
Het
Evangelie van Thomas werd in 1945 samen met 51 andere handschriften
gevonden door de Arabische boer Muhammed Ali al-Samman in een kruik
nabij het Egyptische plaatsje Nag Hammadi, aan de voet van het
Jabal-al-Tarif-massief. Het Evangelie van Thomas wordt gezien als een
van de belangrijkste handschriftenvondsten uit de twintigste eeuw en
werpt een volstrekt ander licht op Jezus dan ons door de orthodoxie
wordt voorgehouden. Het overgrote deel van de uitspraken wordt
geplaatst rond het jaar 50 na Chr. en wordt onafhankelijk geacht van de
erkende Evangelien
0 Dit zijn de verborgen woorden die Jezus, de levende, sprak en die Didymus Judas
Thomas heeft opgeschreven.
1 En hij zei: Wie de betekenis van deze woorden vindt, zal de dood niet smaken.
2 Jezus zei: Laat hij die zoekt niet ophouden te zoeken totdat hij vindt. En als hij
vindt, zal hij verward zijn en als hij verward is, zal hij zich verwonderen. En als hij zich
verwonderd heeft, zal hij overal boven staan en tot rust komen.
3 Jezus zei: Als zij, die u trachten mee te slepen, tot u zeggen: ‘Zie, het Koninkrijk is
boven de aarde’, dan zullen de vogels u vóór zijn. Als ze tot u zeggen: ‘Het is onder
de aarde’, dan zullen de vissen in de zee u voorgaan.
Maar het Koninkrijk is binnen in u en het is in uw zien. Wie zichzelf kennen, zullen
het vinden; wie zichzelf kennen, zullen weten dat zij zonen zijn van de Levende
Vader. Maar als u zichzelf niet zult kennen, dan leeft u in armoede en bent u die
armoede.
4 Jezus zei: Een wijze man zal niet aarzelen een klein kind van zeven dagen te
vragen naar de plaats van het leven, en hij zal leven. Want vele eersten zullen
laatsten worden en laatsten worden eersten en ze zullen eenling worden.
5 Jezus zei: Ken wat je voor je ziet en wat voor je verborgen is, zal aan je worden
geopenbaard. Want er is niets dat verborgen is, wat niet geopenbaard zal worden.
6 Zijn leerlingen vroegen hem en zeiden tot hem: Wilt U dat wij vasten? En hoe
moeten we bidden? Moeten we aalmoezen geven? En van welk voedsel moeten we
ons onthouden?
Jezus zei: Vertel geen leugens en doe niet wat je haat, want alles zal aan het
daglicht treden. Niets is verborgen, dat niet openbaar zal worden en niets zal bedekt
blijven zonder ontsluierd te worden.
7 Jezus zei: Gelukkig is de leeuw die door de mens wordt gegeten, en de leeuw
wordt die mens. En vervloekt is de mens die door de leeuw wordt gegeten, en de
leeuw zal die mens worden.
8 En hij zei: De mens is als een wijze visser, die zijn net uitwierp in de zee. Toen hij
het ophaalde, zat het vol kleine vissen. Tussen deze ontdekte de wijze visser een
grote, goede vis. Hij wierp alle kleine vissen terug in de zee en koos zonder moeite
de grote vis. Wie oren heeft om te horen, hij luistere.
9 Jezus zei: Zie, de zaaier kwam naar buiten, vulde zijn hand en wierp. Een
gedeelte viel op de weg, de vogels kwamen en verzamelden het. Een ander deel
viel op de rots, schoot geen wortel in de aarde en zond geen aren op ten hemel. Een
ander deel viel op doornen. Ze verstikten het zaad en de wormen aten het op. Een
ander deel viel op goede aarde en die bracht goede vrucht voort. Het droeg 60 per
maat en 120 per maat.
10 Jezus zei: ik heb vuur op de wereld geworpen, en zie, ik waak erover tot zij
brandt.
11 Jezus zei: Deze hemel zal voorbijgaan en die daarboven zal voorbijgaan; wie
dood zijn, leven niet en wie leven, zullen niet sterven. De dagen dat jullie aten wat
dood is, maakten jullie het levend; wanneer jullie in het licht zouden staan, wat
zouden jullie dan doen? Op de dag dat jullie één waren, werden jullie twee; wanneer
jullie twee zouden zijn, wat zouden jullie dan doen?
