De Augsburgse Confessie
De Bijbel is niet een
boek
wat je zomaar even van kaft tot kaft leest. Het kan lastig zijn om je
weg door de Bijbel te vinden, als je niet weet wat zich wanneer heeft
afgespeeld. Deze site kan je helpen om de Bijbel beter te leren kennen.
Ontdek de bron van vrede, het Woord van God:
Informatie vooraf:
De Augsburgse
confessie is de
neerslag van een turbulente tijd die volgde op het aanslaan van de 95
stellingen op 31 oktober 1517. Het document was een bezinning op vragen
en bezwaren, op het soms revolutionaire optreden, op overdrijven en
misverstanden.
In 1524 werd op een rijksdag gesproken over een nieuw te houden
rijksdag waarop geloofsvragen behandeld zouden worden. De Rijksdag was
een vergadering van alle Duitse vorsten en bisschoppen. Rome verzocht
herhaaldelijk om een concilie, maar het Duitse rijk reageerde hier niet
op. Uiteindelijk zou deze rijksdag in 1530 plaatsvinden.
De keizer was plan de geestelijke eenheid te herstellen, eenheid die
nodig was omdat de turken ondertussen voor de poorten van Wenen lagen.
Luther mocht niet op rijksdag aanwezig zijn, Melanchton, vriend en
collega van Luther wel. De Augsburgse Confessie is dan ook door hem
opgesteld.
De confessie begint met een fraaie voorrede, waarna de confessie verder
gaat met oude conciliebesluiten, vervolgens volgt een artikel over de
erfzonde. Tot zover niets aanstootgevends voor de Rooms-Katholieken, de
Augsburgse confessie liet dan ook zien: zie maar, wij zijn katholieken.
Maar uiteindelijk wordt de zaak wel scherp gesteld: ‘De mens
kan
van nature God niet vrezen’ wat uiteindelijk leid tot een
beschrijving van ‘rechtvaardiging van de goddeloze’
.
De Tekst van de confessie komt niet zomaar uit het niets. Luther had in
1528 een geloofssamenvatting geschreven, met een trinitarisch karakter,
waarin hij spreekt over Christus, die voor ons instaat als een trouw,
barmhartig middelaar en Heiland en als de enige priester en visschop
van onze zielen. Kortom: de rechtvaardiging door Christus, niet door
eigen werken. De tekst van de Augsburgse confessie (1530) sluit nauw
aan bij de tekst van de geloofssamenvatting van Luther (1528)
Ondertussen waren en stukken van Luthers tegenstanders in omloop,
waarin op diverse punten Luther’s leer bekritiseerd werd, al
met
al zette dit Melanchton aan tot het schrijven van een goed en helder
theologisch stuk. De confessie werd uiteindelijk op 25 juni voorgelezen
op de rijksdag.
Dan willen we nu kort kijken naar de confessie zelf: het karakter van
dit stuk, het stuk heeft lange tijd als normatief gegolden, maar dat is
nooit haar intentie geweest, zij is een door omstandigheden opgedrongen
uitleg van wat er geleerd wordt in evangelisch kerken op grond van de
Schrift, met ook een afkeuring en veroordeling van ketterijen.
Uiteindelijk is de enige grondslag voor belijden de heilige schrift,
zoals ook verwoord aan het einde van de confessie.
We mogen niet vergeten dat er sinds de confessie eeuwen verstreken
zijn, de kloosters, missen en bisschoppen van toen, zijn niet die van
nu. Op sommige punten is de Rooms-Katholieke kerk zelfs officieel
teruggekomen.
Er zijn twee versies van de Augsburgse confessie: de onveranderde
(invariata) en de veranderde (variata). De variata is een door
Melanchton gewijzigde versie, uitgegeven in 1540, ten behoeve van een
geloofsgesprek met Calvijn. Een van de punten die gewijzigd is, is: het
avondmaal:
De onveranderde Augsburgse Confessie zegt in artikel 10: ’
_..
