Het levende woord van God
Aflevering 6
De vindplaats van materiaal
voor Bijbelstudie, geloofstudie, catechese, school, kring, persoonlijk
geloof, studie thuis, kerk, club, nieuws, godsdienstonderwijs,
zingeving en vooral heel veel mogelijkheden om je Bijbelkennis te
vergroten. Blijf
niet afhankelijk van anderen maar lees zelf de Bijbel. Investeer in
geestelijke rijkdom.
Kies hieronder een studie uit deze serie
| 01 | 02 | 03 | 04 | 05 | 06 | 07 |
| 08 | 09 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 |
"Het Woord van
God is levend en krachtig", zoals ze van zichzelf getuigd.
Begrijpelijk, want het is het Woord van de levende God. Alle dingen
zijn uit het Woord voortgekomen. De neerslag van het levende Woord
vinden we in "de heilige Schriften", dat dan ook prompt "van God
geïnsprieerd" heet. Letterlijk "God geblazen". Zoals ooit de
eerste mens door God ingeblazen en "alzo een levende ziel" werd, zo
zijn ook de heilige Schriften "van God geblazen" en daarom levend.
Gevormd door geschriften, ontstaan op zoveel plaatsen en gedurende
vele, vele eeuwen, vormt het niettemin een wonderbaarlijke eenheid..
De Bijbel is compleet
Er mag niets van worden afgedaan en er mag ook niets aan worden
toegevoegd. (Zie Deut.4:2; 12:32; ,19.) God wil, dat wij precies doen,
wat Hij van ons vraagt. Wij moeten niet minder doen, maar ook niet
meer. Wij moeten ook geen "eigentijdse" profetieën aan de
Bijbel toevoegen. De Bijbel is heilig, goed en compleet.
Wij
mogen niet hoogmoedig zijn en denken, dat wij nog wel iets aan het
Woord van God kunnen toevoegen of dat wij de bevoegdheid zouden hebben,
om iets van Zijn woord af te doen.
Toen de zonde in de wereld kwam werd dit bij Eva ook vooraf gegaan door
het "iets toevoegen" aan het woord, dat God gesproken had. Eva zei
immers tegen de slang, dat zij van de boom niet mocht eten en hem ook
niet mocht aanraken. God had dat niet gezegd. Hij had alleen gezegd,
dat ze er niet van mochten eten.
Terwijl
het leek, alsof Eva extra voorzichtig was, iets wat vandaag de dag door
velen in haar geprezen zou worden, veranderde zij feitelijk iets aan
het woord dat God gesproken had. Zo kwam de zonde reeds in haar leven,
en kon Satan verder gaan haar daar nog dieper in te brengen. De
feitelijke zondeval vond echter plaats op het moment dat Adam van de
vrucht at. God had het hem gezegd, en op het moment dat ook hij at
bemerkten ze dat ze naakt waren.
De Kanon van
de Bijbel
De Kanon is die verzameling gewijde boeken, die tot regel dienen van
ons geloof en gedrag. Het woord "kanon" is Grieks en betekent niet
alleen lijst, maar ook wet of regel.
Een boek heet Kanoniek, omdat het geplaatst is op de kanon of lijst van
de Heilige Schrift; elk boek dus dat in deze kanon is opgenomen, is
heilig, duidend op de Goddelijke ingeving.
Vandaar dat gewijde, ingegeven of kanonieke boeken, die niet tot de
kanon behoren, maar die enkele personen of gemeenten daar ten onrechte
hebben willen bijvoegen, de apocrieve boeken worden genoemd, d.i.
verborgene.
Deze is naam is deels, omdat hun oorsprong in het verborgene ligt en
deels, omdat men ze van ouds heeft verborgen gehouden om ze niet met de
van GOD ingegevene op gelijke lijn te plaatsen.
1. Kanon der Joodse kerk. De kanon der boeken van het Oude Testament is
afgesloten na de terugkeer uit de ballingschap. De Joden geven aan dat
EZRA, onder de leiding van de Heilige Geest, de boeken van de
tegenwoordige kanon, of de drie delen van het Heilige Wetboek heeft
mogen verzamelen. Heden ten dagen erkennen de Joden deze kanon der
Heilige Schrift.
2. Kanon der Christelijke kerk. De Christelijke Kerk heeft de Joodse
Kanon overgenomen en deze aangevuld met de Nieuw Testamentische
geschriften. De oorspronkelijke gemeenten hebben elkaar deelgenoot
gemaakt van de geschriften, welke zij van de apostelen en evangelisten
bezaten of ontvangen hadden. Bovendien is in een zeer vroeg stadium een
proces op gang gekomen, waarbij deze handschriften werden gekopieerd en
verspreid, zodat iedere gemeente deelgenoot werd van deze
handschriften. Reeds in de tweede eeuw was hierdoor de Kanon van het
Nieuwe Testament samengesteld en werd deze door de gehele christelijke
kerk gebruikt.
De
`echtheid´ van de Bijbel
Een boek heet echt wanneer het werkelijk opgesteld is door de
schrijver, op wiens naam het staat, en in de tijd waarin het beweert
geschreven te zijn.
Wij hebben sterke en voldoende bewijzen, dat de boeken van de Bijbel
echt en onvervalst zijn.
1. Echtheid van
het Oude Testament.
De schriften van het Oude Testament zijn bijeengebracht en voltooid
door de nauwlettende zorg van GODS profeten. Van oorsprong zijn deze
geschriften geschreven in de Hebreeuwse taal. Gedurende meerdere
eeuwen, tot op de dag van vandaag, zijn deze geschriften doorgegeven en
vermenigvuldigd.
De bijzondere voorzienigheid GODS is vooral merkbaar in de Griekse
vertaling van het Oude Testament, welke omstreeks 285 jaren
vóór de geboorte van CHRISTUS, ten behoeve van de
Joden in griekssprekende landstreken, tot stand is gekomen.
Het getuigenis, welke de Here Jezus Christus van het Oude Testament
gaf, zoals het bij de Joden in Judéa gebruikt werd, en de
citaten, welke de nieuw testamentische schrijvers uit de verschillende
boeken van het Oude Testament aanhaalden, kwamen veelal uit deze
Griekse overzetting en konden worden begrepen door een veel grotere
groep Joden. Ondanks, dat zij uiteindelijk de vijanden werden van de
vervulling van deze beloften, welke vijandschap ook voorspelt werd met
daaraan de belofte van God middels Paulus, dat God zijn beloften
aangaande Israël niet vergeet.