12 De leerlingen zeiden tot Jezus: We weten dat U van ons weg zult gaan. Wie zal
dan groot zijn over ons?
Jezus zei tot hen: Waar jullie gekomen zijn, zullen jullie gaan naar Jacobus de
Rechtvaardige, om wille van wie hemel en aarde zijn ontstaan.
13a Jezus zei tot zijn discipelen: Vergelijk me en zeg me op wie ik lijk.
Simon Petrus zei tot hem: U lijkt op een rechtvaardige engel.
Mattheus zei tot hem: U lijkt op een wijze filosoof.
Thomas zei tot hem: Meester, mijn mond is niet in staat te zeggen op wie U lijkt.
Jezus zei: Ik ben jullie meester niet. Omdat jullie gedronken hebben, zijn jullie
dronken geworden van de borrelende bron die ik heb toegemeten.
13b En hij nam hem mee, hij trok zich terug, en sprak tot hem drie woorden.
Toen Thomas echter terugkwam bij zijn metgezellen, vroegen zij hem: Wat heeft
Jezus tegen je gezegd?
Thomas zei tot hen: Als ik tegen jullie één van de woorden zeg die hij tegen mij
gezegd heeft, zullen jullie stenen nemen en naar me gooien en vuur zal uit de stenen
komen en jullie verbranden.
14 Jezus zei tot hen: Als jullie vasten, zullen jullie zonde voor jezelf voortbrengen;
als jullie bidden, zullen jullie worden veroordeeld; als jullie aalmoezen geven, zullen
jullie je geest schaden; als jullie naar een land gaan en door de streken lopen, en
wanneer men jullie ontvangt, eet dan wat jullie wordt voorgezet en genees de zieken
onder hen, want wat jullie mond ingaat, zal jullie niet verontreinigen. Maar dat, wat
jullie mond uitgaat, zal jullie verontreinigen.
15 Jezus zei: Wanneer jullie hem zien die niet uit een vrouw geboren is, werp je dan
op je aangezicht ter aarde en vereer hem - Híj is jullie Vader.
16 Jezus zei: Misschien denken de mensen dat ik gekomen ben om vrede op de
wereld te brengen en weten ze niet dat ik gekomen ben om verdeeldheid te zaaien
op aarde - vuur, zwaard en oorlog. Want er zullen er vijf in een huis zijn, drie zullen
zijn tegen twee en twee tegen drie; de vader tegen de zoon en de zoon tegen de
vader en zij zullen staan als eenlingen.
17 Jezus zei: Ik zal jullie geven wat het oog niet heeft gezien, wat het oor niet heeft
gehoord, wat de hand niet heeft aangeraakt en wat niet is opgekomen in de
gedachten van de mens.
18 De discipelen zeiden tot Jezus: Vertel ons, hoe zal ons einde zijn?
Jezus zei: Hebben jullie het begin ontdekt, dat jullie zoeken naar het einde? Want
daar waar het begin is, daar zal het einde zijn. Gezegend hij die staat in het begin, hij
zal het einde kennen en de dood niet smaken.
19 Jezus zei: Gezegend is hij die was vanaf het begin, voordat hij tot bestaan kwam.
Als jullie mijn leerlingen worden en naar mijn woorden luisteren, dan zullen deze
stenen jullie dienaren worden. Want jullie hebben vijf bomen in het paradijs die niet
bewegen in zomer en winter, en hun bladeren vallen niet af. Hij die ze kent, zal de
dood niet smaken.
20 De discipelen zeiden tot Jezus: Vertel ons, waarop lijkt het Koninkrijk der
Hemelen?
Hij zei tot hen: Het is gelijk een mosterdzaadje, kleiner dan alle zaden. Maar
wanneer het op aarde valt die men bewerkt heeft, komen er grote takken uit voort
die tot schuilplaats dienen voor de vogels in de lucht.
21 Maria zei tot Jezus: Op wie lijken Uw leerlingen?
Hij zei: Zij lijken op kleine kinderen die wonen op een stuk land dat niet van hen is.
