Het levende woord van God
Aflevering 8
De vindplaats van materiaal
voor Bijbelstudie, geloofstudie, catechese, school, kring, persoonlijk
geloof, studie thuis, kerk, club, nieuws, godsdienstonderwijs,
zingeving en vooral heel veel mogelijkheden om je Bijbelkennis te
vergroten. Blijf
niet afhankelijk van anderen maar lees zelf de Bijbel. Investeer in
geestelijke rijkdom.
Kies hieronder een studie uit deze serie
| 01 | 02 | 03 | 04 | 05 | 06 | 07 |
| 08 | 09 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 |
"Het Woord van
God is levend en krachtig", zoals ze van zichzelf getuigd.
Begrijpelijk, want het is het Woord van de levende God. Alle dingen
zijn uit het Woord voortgekomen. De neerslag van het levende Woord
vinden we in "de heilige Schriften", dat dan ook prompt "van God
geïnsprieerd" heet. Letterlijk "God geblazen". Zoals ooit de
eerste mens door God ingeblazen en "alzo een levende ziel" werd, zo
zijn ook de heilige Schriften "van God geblazen" en daarom levend.
Gevormd door geschriften, ontstaan op zoveel plaatsen en gedurende
vele, vele eeuwen, vormt het niettemin een wonderbaarlijke eenheid..
Het ontstaan van de Bijbel
Veertig schrijvers verspreid over diverse landen zoals Israël,
Babel, Perzië, Griekenland en Rome zijn over een periode van zo'n
1600 jaar gebruikt om met elkaar de verschillende boeken van de Bijbel
te schrijven. Onder hen waren koningen, priesters en profeten, boeren,
vissers en herders, gevangenen, geleerden, theologen en artsen.
Wie zij ook waren en waar
zij ook waren, en wanneer ze ook leefden, één ding hadden
zij allen gemeen: Zij werden geleid door de Heilige Geest.
In de eerste 1500 jaar van de wereldgeschiedenis bestond er nog geen
Bijbel. In de tijd van Adam tot Mozes werd er wel al geschreven, maar
die boeken zijn niet in de Bijbel opgenomen. De "oudvaders" moesten
leven zonder geschreven Woord van God, zonder Bijbel! Mozes was de
eerste, die boeken geschreven heeft, die in de Bijbel zijn opgenomen.
Hij schreef de boeken Genesis t/m Deuteronomium.
Ook al hebben er vele mensen in verschillende tijden een bijdrage
geleverd aan de Bijbel, toch is de Bijbel niet het product van al die
verschillende mensen. De Bijbel heeft Eén bijzondere Inspirator,
nl. God Zelf. De Bijbel is nl. op een bijzondere wijze tot stand
gekomen.
Hierbij zien wij het volgende:
God heeft indertijd
gesproken tot de mensen, die een bijdrage zouden leveren aan de Bijbel
(Hebr.1:1). In de Bijbel lezen wij ook vele keren, dat mensen
vertelden, dat God tot hen sprak.
2Tim. 3:16 zegt ons, zoals
de Statenvertaling dit het best weergeeft, dat alle Schrift door God is
ingegeven. "alle Schrift" betekent: de gehele Bijbel en "ingegeven" is
de vertaling van het Griekse woord theopneustos, wat een samenstelling
is van theos (d.i. God) en pneustos (d.i. adem).Letterlijk staat er
dus, dat de gehele Bijbel bij de verschillende Bijbelschrijvers door
God is ingeademd of ingeblazen. Dit wil zeggen, dat God Zijn woorden en
gedachten ingeblazen heeft in de harten van de schrijvers van de
Bijbel. (zie bijv. Jeremia 36:2 en Lucas 3:1,2)
Terwijl God Zijn woorden en
gedachten eerst bij de Bijbelschrijvers ingeblazen heeft, heeft Hij ze
Zelf ook weer bij hen er uit gehaald en gezorgd, dat ze aan het papier
werden toevertrouwd. Hierover lezen wij meer in 2 Petrus 1:16-, waar de
apostel Petrus een halt lijkt toe te roepen aan de opvatting, die er
ook toen blijkbaar al was, als zou de Bijbel vol mythen en legenden
staan. Sommige mensen beweren, dat de Bijbel in zijn geheel niet het
Woord van God is, maar dat wij wel hier en daar het Woord van God tegen
komen en dat wij dus zelf maar moeten zien uit te zoeken wat wel en wat
niet van God is.