2. Echtheid
van het Nieuwe Testament.
Tevens is volledig bewezen, dat de boeken van het Nieuwe Testament
geschreven zijn door personen, die geleefd hebben in de tijd van de
beschreven gebeurtenissen en wiens namen in de geschriften vermeld zijn.
Geen enkel wel onderwezen en oprecht mens kan er aan twijfelen, of de
boeken die wij onder de namen van Mathéus, Markus, Lukas en
Johannes kennen, zijn geschreven door hen naar wie zij genoemd zijn.
Van hun uitgave af is dit nimmer tegengesproken. (Met uitzondering van
de laatste jaren, waarin op basis van allerlei niet bewezen
vooronderstellingen, door bepaalde lieden allerlei zaken betreffende de
Bijbel in twijfel worden getrokken)
Ook hebben wij duidelijke grond om te geloven, dat al de
gebeurtenissen, welke in de Evangeliën worden vermeld, en al
de verhalen die daarin aangaande de daden en uitspraken van onze
Verlosser Jezus Christus voorkomen, nauwgezet de waarheid zijn.
Matthéus en Johannes waren twee apostelen van onze Heer.
Beiden waren een trouwe gezel gedurende geheel de tijd van Zijn
bediening. Bovendien ooggetuigen van de gebeurtenissen en oorgetuigen
van de gesprekken, die zij beschrijven.
Markus en Lukas, behoorden niet tot de twaald apostelen, maar waren wel
de tijd- en lotgenoten van Mattheus en Johannes. Zij allen leefden in
vriendschap en nauwe omgang met hen, die in de verhalen vermeld worden.
Algemeen onderstelt men dat Lukas tot de zeventig discipelen behoort
heeft, die door de Heer zelf geroepen werden om het Evangelie uit te
dragen. Indien dit zo is, heeft Lukas onze Heer even goed als persoon
gekend als de apostelen. Zeker is, dat Lukas gedurende vele jaren de
trouwe reisgezel van Paulus is geweest en goed onderricht was van
hetgeen hij heeft geschreven. Bij de aanhef van zijn Evangelie maakt
Lukas zijn goede en grondige bekendheid met het onderwerp aldus bekend:
"Naardemaal velen ter hand genomen hebben, om in orde te stellen een
verhaal van de dingen die onder ons volkomene zekerheid hebben; gelijk
ons overgeleverd hebben, die van den beginne zelf aanschouwers en
dienaars des Woords geweest zijn, (-) zo heeft het ook mij goed
gedacht, hebbende alles van voren aan (van het begin af) naarstiglijk
onderzocht, vervolgens (naar orde) aan u te schrijven, voortreffelijke
Theofilus! opdat gij moogt kennen de zekerheid der dingen, waarvan gij
onderwezen zijt" (#Lu 1:1-4).
Daar Lukas ook de schrijver is van de "Handelingen der Apostelen",
hebben wij tot de schrijvers van de vijf eerste boeken van het Nieuwe
Testament mannen die nauwkeurige kennis hadden van hetgeen zij
verhalen, hetzij door eigen waarneming, hetzij door onmiddellijke
mededeling van hen die al het verhaalde gehoord en gezien hebben. Zij
konden derhalve noch zelf bedrogen zijn, noch hadden er enige reden of
aanleiding toe om anderen te bedriegen. Zij waren eerlijke, eenvoudige
en zeer oprechte lieden, zoals dit ook duidelijk blijkt uit hun
schrijven. Bovendien hebben hun grootste vijanden zelf nimmer de
zuiverheid van hun karakter aangerand. Met valse berichten trouwens
zouden zij niets hebben kunnen winnen, en de leerstellingen die zij
verkondigden, bevestigen zij zelfs met hun eigen bloed. En wie is
bereid voor een leugen te sterven?
Naast dat zij in het samenstellen van hun geschriften geleid werden
door oprechte liefde voor mensen, werden zij ook door de invloed van de
Heilige Geest aangedreven, door wiens genadige en onfeilbare leidingen
zij gewaarborgd bleven van elke mogelijke dwaling en misvatting, in het
schrijven van boeken, die bestemd waren tot stichting en heiliging van
alle volken en navolgende geslachten. Dezelfde krachtdadige ingeving
van de Heilige Geest bestuurde ook de apostelen in het schrijven van
Zendbrieven aan de nieuw gestichte gemeenten, overeenkomstig de
beloften van hun Meester. #Joh 14.26 16.13 Ac 1.8
Omstreeks het begin van de tweede eeuw werden de afschriften van
meestal de boeken van het Nieuwe Testament tot
één boekdeel samengevoegd. In eerste instantie,
toen de Evangeliën en Zendbrieven door verschillende ver van
elkaar verwijderde kerken bewaard werden, werden enkele niet
geïnspireerde boeken toegeschreven aan de apostelen, zonder
dat dit het geval konb zijn. Hierdoor ontstond onder enkele Gemeenten
twijfels omtrent de Brief aan de Hebreërs, de tweede brief van
Petrus en de tweede en derde brief van Johannes, evenals het boek der
Openbaringen. Op basis van deze twijfel heeft men toen nauwkeurig
onderzoek verricht om vervolgens tot de conclusie te komen, dat het
hier inderdaad om geschriften van Christus apostelen ging. Hierdoor
werden ook deze geschriften met goedkeuring van al de kerken
aangenomen, als zijnde van gelijk gezag en gelijke waarde met de andere
geschriften uit het Nieuwe Testament.
De Bijbel is samengesteld uit 66 geïnspireerde boeken. Maar in
sommige bijbels zijn zeven andere boeken toegevoegd die 'de apocriefen'
worden genoemd. Zijn deze toegevoegde boeken door God
geïnspireerd? Bestaan er zogenaamde 'verloren bijbelboeken'?
Jezus heeft onvoorwaardelijk vastgesteld dat "de hemel en de aarde
zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan"
(Matth. 24:35; Mark. 13:31; Luk. 21:33).