De heren van het land zullen komen en zeggen: Geef ons ons land terug. Zij
ontkleden zich naakt in hun aanwezigheid om het hen terug te geven en ze geven
hen het land. Daarom zeg ik: Als de Heer des huizes weet dat de dief komt, zal hij
waakzaam zijn voordat hij komt en niet toestaan dat hij binnendringt in het huis van
zijn Koninkrijk om zijn goederen mee te nemen. Jullie echter, wees waakzaam vanaf
het begin van de wereld. Omgord je lendenen met grote kracht opdat de dieven geen
weg vinden om tot jullie te komen. Want zij zullen de nodenleniging waar jullie naar
uitzien, weten te herkennen. Moge er onder jullie een begrijpend mens zijn. Toen de
vrucht openbarstte, kwam hij haastig, de sikkel in de hand en oogstte haar. Wie oren
heeft om te horen, die hore.
22 Jezus zag kleine kinderen die gezoogd werden. Hij zei tot zijn discipelen: Deze
kleine kinderen die gezoogd worden zijn als hen die het Koninkrijk binnengaan.
Zij zeiden tot Hem: Zullen we het Koninkrijk binnengaan als we kleine kinderen zijn?
Jezus zei tot hen: Als jullie de twee tot één maken, en als jullie de binnenkant maken
als de buitenkant en de buitenkant als de binnenkant, en de bovenkant als de
onderkant, en wanneer jullie het mannelijke en het vrouwelijke één maken, zodat het
mannelijke niet langer mannelijk is en het vrouwelijke niet vrouwelijk. Wanneer jullie
ogen maken in de plaats van een oog en een hand in de plaats van een hand, en
een voet in de plaats van een voet, en een beeld in de plaats van een beeld, dan
zullen jullie het Koninkrijk binnengaan.
23 Jezus zei: Ik zal jullie kiezen, één uit duizend en twee uit tienduizend en zij zullen
staan als eenling.
24 Zijn discipelen zeiden: Toon ons de plaats waar U bent, want het is noodzakelijk
voor ons die te zoeken.
Hij zei tot hen: Wie oren heeft, die hore. Er is licht in een mens van licht en hij
verlicht de hele wereld. Wanneer hij geen licht wordt, is hij duisternis.
25 Jezus zei: Hou van je broeder als van je eigen ziel. Hoed hem als de pupil van je
oog.
26 Jezus zei: De splinter in het oog van je broeder zie je, maar de balk in je eigen
oog zie je niet. Wanneer je de balk uit je eigen oog wegwerpt, dan zul je duidelijk
zien, zodat je de splinter uit het oog van je broeder kunt verwijderen.
27 Jezus zei: Als jullie niet vasten ten aanzien van de wereld, zullen jullie het
Koninkrijk van God niet vinden en als jullie de sabbat niet als sabbat vieren, zullen
jullie de Vader niet zien.
28 Jezus zei: Ik stond midden in de wereld en verscheen lichamelijk voor hen. Ik
vond allen dronken en vond niemand onder hen dorstig en mijn ziel lijdt pijn om de
zonen van de mensen omdat ze blind zijn in hun hart en niet zien, want ze zijn leeg
in de wereld gekomen en willen die ook leeg weer verlaten. Maar nu zijn ze dronken.
Wanneer ze hun wijn afgeschud hebben zullen ze berouw hebben.
29 Jezus zei: Als het lichaam ontstaan is vanwege de geest, dan is dat een wonder.
Maar als de geest is ontstaan vanwege het lichaam, dan is dat een wonderlijk
wonder. Maar ik verbaas mij erover hoe deze grote rijkdom is geplaatst in deze
armoede.
30 Jezus zei: Waar drie goden zijn, zijn zij goden. Waar er twee zijn of één, ben ik
met hem.
31 Jezus zei: Een profeet is in zijn eigen land niet welkom en een geneesheer
bewerkt geen genezing bij hen die hem kennen.
32 Jezus zei: Een stad gebouwd op de top van een hoge berg en versterkt, kan niet
vallen en ook niet worden verborgen.
33 Jezus zei: Wat je hoort met je oor in het andere oor, predik dat van de daken.
Niemand brandt een lamp en plaatst hem onder de korenmaat, noch plaatst hij hem
op een verborgen plek. Maar hij zet hem op een standaard, zodat iedereen die
binnenkomt en uitgaat, zijn licht kan zien.
34 Jezus zei: Wanneer een blinde een blinde leidt, vallen beiden in een put.
35 Jezus zei: Niemand kan binnendringen in het huis van de sterke en hem
overweldigen, tenzij hij zijn handen bindt. Dan zal hij zijn huis plunderen.
36 Jezus zei: Maak je geen zorgen van de ochtend tot de avond en van de avond
tot de morgen over hoe je je zult kleden.
