Vrijheid van onderwijs


Lees de BijbelDe Bijbel is niet een boek wat je zomaar even van kaft tot kaft leest. Het kan lastig zijn om je weg door de Bijbel te vinden, als je niet weet wat zich wanneer heeft afgespeeld. Deze site kan je helpen om de Bijbel beter te leren kennen. Ontdek de bron van vrede, het Woord van God: 


Artikel 23 van de grondwet 

Het onderwijs in Nederland is vrij. Ouders hebben de keuze of hun kind openbaar onderwijs volgt, of bijzonder onderwijs gebaseerd op een religie of levensbeschouwing. Beide ontvangen geld van de overheid.



Dit artikel luidt als volgt:

1. Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.

2. Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en, voor wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en ander bij de wet te regelen.

3. Het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging, bij de wet geregeld.

4. In elke gemeente wordt van overheidswege voldoend openbaar algemeen vormend lager onderwijs gegeven in een genoegzaam aantal openbare scholen. Volgens bij de wet te stellen regels kan afwijking van deze bepaling worden toegelaten, mits tot het ontvangen van zodanig onderwijs gelegenheid wordt gegeven, al dan niet in een openbare school.

5. De eisen van deugdelijkheid, aan het geheel of ten dele uit de openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen, worden bij de wet geregeld, met inachtneming, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting.
6.Deze eisen worden voor het algemeen vormend lager onderwijs zodanig geregeld, dat de deugdelijkheid van het geheel uit de openbare kas bekostigd bijzonder onderwijs en van het openbaar onderwijs even afdoende wordt gewaarborgd. Bij die regeling wordt met name de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende de keuze der leermiddelen en de aanstelling der onderwijzers geëerbiedigd.

7. Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd. De wet stelt de voorwaarden vast, waarop voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs bijdragen uit de openbare kas worden verleend.
8.De regering doet jaarlijks van de staat van het onderwijs verslag aan de Staten-Generaal.

Wat zijn Bijzondere scholen

Bijzondere scholen worden bestuurd door een vereniging of stichting. Ouders zitten vaak zelf in het bestuur van de school. De meeste bijzondere scholen zijn gebaseerd op een religie of levensbeschouwing. Dit betekent ook dat het bestuur eisen kan stellen aan de toelating van een leerling. Voorbeelden van bijzonder onderwijs zijn: rooms-katholiek, protestants-christelijk, joods, hindoeïstisch, islamitisch en antroposofisch onderwijs. De scholen mogen leermiddelen gebruiken die bij hun richting passen.

Wat is Openbaar onderwijs Op openbare scholen wordt het onderwijs niet gegeven vanuit één bepaalde godsdienst of levensovertuiging. Daarnaast is het openbaar onderwijs voor iedereen toegankelijk. Openbare scholen worden meestal bestuurd door het gemeentebestuur, door een door de gemeente ingestelde bestuurscommissie of door een door de gemeente ingestelde stichting.
Over vrijheid van onderwijs Een van de kenmerken van het Nederlandse onderwijsstelsel is de vrijheid van onderwijs. De grondwettelijke erkenning van de vrijheid van onderwijs gaat terug tot 1848. In de Grondwet is geregeld dat het openbaar en bijzonder onderwijs financieel gelijk zijn gesteld. Het is toegestaan een school op te richten en onderwijs te geven gebaseerd op een godsdienst of levensbeschouwing. Scholen die geld ontvangen van de rijksoverheid moeten wel aan bepaalde voorwaarden voldoen. Een school moet bijvoorbeeld een minimaal aantal leerlingen hebben.