Heeft
Jezus deze belofte gehouden? Is de volledige Bijbel voor ons mensen van
vandaag bewaard gebleven? Of heeft Christus hierin gefaald? Petrus werd
geïnspireerd te schrijven: "Het woord des Heren blijft in der
eeuwigheid" (1 Petrus 1:25).
Dit zijn
goddelijke, onverbrekelijke beloften! De God die niet kan falen heeft
beloofd dat zijn Woord niet vergaan zou. Maar hoe weten we uit
wélke boeken zijn Woord is samengesteld?
Wie
vormt het uiteindelijke gezag dat bepaalt welke boeken het
geïnspireerde Woord van God zijn? Wie zijn de bewaarders
ervan? Heeft God het aan ieder persoonlijk overgelaten (of aan een
bepaalde kerk) om voor zichzelf uit te maken welke boeken geacht worden
het 'Geïnspireerde Woord van God' te zijn?
Toegevoegde
boeken?
Een kerk
beweert in haar publicaties dat de Bijbel "haar boek" is. Zij beweert
dat zij alléén het gezag heeft te bepalen welke
boeken in zowel het Oude als in het Nieuwe Testament behoren
– dat zij alléén gebruikt wordt om de
Bijbel te bewaren.
Zij geeft openlijk toe dat het uitsluitend op
háár gezag is dat de apocriefe boeken –
zeven boeken en gedeelten van twee andere – aan het Oude
Testament zijn toegevoegd en dat deze verschenen zijn in de
bijbelvertalingen van enkele andere denominaties.
Is de een of andere zichzelf christelijk noemende kerk het instrument
dat Christus gebruikt om te bepalen welke boeken geïnspireerd
zijn en welke niet? Heeft God aan mensen het gezag gegeven deze
bindende beslissing te nemen?
Met de
term apocriefen (v. Gr. apokruphos = verborgen) worden in de
christelijke kerken die geschriften aangeduid die in de laatste eeuwen
voor en de eerste eeuwen na Christus rond de bijbel zijn ontstaan.
Zowel rond het Oude als rond het Nieuwe Testament is een hele groep van
deze geschriften ontstaan. Om deze van de canonieke geschriften te
onderscheiden, is in de christelijke oudheid de term apocrief ingevoerd.
Deze
geschriften heten bij de protestanten apocrief, bij de
rooms-katholieken deuterocanoniek.
Toen de
Reformatie de term 'apocrief' voor deze groep geschriften had
gereserveerd, ging men de overige geschriften rond het Oude Testament
als 'pseudepigrafen' aanduiden, terwijl de Rooms-katholieke Kerk deze
groep 'apocriefen' bleef noemen.
Zijn
deze toegevoegde boeken wérkelijk geïnspireerd?
Hebben Jezus en de apostelen ze ooit erkend of eruit geciteerd? Hebben
zij ze goedgekeurd?
U kunt
ze in sommige bijbelvertalingen aantreffen. Het zijn:
'Tobias', 'Judith', 'Wijsheid', 'Ecclesiasticus', 'Baruch' en 1 en 2
'Makkabeeën'. Behalve deze zeven boeken zijn er nog 107 verzen
aan het eind van het boek Esther toegevoegd. In het midden van het
derde hoofdstuk van het boek Daniël is ingelast 'het gezang
van de drie mannen in het vuur' en aan het eind van het boek
Daniël is een 13e hoofdstuk 'Susanna en de ouderlingen' en het
14e hoofdstuk 'Bel en de draak' toegevoegd!
In oudere uitgaven van sommige Bijbels verschenen zelfs nog
andere apocriefe boeken.
Is de
Bijbel zonder deze toevoegingen onvolledig? Of zijn het menselijke
toevoegingen die niet gerechtvaardigd zijn; erin gezet door mensen die
geen goddelijk gezag bezaten?
Vanwaar de
naam 'apocriefen'?
Waarom
worden deze toegevoegde boeken de 'apocriefen' genoemd? Wat betekent
het woord apocrief? Het komt van het Griekse woord apokrupto dat
'geheim houden' betekent. Met andere woorden deze boeken werden niet
openlijk aan de gemeenschap gegeven. Het waren mystieke boeken!
Maar
deze zeven toegevoegde boeken en vier andere hoofdstukken of secties
zijn feitelijk slechts enkele van de vele honderden legendarische
boeken die gewoonlijk de 'apocriefe geschriften' worden genoemd. Er
waren tientallen oude apocriefe of onechte 'evangeliën',
'handelingen', 'brieven' en 'apocalypsen'. Er zijn titels onder zoals
'Het evangelie volgens de Egyptenaren', 'Het evangelie van de geboorte
van Maria', 'De handelingen van Petrus', en 'De apocalypse van Maria'.
Tussen
200 v.Chr. en 100 n.Chr. verschenen er onder de Joodse Essenen eveneens
vele apocriefe werken, zoals 'De opneming van Mozes', 'De hemelvaart
van Jesaja', '3 en 4 Ezra', 'Het testament van de twaalf patriarchen',
'Het testament van Abraham', 'Het boek Henoch' en nog veel later
verscheen een ander frauduleus werk: 'Het boek des Oprechten'.
Vele van
deze werken zijn zo fantastisch – het bedrog lag er zo
duidelijk op – dat ze noch door de Joden, noch door de
katholieken en protestanten ooit aanvaard zijn. De meeste ervan zijn
frauduleus, opzettelijk geschreven zogenaamd door beroemde mannen
teneinde het een of andere mysterieuze, verborgen dogma de kerk binnen
te smokkelen. Let erop dat de zeven toegevoegde boeken die in sommige
bijbeluitgaven worden aangetroffen, toegeschreven worden aan Salomo,
Baruch en Jeremia – dat de ingelaste hoofdstukken
toegeschreven worden aan Esther en Daniël, aan Sadrach, Mesach
en Abednego. Werden deze toevoegingen werkelijk door deze personen
samengesteld? Of is het allemaal bedrog?
Onechte
geschriften werden voorzegd
Paulus waarschuwde de Thessalonicensen: "Dat gij niet spoedig uw
bezinning verliest of in onrust verkeert, hetzij door een
geestesuiting, hetzij door een prediking, hetzij door een brief, die
van ons afkomstig zou zijn… Laat niemand u misleiden, op
welke wijze ook…" (2 Thess. 2:2-3). Ziet u dat? Binnen
enkele maanden nadat Paulus Thessalonica bezocht had, trachtten valse
leraren de christenen te bedriegen door het schrijven van onechte
brieven in de naam van de apostel Paulus. Wekt het dan enige
verwondering dat heel de wereld in die tijd overstroomd werd door
onechte, apocriefe, pseudo-bijbelse werken?