37 Zijn leerlingen zeiden tot hem: Wanneer zult u zichtbaar zijn voor ons en
wanneer zullen we u zien?
Hij zei: Wanneer jullie je kleren afleggen zonder schaamte en ze op de grond leggen
en met de voeten betreden zoals kleine kinderen, dan zullen jullie de zoon van de
levende zien en zullen jullie niet bang zijn.
38 Jezus zei: Vele malen hebben jullie gewenst de woorden te horen die ik tot jullie
spreek, en jullie hebben niemand anders om ze van te horen. Er zullen dagen komen
dat jullie me zullen zoeken en mij niet zullen vinden.
39 Jezus zei: De Farizeeërs en schriftgeleerden hebben de sleutels der kennis
genomen en verborgen. Zij zijn niet binnengegaan en hen, die wensten binnen te
gaan, lieten zij niet toe. Jullie echter, wordt verstandig als de slangen en argeloos als
de duiven.
40 Jezus zei: Een wijnstok werd geplant buiten de Vader en niet verstevigd. Hij zal
aan zijn wortels uitgetrokken en vernietigd worden.
41 Jezus zei: Aan wie heeft, zal gegeven worden, en van hem die niet heeft, zal het
weinige dat hij heeft, afgenomen worden.
42 Jezus zei: Kom tot zijn terwijl je voorbijgaat.
43 Zijn leerlingen zeiden tot hem: Wie bent u dat u deze dingen tot ons zegt?
(Hij zei:) Uit de dingen die ik tot jullie spreek, beseffen jullie niet wie ik ben. Maar
jullie zijn geworden als de Judeeërs, want zij houden van de boom en haten zijn
vruchten, en zij houden van de vruchten terwijl ze de boom haten.
44 Jezus zei: Wie de Vader belastert, hem zal worden vergeven, en wie de Zoon
belastert, hem zal worden vergeven. Maar wie de Heilige Geest belastert, hem zal
niet worden vergeven, op aarde noch in de hemel.
45 Jezus zei: Er worden geen druiven geoogst van doornstruiken, noch worden
vijgen geoogst van distels, want deze brengen geen vrucht voort. Een goed mens
brengt goede dingen voort uit zijn schatkamer; een slecht mens brengt slechte
dingen voort uit zijn slechte schatkamer, die in zijn geest is, en hij spreekt kwaad,
want uit de overvloed van zijn geest brengt hij kwaad voort.
46 Jezus zei: Van Adam tot Johannes de Doper is er onder hen die uit vrouwen
geboren zijn, niemand zo uitgestegen boven Johannes de Doper, dat hij zijn ogen
niet hoeft neer te slaan voor hem. Maar ik heb dit gezegd: Wie van jullie wordt als
een klein kind, hij zal het Koninkrijk kennen en uitstijgen boven Johannes.
47 Jezus zei: Het is onmogelijk voor een man om twee paarden te beklimmen of
twee bogen te spannen, en het is onmogelijk voor een dienaar om twee heren te
dienen, anders zal hij de een eren en de ander minachten. Niemand drinkt oude wijn
en verlangt onmiddellijk nieuwe wijn te drinken. En men giet geen nieuwe wijn in
oude zakken zodat ze niet barsten. En men giet geen oude wijn in nieuwe zakken die
hem zouden bederven. Men naait geen oude lappen op nieuwe kleren omdat er
anders een scheur zou ontstaan.
48 Jezus zei: Wanneer er twee vrede sluiten in dit ene huis, dan zullen ze tot de
berg zeggen: ‘Verplaats u’, en hij zal zich verplaatsen.
49 Jezus zei: Gezegend zijn de eenlingen en de uitverkorenen, want jullie zullen het
Koninkrijk vinden, want jullie komen er vandaan en zullen er opnieuw naar
terugkeren.
50 Jezus zei: Wanneer ze tot jullie zeggen: Waaruit is jullie bestaan ontsproten?,
zeg dan tot hen: Wij zijn gekomen uit het licht, daar waar het licht uit zichzelf
ontstaan is. Het bestond en openbaarde zich in hun beeld. Wanneer ze tot jullie
zeggen: Zijn jullie dat?, zeg dan: Wij zijn de zonen ervan en de uitverkorenen van de
levende Vader. Wanneer ze jullie vragen: Wat is het teken van de Vader in jullie?,
zeg dan: Het is beweging en rust.
