeren;’ Lu 10:17,
‘En de zeventig zijn teruggekeerd met blijdschap en zeiden: ook
de boze geesten onderwerpen zich aan ons in Uw Naam;’ Heb 2:4,
‘terwijl ook God getuigenis daaraan geeft door tekenen en
wonderen en velerlei krachten en door de Heilige Geest toe te delen
naar Zijn wil.’ We klagen in de Kerk wel eens over een
krachteloos evangelie; inderdaad, wat een verschil met die
‘goeie, ouwe tijd’, maar zou God veranderd zijn of zijn wij
te bescheiden geworden in ons vragen aan Hem? Toch zien we dat God al
deze mogelijkheden weer terug wil geven aan hen, die Hem erom vragen.
Een gospel-zanger heeft eens gezegd: ‘Why should the devil have
all the good music?’ In analogie: waarom zou de duivel het
alleenrecht op wonderen en tekenen mogen hebben? Zoals al eerder werd
genoemd: als in de laatste tijd de antichrist grote tekenen en wonderen
zal doen (2Th 2:9), waarom zou dat dan niet door de Heilige Geest, in
de Kerk aanwezig, kunnen zijn? Apologeten in de eerste eeuwen
gebruikten het aanwezig zijn van tekenen en wonderen in de Kerk als een
bewijs van de waarheid van het christelijk geloof.
14. Onderscheiden van geesten
De duivel komt vaak tot ons als een engel des lichts in allerlei
groepen, sekten en organisaties. Daarom is er in de Kerk grote behoefte
aan mensen die zijn listige trucs kunnen onderscheiden en aan het licht
brengen. McGorman schrijft hier over: ‘Voor iedere charismatische
gave of ieder ambt is een duivels surrogaat. De onvolwassenen in het
geloof en de mensen die gauw op een dwaalspoor gebracht kunnen worden,
zijn makkelijk te misleiden en daarom is het van het grootste belang
dat er gemeenteleden zijn, toegerust met de Geest, om te onderscheiden
tussen het duivelse en dat wat van God komt.’ Als deze gave er
niet is, zijn de muren van de wijngaard doorbroken en hebben de vossen
vrij spel (So 2:15 Isa 5:5). Jezus wist in zijn gesprekken met
schriftgeleerden en farizeeën precies, wat hun eigenlijke
drijfveren waren. Paulus wist dat de slavin in Philippi een
waarzeggende, duivelse, geest had, hoewel zij riep: ‘deze mensen
zijn dienstknechten van de allerhoogste God’ (Hand. Ac 16:17).
Petrus wist welke geest Annanias en Sapphira aanspoorde de gemeente te
bedriegen (Hand. Ac 5:4). Deze gave is o.a.van belang samen met de gave
van genezing en voor het onderscheiden van valse apostelen (Op. Re
2:2). In de evangeliën is enkele malen sprake van ziekten die door
een demonische macht werden veroorzaakt. Jezus krijgt te maken met een
vrouw die door de satan gebonden was (Lu 13:16); met een boze geest die
stom was (Lu 11:14); met een stomme geest (een geest die iemand stom
maakte) (Mr 9:17), die Jezus later een stomme en dove geest noemde (vs.
25); iemand die door de satan blind en stom was (Mt 12:22). Zonder de
gave van het onderscheiden van geesten zouden pogingen zo iemand te
genezen zonder exorcisme vruchteloos blijken.
15. Tongentaal en
16. vertolking van tongen
Dit zijn de twee enige gaven waarvan niet bekend is of Jezus ze ook
gebruikte (maar we weten niet, hoe Jezus in de nacht tot Zijn Vader
bad). Over deze gaven heerst veel verwarring. Sommige pinkstergroepen
zijn er van overtuigd, dat alleen iemand met deze gave een volwaardig
christen is, ondanks de retorische vraag van Paulus: ‘spreken
soms allen in tongen?’ Ook zijn er gelovigen die menen dat deze
gaven alleen nodig zijn bij de evangelieprediking aan vreemde volkeren,
dat spaart dan de moeite uit van het leren van een moeilijke taal. Maar
de meeste christenen verwerpen deze gaven, deels uit een begrijpelijke
angst voor misbruik, deels uit onkunde. Wat schrijft Paulus hier nu
over? Uit 1Co 14$ leren we dat ‘wie in een tong spreekt, niet tot
mensen spreekt, maar tot God’ (vs. 2), ‘wie in een tong
spreekt, sticht zichzelf’ (vs. 4), hij wilde wel, ‘dat
allen in tongen spreken zouden’ (vs. 5), een vertolkte tongentaal
sticht de gemeente (vs. 5), als hij zich tot de gemeente zou richten in
uitsluitend tongentaal, zou de gemeente weinig nut ondervinden (vs. 6),
er moet gebeden worden om uitlegging (vs. 13), bidden in tongentaal is
bidden in de geest (vs. 14), Paulus dankt God, ‘dat hij meer dan
allen in tongen spreekt’ (vs. 18), maar dan wel privé (vs.
