GOD
belijden
“Want
Drie zijn er, Die getuigen in de hemel: de Vader, het Woord en de
Heilige Geest. En deze Drie zijn
één.” 1
Johannes 5 : 7
Niet alleen kleine kinderen kunnen bij tijden lastig vragen voorleggen.
Ook jongeren én zelfs ouderen lopen met vragen rond, waar je
niet zomaar een antwoord op kunt geven. Soms zijn het vragen, waarop je
nog geen antwoord wilt geven (ze zijn te jong). Soms zijn het vragen
waarop je geen antwoord kunt geven. Omdat je weet het niet precies. Een
enkele keer is het een vraag, waarop je geen antwoord mag geven.
“Je vraagt teveel. Je gaat te ver. Je vraagt naar dingen, die
voor ons te groot, te hoog, te heilig zijn.”
De
verlegenheid
Wellicht raken we
hier wel aan de moeilijkste vraag van ons hele bestaan: “Wie
is God?”
Deze vraag wordt ons opgedrongen. Nee, niet door de Nederlandse
Geloofsbelijdenis, zoals ik aanvankelijk dacht. Omdat dit onderwerp nu
eenmaal hier aan de orde is.
Ook de Bijbel dringt mij deze vraag niet op. Nee, deze vraag wordt
gesteld door… mensen, die er niet uit komen. Meestal zijn
het
ongelovigen. Meestal zijn het mensen met een sterk wetenschappelijke
geest. Denkers. Zoekers naar waarheid in het verstand. Mensen die
weinig ophebben met het geestelijke, het bovennatuurlijke, het wonder,
dat juist door ons menselijke verstand niet te verklaren is. Of ze er
ook uitkomen? Ik weet het niet.
Maar ook bij gelovigen – liever spreken we van mensen, die
ván God gehoord hebben – leeft deze vraag. Het is
een
vraag, die voortkomt uit de gedachte, dat God niet ís zoals
Hij
is. Zoals Hij Zich bekend maakt. Zij kunnen Zich God niet zó
voorstellen.
Ook ikzelf worstel bij tijden met deze vraag. Niet zozeer voor mijzelf.
Maar omdat ik aan u of jou niet kan uitleggen wie en hoe God in Zijn
Persoon ten diepste is. Ook wij laten ons zo gemakkelijk leiden of
misleiden door logisch denken, door verstand; door wat wij ervaren en
voelen.
En misschien is het diep in ons binnenste wel een drang om God vast te
grijpen. Om onze hand op God te leggen. Om Hem ergens te kunnen
bevatten. Misschien hebben we nog niet eens zo’n moeite met
Gods
grootheid en vermogen. Als wel met onze kleinheid, ons onvermogen.
Wat zou er bijzonder veel gewonnen zijn, als wij er eens zouden
ophouden om van God maar te denken, zoals wíj willen denken.
Om
God zó voor te stellen, dat Hij uit te leggen valt. God
maakt
het ons echt niet zo moeilijk, als wij denken. God geeft ons
gelegenheid van Hem te spreken, zoals Hij wíl dat wij van
Hem
spreken. Zoals God in Zijn Woord over Zichzelf spreekt. Zoals God in
Christus over Zichzelf spreekt.
Neemt niet weg dat we vanmiddag geen bepaald eenvoudig thema
overdenken. Want de vraag – Wie God is? – kan op
twee
manieren uitgelegd worden. De eenvoudigste, meest aanvaardbare, meest
gebruikte manier is, om over God te spreken vanuit wat Hij doet.
Wanneer ik zeg: “God is liefde”, zeg ik niet Wie
God is,
maar: wat Hij is en wat Hij doet. Dat Hij als grootste liefdeblijk Zijn
eniggeboren Zoon aan ons heeft gegeven tot zaligheid van mensen. Maar
het zegt nog niets over God Zelf. Over Zijn Wezen en Zijn Persoon.
Dat komt later aan de orde, in het vervolg van de Geloofsbelijdenis. En
daarbij staat Gods Persoon nooit los van Zijn Werken. Maar artikel 8
blijft bewust stilstaan bij het eerste: Wie is God Zelf? In Zijn Wezen
en Persoon. In Zijn Drieënigheid. Daarbij raken we meteen aan
de
kern van het probleem, waarom de vraag naar wie is God niet beantwoord
kán worden.
