Het werk van de Heilige Geest
Goedertierenheid
is
de vindplaats van materiaal voor Bijbelstudie, geloofstudie, catechese,
school, kring, persoonlijk geloof, studie thuis, kerk, club, nieuws,
godsdienstonderwijs, zingeving en vooral heel veel mogelijkheden om je
Bijbelkennis te vergroten. Blijf
niet afhankelijk van anderen maar lees zelf de Bijbel. Investeer in
geestelijke rijkdom.
Goedertierenheid
De tweede van de drie vruchten rechtstreeks
gekoppeld aan persoonlijke, menselijke relaties is goedertierenheid. In
de NBG is dit Griekse woord vertaald met vriendelijkheid. Alhoewel
vriendelijkheid deel uitmaakt van goedertierenheid, beschrijft dit
woord de oorspronkelijke betekenis onvoldoende.
Toen Paulus illustreerde hoe liefde handelt, kwam geduld als eerste in zijn denken op.
1 Corinthiёrs 13:4a De liefde is lankmoedig [geduldig].
Onmiddellijk daarop schrijft hij: "de liefde is goedertieren". Daarmee
de indruk wekkend dat liefde en goedertierenheid zo sterk bij elkaar
behoren dat we kunnen concluderen dat geen enkele daad zonder
goedertierenheid werkelijk in liefde wordt uitgevoerd!
Geduld is verdragende liefde. Geduld suggereert zelfbeheersing onder
druk van uitlokking, in 't bijzonder onverdiende uitlokking.
Goedertierenheid houdt echter een actievere uitdrukking van liefde
jegens God en naaste in. Zowel geduld als goedertierenheid zijn
gekoppeld aan die ene kwaliteit liefde. Onze uitdagers zullen
waarschijnlijk geduldige liefde nooit opmerken, maar geduldige liefde
kan zich openbaren in daden van goedertierenheid, zodat zelfs onze
uitdagers positief onder de indruk komen. Goedertierenheid is dezer
dagen zo'n zeldzame kwaliteit dat als iemand goedertieren is, er een
grote kans is dat het in het nieuws komt!
De liefde die Paulus in 1 Corinthiёrs 13 beschrijft is de liefde van
God, die in volmaakt evenwicht in Jezus Christus tot uitdrukking kwam.
Zijn liefde was niet alleen bedachtzaam maar ook uitgaand. Wegens Zijn
liefde trok Hij rond waarbij Hij daden van goedertierenheid deed, velen
genas en boze geesten uitwierp (Handelingen 10:38). De waarheid die Hij
verkondigde bracht ook Zijn liefde tot uiting. Zijn liefde was behalve
aangenaam ook geduldig, verdraagzaam en gepast.
In de meeste gevallen gaat goedertierenheid niet boven ons vermogen,
want gewoonlijk kost het geen geld. Het kan wel opoffering van tijd en
energie kosten. Het kan de discipline vergen om te letten op andermans
behoeften en de inspanning op te brengen te handelen. Hoeveel kost het
om te glimlachen in plaats van te fronsen, een bezoek te brengen, een
woord van bemoediging of vertroosting te spreken, vriendelijkheid tot
uiting te laten komen door een warme en oprechte handdruk?
Paulus schrijft in Filippenzen 1:
Filippenzen 1:9-11 En dit bid ik, dat uw liefde nog steeds meer
overvloedig moge zijn in helder inzicht en alle fijngevoeligheid, 10 om
te onderscheiden, waarop het aankomt. Dan zult gij rein en
onberispelijk zijn tegen de dag van Christus, 11 vervuld van de vrucht
van gerechtigheid, welke door Jezus Christus is, tot eer en prijs van
God.
De gevolgen van goedertierenheid zijn onvoorspelbaar, want zo'n houding
kan uitwaaieren en de levens beïnvloeden van mensen die ver
verwijderd wonen van de oorspronkelijke handeling. Goedertierenheid
zaait het zaad dat alleen maar goede vrucht kan dragen.
God is ons model van goedertierenheid
Jezus illustreert de goedertierenheid van God op levendige wijze in Zijn onderwijs in de bergrede.
Mattheüs 5:43-48 Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Gij zult uw
naaste liefhebben en uw vijand zult gij haten. 44 Maar Ik zeg u: Hebt
uw vijanden lief en bidt voor wie u vervolgen, 45 opdat gij kinderen
moogt zijn van uw Vader, die in de hemelen is; want Hij laat zijn zon
opgaan over bozen en goeden en laat het regenen over rechtvaardigen en
onrechtvaardigen. 46 Want indien gij liefhebt, die u liefhebben, wat
voor loon hebt gij? Doen ook de tollenaars niet hetzelfde? 47 En indien
gij alleen uw broeders groet, waarin doet gij meer dan het gewone? Doen
ook de heidenen niet hetzelfde?