.dat lichaam en bloed van Christus waarlijk aanwezig zijn en uitgedeeld
worden in de maaltijd van de Heer…’ _ De
veranderde
Augsburgse Confessie (1540) heeft hier: ‘.. .dat met brood en
wijn waarlijk worden aangeboden het lichaam en bloed van Christus aan
hen die eten in de maaltijd van de Heer’ Er waren nog enkele
veranderingen aangebracht die de tekst van 1530 onrecht deden.
Uiteindelijk is in het Formulier van Eendracht (Formula Concordiae)
gekozen voor de eerste, onveranderde Augsburgse Confessie van 1530.
Deze confessie vormt dan ook mede de grondslag van de Lutherse
gemeenten in Nederland en andere delen van de wereld.
De
(onveranderde) Augsburgse Confessie
Bij 1.
Voorrede
Onoverwinnelijke vorst, gezegende keizer, zeer genadige heer,
Uw Keizerlijke Majesteit heeft een Rijksdag te Augsburg uitgeschreven,
om daar te beraadslagen over hulptroepen tegen de wrede Turken, van
oudsher vijanden van alles wat christelijk heet en van de christelijke
godsdienst, hoe wij hun razernij en aanvallen door vasthoudende en
voortdurende oorlogsvoorbereiding zouden kunnen weerstaan. Ook is deze
Rijksdag uitgeschreven om te beraadslagen over de meningsverschillen
met betrekking tot onze heilige godsdienst en ons christelijk geloof,
opdat in deze partijstrijd de opvattingen en overtuigingen onder elkaar
in liefde en lankmoedigheid wederzijds gehoord, begrepen en gewogen
worden. Het doel hiervan is dat die dingen, die aan beide kanten in
geschriften verkeerd behandeld zijn, gecorrigeerd worden, en dat die
zaken tot een eenvoudige waarheid en een christelijke overeenstemming
geordend en hersteld worden, opdat voortaan door ons een enige, zuivere
en ware godsdienst beoefend en in stand gehouden wordt, en wij, zoals
wij onder één Christus zijn en strijden, ook in
één christelijke kerk, eenheid en overeenstemming
kunnen
leven.
Omdat wij, de
ondergetekenden,
evenals andere Keurvorsten, Vorsten en Standen tot de voornoemde
vergadering geroepen zijn, zijn wij, ons gehoorzaam schikkend naar het
keizerlijk bevel, tijdig naar Augsburg gegaan, en wij waren (zonder ons
erop te willen beroemen) onder de eerstaangekomenen.
Uw Keizerlijke Majesteit heeft de Keurvorsten, Vorsten en andere
Standen van het Rijk, ook hier te Augsburg, volgens de principes van
deze Rijksdagen, onder andere opgedragen, dat de afzonderlijke Standen
van het Rijk, krachtens keizerlijke verordening, hun opvatting en
overtuiging in Duitse en Latijnse taal uiteen moeten zetten en moeten
aanbieden. Daarom hebben wij ook, na overleg, afgelopen woensdag van
onze kant Uwe Keizerlijke Majesteit geantwoord, dat wij komende vrijdag
de artikelen van onze belijdenis zullen aanbieden. Om de wil van Uwe
Keizerlijke Majesteit te gehoorzamen, bieden wij in deze
godsdienstkwestie de belijdenis van onze medestanders en onszelf aan,
waarin staat van welke aard de leer uit de Heilige Schrift en het
zuivere woord van God is, die bij ons tot nu toe doorgegeven wordt.