Ik zei zojuist, dat God Zichzelf in de Bijbel verklaart. Maar dan
hebben we meteen al een probleem, omdat begrippen als “Wezen,
Persoon, Drieënigheid, onmededeelbare eigenschappen”
niet in
de Bijbel staan. Dat is dan ook één van de
sterkste
argumenten, die tegenstanders van Gods Drieënigheid naar voren
brengen. En ik zeg erbij: Terecht. Want de Geloofsbelijdenis heeft deze
namen, deze begrippen ontleend aan de dogmatiek.
Ook Calvijn heeft veel kritiek gekregen op deze manier van spreken over
God. Calvijn zou God weer in een schools systeem hebben gedwongen
Maar Calvijn begint met duidelijk te maken, dat ook hij – net
als
Augustinus, net als de Oude Kerk, net als de Reformatoren, en net als
alle Bijbel gelovigen – gedwongen is, om zich zó
uit te
spreken over de Onuitsprekelijke.
Want het geloof in de Drieënigheid zelf wordt betwijfeld.
Calvijn
zegt (en ik kan me daar helemaal in vinden) dat wat de Bijbel van God
zegt op zichzelf meer dan voldoende is om over de Heere God te spreken
als Vader, Zoon en Heilige Geest. Daarbij is het beter om de Heere God
te aanbidden in plaats van Hem te omschrijven.
Wanneer Athanasius, en Augustinus, en Calvijn, en Guido de Bres, en
vele anderen in heilige eerbied over de Persoon van God spreken, in
deze woorden, dan doen zij dat niet om een statement te geven. Zo van:
“Wij zullen nu eens officieel in een dogmatiek en in een
belijdenis gaan vastleggen, Wie God is.”
Men heeft dus nooit gezocht naar een dogmatische triniteitsleer.
Niemand van hen spreekt over Gods Wezen, omdat het zo nodig gezegd moet
worden. Temeer heeft de Oude Kerk en ook de Reformatie gezocht naar een
grond van de Drieënigheid in de Bijbel. En die is gevonden.
Een
aantal Schriftplaatsen hebben we in art. 8 teruggevonden.
Toch gebeurde het toen, en vandaag gebeurt het nog steeds, dat Gods
kerk, de gelovigen, de christenen steeds weer uitgedaagd worden om over
God te spreken. Omdat er altijd weer mensen zullen zijn die niet alleen
het geloof in Gods Drieënigheid betwijfelen, maar God Zelf
willen
betwijfelen.
Of het nu een Jehova’s getuige is of een moslima. Of het nu
een
Joodse rabbijn is of een vrijzinnig hervormde jongen. Ze spreken
allemaal tegen, dat Jezus de Zoon van God is. Of zij verwerpen de God
van het Oude Testament en zien in Jezus alleen de ware God (Marcion).
Of zij ontkennen dat de Heilige Geest God is (Praxeas). Of de Vader,
Zoon en Geest zijn slechts verschijningsvormen van de ene Godheid
(Sabellius). Of zij zien Jezus als geschapen mens, die nooit God is
geweest, zoals Arius leert. Dit soort geluiden hoor je vandaag nog
steeds.
Natuurlijk maakt een vraag naar Wie God is ook ons verlegen. Ook mij.
Hoeveel ik ook van de Heere God weet en hoe hartelijk ik Hem ook
liefheb als Vader, Zoon en Heilige Geest. Dat neemt niet weg, dat ieder
mens bepaalde vragen overhoudt.
Maar waarom zou ik over God zwijgen, ook wanneer ik niet op alle vragen
een antwoord weet? Want hoe meer ik Gods grootheid ontdek in Zijn Wezen
en in Zijn werken, des te meer ontdek ik, dat ik alleen maar wat kan
stamelen. Wanneer een kind alleen maar kan stamelen om zijn Vader, is
Hij daarom zijn Vader dan niet meer?
Liever heilig stamelen, dan bang te zwijgen. Want wie zwijgt,
stemt toe. Daarom willen wij eerbiedig luisterend naar de Schrift en
naar wat de Heere Zelf in ons leven openbaart vanavond dieper nadenken
over dit mysterie, Wie de Heere God Zelf is, in Zijn
éénvoudige Wezen en in Zijn drie Personen.