48 Gij dan zult volmaakt zijn, gelijk uw hemelse Vader volmaakt is.
De bijbel bevat vele uitspraken die ons herinneren aan Gods nooit
eindigende en overvloedige goedertierenheid voor Zijn schepping. Jezus
zegt in Mattheüs 7:
Mattheüs 7:11 Indien dan gij, hoewel gij slecht zijt, goede gaven
weet te geven aan uw kinderen, hoeveel te meer zal uw Vader in de
hemelen het goede geven aan hen, die Hem daarom bidden.
Paulus en Barnabas vertellen de bewoners van Lystra:
Handelingen 14:16-17 Hij [God] heeft ten tijde der geslachten, die
achter ons liggen, alle volken op hun eigen wegen laten gaan, 17 en
toch heeft Hij Zich niet onbetuigd gelaten door wel te doen, door u van
de hemel regen en vruchtbare tijden te geven en aan uw harten overvloed
van spijs en vrolijkheid te schenken.
Gods genadegaven zijn precies wat het woord zegt — genade. Ze
zijn onverdiend voor ons die moedwillig tegen Hem hebben gezondigd,
Zijn prachtige schepping hebben ontwijd en òf Zijn geweldig doel
zijn vergeten, òf dat hebben genegeerd. Desondanks zijn Zijn
gaven van leven een niet afgedwongen, overweldigende uiting van Zijn
goede karakter. Hij vergeldt kwaad niet met kwaad; Hij koestert geen
wrok, voelt Zich niet diep beledigd en is er niet op uit quitte te
spelen. Hij geeft juist vrijwillig, zelfs aan kwaaddoeners, terwijl Hij
geduldig werkt aan het tot stand brengen van Zijn doel!
Het is altijd zo geweest. Ondanks de vele zonden der Israëlieten
na hun verlossing uit Egypte, bleef Hij hen voorzien van voedsel, water
en bescherming totdat zij in het Beloofde Land aankwamen. Eenmaal daar
aangekomen gingen zij nog eens 700 jaar door met hun provocaties,
voordat Hij hen uiteindelijk in gevangenschap deed gaan. Al die tijd
voorzag Hij hen zo overvloedig van alles, dat Israël een erg
welvarende, maar ondankbare, natie werd.
Psalm 78 legt het volgende vast over Israëls relatie met God:
Psalm 78:37-39 Hun hart was niet standvastig bij Hem, zij waren niet
getrouw aan zijn verbond. 38 Maar Hij, de barmhartige, verzoende de
ongerechtigheid en verdierf niet; Hij wendde menigmaal zijn toorn af en
wekte zijn volle grimmigheid niet op; 39 Hij gedacht, dat zij vlees
waren, een ademtocht, die vervliegt en niet wederkeert.
Zijn grootste uiting van 'de andere wang toekeren' — en in
uiterste goedertierenheid te zegenen — vond pas plaats toen Hij
Zijn Zoon in de wereld zond om voor onze zonden te betalen. In Johannes
3 staat dan ook:
Johannes 3:16-17 Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn
eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft,
niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe. 17 Want God heeft zijn Zoon
niet in de wereld gezonden, opdat Hij de wereld veroordele, maar opdat
de wereld door Hem behouden worde.
Geen van Gods weldaden betekent dat Hij het gedrag van de zondige mens
op enigerlei wijze goedkeurt, maar het is een Openbaring van Zijn
karakter, dat Hij ondanks de slechtheid van de mens, welwillend is
jegens hen. Hij is oprecht uit op hun geluk en serieus toegewijd hen te
helpen een succes van hun leven te maken.
De gehele wereld ligt in "het boze" (1 Johannes 5:19), en de mens is
niet in staat zich daaraan te onttrekken. Een deel van Gods oplossing
is een zegen te geven, een gave, waardoor alle zonden van de gehele
mensheid kunnen worden betaald en afgedaan. Denk er eens aan hoeveel
goede vrucht hierdoor zal worden voortgebracht! Is het mogelijk dat er
een grotere goedertierenheid bestaat? Absoluut niet! Maar het zet een
duidelijke standaard voor ons gedragspatroon, die we in ons leven
zullen moeten toepassen, opdat ook wij gezien kunnen worden als
kinderen van God.
Hesed en chrestotes
Chrestotes in 't Grieks en hesed in 't Hebreeuws worden meestal
vertaald met het Nederlandse woord "goedertierenheid". Chrestotes
betekent volgens The Complete Word Study Dictionary van Spiros
Zodhiates, p. 1482:
welwillendheid, goedertierenheid, nuttigheid. Het wordt vaak toegepast
voor filantropie en zelfbeheersing; het is het tegengestelde van
strengheid of iets snel en afdoende beëindigen. ... Chrestotes
wordt vertaald met "goed", "goedertierenheid" en "edelmoedigheid". Het
is een gunstige eigenschap die het gehele karakter doortrekt, alles wat
bars en onvriendelijk zou zijn verzachtend. ... Het woord beschrijft
iemands inwendige houding en houdt niet noodzakelijkerwijs Handelingen
van goedheid in.