Indien nu de overige Keurvorsten, Vorsten en Standen van het Rijk op
dezelfde manier, volgens het eerder genoemde voorstel van Uwe
Keizerlijke Majesteit, hun opvattingen in de godsdienstkwestie naar
voren gebracht hebben, verklaren wij ons bereid, met de verschuldigde
gehoorzaamheid jegens Uwe Keizerlijke Majesteit, onze zeer genadige
heer, om met de eerder genoemde Vorsten, onze vrienden, en de Standen
op vriendelijke wijze tot een vergelijk te komen over geschikte en
acceptabele wegen om, voorzover dat op eerlijke wijze mogelijk is ,tot
overeenstemming te komen. En nadat de zaak onder ons, als partijen, op
deze manier van beide kanten door middel van de ingediende geschriften
behandeld is, op vreedzame wijze, zonder hatelijke strijd, zal, als God
het schenkt, het meningsverschil overbrugd en tot een ware eensgezinde
godsdienst hersteld worden. Zo zullen wij allen onder
één
Christus moeten zijn en één Christus belijden,
naar de
strekking van het bevel van Uwe Keizerlijke Majesteit, en zo zal alles
tot Gods waarheid herleid worden; Wij vragen God met vurige gebeden dat
hij in deze zaak helpt en vrede geeft. Mocht nu, waar het de overige
Keurvorsten, Vorsten en Standen, de andere partij, betreft, de
behandeling van de zaak geen voortgang hebben naar de strekking van het
bevel van Uwe Keizerlijke Majesteit, en vruchteloos blijken, wij
verklaren in ieder geval, dat wij ons niet willen onttrekken aan wat op
enigerlei wijze tot het tot stand komen van de christelijke
eensgezindheid, in overeenstemming met God en een goed geweten, kan
leiden. Gelieve Uwe Keizerlijke Majesteit en de overige Keurvorsten en
Standen van het Rijk en allen, die zich met liefde en ijver aan de
zuivere godsdienst houden, en die met dezelfde gezindheid naar deze
zaak luisteren, dat uit de belijdenis van ons en de onzen genadig ter
kennis te nemen.
Uwe Keizerlijke Majesteit heeft aan de Keurvorsten, Vorsten en Standen
van het Rijk niet eenmaal, maar dikwijls te kennen gegeven, en op de
Rijksdag te Spiers in 1526 met de formuleringen van de instructie van
Uwe Keizerlijke Majesteit publiekelijk laten voorlezen en bekendmaken,
dat Uwe Keizerlijke Majesteit in deze godsdienst aangelegenheid om
bepaalde redenen, die toen aangevoerd zijn, niet wil beslissen, maar
moeite wil doen bij de Paus om een concilie bijeen te roepen, zoals een
jaar geleden ook uitvoerig uiteengezet is op de laatste bijeenkomst te
Spiers. Daar heeft Uwe Keizerlijke Majesteit door onze heer Ferdinand,
koning van Bohemen en Hongarije, onze genadige vriend en heer, en ook
door de keizerlijke woordvoerder en gezanten overeenkomstig de
instructie onder andere laten uiteenzetten, dat Uwe Keizerlijke
Majesteit de aanbeveling van de Stadhouder van Uwe Keizerlijke
Majesteit in het Rijk en van de voorzitter en de raadgever van de
keizerlijke regering en van de afgezanten van de Standen, die te
Regensburg bijeengekomen waren, om een algemeen concilie bijeen te
roepen, begrepen en overwogen heeft, en dat Uwe Keizerlijke Majesteit
het ook nuttig achtte dat er een concilie bijeengeroepen werd. En omdat
die kwesties, die toen behandeld werden tussen Uwe Keizerlijke
Majesteit en de Paus, bijna tot een eensgezinde en christelijke
verzoening gebracht waren, twijfelde Uwe Keizerlijke Majesteit er niet
aan, of de Paus ertoe bewogen zou kunnen worden een algemeen concilie
te houden. In overeenstemming daarmee gaf Uwe Keizerlijke Majesteit
genadig te kennen dat U zich moeite zou getroosten de Paus te doen
instemmen met het uitschrijven van een concilie.