Met Gods Woord in onze hand hebben we geen betere bron, om een antwoord
te geven op de vraag, Wie God in Zijn wezen is.
De
Heilige Schrift
Ik zei al, dat veel
mensen vallen
over woorden als Wezen, Personen en Drieënigheid. Maar al
noemt de
Bijbel ze niet direct, toch geven deze woorden de Bijbelse zaken wel op
een voortreffelijke manier weer. Want de leer van de
Drieënigheid
is niet alleen fundamenteel voor de strijd tegen ketterijen. Ze is
vooral het fundament van ons geloofsleven en van de Kerk zelf. Meer
nog, zij is fundamenteel voor onze zaligheid.
Het is de drieënige God Zelf, die de zaligheid bewerkt en
schenkt.
God de Vader
vanuit Zijn verkiezende liefde.
God de Zoon vanuit Zijn
verlossende werk.
En God de Heilige Geest
vanuit Zijn heiligmakende en toepassende werk
Hoe moeten we dit nu zien? Kun je dat een kind eigenlijk wel uitleggen?
Kun je dat een volwassen mens wel uitleggen? Kun je dat aan iemand
buiten het geloof uitleggen? Is het enkel een gelovig aanvaarden, ook
als wij God niet begrijpen? Of kán ik pas echt geloven,
wanneer
ik je God begrijp? Laat ik dit zeggen, gemeente, in alle eenvoud en
oprechtheid: Het is voor niemand onmogelijk om in God te geloven. Maar
het is onmogelijk, het is uitgesloten, om God te
begrijpen.
Daarom willen we vanmiddag proberen gelovig over God te spreken met
woorden, die Hij ons Zelf geeft. En wat wij niet begrijpen, ach, er
komt een keer – als het zover is – dat we het
volkomen
zullen begrijpen. Alleen al om die reden hoef ik mij vanmiddag niet te
schamen voor een gebrekkige preek. Alleen al om die reden hoeft u en
hoef jij je niet te schamen voor een gebrekkige voorstelling.
Als we maar voor één ding bewaard worden. En dat
is
ongeloof. Dat komt dichterbij dan je denkt. Want ongeloof wordt nog het
meest gevoed, wanneer wij onze vingers achter heilsgeheimen willen
krijgen. Wat heeft de Heere Jezus dat goed gezien toen Hij zei, dat
deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen zijn, maar aan de
kinderen geopenbaard. Ja, zalig is hij, die niet gezien heeft en
nochtans gelooft.
Ook de Kerk hoeft zich er niet voor te schamen, dat zij er lang mee
geworsteld heeft, voordat zij uiteindelijk woorden vond, om over de
Drieëenheid te spreken. We mogen dankbaar zijn, dat iemand als
bisschop Athanasius (ondanks fel verzet van zijn tegenstanders) zich
niet heeft laten weerhouden om in de belijdenis de
Drieënigheid
van God zo treffend te verwoorden.
U moet hem eens opzoeken. Na de twaalf artikelen en de belijdenis van
Nicéa staat die van hem afgedrukt in je Bijbeltje. Toen ik
in
mijn studententijd deze belijdenis voor het eerst wat met meer aandacht
ging doorlezen, leek het mij meer een repeterende breuk dan een
belijdenis.
Alleen al vanwege de lengte kun je deze nauwelijks gebruiken in de
eredienst. Hij komt eenzijdig over, bepaald eentonig; wellicht al te
simpel. Alsof Athaniasius iemand is, die niet goed uit zijn woorden
komt en tien insteken nodig heeft om te zeggen wat hij te zeggen heeft.
Toch doen we deze kerkvader daarmee tekort. Het gaf eerder aan, dat ik
toen nog niet besefte, hoe onuitsprekelijk de Heere God wel niet is in
Zijn Wezen. Heilige verlegenheid is op zijn plaats, als stamelend mens
voor Gods aangezicht.
Ik mag God belijden met woorden die Hij mij Zelf aanreikt. Met woorden
die de Kerk van alle tijden mij aanreikt. Een belijdenis, waarvan ik de
uitwerking ga ervaren in mijn eigen leven:
Wij geloven in één God.
De almachtige, Schepper van hemel
en aarde.