William Barclay voegt in The Daily Bible Study Series over
Galaten 5:22, p. 51, toe dat de Rheims Vertaling chrestotes in 2
Corinthiёrs 6:6 vertaald met "aangenaamheid"; dat Christus Zijn juk in
Mattheüs11:30 als chrestos beschrijft, erop doelend dat het niet
schuurt en dat de Grieken wijn beschrijven als chrestos, dat is zacht.
Met deze voorbeelden wordt het duidelijk dat dit woord de geest
benadrukt waarin een handeling wordt uitgevoerd.
Hesed is een ingewikkelder woord, rijk aan betekenis, dat wordt
vertaald met "goedertierenheid", "medelijden", "liefde", "genade" en in
sommige moderne vertalingen zelfs met "loyaliteit" en "toewijding".
Sommige moderne critici beweren dat het woord loyaliteit suggereert,
iets gegeven als verplichting, omdat de schrijvers het soms gebruiken
in verband met een verbondsrelatie, zoals Gods verbond met Israël
of een huwelijk.
Andere geleerden bestuderen hetzelfde materiaal en stemmen ermee in dat
er relaties aanwezig zijn (liefde noodzaakt bijna altijd een relatie
van de een tot iets of iemand anders), maar zij beweren dat hesed
(liefde, genade, goedertierenheid, enzovoort) vrijwillig wordt gegeven.
Vrijheid van keuze om te geven is essentieel. De hulp van de persoon
die genade of goedertierenheid toont, wordt vrijwillig gegeven. Dit
schijnt het juiste gebruik te zijn, omdat het andere (verplichte)
gebruik liefde, genade en goedertierenheid kan terugbrengen tot
hoogstens een verplichte, mechanische, legale handeling in plaats van
een handeling uit vrije keuze vanuit het hart.
Een Farizeeër kan de legale verplichtingen van een verbond
nakomen, maar het Nieuwe Verbond eist veel meer (Mattheüs 5:20).
Het Theological Wordbook of the Old Testament, deel 1, p. 306, haalt de
Hebreeuwse geleerde Dom Rembert Sorg aan; deze schrijft dat hesed
"werkelijk de oudtestamentische weergave [weerspiegeld beeld, evenbeeld
of reproductie] is van 'God is liefde'".
Gods liefde is echt niet verplicht, gelet op alle uitingen van gevoel
voor Israël en de kerk die in de Schrift aan Hem worden
toegeschreven. Dus deze twee woorden, rijk aan betekenis en manieren
van toepassing, openbaren duidelijk dat goedertierenheid een actieve
eigenschap is die God heel graag terugziet in Zijn kinderen.
David toont Gods goedertierenheid
Na de dood van Saul en zijn zonen in de strijd, vulde David het
leiderschapsvacuüm in Israël en Juda door zijn koninkrijk te
consolideren en recht en gerechtigheid te beoefenen jegens het volk. In
deze periode vond een interessant voorval plaats:
2 Samuёl 9:1-13 David zeide: Is er soms nog iemand over van het huis
van Saul? Dan zal ik hem trouw bewijzen ter wille van Jonatan. 2 Nu
behoorde tot het huis van Saul een knecht, die Siba heette. Men riep
hem bij David en de koning vroeg hem: Zijt gij Siba? Hij antwoordde: Uw
dienaar. 3 Daarop zeide de koning: Is er soms nog iemand over van het
huis van Saul? Dan wil ik hem de goedgunstigheid Gods bewijzen. Toen
sprak Siba tot de koning: Er is nog een zoon van Jonatan, die verlamd
is aan beide voeten. 4 De koning vroeg: Waar is hij? En Siba antwoordde
de koning: Zie, hij is in het huis van Makir, de zoon van Ammiёl, te
Lo-Debar.