De schoolstrijd(1806-1917)
     
Na de Franse tijd (1795-1815) veranderde er veel in de Nederlandse wetgeving. In het begin van de 19e eeuw kwamen er verschillende grondwetten en wetten op het onderwijs. Voor het ontstaan van de schoolstrijd is de wet uit 1806 het belangrijkst. In deze wet stond:

onderwijs is openbaar
orthodox christelijk onderwijs of katholiek onderwijs was onmogelijk.
Het oprichten van kerkelijk gebonden scholen was niet toegestaan
De scholen moesten met geld dat ouders betaalden worden gefinancierd
geen leerplicht

Dit betekende niet dat de godsdienst helemaal uit het onderwijs verdween er stond namelijk ook dat kinderen moesten worden opgeleid tot ‘alle christelijke en maatschappelijke deugden’ maar de religie mocht niet teveel nadruk krijgen. Dit werd in praktijk gebracht door een milde vorm van protestants onderwijs te geven. Maar dit ging voor veel protestanten niet ver genoeg. Ze wilden een veel religieuzere vorm van onderwijs en probeerden dit te bereiken onder leiding van de antirevolutionaire Groen van Prinsterer. In de loop van de 19e eeuw pleitten zij steeds vaker voor ‘bijzondere’ scholen naast openbare scholen.

In 1848 werden vrijheid van vereniging en vrijheid van onderwijs vastgelegd in de grondwet. Herziening van de schoolwet was nodig want confessionelen wilden verenigingen voor confessioneel onderwijs stichten en dat was volgens de schoolwet van 1806 niet mogelijk. De nieuwe wet legde de vrijheid van onderwijs vast, maar was verder niet gunstig voor het bijzonder onderwijs.

De vrijheid van onderwijs hield niet in dat de overheid ook het bijzonder onderwijs ging betalen. Daardoor kon het bijzonder onderwijs (confessionele scholen) alleen bestaan door de ouders schoolgeld te laten betalen. Het betalen van schoolgeld op openbare scholen werd niet als verplicht ingesteld. Confessionele scholen zaten daardoor in een ongunstige concurrentiepositie tegenover de openbare scholen. Het openbaar onderwijs werd betaald door de gemeenten.

Door de schoolwet van 1878 kregen zij met steeds hogere kosten te maken. Om deze gemeenten tegemoet te komen nam de rijksoverheid een deel (30%) van deze kosten over maar dan moesten de scholen zich strikt houden aan de regel dat het onderwijs een Christelijk karakter moest hebben.Het bijzonder onderwijs moest wel alles zelf betalen. De confessionelen hadden door de schoolwet van 1878 wel de vrijheid om scholen te stichten, maar zij moesten dan wel zelf de door de overheid opgelegde kosten betalen. Ouders die hun kinderen naar een confessionele school wilden sturen, moesten dus veel schoolgeld betalen, terwijl het openbaar onderwijs gratis was. Hierdoor verhevigde de schoolstrijd, omdat de orthodox-protestanten en de katholieken vonden dat de overheid ook het bijzonder onderwijs moest gaan betalen. Tegenstanders waren de liberalen en de socialisten, zij vonden dat de overheid alleen voor het openbaar onderwijs moest zorgen.  

In 1889 geeft de overheid het bijzonder onderwijs subsidie, maar het bijzonder onderwijs bleef wel duurder dan het openbaar onderwijs. Niet alle ouders konden dat betalen.

Het einde van de schoolstrijd

Aan de schoolstrijd kwam een einde toen in 1917 een financiële gelijkstelling werd bereikt. Nu kregen de scholen dus allemaal een vergoeding. Deze regel werd vastgelegd in artikel 23 van de grondwet.  De rol van de overheid in het onderwijs in de 19e eeuw in Nederland hield dus in dat de overheid wetten vaststelde voor het onderwijs. De overheid betaalde wel het openbaar onderwijs, maar niet het bijzonder (confessionele) onderwijs.

De schoolstrijd ontstond omdat de orthodox-protestanten en de katholieken vonden dat de overheid ook het bijzonder onderwijs moest gaan betalen. De liberalen en de socialisten waren het daar niet mee eens. Uiteindelijk gaf de overheid speciaal onderwijs subsidie, maar het speciaal onderwijs bleef wel duurder dan openbaar onderwijs.

naar top van deze pagina  

mail holyhome