51 Zijn leerlingen zeiden tot hem: Op welke dag zullen de doden tot rust komen? En
op welke dag komt de nieuwe wereld?
Hij zei tot hen: Waar jullie naar uitkijken is reeds gekomen, maar jullie zien het niet.
52 Zijn leerlingen zeiden tot hem: 24 profeten hebben in Israël gesproken en allen
spraken in U.
Hij zei tot hen: Jullie hebben hem die leeft in jullie aanwezigheid verlaten en
gesproken over de doden.
53 Zijn leerlingen zeiden tot hem: Is besnijdenis heilzaam voor ons?
Hij zei tot hen: Als het heilzaam was, zou hun Vader hen besneden geboren laten
worden uit hun moeder. Maar de ware besnijdenis in de Geest, die is zinvol in ieder
opzicht.
54 Jezus zei: Gelukkig de armen, want van hen is het Koninkrijk der Hemelen.
55 Jezus zei: Wie zijn vader en zijn moeder niet haat, kan geen leerling van mij
worden. En wie zijn broeders en zusters niet haat, en zijn kruis opneemt op mijn
wijze, zal mij niet waardig zijn.
56 Jezus zei: Wie de wereld heeft leren kennen, heeft een lijk gevonden en wie een
lijk heeft gevonden, hem is de wereld niet waardig.
57 Jezus zei: Het Koninkrijk van de Vader is als een man die goed had gezaaid. Zijn
vijand kwam in de nacht, hij zaaide onkruid over het goede zaad. De man stond zijn
werkers niet toe het onkruid uit te trekken. Hij zei tot hen: Als jullie uitgaan om het
onkruid uit te trekken, trekken jullie het graan er mee uit. Want op de dag van de
oogst zal het onkruid zichtbaar zijn; men zal het uittrekken en verbranden.
58 Jezus zei: Gelukkig de man die geleden heeft, hij heeft het leven gevonden.
59 Jezus zei: Zie op naar de Levende terwijl u leeft, opdat jullie niet de kracht
ontbreekt om hem te vinden wanneer jullie sterven.
60 Zij zagen een Samaritaan die een lam meedroeg op zijn weg naar Judea.
Hij zei tot zijn leerlingen: Die man omringt het lam.
Zij zeiden: Opdat hij het kan doden en opeten.
Hij zei tot hen: Zolang het leeft, zal hij het niet eten, maar pas als hij het zou doden
en het een lijk was geworden.
Zij zeiden: Anders kan hij het niet doen.
Hij zei tot hen: Zoeken jullie ook voor jezelf een plek van rust, zodat jullie geen lijken
worden en worden opgegeten.
61a Jezus zei: Er zijn er twee die rusten op een bank, de een zal sterven, de ander
zal leven.
61b Salome zei: Wie ben jij, man? Komend van de ene ben je op mijn bank
geklommen en heb je van mijn tafel gegeten.
Jezus zei tot haar: Ik ben hij die bestaat vanuit hem die heel is. Men gaf mij van dat
van mijn Vader.
(Salome:) Ik ben uw leerling.
(Jezus:) Daarom zeg ik: wanneer iemand heel zal zijn, zal hij vol licht zijn; wanneer
hij echter verdeeld zal zijn, zal hij vol duisternis zijn.
62 Jezus zei: Ik spreek over mijn geheimen tegen hen die mijn geheimen waardig
zijn. Wat jullie rechterzijde doet, laat jullie linkerzijde niet beseffen wat het is.
63 Jezus zei: Er was eens een rijk man die vele bezittingen had. Hij zei: Ik zal mijn
rijkdommen gebruiken om te zaaien, te maaien en te planten om mijn
voorraadschuur te vullen met de oogst, zodat ik aan niets gebrek zal lijden. Aldus
waren zijn gedachten, en in diezelfde nacht stierf hij. Wie oren heeft, laat hem horen.