5 Daarop liet koning David hem halen uit het huis van Makir, de zoon
van Ammiёl, uit Lo-Debar. 6 En Mefiboset, de zoon van Jonatan, de zoon
van Saul, kwam bij David, wierp zich op zijn aangezicht en boog zich
neer. David zeide: Mefiboset! En hij antwoordde: Hier is uw dienaar. 7
Daarop sprak David tot hem: Vrees niet, want ik zal u voorzeker trouw
bewijzen ter wille van uw vader Jonatan; ik zal u alle landerijen van
uw vader Saul teruggeven, en gij zult geregeld aan mijn tafel eten. 8
Toen boog hij zich neer en zeide: Wat is uw knecht, dat gij u bekommert
om een dode hond, als ik ben? 9 Daarna riep de koning Siba, de knecht
van Saul, en zeide tot hem: Al wat aan Saul en aan diens gehele huis
toebehoorde, geef ik aan de zoon van uw heer. 10 Gij moet voor hem het
land bewerken, gij, uw zonen en uw knechten, en de oogst binnenhalen,
opdat de zoon van uw heer te eten hebbe. Mefiboset, de zoon van uw
heer, zal geregeld aan mijn tafel eten. Siba nu had vijftien zonen en
twintig knechten. 11 Siba zeide tot de koning: Geheel zoals mijn heer
de koning zijn knecht gebiedt, zal uw knecht doen. Dus at Mefiboset aan
de tafel van David als een der zonen van de koning. 12 En Mefiboset had
een jonge zoon, die Micha heette. Allen die in het huis van Siba
woonden, waren knechten van Mefiboset. 13 Mefiboset woonde te
Jeruzalem, want hij at geregeld aan de tafel des konings. Hij nu was
verlamd aan beide voeten.
We zouden dit verhaal gemakkelijk kunnen afdoen als apart of
aantrekkelijk, maar het is veel meer dan dat. God bedoelt het als een
duidelijke les voor ons over onze verantwoordelijkheid om daden van
goedertierenheid uit te voeren. Het laat ons ook heel wat zien over
Davids hart en waarom God hem liefhad.
Saul en drie van zijn vier zonen waren gedood in de strijd op de berg
Gilboa. Een vierde zoon overleefde, maar werd vermoord en zodoende kwam
er een eind aan zijn poging een rivaliserend koninkrijk op te richten.
Alles wat overbleef van het eens belangrijke en trotse huis van Saul
waren enige dochters en enige zonen van een bijvrouw. Ondertussen ging
het met David voorspoedig terwijl hij zijn koninkrijk consolideerde
door overal waar hij ging overwinningen te behalen.
Ondanks Davids aanzien en welvaart vergat hij niet de eed tussen hem en
Jonatan en hun onderlinge liefde toen hij nog maar een eenvoudige
schaapherder was en Jonatan erfgenaam van de troon. Het verhaal duidt
er niet op dat iemand David aanzette tot het doen van navraag. Het
verzoek kwam uit zijn eigen hart, gemotiveerd door zijn trouw aan zijn
vriend en zijn zorgzame natuur.
Dit is des te opmerkelijker als we zijn niet verdiende verdrukking door
Saul in beschouwing nemen in de tijd dat de koning ouder werd en in
toenemende mate werd beheerst door jaloezie op Davids populariteit.
David zou gemakkelijk bitter hebben kunnen worden door het gedwongen
leven van een zwerver die in grotten moest leven en afhangen van de
edelmoedigheid van anderen, terwijl hij het goede voor Israël
deed. Hij zou een wrok kunnen koesteren en zich gerechtvaardigd kunnen
voelen om op dezelfde wijze te handelen, of vervloekingen te uiten
tegen iedere erfgenaam van Saul. Bovendien was het de manier van
oosterse koningen om allen te doden die mogelijk aanspraak konden maken
op de troon.
Wat uit Davids hart opwelde was echter een spontaan verlangen uit
zichzelf om goed te doen aan wie dan ook over was gebleven van Sauls
huis. Maar Davids taalgebruik als hij Siba ondervraagt laat nog veel
meer van zijn motieven zien. Hij spreekt over het tonen van de
"goedertierenheid van God" aan Sauls huis, daarmee zijn motieven tot
een hoger niveau verheffend als voorloper op Jezus' uitspraak in Lucas
6:
Lucas 6:35-36 Neen, hebt uw vijanden lief, en doet hun goed en leent
zonder op vergelding te hopen, en uw loon zal groot zijn en gij zult
kinderen van de Allerhoogste zijn, want Hij is goed jegens de
ondankbaren en bozen.
36 Weest barmhartig, gelijk uw Vader barmhartig is.
Davids uitspraak openbaart dat hij God gebruikt als voorbeeld voor wat
hij wilde doen voor Sauls huis. Hij erkende dat hij, een zondaar
evenals wij, niet verdiende genade en goedertierenheid had ontvangen
uit de hand van God. Het lijkt erop dat God zegt, dat voordat we Zijn
goedertierenheid kunnen doorgeven, we eerst moeten erkennen dat we deze
van Hem hebben ontvangen. Jezus laat Zijn uitspraak volgen door een
andere die dit punt aanroert:
Lucas 7:47 Daarom zeg Ik u: Haar zonden zijn haar vergeven, al waren
zij vele, want zij betoonde veel liefde; maar wie weinig vergeven
wordt, die betoont weinig liefde.
Davids aangrijpende voorbeeld van goedertierenheid laat zien dat hij
zich verantwoordelijk voelde om genadig en goedertieren te zijn, omdat
onze grote God bovenmatig genadig en goedertieren voor hem was geweest
door veel te vergeven en veel te geven. Hij is een waardig voorbeeld
van iemand die veel liefhad omdat hij erkende dat God hem liefhad.