Sla nu
Jeremia 23 op en lees wat voorzegd werd dat ook in oudtestamentische
tijden zou gebeuren. Begin met vers 32: "Zie, Ik zal de profeteerders
van leugenachtige dromen! luidt het woord des Heren, die zij vertellen
om mijn volk te misleiden door hun leugens en woordenkramerij; Ik heb
hen niet gezonden en hun geen opdracht gegeven; zij zijn dit volk niet
van het minste nut, luidt het woord des Heren."
Lees ook
vers 25 en 26: "Ik heb gehoord wat de profeten zeggen, die in mijn naam
vals profeteren: Ik heb gedroomd, ik heb gedroomd! Tot hoelang?
– is er iets in het hart van de profeten, die leugen
profeteren en profeten zijn van de bedriegerij van hun hart...?"
Begrijp
dit goed! Volgens de profetieën zouden er stortvloeden van
onwaarachtige gezichten, dromen en valse profetieën zijn om de
mensen te bedriegen. Hoewel deze frauduleuze geschriften "în
de naam des Heren" kwamen, waren ze niet van de Heer. De meeste zijn
verdwenen en verloren gegaan. Maar enkele ervan zijn gebleven.
Aan wie
had God, te midden van deze stroom van frauduleuze, bedrieglijke
geschriften zijn bestuur toegekend, zijn gezag gegeven, waarmee Hij
voor altijd bepaalde welke de geïnspireerde boeken van de
Bijbel waren en bewaard moesten worden? Werd het aan ieder persoonlijk
overgelaten, of aan een bepaalde kerkelijke richting?
"Aan de Jood"
Lees het geïnspireerde antwoord van Paulus in Romeinen 3:1-2:
"Wat is dan het voorrecht van de Jood, of wat is het nut van de
besnijdenis? Velerlei in elk opzicht. In de eerste plaats toch dit, dat
hun de woorden Gods zijn toevertrouwd."
Aan wie
waren de Woorden van God, de Bijbel, in oudtestamentische tijden
toevertrouwd? Aan een kerkelijke richting? Of werd het aan de mensen
zelf overgelaten? Nee! Het werd aan de Joden toevertrouwd. Het werd aan
hún zorg toevertrouwd!
Let nu
eens op Handelingen 7:37-38: "Dit is die Mozes, die tot de kinderen
Israëls gezegd heeft: Een profeet gelijk mij zal God u uit uw
broeders doen opstaan. Deze [Mozes] is het, die in de vergadering in de
woestijn met de engel [of Boodschapper - Jezus Christus) was, die tot
hem [Mozes] sprak op de Sinaï, en met onze vaderen; en hij
ontving levende woorden om die u te geven." De oudtestamentische
woorden werden aan de vergadering –gemeente – in de
woestijn gegeven – aan de oudtestamentische Gemeente. Het
werd niet aan ieder persoonlijk overgelaten.
Hoewel
zij aan de Gemeente in de oudtestamentische tijd waren toevertrouwd,
waren ze bestemd om ze aan ons te geven – voor ons te
bewaren. Petrus werd geïnspireerd om over de profeten te
schrijven: "Hun werd geopenbaard, dat zij niet zichzelf, maar u dienden
met die dingen, welke u thans verkondigd zijn bij monde van hen, die
door de Heilige Geest, die van de hemel gezonden is, u het evangelie
hebben gebracht, in welke dingen zelfs engelen begeren een blik te
slaan" (1 Petrus 1:12). God heeft zijn profeten geïnspireerd
zijn boodschap aan de oudtestamentische Gemeente te richten, God kende
zijn bestuur aan die Gemeente toe. Die Gemeente werd bij goddelijk
decreet verantwoordelijk gesteld zijn Woord voor altijd te bewaren.
Hier
volgt het getuigenis van Jezus zelf aangaande wie in die Gemeente met
gezag bekleed was: "Toen sprak Jezus tot de scharen en tot zijn
discipelen, zeggende: De schriftgeleerden en de Farizeeën
hebben zich gezet op de stoel van Mozes. Alles dan, wat zij u ook
zeggen, doet dat en onderhoudt dat, maar doet niet naar hun werken,
want zij zeggen het wel, maar doen het niet (Matth. 23:1-3). God
bevestigde door Mozes zijn bestuur in zijn Gemeente – de
oudtestamentische Gemeente. In de dagen van Jezus zaten de
Farizeeën en de schriftgeleerden op de stoel van Mozes en
bezaten zijn gezag.
En wat
was de plicht van de schriftgeleerden? Het Woord van God te bewaren,
dit te kopiëren en van generatie tot generatie te
reproduceren. De Farizeeën waren verantwoordelijk voor het
bestendig voorlezen van de Schriften in de synagogen.
Deze
leiders mogen niet oprecht van hart geweest zijn; toch zei Jezus dat
zij het gezag hadden. Zij werden, ondanks zichzelf, door God gebruikt
om zijn Woord te bewaren.
Jezus
erkende nogmaals onvoorwaardelijk hun gezag toen Hij in Mattheus 5:18
zei: "Want voorwaar, Ik zeg u: Eer de hemel en de aarde vergaat, zal er
niet één jota of één tittel
vergaan van de wet, eer alles zal zijn geschied". Hij zette het weer
uiteen in Lukas 16:17: "Gemakkelijker zouden hemel en aarde vergaan,
dan dat er van de wet één tittel zou vallen."
Christus sprak hier over de wet en de profeten (Matth. 5:17 "Meent
niet, dat Ik gekomen ben om de wet of de profeten te ontbinden; Ik ben
niet gekomen om te ontbinden, maar om te vervullen." Lukas 16:16 "De
wet en de profeten gaan tot Johannes; sinds die tijd wordt het
evangelie gepredikt van het Koninkrijk Gods en ieder dringt zich
erin.") – het Oude Testament! De Joden bewaarden iedere
letter van Gods Woord. Jezus zei dat er niet één
ontbrak. En als er niet één letter ontbrak, dan
ontbrak er zeker geen enkel boek!