64 Jezus zei: Een man had gasten en toen hij het diner had voorbereid, zond hij zijn
dienaar om de gasten uit te nodigen. Hij ging naar de eerste. Hij zei tot hem: Mijn
heer nodigt u uit. Hij antwoordde: Ik heb geld voor enkele kooplieden. Zij komen
vanavond naar me toe. Ik zal dingen bij hen bestellen. Ik verontschuldig mij voor het
diner. Hij ging naar een ander en zei tot hem: Mijn heer nodigt u uit. Hij antwoordde
hem: Ik heb een huis gekocht en zij vragen een dag tijd van mij, ik zal geen tijd
hebben. Hij kwam bij een volgende. Hij zei tot hem: Mijn heer nodigt u uit. Hij
antwoordde hem: Mijn vriend gaat trouwen en ik, die de maaltijd zal toebereiden, kan
niet komen. Ik verontschuldig me voor het diner. Hij ging naar een volgende en zei:
Mijn heer nodigt u uit. Hij antwoordde hem: Ik heb een landgoed gekocht, ik moet de
pacht ophalen. Ik kan niet komen, ik verontschuldig mij. De dienaar keerde terug en
sprak tot zijn heer: Zij, die u uitgenodigd had voor de maaltijd, hebben zich
verontschuldigd. De heer zei tot zijn dienaar: Ga naar buiten de straat op. Breng
allen die je aantreft mee om te dineren. Handelaren en kooplieden zullen de
plaatsen van mijn Vader niet betreden.
65 Hij zei: Een rechtvaardig man had een wijngaard. Hij gaf hem aan pachters opdat
zij erin zouden werken en hij de vruchten uit hun hand kon ontvangen. Hij zond zijn
dienaar opdat de pachters hem de vruchten van de wijngaard zouden geven. Zij
grepen de dienaar en sloegen hem en het scheelde niet veel of ze hadden hem
gedood. De dienaar ging heen en bracht verslag uit aan zijn heer. De heer sprak:
Misschien kende hij hen niet. Hij zond een andere dienaar. De pachters sloegen ook
hem. Toen zond de heer zijn zoon. Hij zei: Misschien zullen ze mijn zoon ontzien. De
pachters die daar waren grepen hem en doodden hem omdat zij wisten dat hij de
erfgenaam van de wijngaard was. Wie oren heeft, laat hem luisteren.
66 Jezus zei: Toon me de steen die de bouwlieden verworpen hebben. Het is de
hoeksteen.
67 Jezus zei: Hij die alles kent, maar gebrek heeft aan zelfkennis, heeft overal
gebrek aan.
68 Jezus zei: Jullie zijn gelukkig wanneer ze jullie haten en vervolgen. Ze zullen de
plaats, waarheen ze jullie vervolgd hebben, niet vinden.
69 Jezus zei: Gelukkig zijn zij die vervolgd zijn tot in hun hart. Zij die daar zijn,
hebben de Vader werkelijk leren kennen. Gelukkig zijn zij die hongerig zijn, de buik
van hem die verlangt zal worden verzadigd.
70 Jezus zei: Wanneer jullie datgene voortbrengen in jezelf, wat jullie hebben, zal
dat jullie redden. Als jullie het niet in je hebben, zal dat wat jullie niet in je hebben,
jullie doden.
71 Jezus zei: Ik zal dit huis verwoesten en niemand kan het ooit weer opbouwen.
72 Iemand zei tot hem: Spreek tot mijn broeders opdat zij de bezittingen van mijn
vader met mij delen.
Hij zei tot hem: O mens, wie heeft mij tot verdeler gemaakt?
Hij wendde zich tot zijn leerlingen en zei tot hen: Ik ben toch geen verdeler?
73 Jezus zei: De oogst is overvloedig, maar er zijn weinig arbeiders. Maar bidt de
heer dat hij arbeiders uitzendt naar de oogst.
74 Hij zei: Heer, velen staan rondom de drinkput, maar er is niets in de bron.
75 Jezus zei: Velen staan voor de deur, de eenlingen zullen het bruidsvertrek
binnengaan.
76 Jezus zei: Het Koninkrijk van de Vader is als een koopman die een lading
koopwaar had. Hij ontdekte een parel. De koopman was wijs, hij gaf de lading
koopwaar terug en kocht alleen die parel. Jullie, zoek ook naar zijn blijvende schat
die niet vergaat, waar geen mot komt om te eten en geen worm om te vernietigen.
77 Jezus zei: Ik ben het licht dat op alles schijnt. Ik ben het al, het al is uit mij
voortgekomen en het al heeft mij voortgebracht. Splijt een stuk hout, ik ben daar. Til
de steen op en jullie zullen mij vinden.
78 Jezus zei: Waarom zijn jullie naar de open vlakte gekomen? Om een riet te zien,
bewegend in de wind? En om een man te zien in kostbare kleren zoals jullie
koningen en machtigen? Zij hebben kostbare kleren aan en zij kunnen de waarheid
niet kennen.