19), tongentaal is een teken voor de ongelovigen (vs. 22),
‘toehoorders zullen zeggen dat allen wartaal spreken, als in de
samenkomst in tongentaal wordt gesproken’ (vs. 23), bij iedere
samenkomst ‘heeft ieder iets: een psalm of een lering of een
openbaring of een tong of een uitlegging’ (vs. 26), ‘ten
hoogste twee of drie mogen in tongen spreken en één moet
uitleg geven’ (vs. 27), ‘zonder uitlegger moet men tot
zichzelf en tot God spreken’ (vs. 28), ‘belemmert het
spreken in tongen niet’ (vs. 39). Uit 1Co 13:1 blijkt dat het
mensen- of engelentaal kan zijn.
Uit deze gegevens blijkt dat tongentaal door Paulus, onder zekere
voorwaarden, aangemoedigd wordt, hoewel het, zonder de gave van
vertolking, meer bestemd is voor privé-gebruik. De aanbidding
van God wordt a.h.w. door de Heilige Geest overgenomen. Hij gebruikt
ons onvolkomen vermogen om God te loven en te aanbidden en
transformeert het tot een volkomen dankoffer. Floor omschrijft het zo:
‘Het spreken in een taal of tong is volgens Paulus een spreken
met God door de Heilige Geest, Die daarbij gebruik maakt van de
menselijke tong, zodat er klanken geuit worden, die voor andere mensen
onverstaanbaar zijn, tenzij er een uitlegger is. Welke taal wordt door
de glossolaal gesproken? is het een bestaande of zelfs onbekende taal?
Er zijn exegeten, die hierbij denken aan een engelentaal, op grond van
1Co 13:1.’ Ds. Ganzevoort geeft een duidelijke omschrijving:
‘Bidden in de Geest wil zeggen dat we zo vervuld zijn van de
Heilige Geest, dat ook ons gebed daarvan doordrenkt is. Dat kan de vorm
aannemen van het bidden zonder woorden, waarbij de Heilige Geest het
spreken overneemt en we in woordenloze gebeden het diepste van ons hart
voor de Here God neerleggen (Ro 8:26,27). Het kan ook de vorm aannemen
van het bidden in tongen, waarbij we in een onbegrijpelijke taal direct
tot God spreken door de kracht van de Heilige Geest (1Co 14:14).’
17. Apostelen
De eerste twaalf apostelen werden door Jezus Zelf, tijdens Zijn leven
op aarde, aangesteld. Ze moesten na Jezus’ hemelvaart laten zien
wie Jezus is. Dat blijkt uit uitspraken van Jezus als: ‘wie u
hoort, hoort Mij, wie u ontvangt, ontvangt Mij, wier zonden gij
vergeeft, die zijn ze vergeven, al wat gij op de aarde bindt, zal in de
hemelen gebonden zijn, de tekenen die Ik doe zult gij doen en nog
grotere dan deze.’ Later schrijft Paulus (maar dat geldt ook voor
de eerste twaalf): ‘weest navolgers van mij, zoals ik navolger
van Christus ben’ (1Co 11:1), ‘van ons hebt gij vernomen
hoe men wandelen moet en Gode behagen’ (1Th 4:1), ‘weest
allen mijn navolgers, broeders’ (Php 4:17), ‘en gij zijt
navolgers geworden van ons en van de Here’ (1Th 1:6).
De eerste twaalf hadden een bijzondere roeping. Uit de aanstelling van
Matthias blijkt, dat het voor hen een vereiste was met Jezus rondgegaan
te zijn (Hand. Ac 1:21,22). Ze kregen de belofte, dat ze met Jezus op
twaalf tronen zouden zitten om de twaalf stammen Israëls te
richten (Mt 19:28). Hun namen staan op de twaalf fundamenten van de
stad (Re 21:14). Later blijkt dat het uitdelen van de Heilige Geest
door hun handoplegging tot hun taak behoort (Ac 8:17). Alle reden dus
voor de toen levende Christenen om aan te nemen dat hun ambt uniek was.
Er zijn zelfs aanwijzingen dat zij geloofden in een spoedige wederkomst
van Jezus, al tijdens hun leven.