Maar wáár was het centrum van gezag in
de Joodse wereld? Berustte het gezag in laatste instantie bij de Joodse
schriftgeleerden in Egypte, in Babylon of in Rome? Waar was het
centrale gezag waar de oudtestamentische Gemeente zich op verliet?
Jeruzalem was
het centrum
In de oudtestamentische Gemeente bepaalde God dat zijn bestuur vanuit
een centraal punt werd uitgevoerd: "Wanneer een zaak voor u te moeilijk
is om daarin uitspraak te doen, in geval van bloedschuld, geschil of
lichamelijk letsel (aanleidingen tot rechtsgedingen in uw steden) [dit
kon ook onenigheid inhouden over welke boeken de geïnspireerde
boeken van de Bijbel waren] dan zult gij u begeven naar de plaats die
de Here, uw God, verkiezen zal; gij zult gaan tot de Levitische
priesters en tot de rechter, die er dan wezen zal, en hen raadplegen;
zij zullen u hun rechterlijke uitspraak aanzeggen. En gij zult handelen
naar de uitspraak, die zij u aanzeggen ter plaatse die de Here
verkiezen zal; gij zult nauwgezet doen naar alles, waarvan zij u
onderrichten" (Deut. 17:8-10).
De
hoofdzetel was de plaats die God koos. Waar was die? Sla Psalm 78:67-68
eens op: "En Hij [de Heer] versmaadde de tent van Jozef, en verkoos
Efraïms stam niet. Maar Hij verkoos de stam van Juda, de berg
Sion, die Hij liefheeft."
Hoewel
God zijn openbaring aan de gehele oudtestamentische Gemeente gaf
– aan alle stammen van Israël – verkoos
Hij toch de ene stam van Juda – de Joden – boven al
die andere stammen. Daarom zei Paulus in Romeinen 3 dat het de Joden
waren – het Huis van Juda – niet de andere stammen
– aan wie de openbaring van God was toevertrouwd.
Maar
waar was de hoofdzetel van de stam van Juda? Vers 68 van Psalm 78 zegt
"de berg Sion" – waar Jeruzalem is. In de tijd dat de natie
Israël zich van de stam van Juda afscheidde, lezen we in 1
Koningen 11:13: "Evenwel zal Ik niet het gehele koninkrijk afscheuren,
één stam zal Ik aan uw zoon [de zoon van Salomo]
geven ter wille van mijn knecht David en ter wille van Jeruzalem, dat
Ik verkoren heb."
Nu
hebben we dus de juiste Gemeente – de oudtestamentische
Gemeente; de juiste stam – Juda, de Joden; de juiste plaats
– Jeruzalem; de juiste leiders – de
schriftgeleerden en Farizeeën. Daar moeten we dus naar zien
wat het gezag betreft, dat bepaalt welke boeken tot het 'Oude
Testament' behoren. Dit was dus de enige plaats op aarde waar God
toezag op het bewaren van zijn Woord – het Oude Testament.
Bevonden de apocriefen zich onder de heilige Schrift die door deze
schriftgeleerden te Jeruzalem bewaard werden?
Welke boeken
werden er bewaard?
Jezus erkende het gezag van de schriftgeleerden en Farizeeën.
In feite had Jezus, voor Hij naar de aarde kwam, de schriftgeleerden en
Farizeeën uitgekozen in de stoel van Mozes te zitten en als de
bewaarders van zijn Woord op te treden. Christus is de 'HEER' van het
Oude Testament wiens bestuur de schriftgeleerden en Farizeeën
bevolen waren uit te voeren. Let nu op welke Schriften, die de
officiële goedkeuring van zijn oudtestamentische Gemeente
droegen, door Christus erkend werden.
Lukas
24:44 Hij [Jezus] zeide tot hen [de discipelen]: Dit zijn mijn woorden,
die Ik tot u sprak, toen Ik nog bij u was, dat alles wat over Mij
geschreven staat in de wet van Mozes en de profeten en de psalmen moet
vervuld worden. 45 Toen opende Hij hun verstand, zodat zij de Schriften
begrepen.
De
Schriften waren, volgens het getuigenis van Jezus, op de juiste wijze
verdeeld in "de Wet, de Profeten en de Psalmen". Deze drievoudige
verdeling hebben de Joden tot op de huidige dag onveranderd bewaard. De
'Wet' bestaat uit de eerste vijf boeken van de Bijbel, Genesis tot
Deuteronomium, de 'Profeten' zijn Jozua, Richteren, 1 en 2
Samuël, 1 en 2 Koningen (de vroegere profeten) en Jesaja,
Jeremia, Ezechiël en de twaalf 'kleine' profeten (de latere
profeten). En de derde grote indeling van het Hebreeuwse Oude Testament
– de 'Psalmen' genoemd omdat het boek der Psalmen het eerste
gedeelte van deze indeling vormt – bevat de Psalmen,
Spreuken, Job, vervolgens de vijf kleinere boeken – het
Hooglied van Salomo, Ruth, Klaagliederen van Jeremia, Prediker en
Esther – gevolgd door Daniël, Ezra, Nehemia en
– als een laatste samenvatting van het gehele Oude Testament
– 1 en 2 Kronieken!
U kunt
zien dat deze boeken die door de Joden bewaard zijn precies dezelfde
zijn als die u in de NBG-vertaling, Statenvertaling en andere
vertalingen van vandaag kunt aantreffen. (De andere volgorde van de
boeken van het Oude Testament is het gevolg geweest van de recente
invloed van de Latijnse Vulgaat op de vertalers.)
De
apocriefen hebben nooit deel uitgemaakt van de geïnspireerde
boeken van de Bijbel waaruit ons Oude Testament is samengesteld!
Hier
hebben we dus het absolute bewijs dat Jezus het gezag erkende van
precies hetzelfde aantal boeken als wij tegenwoordig in het Oude
Testament hebben. Er zijn slechts 39 geïnspireerde boeken
waaruit het Oude Testament is samengesteld. Wij bezitten tegenwoordig
het volledige Oude Testament.
Het is daarom bewezen dat de zeven toegevoegde apocriefen onecht zijn.
Zij hebben nooit deel uitgemaakt van het Oude Testament dat de Joden
bewaarden.