79 Een vrouw uit de menigte zei tot hem: Gezegend de schoot die u droeg en de
borsten die u voedden.
Hij zei tot haar: Gezegend zijn zij die geluisterd hebben naar het woord van de
Vader, zij hebben er waarlijk zorg voor gedragen. Want er zullen dagen komen dat
jullie zeggen: Gezegend de schoot die niet ontvangen heeft en de borsten die geen
melk gegeven hebben.
80 Jezus zei: Wie de wereld heeft leren kennen, heeft het lichaam gevonden. Maar
wie het lichaam gevonden heeft, de wereld is hem niet waardig.
81 Jezus zei: Laat hem die rijk geworden is, koning worden en laat hem die kracht
heeft er afstand van doen.
82 Jezus zei: Wie dicht bij mij is, is dicht bij het vuur en wie ver van mij is, is ver van
het Koninkrijk.
83 Jezus zei: De beelden zijn geopenbaard aan de mens en het licht dat erin is, is
verborgen in het beeld van het licht van de Vader. Het zal openbaar worden en het
beeld ervan zal verborgen worden door het licht.
84 Jezus zei: Wanneer jullie je gelijkenis zien, verheugen jullie je. Wanneer jullie
echter jullie beelden zouden zien die voortkomen uit jullie oorsprong, die noch
sterven noch ontstaan, wat zouden jullie dan ondergaan?
85 Jezus zei: Adam is voortgekomen uit een grote kracht en een grote rijkdom en hij
werd jullie niet waardig. Want als [.....] waardig geweest, [.....] niet dood.
86 Jezus zei: [De vossen hebben hun holen] en de vogels hebben hun nesten, maar
de zoon des mensen heeft geen plaats om zijn hoofd neer te leggen en te rusten.
87 Jezus zei: ellendig is het lichaam dat afhankelijk is van een lichaam en ellendig is
de ziel die afhankelijk is van deze twee.
88 Jezus zei: De engelen komen naar jullie met de profeten en zij zullen jullie geven
wat jullie al hebben. En ook jullie zelf geven hen wat jullie hebben en jullie zullen je
afvragen: Wanneer zullen ze komen om te nemen wat hen toekomt?
89 Jezus zei: Waarom wassen jullie de buitenkant van de beker? Zien jullie niet in
dat wie de binnenkant schiep ook degene is die de buitenkant schiep?
90 Jezus zei: Komt tot mij, want mijn juk is weldadig en mijn heerschappij is mild, en
jullie zullen rust vinden voor jezelf.
91 Zij zeiden tot hem: Zeg ons wie u bent, opdat we in u kunnen geloven.
Hij zei tot hen: Jullie lezen het gezicht van de hemel en de aarde, en wat bij jullie
aanwezig is, kennen jullie niet, en dit gunstige ogenblik kunnen jullie niet lezen.
92 Jezus zei: Zoekt en jullie zullen vinden. Maar de dingen waarover jullie me in die
dagen vroegen, ik vertelde ze jullie niet in het toenmalige licht. Nu wil ik ze jullie
vertellen en jullie zoeken er niet naar.
93 Geef niet wat heilig is aan de honden, opdat ze het niet op de mesthoop werpen.
Gooi geen parels voor de zwijnen opdat zij ze niet [vertrappen].
94 [Jezus] zei: Hij die zoekt, zal vinden [en hem die klopt], zal worden open gedaan.
95 [Jezus zei:] Als jullie geld hebben, leen het dan niet uit tegen rente, maar geef
[het] aan hem van wie jullie het niet terugkrijgen.
96 Jezus zei: Het Koninkrijk van de Vader is vergelijkbaar met een vrouw die een
weinig zuurdesem nam. Ze verborg het in deeg en maakte er grote broden van. Wie
oren heeft, laat hem horen.
97 Jezus zei: Het Koninkrijk van de Vader is vergelijkbaar met een vrouw die een
kruik droeg, gevuld met meel. Terwijl ze over de weg liep, ver van huis, brak het oor
van de kruik. Het meel ledigde zichzelf achter haar op de weg. Ze merkte het niet op,
ze was zich van geen ongeluk bewust. Toen ze haar huis bereikte, zette ze de kruik
neer en ontdekte dat hij leeg was.