De beste basis voor het dienen van de naaste in goedertierenheid is het
ervaren van Gods genade. We kunnen inderdaad zeggen dat lang voordat
iemand werkelijk genadig kan zijn, God hem genadig is geweest. Geloof
is niet puur en onbezoedeld tenzij het zichzelf uit in de kwaliteit van
dienen in goedertierenheid (Jacobus 1:27). Misschien kunnen we uit dit
voorbeeld de conclusie trekken, dat we onze broeder nog niet alle
goedertierenheid hebben betoond die we hem schuldig zijn, tenzij we hem
de "goedertierenheid van God" hebben betoond.
Goedertierenheid en genade
Als we letten op de definities en het gebruik van hesed en chrestotes,
kunnen we zien dat genade en goedertierenheid dicht bij elkaar liggen,
waarbij chrestotes in 't bijzonder de houding of geest openbaart waarin
een daad van genade of goedertierenheid wordt uitgevoerd. We weten dat
het soms al moeilijk is een daad van goedertierenheid te volbrengen,
laat staan dit te doen vanuit een bezorgde, warme en edelmoedige geest.
We moeten er echter altijd aan denken dat onze Heer en Zaligmaker het
deed, dat onze Vader het van ons verlangt als we op Hem willen gelijken
en dat Hij ons Zijn Geest heeft gegeven om ons in staat te stellen het
te doen. De keus ligt bij ons.
In Galaten 6 is Paulus eropuit een broeder die gezondigd heeft terug te
brengen in de gemeenschap van het lichaam, alsmede het herstellen van
de vrede en eenheid binnen de gemeente. Hij schrijft daar:
Galaten 6:9-10 Laten wij niet moede worden goed te doen, want, wanneer
het eenmaal tijd is, zullen wij oogsten, als wij niet verslappen. Laten
wij dus, daar wij de gelegenheid hebben, doen wat goed is voor allen,
maar inzonderheid voor onze geloofsgenoten.
Een Amerikaans gezegde luidt: "Liefde begint thuis." Helaas is de
gemeenschap van de lokale gemeente vaak de moeilijkste plaats om goed
te doen vanuit de juiste houding. Dit kan gedeeltelijk komen door zulke
verkeerde verwachtingen als: christenen "moeten zulke problemen niet
hebben", "moeten niet zulke problemen veroorzaken", of "moeten beter
weten", of vele andere beschuldigingen over karakter- en
persoonlijkheidsgebreken die we kunnen hebben.
We trekken ons terug en worden moe om vele redenen die gerechtvaardigd
lijken. Er is zoveel tegenstand tegen plannen om de zaken beter aan te
pakken. Er is zoveel te doen en het schijnt dat er zo weinigen zijn om
het te doen. Er wordt zo vaak een beroep gedaan op onze tijd door
andere gerechtvaardigde zaken. Er is te vaak zoveel ondankbaarheid
onder hen die we proberen te helpen, dat we ontmoedigd geraken.
God heeft de zwakke uit deze wereld geroepen en we hebben onze
zwakheden en eigenaardige trekjes mee de kerk in genomen. We zien
mensen in de kerk die zo depressief zijn dat het erop lijkt dat ze
nooit eens een goede dag hebben. Anderen zitten onder de problemen en
ze willen die delen met wie ook maar wil luisteren. In elke gemeente
zijn er zieke, arme, dwaze, zwakke, cynische, koppige, kritische,
bijtende, arrogante, agressieve, ijdele, ontmoedigde, wantrouwende,
hoogmoedige, schijnheilige en sarcastische mensen. Zoals een
stripfiguur Pogo zegt: "We hebben de vijand ontmoet, we zijn het zelf!"
Maar God doet op ons allen een beroep om "de slappe handen op te heffen
en de knikkende knieёn te strekken" (Hebreeёn 12:12). We moeten ons
hart wijd openen tot luisteren en overvloedig geven van ons voordeel
aan kennis, begrip, gemak, aansporing, inspiratie, hoop en bemoediging
uit onze ervaringen, in het bijzonder die in de kerk. Op de juiste tijd
kunnen we dan ook corrigeren in zachtmoedigheid, daarbij onze zwakheden
niet uit het oog verliezend. Hij beveelt ons gul te zijn voor de arme
en Hij zegt dat dat neer komt op geld lenen aan Hem. We moeten "er
zijn" voor hen, niet als "alwetenden", maar als "misschien kan dit
helpen".