En wij geloven in Jezus
Christus, Zijn eniggeboren Zoon.
En wij geloven in de
Heilige Geest.
Sommigen menen, dat elk van de drie Personen
éénderde deel van God uitmaakt.
Athanasius zet daar een duidelijk nee tegenover. De Vader, de Zoon, en
de Heilige Geest zijn elk voor Zich volkomen God. Er is geen scheiding.
Maar er is wel onderscheid. Ze zijn niet onderling vermengd, maar ze
zijn ook niet gedeeld. God is wel één, maar Hij
laat Zich
kennen in het meervoud.
Vele catecheten en docenten (ik hoor daar ook bij) hebben met
voorbeelden geprobeerd de catechisanten duidelijk te maken hoe je nu
over de Drieënigheid kunt spreken, zonder verweten te worden
dat
je in drie goden gelooft.
Augustinus probeerde de Drieënigheid uit te leggen met het
voorbeeld van een mens die geleid wordt door zijn herinnering, verstand
en wil. Een ander voorbeeld is de mens, die bestaat uit lichaam, ziel
en geest.
Weer anderen gebruiken het voorbeeld van de Nederlandse vlag:
één doek met drie kleuren. Een vierde voorbeeld
is
ontleend aan de natuur: water. Onder het vriespunt is water vast, boven
het vriespunt vloeibaar en boven het kookpunt vluchtig. Eén
materie, maar in de drie gestalten van ijs, water en damp. Een vijfde
voorbeeld: de zon – ze geeft warmte, licht, leven.
Maar hoe aardig ook gevonden, al deze voorbeelden blijven gebrekkig. Op
één of ander manier kunnen ze ons niet overtuigen
van het
mysterie van Gods Wezen in Zijn Drieënigheid. Eén
wezen,
drie personen.
Willen wij tóch dat onderscheid in God zoeken, dan kunnen we
ons
het beste laten leiden door te letten op het onderscheid in bepaalde
eigenschappen van God. Eigenschappen, kenmerken, de eigen aard in God,
die niet onderling uitwisselbaar zijn.
De Bijbel spreekt bijzonder spaarzaam over Gods Wezen. Maar veel
spreekt de Schrift van Gods werk. En in dat werk maakt God Zich op drie
verschillende manieren aan ons bekend. We vinden dit onderscheid heel
fraai terug in het Doopformulier, waar we datzelfde onderscheid
terugvinden. Onze laatste gedachte bepaald ons tenslotte bij:
De
bijzondere werkingen
1. God de Vader
wordt als eerste
genoemd. Hij is (zegt de Nederlandse Geloofsbelijdenis) de oorzaak, de
oorsprong en het begin van alle dingen. Het eigene, het eigen aardige
van de Vader is, dat Hij ongeboren is. Zonder begin, zonder einde.
Onbegrijpelijk voor mensen zoals wij, wiens leven door de tijd
afgebakend wordt. God de Vader, zo schrijft Paulus aan de gemeente van
Efeze, is “één God en Vader van allen,
Die daar is
boven allen, en door allen, en in allen.” (Efeze 4:6).
De Vader is het, Die “betuigt en verzegelt, dat Hij met ons
een
eeuwig genadeverbond opricht. Die ons tot Zijn minderen en erfgenamen
aanneemt.” De Vader is het, uit Wie alle dingen zijn. Uit Wie
alle geslacht in hemel en op aarde genoemd wordt. Die alles werkt naar
de Raad van Zijn wil.
Samengevat, is het bijzondere werk van God de Vader, dat Hij Zich een
volk ten eeuwigen leven heeft verkozen.
2. God de Zoon is het Woord, de kracht Gods, de wijsheid Gods, het
uitgedrukte beeld van de Vader. “En het Woord is vlees
geworden
en heeft onder ons gewoond, en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd,
een heerlijkheid als van de eniggeborene van de Vader, vol van genade
en waarheid.”
Hij verzegelt ons, dat Hij ons wast in Zijn bloed van al onze zonden.
Hij neemt ons op in de gemeenschap van Sein dood, waardoor de oude Adam
kan afsterven. En Hij lijft ons in, in de wederopstanding, zodat wij
van al onze zonden bevrijd worden. En Zodat wij voor God de vader
rechtvaardig gerekend worden.