De
apocriefe geschriften – de meeste zijn vervalsingen
– zijn absoluut niet geïnspireerd.
Sommige
ervan, zoals 1 en 2 Makkabeeën, zijn historisch gezien
betrekkelijk accuraat, hoewel zij elkaar op bepaalde punten
tegenspreken.
In
Jezus' tijd werden deze 39 afzonderlijke boeken van het Oude Testament
dikwijls op 22 rollen bijeengebracht zoals we in Josefus lezen: "Want
wij [de Joden] hebben geen ontelbare menigte van boeken onder ons die
elkaar tegenspreken en niet met elkaar overeenstemmen, maar slechts 22
boeken, die de optekeningen bevatten van al de voorbijgegane tijden;
waarvan terecht geloofd wordt dat ze van goddelijke oorsprong zijn"
(Flavius Josefus, Contra Apionem [Tegen Apion], boek 1, afd. viii).
De apocriefen
werden nooit in de Schriften aangehaald
Sommige mensen beweren ten onrechte dat de apostelen uit de apocriefen
citeerden, of dat zij de apocriefen als gezaghebbend aanmerkten. Deze
bewering is niet juist. De apocriefen werden 700 jaar nadat de drie
indelingen van het Oude Testament onder gezag voltooid werden, door
mensen aan de geïnspireerde boeken van het Oude Testament
toegevoegd. Denkt u zich dat eens in! Zij werden niet eerder dan 400
jaar ná de geboorte van Christus op bedrieglijke wijze
ingelast.
Maar wat moeten we denken van de bewering dat de apostelen een Griekse
vertaling van het Oude Testament aanhaalden waarin ook de apocriefen
waren opgenomen?
Hier
komt het antwoord van Paulus:
Paulus geloofde en sprak over "zonder iets anders … dan wat
de profeten en Mozes [de wet] gesproken hebben, dat geschieden zou"
(Hand. 26:22). Hij aanvaardde "al hetgeen wat in de wet en de profeten
geschreven staat" – het Oude Testament! (Hand. 24:14.) Paulus
zei niet dat hij in de wet, de profeten en de apocriefen geloofde.
De
apocriefen werden geschreven tussen de tijd van Ezra en Gods
geïnspireerde profeten en de tijd van Christus – een
tijd gedurende welke God opgehouden had zijn profeten te zenden.
Volgens algemeen getuigenis dat door iedereen erkend wordt, leefde de
laatste van de oudtestamentische profeten in de tijd van Nehemia.
De
apocriefen hebben geen goddelijk gezag achter zich. Zij zijn niet van
God afkomstig. Op talrijke plaatsen weerspreken ze openlijk het
geïnspireerde Woord van God. Ze introduceren heidense fabels
en bijgeloof.
De
apocriefen ontstonden in het geheim onder de Essenen, die vele van de
gewoonten van de heidenen om hen heen hadden overgenomen.
Let eens
op de inleiding van Schuhmacher tot de gecensureerde katholieke Bijbel,
die uitgegeven wordt door het Douay Bible House te New York. Deze
gedurfde inleiding beweert:
"De
Grieks sprekende Joden in de diaspora, vooral die in Egypte, erkenden
boeken als heilig waartegen de Joden in Palestina in de loop der tijden
achterdocht begonnen te koesteren en die ze in de na-christelijke
tijden verwierpen omdat ze niet van goddelijke oorsprong waren. De
protestanten volgden de traditie van de Palestijnse Joden [de z.g.
Joods-Palestijnse canon] en verwierpen een aantal van de boeken die de
Helleense Joden in de diaspora [in hun canon van de Septuagint] als
heilig aanvaardden. De katholieken volgen de traditie van de Helleense
Joden..."
Deze
bewering heeft geen historische gronden. Laten we de geschiedkundige
feiten eens bekijken.
De FEITEN van de
geschiedenis!
Ten eerste misten de Joden in de diaspora, degenen die in heidense
landen woonden en niet in Palestina, het gezag om voor zichzelf te
beslissen welke boeken tot de Bijbel behoorden.
Ten
tweede: de Joodse gemeenschappen verlieten zich in laatste instantie
altijd op Jeruzalem aangaande enige beslissing over de canon (de boeken
die de regel of maatstaf vormen waarbij wij moeten leven –
canon betekent 'regel').
Ten
derde: de Joden in de diaspora aanvaardden geen andere canon dan de
boeken die door de Joden in Judea aanvaard waren. De Joodse filosoof
Philo van Alexandrië, die in Egypte woonde, bezigde geen
aanhalingen uit de apocriefen en hij verschaft niet de geringste grond
voor de veronderstelling dat de Joden in Alexandrië in zijn
tijd geneigd waren enige van de boeken der apocriefen in hun canon van
'heilige Schriften' te aanvaarden (H.E. Ryle, Philo in Holy Scripture,
blz. xxxiii). Verder: "Als er controverse bestond tussen de diaspora en
Palestina betreffende de canon, dan zou men één
of andere toespeling erop van Philo verwachten, maar er is geen
enkele", schrijft E. Earle Ellis, in zijn boek Paul's Use of the Old
Testament, blz. 34.
Sommige
godsdienstige autoriteiten matigen zich een oordeel aan en nemen zonder
meer aan dat de geïnspireerde nieuwtestamentische apostelen
slechts uit één Griekse vertaling citeerden nl.
de 'Septuagint'. Zij namen verder aan dat deze vertaling de apocriefen
bevatte. Deze Griekse vertaling van het Oude Testament werd omstreeks
275 v.Chr. ter hand genomen. (Sommige plaatsen deze in de tweede eeuw
v.Chr., enige tijd later.) Slechts de eerste vijf boeken van de Bijbel
– de boeken van Mozes – werden oorspronkelijk
vertaald. "Wanneer en door wie de andere boeken werden toegevoegd is
geheel onbekend", zegt Frederic G. Kenyon in The Text of the Greek
Bible. "Enkele boeken zijn bijna woord voor woord vertaald; andere,
zoals Job en Daniël zijn nogal vrij vertaald... In de Griekse
vertaling van Jeremia ontbreken ongeveer 2700 woorden en de indeling is
ten dele anders..." (uit de Text of the Old Testament, door Ernst
Würthwein, blz. 37).