Kunnen we niet vriendelijker zijn in onze evaluatie van andermans
karakter? Als we een negatief verhaal horen over een broeder of zuster,
moeten we ons dan niet afvragen: "Als iemand zo'n verhaal over mij
hoorde, zou ik dan niet wensen dat die ander het niet zou geloven,
totdat hij het had onderzocht en er echt zeker van was dat het waar
was?" Is het niet even zondig een leugen te geloven als er
één te vertellen? Als we altijd klaar staan om negatieve
verhalen over anderen te geloven, wat zegt dat over ons denken? Dat is
geen goedertieren houding zoals chrestotes beschrijft. Zal zo'n houding
eenheid, vrede en warme, liefdevolle omgang voortbrengen?
Er zouden onder ons geen roddelaars bestaan als niemand naar roddel
wilde luisteren of niemand roddel wilde geloven, want als er ergens
geen vraag naar is, zal niemand het produceren. Als we geen slechte
verhalen geloven, zal de ontmoedigde roddelaar ermee stoppen of zijn
verhalen elders gaan vertellen.
Wat als we door de feiten worden gedwongen zo'n verhaal te geloven? Een
goedertieren persoon toont zijn goedertierenheid door het niet verder
te vertellen. Hij zal als volgt redeneren: "Alhoewel dit verhaal waar
is en de feiten mij niet aanstaan, waarom zou ik het verder vertellen?"
Het is de verantwoordelijkheid van de christen zijn broeder niet
onnodig aan schande bloot te stellen, tenzij dit absoluut noodzakelijk
is — zoals soms het geval is — maar hij dient zijn broeder
altijd op de meest edelmoedige en goedertieren manier te behandelen die
mogelijk is. De Gouden Regel wordt algemeen als volgt onder woorden
gebracht: "Behandel anderen zoals jezelf behandelt wilt worden."
Gods instructie is "Laten wij dus, daar wij de gelegenheid hebben, doen
wat goed is voor allen." Ongeacht hun positie in het leven, of ze wel
of niet in de kerk zijn, deze zware eis is onwrikbaar. De enige
uitzondering is dat onze broeders in de kerk meer aanspraak op ons
kunnen maken. Een les die we uit de gelijkenis van de barmhartige
Samaritaan kunnen trekken is dat de Samaritaan niet naging of de
gewonde man er "één van hen" was. De enige maatstaf was,
dat het nodig was dat er voor hem — in zijn uitzonderlijk
verzwakte conditie — een daad van goedertierenheid werd verricht.
Terug ontvangen goedertierenheid
Het is bemoedigend Jezus' duidelijke belofte in Mattheüs 5 te lezen:
Mattheüs 5:7 Zalig de barmhartigen, want hun zal barmhartigheid geschieden.
Zoiets schrijft David ook in Psalm 41:
Psalm 41:2-4 Welzalig hij die acht slaat op de geringe; ten dage des
onheils zal de Here hem uitkomst geven; 3 de Here zal hem behoeden en
hem in het leven behouden; hij zal geprezen worden op aarde; aan de
lust van zijn vijanden geeft Gij hem niet prijs. 4 De Here steunt hem
op het ziekbed, in zijn ziekte verandert Gij geheel zijn legerstede.
Dit moet niet de hoofdreden tot goedertierenheid zijn. Toch heeft God,
die altijd klaar staat te geven en te zegenen, deze woorden tot ons
voordeel geïnspireerd, zodat we begrijpen dat onze inspanningen om
Hem en Zijn weg te verheerlijken niet onopgemerkt blijven. Het is een
belofte waar we ons op kunnen beroepen als we ervoor komen te staan.
Hij die ons in staat stelde goedertieren en edelmoedig te zijn jegens
anderen in hun nood, zal reageren door in onze nood een helper op onze
weg te plaatsen. Jezus zegt in Lucas 6:
Lucas 6:38 Geeft en u zal gegeven worden: een goede, gedrukte,
geschudde, overlopende maat zal men in uw schoot geven. Want met de
maat, waarmede gij meet, zal u wedergemeten worden.
Dit is een geweldige motivering voor hen die Gods Woord geloven, maar
misschien is er een nog grotere. Genadig en goedertieren zijn is een
bewijs dat God ons Zijn Geest heeft gegeven en dat de liefde van God in
onze harten is uitgestort en vrucht voortbrengt. Luister naar Jezus'
woorden in Mattheüs 25 als bewijs voor het belang om Gods
goedertierenheid door te geven, die tot uiting komt in Zijn roeping,
vergeving, het geven van Zijn Geest en de belofte nog meer genade te
ontvangen door genadig te zijn:
Mattheüs 25:34-36, 40 Dan zal de Koning tot hen, die aan zijn
rechterhand zijn, zeggen: Komt, gij gezegenden mijns Vaders, beёrft het
Koninkrijk, dat u bereid is van de grondlegging der wereld af. 35 Want
Ik heb honger geleden en gij hebt Mij te eten gegeven. Ik heb dorst
geleden en gij hebt Mij te drinken gegeven, Ik ben een vreemdeling
geweest en gij hebt Mij gehuisvest, 36 naakt en gij hebt Mij gekleed,
ziek en gij hebt Mij bezocht; Ik ben in de gevangenis geweest en gij
zijt tot Mij gekomen. ... 40 En de Koning zal hun antwoorden en zeggen:
Voorwaar, Ik zeg u, in zoverre gij dit aan één van deze
mijn minste broeders hebt gedaan, hebt gij het Mij gedaan.