De Zoon is de Verlosser, de Middelaar der Zaligheid, Die vlees is
geworden en onder ons Zijn tabernakel heeft opgeslagen. Die Zichzelf
vernietigd heeft en als Borg van een beter Verbond heeft Hij de wereld
met God verzoend. Samengevat, is het bijzondere werk van de Zoon, dat
Hij een gemeente gekocht heeft met Zijn eigen bloed.
3. God de Heilige Geest is de eeuwige kracht en mogenheid, die van de
Vader en de Zoon uitgaat. Hij is “de Geest der waarheid, Die
de
wereld niet kan ontvangen; want zij ziet hem niet, en kent Hem niet;
maar wij kennen hem; want Hij blijft bij ons, en zal in ons
zijn.”
Hij is “de Geest der Waarheid, die van de Vader uitgaat, en
die
van de Zoon zal getuigen, en de Zoon zal verheerlijken”. Het
is
de Heilige Geest Die ons in het bijzonder ervan verzekert, dat Hij in
ons wil wonen, en Die ons de gaven, die wij in Christus hebben, leert
toeëigenen, namelijk de afwassing van onze zonden en de
dagelijkse
vernieuwing van ons leven.
De Heilige Geest is het, Die ons wederbaart. Die het geloof schenkt,
ons vernieuwt, de liefde van God in ons hart uitstort en ons heiligt.
Samengevat, is het bijzondere werk van de Geest, dat Hij de verkorenen
van de Vader en de gekochten van de Zoon vergadert tot een gemeente uit
het gehele menselijke geslacht.
Vader, Zoon en Heilige Geest zijn alle Drie op Hun eigen manier
werkzaam met ons.
De
Vader boven ons.
De Zoon
vóór ons.
En de Geest ín
ons.
Maar daarbij is de Vader nier méér God dan de
Zoon, en de
Zoon niet méér God dan de Heilige Geest, noch ook
zijn de
Zoon en de Heilige Geest minder God dan de Vader. De Vader doet niets
zonder de Zoon en de Geest. En zo ook niet de Zoon, zonder de Vader en
de Geest. En ook doet de Geest niets buiten de Vader en de Zoon om.
Ieder Persoon bezit het hele Wezen met alle deugden de volmaaktheden.
De onveranderlijke Godheid van deze Heilige Drieënigheid is
één van Wezen, ongedeeld in de werken, eensgezind
van
wil, gelijk van macht en gelijk in heerlijkheid. Daarbij krijgt iedere
Persoon van God ook een eigen Naam. De Vader is geen vlees geworden. En
de Geest wordt niet gekruisigd. De één is niet de
ander.
Tezamen werken zij aan de schepping, aan de verlossing en aan de
heiligmaking. Dat, gemeente, is in drie woorden de samenvatting van
heel de Bijbel. Dat wonderlijke boek, dat spreekt van die wondere God,
en op een bijzondere manier is opgetekend door de eeuwen heen, spreekt
van niets anders dan dit bijzondere werk van de Vader, de Zoon en de
Geest.
Wie gelooft in de schepping, de verlossing en de heiligmaking, gelooft
evenzeer in de Schepper, de Verlosser en de Heiligmaker. In Vader, Zoon
en Geest. In Begin, Wijsheid en Kracht.
Gemeente, de Drieënigheid is en blijft een mysterie, een
geheimenis. En dit geheimenis blíjft een mysterie. Mag ik
het u
en jou nog één keer op het hart binden: Laat het
een
geheimenis blijven, zolang al je leeft. Maar tegelijk zeg ik: zonder
dit mysterie kan ik niet leven en niet sterven.
Ik aanbid de éne God, in Zijn drievoudige werk van
Schepping, Verlossing en Vernieuwing.
De Bijbel vermeldt het.
De geschiedenis vertelt
het.
En ons hart gelooft het,
met ondervinding.
Daarom belijden wij, zekerder dan zeker en vaster dan vast, dat deze
drieënige God voor ons is een God van volkomen zaligheid. Van
deze
Drieënige God belijdt de Kerk, dat zij gelijke eer waardig
zijn.
En dan zal het ons niet moeilijk vallen, om ze gelijke eer te geven.
Zowel de Vader, als de Zoon, als de Heilige Geest.



