Dit is
wat professor Kenyon verder zegt over de Septuagint en de verschillende
verminkingen erin: "In het boek Job is de Septuagint ongeveer een zesde
korter dan de Hebreeuwse tekst en er zijn grote afwijkingen in Jozua, 1
Samuël, 1 Koningen, Spreuken, Esther en Jeremia, en kleinere
afwijkingen in andere boeken" (Text of the Greek Bible, blz. 29).
Septuagint
oorspronkelijk zonder de apocriefen
De Septuagint geniet in feite geen gezag. Een gedeelte ervan mag goed
vertaald zijn, speciaal de wet, maar veel ervan was totaal verminkt.
Maar dit is niet alles. De Griekse vertaling (Septuagint) van het Oude
Testament was reeds volledig voordat de meeste van de apocriefen zelfs
geschreven waren! (Zie Edersheim in The Life and Time of Jesus the
Messiah, blz. 26.) De katholieke bisschop Cyrillus van Jeruzalem, die
omstreeks 315 n.Chr. werd geboren, zei dat tot die tijd erkend werd dat
de Septuagint niet de apocriefen bevatte. Hij schreef: "Lees de Heilige
Schrift – dat wil zeggen de 22 boeken van het Oude Testament
die de 72 vertolkers vertaalden..." – de Septuagint. Let erop
dat er geen 22 boeken plus zeven toegevoegde boeken waren! Er waren
slechts de 22 rollen die vertaald werden (de 39 boeken van het
hedendaagse Oude Testament, weet u nog wel, werden vroeger dikwijls op
22 rollen geschreven).
Zelfs
indien de apostelen uit de Septuagint hadden geciteerd, dan zou dit
daarom nog geen bewijs zijn dat de apocriefen daardoor erkend zouden
moeten worden. Het toevoegen van apocriefe boeken aan het Oude
Testament begon niet eerder dan ongeveer 80 n.Chr. Talrijke frauduleuze
boeken werden langzamerhand in de geïnspireerde canon
geïntroduceerd. Geen twee exemplaren van de vroegste
katholieke Bijbels stemmen met elkaar overeen met betrekking tot welke
apocriefe boeken toegevoegd dienden te worden. Het duurde tot 397
n.Chr., tijdens de Synode van Carthago, voordat Augustinus, de
Kanaänitische bisschop van Hippo in Noord-Afrika, de Synode
van Carthago ertoe bracht om zeven apocriefe boeken in 't algemeen goed
te keuren. Nog ten tijde van 363 n.Chr., tijdens de Synode van
Laodicea, verwierp de Griekse Kerk de apocriefen in hun geheel. En de
rooms-katholieke geleerde Hiëronymus, die de Latijnse Vulgaat
samenstelde, verwierp de apocriefen en baseerde zijn vertaling direct
op het Hebreeuwse Oude Testament. Pas op 8 april 1546, tijdens het
Concilie van Trente, werden degenen die de apocriefen verwierpen tot
'anathema van Christus' verklaard! Hier hebben we het gezag van mensen
die bepaalden wat anderen moesten geloven. Dit was niet het gezag van
God.
De
bewijsvoering is overweldigend – de apostelen gebruikten de
apocriefen niet en keurden ze evenmin goed.
Vanaf de
derde eeuw werden slechts geleidelijk aan verschillende apocriefe
geschriften aan de Septuagint toegevoegd. Een verder bewijs is dat geen
twee der oudste exemplaren van de Septuagint dezelfde apocriefe boeken
bevatten. Dit is een absoluut bewijs dat de Alexandrijnse Joden geen
vastgestelde canon (lijst van geïnspireerde boeken) hadden
waaronder de apocriefen waren inbegrepen. De toevoeging van de
apocriefen aan de Septuagint – de Griekse vertaling van het
Oude Testament – was een kwestie van menselijke traditie. Er
waren zóveel verschillende apocriefe boeken in omloop in de
westerse wereld dat er in 397 n.Chr. een synode voor nodig was om te
bepalen welke boeken als 'goedgekeurd' in aanmerking zouden komen.
De
apocriefen zijn dus geen deel van het geïnspireerde Oude
Testament. Zij vormen geen deel van de Bijbel! De Bijbel is zonder deze
volledig.
De Septuagint
was niet het enige Griekse Oude Testament
Er is ruimschoots bewijs voorhanden dat in aanhalingen in het Nieuwe
Testament de apostelen niet de Septuagint gebruikten als zijnde de
enige Griekse vertaling van het Oude Testament. Twee van elke drie
aanhalingen van het Oude Testament die in het Nieuwe Testament gevonden
worden, stemmen niet woordelijk overeen met de lezing van de Septuagint.
"Paulus
was bekend met andere Griekse teksten", verklaart Ellis op blz. 15 van
zijn boek, Paul's Use of the Old Testament. Op blz. 19 geeft hij verder
toe: "Paulus maakte gebruik van verschillende vertalingen of
overzettingen die aan zijn lezers bekend waren". In de tijd van de
apostelen waren er klaarblijkelijk verscheidene onderling verschillende
vertalingen in het Grieks van het Oude Testament beschikbaar. Hoewel de
eerste vijf boeken van de Septuagint oorspronkelijk door de Joden
werden goedgekeurd om in het Grieks gelezen te worden, raakten de
overige boeken zó verminkt dat de Joden tenslotte hun volk
verboden nog maar iets van de Septuagint te gebruiken. Talrijke
aanhalingen uit Daniël maken het duidelijk dat de apostelen
die in het Grieks schreven, ook vertalingen gebruikten die verschilden
van de Septuagint in de eerste eeuw na Christus. Geen wonder dat Kenyon
op blz. 32 van zijn boek The Text of the Greek Bible schreef dat de
apostelen "gebruik maakten van een andere, oudere vertaling waarvan wij
overigens geen kennis hebben; want er komen verscheidene
[non-Septuagint] lezingen voor in het Nieuwe Testament, vooral in de
aanhalingen van Daniël, in Openbaring en de
Hebreeënbrief. Er moet daarom.... een andere dan de LXX
[Septuagint] in de eerste eeuw voorhanden geweest zijn..."
Andere
ontbrekende boeken?