De liefhebbende genadegaven van God
Alvorens af te sluiten moeten we nog naar Gods goedertierenheid kijken
in zoverre deze betrekking heeft op Zijn geestelijk doel. De
geïnspireerde woorden van Zacharias, nadat zijn tong weer los was,
hebben een rijke en diepe betekenis voor ons:
Lucas 1:77-79 [God zond Johannes] Om aan zijn volk te geven kennis van
heil in de vergeving hunner zonden, 78 door de innerlijke
barmhartigheid van onze God, waarmede de Opgang uit de hoogte naar ons
zal omzien, 79 om hen te beschijnen, die gezeten zijn in duisternis en
schaduw des doods, om onze voeten te richten op de weg des vredes.
Behoud is niet mogelijk zonder vergeving. Onze Vader kan onze zonden
niet vergeven op basis van gerechtigheid, daarom doet Hij het op basis
van Zijn liefhebbende genadegaven. Hij heeft Zichzelf tot onze God
gemaakt door ons genadig te zijn — een niet verdiende gunst. Hij
ziet aan de overtredingen van Zijn volk voorbij omdat Hij behagen
schept in genade. Hij heeft zoveel medelijden dat Hij het uitstelt om
ons in onze schuld te veroordelen, en in plaats daarvan ons in
liefdevolle bezorgdheid gadeslaat om te bezien hoe Hij Zijn wraak kan
afwenden en ons weer in gunst kan aannemen.
Micha voegt hieraan toe:
Micha 7:18 Wie is een God als Gij, die de ongerechtigheid vergeeft en
de overtreding van het overblijfsel van zijn erfdeel voorbijgaat, die
zijn toorn niet voor eeuwig behoudt, maar een welbehagen heeft in
goedertierenheid!
God is liefde en liefde is goedertieren, maar misschien is onze
benadering van Zijn vergeving wel erg legalistisch. De Schriften
openbaren dat Gods goedertierenheid uit het diepst van Zijn hart
voortkomt. Hij vergeeft van harte omdat Hij behagen schept in genade!
Hij zegt: "Ik heb geen behagen in de dood van de goddeloze." Gods
karakter is eropuit genade te schenken, niet te straffen; schoonheid te
scheppen, niet te verwoesten; te behouden, niet te verliezen.
Kunnen we hieruit een les leren? Lijken we in dit opzicht al erg op
God? Hoe velen van ons, omgang hebbend met Gods volk, verbergen
boosheid en dragen het zaad van bitterheid bij zich tegen een broeder
wegens een of andere belediging — of koesteren een wrok, of zijn
jaloers, of verspreiden geruchten? Zijn dit daden van goedertierenheid?
Kan een vergevende geest die behagen schept in genade, deelhebben aan
Handelingen die de reputatie van een broeder vernietigen en bestaande
verdeeldheid vergroten?
Er is nog een andere zin in Lucas 1:78 die de goedertierenheid en
liefhebbende natuur van onze God laat zien: "Hij zag naar ons om." God
had niet slechts medelijden op afstand; ook beperkte Hij Zijn medeleven
met ons niet tot een niet uitgewerkt, inactief gevoel. David schrijft
in Psalm 8:5:
Psalm 8:5 Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, en het mensenkind, dat Gij naar hem omziet?
En dat is precies wat God doet!
Hebreeёn 2:14-18 Daar nu de kinderen aan bloed en vlees deel hebben,
heeft ook Hij op gelijke wijze daaraan deel gekregen, opdat Hij door
zijn dood hem, die de macht over de dood had, de duivel, zou onttronen,
15 en allen zou bevrijden, die gedurende hun ganse leven door angst
voor de dood tot slavernij gedoemd waren. 16 Want over de engelen
ontfermt Hij Zich niet, maar Hij ontfermt Zich over het nageslacht van
Abraham. 17 Daarom moest Hij in alle opzichten aan zijn broeders gelijk
worden, opdat Hij een barmhartig en getrouw hogepriester zou worden bij
God, om de zonden van het volk te verzoenen. 18 Want doordat Hij zelf
in verzoekingen geleden heeft, kan Hij hun, die verzocht worden, te
hulp komen.