Wat een schok moet het dan voor hen geweest zijn toen Paulus en
Barnabas zichzelf ook als apostelen presenteerden! Nog afgezien van het
feit dat Paulus de gemeente vervolgd had, voldeed hij niet aan een paar
belangrijke criteria: hij had niet met Jezus rondgewandeld, was geen
getuige van Zijn opstanding in de juridische zin, en niemand was erbij
geweest toen hij door Jezus werd aangesteld, zeker van Barnabas is dit
niet bekend. Toch hebben de eerste apostelen het geloof en de moed
gehad hen als hun gelijke te aanvaarden, zoals beschreven staat in Gal.
2: ‘ze reikten elkaar de broederhand.’ Ze merkten de genade
op die aan hen geschonken was en de waarheid van de leer die Jezus in
de woestijn had gegeven.
Een paar keer is er sprake van het onderscheiden van valse en ware
apostelen (2Co 11:13 Re 2:2). Als het getal vast zou gelegen hebben,
komt zo’n opmerking wat vreemd over.
Later blijkt dat ook Paulus de Heilige Geest meedeelt door zijn
handoplegging (Ac 19:6), dat zijn prediking bij de heidenen vaak
vergezeld gaat van machtige tekenen (1Co 2:4) en genezingen en
duiveluitdrijvingen (Ac 19:11,12).
Van apostelen in het algemeen kan gezegd worden dat hun taak bestaat in
het zorgen voor de Kerk als geheel (2Co 11:28), het aanstellen van
andere ambtsdragers (Ac 6:6 14:23 2Ti 1:6), het bewaren van de ware
leer (Ac 2:42 2Pe 3:2 1Co 14:37), de Kerk zuiver houden (Ac 5:4 1Co 5:4
1Ti 1:20), het voorbereiden van de Kerk op de wederkomst in
volmaaktheid (Col 1:28) en het voorstellen van de Kerk als een reine
maagd aan Christus bij Zijn komst (2Co 11:2) en het geven van de
Heilige Geest.
Helaas lezen we al gauw, tijdens het leven van de apostelen, dat de
Kerk deze gave afwees. ‘Allen hebben mij in de steek
gelaten’, schrijft Paulus (2Ti 4:16 1Ti 1:15), vaak moest Paulus
zich verdedigen tegen aanvallen.
In de gereformeerde (en ook andere) theologie is vaak dezelfde
onduidelijkheid op te merken als boven reeds gesignaleerd bij de gave
van profetie. Een paar voorbeelden: In het bevestigingsformulier staat
aan het begin, na een letterlijke aanhaling van Eph 4:11,12:
‘daar zien wij, dat de heilige apostel onder anderen zegt, dat
het herdersambt een instelling van Jezus Christus is’, zonder
verder op de drie andere ambten in te gaan. Even verder: een aanhaling
van 2Co 5:18-20, over het ambt der verzoening, staat tussen haakjes:
‘namelijk de apostelen en herders’, terwijl Paulus dit ambt
alleen voor zichzelf reserveert. Ook wordt Mt 18:18 nog aangehaald:
‘al wat gij op de aarde binden zult, zal in de hemel gebonden
zijn’, een taak die Jezus juist wel op de schouders van de
apostelen gelegd heeft. Calvijn zegt ‘de eerste drie (hij bedoelt
apostelen, profeten en evangelisten) heeft de Here in het begin van
zijn rijk opgewekt, en wekt Hij ook nu en dan op, naar de
noodzakelijkheid der tijd eist.’ En: ‘trouwens, ik ontken
niet, dat God ook later somtijds apostelen, of althans in hun plaats,
evangelisten heeft opgewekt, gelijk in onze tijd geschied is.’ Op
pag. 57: ‘immers het licht en de warmte van de zon, of spijs en
drank zijn niet zo noodzakelijk tot het koesteren en onderhouden van
het tegenwoordige leven, als het ambt van apostel en herder tot het
bewaren van de Kerk op aarde.’ In zijn verdere betoog blijkt dat
hij niet een scherp onderscheid maakt tussen apostelen en herders (net
zo als het bevestigingsformulier) waar de Bijbel dat wel doet. Anderen
vereenzelvigen de eerste twaalf met Paulus en Barnabas, waardoor weer
andere onduidelijkheden ontstaan.
Jezus wordt genoemd de Gezondene van de Vader (Joh 3:34 17:18 Joh
20:21) en de Apostel onzer belijdenis (Heb 3:1). Zo openbaart Hij
Zichzelf in het apostelambt.