Sommige sekten beweren tegenwoordig dat er "ontbrekende boeken van de
Bijbel" bestaan waaruit Jezus en de apostelen citeerden. Maar let op!
In Handelingen 17:28 haalt Paulus terloops heidense dichters aan. En in
Titus 1:12-13 citeert hij weer niet-christelijke Kretenzische
godsdienstige leiders. Dit betekent zeer zeker niet dat de apostelen
hun sanctie aan deze heidense dichters verleenden! Tegenwoordig halen
wij vaak nauwkeurige historische bronnen aan – precies zoals
in dit artikel gebeurd is – maar dit betekent niet dat wij de
werken waaruit deze aanhalingen ontleend zijn, als door God
geïnspireerd erkennen.
Op
dezelfde wijze citeerden Jezus en apostelen historisch materiaal dat
door de Joden sinds de dagen van Ezra en Nehemia bewaard was. Maar dat
betekent nog niet dat de werken waaruit deze aanhalingen werden
geciteerd door alle generaties heen door de Joden bewaard moesten
worden. Alleen díe bepaalde aanhalingen die Christus en de
apostelen noodzakelijk achtten zijn nu in het Nieuwe Testament bewaard
gebleven.
God
inspireerde de profeten uit de oudheid zijn boodschap niet alleen aan
hun generatie door te geven, maar aan alle generaties. Veel van het
materiaal dat zij voor hun generatie schreven was niet bestemd om te
worden bewaard. God leidde hen ertoe die bepaalde onderwerpen te
selecteren waarvan alle generaties op de hoogte dienden te zijn. En wat
zijzelf niet reeds voor ons hadden bewaard in de drie afdelingen van
het Oude Testament – de wet, de profeten en de psalmen
– hebben Christus zelf en de apostelen voor ons als
aanhalingen in het Nieuwe Testament behouden. Maar let erop dat geen
van deze nieuwtestamentische aanhalingen uit de apocriefen komen.
Deze
frauduleuze boeken, die in de officiële Joodse gemeenschap
geen gezag hebben, waren hoofdzakelijk het werk van de Joodse sekte die
als de Essenen bekend staat. (Voor bewijs zie het artikel 'Apocrypha"
in The International Standard Bible Encyclopedia.) De Essenen waren een
ascetische Joodse groep die over het algemeen beïnvloed waren
door heidense mysteries. Ten einde hun heidense praktijken te
rechtvaardigen stelden zij in het geheim frauduleuze boeken samen in de
naam van Henoch en anderen in een poging hun leerstellingen die ze van
de heidenen hadden overgenomen te rechtvaardigen.
Het Nieuwe
Testament is ook VOLLEDIG
Toen de Joden in de nieuwtestamentische tijd de boodschap van Jezus
Christus en zijn apostelen weigerden aan te nemen, verwekte Jezus de
apostel Paulus om naar de heidense wereld te gaan om daar zijn
nieuwtestamentische boodschap voor ons (in het Grieks) te laten bewaren.
De
meeste mensen zijn zich er niet van bewust dat als het Nieuwe Testament
naast het Oude wordt gelegd, de Bijbel in zeven afdelingen volledig is:
de wet, profeten, psalmen, evangeliën, handelingen, brieven en
openbaring. Dit geeft een verbazingwekkende zevenvoudige indeling van
de boeken van de Bijbel. Zeven is Gods getal van volledigheid. Met deze
zeven afdelingen van de Bijbel is Gods Boek volledig.
Het
Nieuwe Testament werd aanvankelijk in het Grieks ter bewaring gegeven.
Maar God leidde de apostelen ertoe om te beslissen van welke boeken de
Grieken erfgenaam zouden zijn.
Let op
dat Paulus in 1 Timotheus bevestigt dat de evangeliën
geïnspireerd waren. Paulus haalt de woorden "de arbeider is
zijn loon waardig" (1 Tim. 5:18) als schriftuurlijk aan. Dit citaat is
nergens in het Oude Testament te vinden. Het staat in het zevende vers
van het 10e hoofdstuk van het evangelie van Lukas.
In 2
Petrus 3:15-16 worden de brieven van Paulus op
één lijn gesteld met het Oude Testament en ze
worden aangeduid als "Schriften".
Een vergelijking van het boek Genesis met het boek Openbaring
zou afdoende bewijs zijn dat het boek Openbaring bestemd was het
laatste boek van de Bijbel te zijn.
En als
laatste waarschuwing geen ander boek toe te voegen, werd Johannes door
God geïnspireerd te schrijven:
Openbaring 22:18 Ik betuig aan een ieder, die de woorden der profetie
van dit boek hoort: Indien iemand hieraan toevoegt, God zal hem
toevoegen de plagen, die in dit boek geschreven zijn; 19 en indien
iemand afneemt van de woorden van het boek dezer profetie, God zal zijn
deel afnemen van het geboomte des levens en van de heilige stad, welke
in dit boek beschreven zijn.
Het N.T. werd
voorzegd in het Oude Testament
In het Oude Testament zelf werd geprofeteerd dat de discipelen degenen
zouden zijn die de canon zouden afsluiten – d.w.z. zij zouden
het aantal boeken waaruit de Bijbel bestaat, voltooien. Zie Jesaja
8:16: "Bind de getuigenis toe, verzegel de wet onder mijn leerlingen".
'Binden' komt van het Hebreeuwse woord dat 'samenbinden' in de zin van
'voltooien' betekent. De apostelen werden gebruikt om de getuigenis van
Jezus Christus te voltooien.
De
nieuwtestamentische Gemeente heeft "de getuigenis van Jezus":
Openbaring 12:17 En de draak werd toornig op de vrouw [Gemeente van
God] en ging heen om oorlog te voeren tegen de overigen van haar
nageslacht, die de geboden van God bewaren en het getuigenis van Jezus
hebben.
Het was eveneens door de discipelen van Jezus Christus dat Gods
goedkeuring werd gehecht aan die wetten, die voor eeuwig bindend voor
christenen zijn.
Ja, we
kunnen het weten! De Bijbel is volledig! Geen enkel boek van de Bijbel
is verloren geraakt. Geen enkel ontbreekt. De boeken van de Bijbel
zoals u ze o.a. in de NBG-vertaling en Statenvertaling vindt, vormen de
volledige Bijbel!


