In 2 Petrus 1:16 zegt Petrus echter overduidelijk dat wij geen vernuftig gevonden "verdichtsels" zijn nagevolgd.
Het woord "verdichtsels"
dat hier staat, is de vertaling van het Griekse woord mythe. In is het
woord mythe vertaald als "oudevrouwenpraat" en in 2Tim.4:4 door
"verdichtsels". Wij moeten dus duidelijk zien, dat wij in de Bijbel
geen mythen en fabels hebben, geen kletspraat of fantasieverhalen.
Wat wij wel hebben, zegt Petrus ook heel duidelijk: In de Bijbel hebben
wij een verslag van ooggetuigen (zie ook -4 en -). In de Bijbel gaat
het om feiten, niet om vage verhalen.
Terwijl 2Tim.3:16 zegt, dat God Zijn woorden en gedachten gelegd heeft
in de harten van de Bijbelschrijvers, zegt 2 Petrus 1:21, dat God deze
zelfde Bijbelschrijvers ook weer gedreven heeft, om datgene wat Hij in
hun hart gelegd had, ook uit te spreken en/of op te schrijven.
Het is waar, dat vele
mensen gewerkt hebben aan het schrijven van de Bijbel. Maar deze mensen
hebben niet hun eigen woorden en gedachten aan het papier toevertrouwd,
doch uitsluitend weergegeven, wat God tegen hen gezegd had. Daarom is
de Bijbel absoluut betrouwbaar.
Het begrijpen van de
Bijbel: De Bijbel is voor velen een moeilijk boek. Je hebt Iemand
nodig, die je helpt bij de uitleg van alles wat er geschreven staat.
1Cor.2:14 wijst ons er op, dat een ongelovige de Bijbel niet kan
begrijpen.
Je kunt alleen de Bijbel
begrijpen als je een geestelijk mens bent, zo staat er, dat wil zeggen,
als je een gelovige bent. De gelovigen hebben de Heilige Geest in hun
hart, die hen helpt de boodschap van de Bijbel te verstaan.
De oudheid van de Bijbel
Niemand, of hij moest al zeer dom en onwetend zijn, zal het betwisten
dat de Bijbel reeds eeuwen oud is. De bewijzen voor deze oudheid zijn,
buiten kijf, talrijker en overtuigender, dan die men voor enig ander
bestaand boek zou kunnen aanvoeren. Het heeft de Bijbel nooit ontbroken
aan verstandige getuigen en ijverige bewaarders; hoewel zelfs enige van
deze de grootste verkrachters van de grondbeginselen of de bitterste
vijanden van het Christendom geweest zijn.
Het Oude Testament bevat, behalve de geschiedenis van de eerste eeuwen,
ook de verzameling van burgelijke en godsdienstige Joodse wetten,
daarnaast de gedenkschriften van hun volksgeschiedenis, (gedurende een
tijdverloop van meer dan 19 eeuwen, gerekend van de roeping van
ABRAHAM), benevens de profetieën (of voorzeggingen) betreffende
een verre toekomst, waarvan er zelfs betrekking hebben op tijden, die
nu nog moeten komen.
De beroemde geschiedschrijver Tßcitus, die in de dagen van de
apostelen leefde, spreekt over de Joodse boeken als van geschriften,
welke in zijn tijd reeds zeer oud waren. Zij werden uit het Hebreeuws
in het Grieks vertaald, meer dan tweeduizend jaar geleden.
Ptoloméus Filadelfus, wilde zijn bibliotheek te Alexandrië
vergroten en gaf daarom omstreeks 285 jaar vóór CHRISTUS,
aan 72 Joodse geleerden bevel om die Griekse vertaling te vervaardigen.