98 Jezus zei: Het Koninkrijk van de Vader is vergelijkbaar met een man die een
machtig man wilde doden. Hij trok het zwaard in zijn huis en dreef het in de muur
opdat hij zou beseffen dat zijn hand sterk zou zijn. Naar binnen toe doodde hij toen
de machtige.
99 De leerlingen zeiden tot hem: Uw broeders en uw moeder staan buiten.
Hij zei tot hen: Zij hier die de wil van mijn Vader doen, zijn mijn broeders en mijn
moeder. Zij zijn het die het Koninkrijk van mijn Vader zullen binnengaan.
100 Ze toonden Jezus een goudstuk en zeiden tot hem: De mannen van Caesar
vragen belasting van ons.
Hij zei tot hen: Geef wat van Caesar is aan Caesar, geef wat van God is aan God en
wat van mij is, geef dat aan mij.
101 Wie zijn [vader] en zijn moeder niet haat op mijn manier, kan geen [leerling] van
mij worden. En wie zijn [vader] en zijn moeder niet liefheeft op mijn manier, kan mijn
[leerling] niet worden. Want mijn moeder [........] voort, maar mijn ware moeder gaf
mij het leven.
102 Jezus zei: Wee de Farizeeërs, want ze lijken op een hond die rust in de voerbak
van ossen, want hij eet niet en laat ook de ossen niet eten.
103 Jezus zei: Gelukkig is de man die weet in welk deel de dieven naar binnen
komen, opdat hij zal opstaan en zijn [Koninkrijk] verzamelen en zijn lendenen
omgorden vanaf het begin, voordat zij binnenkomen.
104 Zij zeiden tot Jezus: Kom, laten we bidden vandaag, en vasten.
Jezus zei: Welke zonde heb ik begaan of waarin ben ik overwonnen? Maar wanneer
de bruidegom het bruidsvertrek zou verlaten, laat hen dan vasten en bidden.
105 Jezus zei: Hij die zijn vader en moeder zal kennen, zal hoerenzoon genoemd
worden.
106 Jezus zei: Wanneer jullie de twee één maken, zullen jullie mensenzonen
worden, en als jullie zeggen: ‘Berg, verplaats je’, zal hij zich verplaatsen.
107 Jezus zei: Het Koninkrijk is vergelijkbaar met een schaapherder die honderd
schapen had. Een ervan, het grootste, verdwaalde. Hij liet de negen-en-negentig
achter en zocht dat ene totdat hij het vond. Na de moeite die hij zich getroost had,
zei hij tot het schaap: Ik bemin jou meer dan de negen-en-negentig.
108 Jezus zei: Wie drinkt uit mijn mond zal worden zoals ik en ikzelf zal worden als
hij en de dingen die verborgen zijn zullen hem openbaar worden.
109 Jezus zei: Het Koninkrijk is vergelijkbaar met een man die in zijn akker een
verborgen schat had waarover hij niets wist. Na zijn dood liet hij deze na aan zijn
zoon. De zoon wist het niet. Hij aanvaardde de akker en gaf haar weg. En wie haar
kocht ging uit ploegen en vond de schat. Hij begon geld uit te lenen aan wie hij maar
wilde.
110 Jezus zei: Wie de wereld heeft gevonden en rijk is geworden, laat hem afzien
van de wereld.
111 Jezus zei: De hemelen en de aarde zullen worden opgerold in jullie
aanwezigheid. En hij die leeft vanuit het levende, zal de dood niet aanschouwen.
Want Jezus spreekt aldus: Wie zichzelf vindt, de wereld is hem niet waardig.
112 Jezus zei: Wee het vlees dat afhankelijk is van de ziel, wee de ziel die
afhankelijk is van het vlees.
113 Zijn leerlingen zeiden tot hem: Wanneer komt het Koninkrijk?
Het zal niet komen door erop te wachten. Men zal niet zeggen: ‘Kijk, daar is het’ of
‘Kijk, dat is het’. Maar het Koninkrijk van de Vader is verspreid over de aarde en de
mensen zien het niet.
[114 Simon Petrus zei tot hen: Laat Maria van ons weggaan want vrouwen zijn het
leven niet waardig.
Jezus zei: Zie, ikzelf zal haar leiden om haar mannelijk te maken opdat zij ook een
levende geest kan worden gelijk jullie mannen. Want elke vrouw die zichzelf
mannelijk maakt, zal het Koninkrijk binnengaan.]