God had niet slechts medelijden op afstand, maar Hij kwam in ons leven
op ons niveau. De Schepper deed afstand van Zijn hoge en zuivere
woonplaats als glorieuze God en legde Zijn goddelijkheid af voor een
woonplaats van tot leven gebrachte klei. Hij nam onze natuur aan, werd
in alle dingen verzocht zoals wij, droeg onze ziekten en krankheden met
het specifieke doel een genadig en getrouw Hogepriester te worden. Hij
kwam niet in onze wereld om een superieure status boven ons in stand te
houden. Hij liep echt in onze schoenen en ging toch al goed doende door
het leven.
Paulus voegt hier in Galaten 1 nog aan toe:
Galaten 1:4 Die Zichzelf gegeven heeft voor onze zonden, om ons te
trekken uit de tegenwoordige boze wereld, naar de wil van onze God en
Vader.
Wie weet hoeveel afzonderlijke Handelingen van goedertierenheid —
van het tot stand komen van het plan tot zijn volledige uitvoering
— met deze ene uitspraak samenhangen?
Dit is de kern van Gods natuur. Hij geeft overvloedig en genadig, opdat
anderen daar voordeel van kunnen hebben. Deze natuur is zich nu in ons
aan het ontwikkelen door wat Hij heeft gedaan. Door Zijn Geest heeft
Hij woning in ons gemaakt om ons in staat te stellen aan ons behoud te
werken, en naarmate we ons overgeven, verandert ons leven om stapje
voor stapje op Zijn beeld te gaan gelijken. Hij woont in ons ondanks al
onze provocaties, koppigheid, nalatigheid en opstandigheid. Hoe vaak
stellen we Hem niet teleur, en toch staat Hij als onze Hogepriester en
Middelaar voortdurend klaar om ons met nog meer goedertierenheid te
dienen.
Paulus moedigt ons in Colossenzen 3 aan:
Colossenzen 3:12-13 Doet dan aan, als door God uitverkoren heiligen en
geliefden, innerlijke ontferming, goedheid [Statenvertaling:
goedertierenheid], nederigheid, zachtmoedigheid en geduld. 13 Verdraagt
elkander en vergeeft elkander, indien de een tegen de ander een grief
heeft; gelijk ook de Here u vergeven heeft, doet ook gij evenzo.
Doe goedertierenheid aan
Juist dat hij ons aanmoedigt ons met deze deugd te bekleden, duidt erop
dat niemand van ons het geestelijk "al heeft gemaakt". Wij allemaal
hebben fouten, schieten tekort en zijn in bepaalde opzichten zwak.
Naarmate we ons overgeven en deze deugden ontwikkelen, moeten we
verdraagzaam en vergevend zijn jegens onze broeders wegens Christus'
voorbeeld van verdraagzaamheid en genade jegens ons. De kracht van Gods
Geest die ons hiertoe in staat stelt, is al in ons, anders zou deze
aanmoediging te vergeefs zijn.
Het kan gedaan worden als we ervoor willen kiezen ons te vernederen en
te handelen, als we de nood van een broeder of van de kerk zelf
opmerken. God doet hier een beroep op ons niet alleen maar te handelen,
maar dit met genegenheid te doen. In alle gevallen moeten we ons hart
onze hand laten sturen om onze meest liefhebbende gevoelens de ellende
van hen die in nood zijn tegemoet te laten treden, evenals Christus
deed door af te dalen in een lichaam van klei. We moeten ervoor zorgen
dat ons gevoel bij de hand is en gemakkelijk kan worden geraakt, zodat
we onze hand wijd openen tot hulp.
De wereld heeft ons hard gemaakt. We hebben zoveel arrogantie en
wreedheid gezien, dat God ons waarschuwt dat in de eindtijd de mensen
"zonder natuurlijke liefde" (2 Timotheüs 3:3, Statenvertaling)
zullen zijn. Wij zijn deze eindtijd-generatie en we hebben een lange
weg te gaan om in goedertierenheid ook maar een beetje op Christus te
gaan gelijken. Maar we kunnen het! Misschien kunnen we dit vergelijken
met leren zwemmen door "gewoon in het water te springen".
Goedertierenheid is iets dat we moeten ontwikkelen, en we kunnen dit
omdat God ons door Zijn Geest hiertoe reeds in staat heeft gesteld.
Deze vrucht smaakt bijzonder zoet en is een hoofdfactor in het
voortbrengen van eenheid.
Vergeet nooit Gods karakter, Zijn voorbeeld en de belofte die Hij ons in Jesaja 54 heeft gegeven:
Jesaja 54:10 Want bergen mogen wijken en heuvelen wankelen, maar mijn
goedertierenheid zal van u niet wijken en mijn vredesverbond zal niet
wankelen, zegt uw Ontfermer, de Here.
LIEFDE - VREUGDE - VREDE - GEDULD - GOEDERTIERENHEID
GOEDHEID
TROUW - ZACHTMOEDIGHEID - ZELFBEHEERSING



