18. Profeten
Veel van wat hierboven onder punt 1. is genoemd over de gave van
profetie geldt ook voor het ambt van profeet. Ze worden altijd na de
apostelen genoemd, als deze twee ambten samen voorkomen (1Co 12:28 Eph
4:11 Eph 2:20 Re 18:20 Ac 15:32,40) en algemeen is men wel van mening
dat hier dan de nieuwtestamentische profeten worden bedoeld. Iemand
heeft eens gezegd: de profeten zijn de dragers van het licht, de
apostelen de gebruikers van het licht. Een paar voorbeelden van hun
werkzaamheid: In Hand. Ac 13:2 is sprake van het aanwijzen van de taak
van Barnabas en Paulus; in 1Ti 4:14 wordt de gave van Timotheüs
genoemd, die hem door een profetenwoord geschonken is; Agabus geeft
door de Geest te kennen, dat er een hongersnood komen zal (Ac 11:28) en
dat Paulus door de Joden gebonden zal worden (Ac 21:11).
Het doel van hun werkzaamheid is: de volmaking van de heiligen tot het
werk van dienstbetoon (natuurlijk samen met de andere drie) (Eph 4:12),
de opbouwing van het Lichaam van Christus, totdat (vs. 13) we de
volmaaktheid bereikt zullen hebben, de volle mansgestalte en de eenheid
(vs 13 tot 16). Door hen geeft God licht inzake roeping, leiding,
toekomstige ontwikkelingen in de Kerk en de maatschappij, troost Hij
ons en geeft Hij ons inzicht in de Geest van Jezus (Re 19:10). God is
de God van de geesten der profeten (Re 22:6) en door hen wil Hij ook
helderheid geven over duistere gedeelten in de Bijbel, vooral de
oudtestamentische profetieën.
In Jezus vinden we dit ambt terug: Hij is de Profeet door God beloofd
(De 18:15 wordt op Jezus betrokken door Petrus in Ac 3:22), de Joden
noemden Hem profeet (Lu 7:16 24:19).We worden gewaarschuwd de
profetieën niet te verachten, de Geest niet uit te blussen (1Th
5:19,20). Toch heeft de Kerk in de derde eeuw de profeten officieel het
zwijgen opgelegd, omdat ze te veel op de kerkelijke leiding aan te
merken hadden. Dat verbod is nooit herroepen.
19. Leraars
In 1Co 12:28 worden alleen leraars genoemd, in Eph 4:11 herders en
leraars. De meeste uitleggers beschouwen dit als één
ambt, belast met de pastorale en onderwijzende taken in de gemeente. In
ieder geval vertegenwoordigen zij Christus in zijn ambt als herder en
leraar. Ik ben de Goede Herder, Joh 10:11; Ik waakte over hen, Joh
17:12; Ik ben uw Meester, Joh 13:13; Nicodemus noemt Hem Leraar, Joh
3:2. Komt tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt (Mt 11:28).
20. Helpen
Een paar definities:deze gave is een van de diensten in de plaatselijke
Kerk, speciaal bedoeld voor hulpverlening aan de zwakken en
behoeftigen, zie 1Th 5:14, ‘beurt de kleinmoedigen op;’ of
Hand. Ac 20:35, ‘dat men door zo te arbeiden zich de zwakken moet
aantrekken.’ Kortom, alles wat moet gebeuren om de zwakken en
verschoppelingen bij te staan. Als dat volledig zou functioneren in de
Kerk, zou de wereld ontdekken, Wie God is, hoe Hij wil werken in en
door mensen. Een duidelijk voorbeeld is Isa 57:15, ‘want zo zegt
de Hoge en Verhevene, Die in eeuwigheid troont en Wiens naam de Heilige
is: in de hoge en in het Heilige woon Ik en bij de verbrijzelde en
nederige van geest, om de geest der nederigen en het hart der
verbrijzelden te doen opleven.’ Als de Kerk dit doet, krijgt zij
alle achting van de wereld, dan wordt er naar haar geluisterd. Moeder
Teresa en haar organisatie is hier een mooi voorbeeld van. Helaas heeft
de Kerk vaak het tegenovergestelde gedaan: oorlog gevoerd, naar
wereldse macht gestreefd, mensen onderdrukt en zo het beeld van Haar
Heer verduisterd.
21. Evangelisten
Naast de opsomming in Eph 4:11 wordt maar op twee plaatsen van
evangelisten gesproken. Eén van de zeven diakenen uit Ac 6$,
Philippus, wordt in Ac 21:8 evangelist genoemd. Timotheüs wordt
opgedragen het werk van een evangelist te doen. Van Philippus is niet
zeker, of hij als diaken of als evangelist predikte, doopte en grote
tekenen en wonderen deed (Ac 8:6,7). In Eph 4:11 hebben zij een taak
binnen de gemeente, hoewel hun opdracht meer naar buiten gericht lijkt
te zijn. Jezus wordt de Brenger van de blijde boodschap genoemd (Isa
61:1,2), door Jezus Zelf aangehaald in Lu 4:18. In Mt 11:5 zegt Jezus:
armen ontvangen het evangelie.


