Sedert die tijd is deze bekend onder de naam "Overzetting der
Zeventig", oftewel "Septuaginta" ook wel aangeduid met het Romeinse
getal LXX.
Vanaf die tijd bezaten de Joden hun Schriften in de beide talen,
Hebreeuws en Grieks, welke beide door hen gesproken werden. Bij de
Joden die in de Grieks sprekende landen woonden, werd elke sabbat in de
synagoge deze Griekse vertaling naast de oorspronkelijk Hebreeuwse
tekst gelezen.
Geleerde rabbijnen schreven er verklaringen op. Afschriften van de
Septuaginta werden onder elke natie gebracht, waar zich Joden
ophielden; en op die wijze werden de Heilige Schriften verspreid.
De vijf boeken van MOZES, (Genesis t/m Deuteronomium) werden meer dan
3400 jaar geleden geschreven, dat is ongeveer 1500 jaar voor het begin
van de Christelijke jaartelling. Veel van de andere boeken van het Oude
Testament zijn meer dan 1000, en die van de oudste profeten omstreeks
800 jaar vóór de komst van CHRISTUS geschreven.
Alle andere oude boeken van ongewijde schrijvers zijn van recentere
dagtekening. Het oudste boek in het Grieks, welke men naast de Bijbel
bekent is, is van Herodotus. Dit boek is geschreven in de tijd van de
bijbelse profeet Maleachi (omstreeks 400 vóór CHR).
De gedichten van Homérus en Hesiodus zijn iets ouder. De tijd
waarin deze geschreven werden, kan niet juist bepaald worden; maar zij
die hun hoogste oudheid toekennen, plaatsen Homérus niet vroeger
dan in de dagen van de profeet Jesaja (700 v. Chr.), en Hesiodus in de
tijd van Elia (890 v. Chr.). De geleerden zijn het zelfs niet eens, of
Hesiodus wel ooit bestaan heeft.
De volken van Azië, kunnen ons, in weerwil van de hoge oudheid
waarop zij roemen, geen enkele schrijver vóór MOZES
noemen. Confucius, de eerste wetgever en geschiedschrijver van China,
leefde 500 jaren voor Christus. Sanchoniaton, de oudste Fenicische
schrijver, van wie de historische fragmenten, die tot ons overgekomen
zijn, in echtheid grotendeels betwijfeld worden, leefde in de tijd van
de Richteren in Israël, omstreeks 1300 jaren vóór
Christus. Béroses, een Assyrisch schrijver, priester van de
tempel van Belsus, stelde de geschiedenis van Chaldea op, na de
Babylonische ballingschap. Manethon, één van de eerste
geschiedschrijvers van Egypte, van wiens werken men nog maar enige
brokstukken bezit, doordat deze door andere schrijvers zijn meegedeeld,
is van nog korter dagtekening: zij klimt niet hoger op dan tot 300
jaren vóór Christus.
Uit Afrika en Amerika is geen historisch getuigenis dat in oudheid de
bovengenoemde schrijvers overtreft. Er zijn voorzeker gedenktekenen in
Azië, Egypte en in Mexico, waaraan men een ouderdom toeschrijft,
welke ouder is dan de schriften der geleerden, maar geen van die is
toch van vóór Abrahams tijd, het grootste aantal wel van
latere tijd.
Bovendien zijn de boeken van deze oude ongewijde schrijvers van een
geheel andere aard dan de Heilige Schriften: zij zijn vol laffe en
ongerijmde verhalen en fabelen. Zij geven geen inzicht in het
wezenlijke karakter van de enige en waarachtige GOD, hoewel zij wel
veel godsdienstige elementen bevatten.
De geschiedenis van Herodotus meldt veel, dat enkel fabel en leugen is,
maar zijn berichten omtrent de gebeurtenissen uit zijn eigen leeftijd,
zijn beschrijvingen van dingen die hij zelf gekend heeft, en de
bijzonderheden welke hij levert van de voorvallen die hij persoonlijk
heeft gadegeslagen, bevestigen de getrouwheid en juistheid van hetgeen
ons het heilig en ingegeven Woord van GOD bericht.


