Mocht het nu zo zijn, dat de bestaande meningsverschillen tussen ons en
de anderen niet op vriendelijke wijze bijgelegd worden, dan bieden wij
hier ten overvloede en in gehoorzaamheid aan Uwe Keizerlijke Majesteit
aan, op een dergelijk christelijk en vrij, algemeen concilie te
verschijnen en onze zaak te bepleiten. Tot een dergelijke samenkomst is
op alle keizerlijke Rijksdagen, die in de jaren van de regering van Uwe
Keizerlijke Majesteit gehouden zijn, door Keurvorsten, Vorsten en
Standen van het Rijk na diepgaande beraadslagingen altijd met grote
eenstemmigheid besloten. Op dat concilie en op Uwe Keizerlijke
Majesteit hebben wij ons in deze veelomvattende en ernstige zaak ook al
eerder beroepen, op de juridisch juiste en voorgeschreven wijze. En bij
dat beroep zijn wij tot nu toe gebleven en wij kunnen of willen daar
ook geen afstand van doen in dit of een ander schrijven, tenzij de
kwestie op vriendelijke wijze naar de strekking van de keizerlijke
uitnodiging aan de orde is gesteld en tot christelijke eenheid hersteld
is.
Daarvan leggen wij ook hier openlijk getuigenis af.
I . Over God
Bij ons wordt in grote overeenstemming met de kerk geleerd, dat de
uitspraak van het concilie van Nicea l), dat God in wezen
één is en dat er drie personen zijn, waar is en
zonder
enige twijfel geloofd moet worden. Die uitspraak houdt in, dat er
één goddelijk wezen is, dat bestaat en genoemd
wordt:
eeuwige, onlichamelijke, ondeelbare God, onmetelijke macht, wijsheid,
goedheid, schepper en bewaarder van alle dingen, zichtbare en
onzichtbare. En toch zijn er drie personen, in wezen gelijk, met
dezelfde macht en eeuwigheid: de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.
Het woord 'personen'
wordt hier
gebruikt in die betekenis, waarin de Kerkvaders het in deze kwestie
gebruiken. Het betekent niet een deel of een eigenschap van iemand,
maar iets dat op zichzelf bestaat.
Vervloekt worden
alle ketterijen,
die tegen dit artikel te voorschijn gekomen zijn, zoals de
Manicheeën 2), die van twee goden uitgaan, een goede en een
kwade;
hetzelfde geldt voor de Valentinianen 3), de Arianen 4), de Eunomianen
5), de Mohammedanen 6) en alle vergelijkbare groepen. Ook worden de
Samosaten7 ) vervloekt, de ouden en de nieuwen, die beweren dat er
slechts één persoon is.
Zij redeneren over het Woord en de Heilige Geest listig en goddeloos,
dat het geen op zichzelf staande personen zijn, maar dat het 'Woord'
het gesproken woord betekent, en dat de 'Geest' de beweging in de
schepping veroorzaakt8).
II. Over de
erfzonde
Er wordt ook geleerd, dat na de zondeval van Adam alle mensen, die
volgens de natuur verwekt zijn, met zonde geboren worden. Dat betekent:
zonder ontzag voor God, zonder vertrouwen op God, en met slechte
begeerte. Deze ziekte of erfzonde is werkelijk een zonde, die diegenen,
die niet opnieuw geboren worden door de Doop en de Heilige Geest, tot
verderf en de eeuwige dood brengt.
Vervloekt worden de Pelagianen 9) en anderen lO), die ontkennen dat de
erfzonde een zonde is, zodat zij de eer van de verdienste en de
weldaden van Christus verkleinen. Zij beweren dat de mens zich door
eigen krachten van het verstand kan rechtvaardigen tegenover God.
III. Over de
Zoon van God
Er wordt ook geleerd dat het Woord, dat is: Gods Zoon, de menselijke
natuur aannam in de schoot van de gezegende maagd Maria, zodat twee
naturen, de goddelijke en de menselijke, in de eenheid van
één persoon onlosmakelijk verbonden zijn. Er is
één Christus, waarlijk God en waarlijk mens,
geboren uit
de maagd Maria, die waarlijk heeft geleden, die gekruisigd, gestorven
en begraven is, opdat hij de Vader met ons verzoende. Hij was niet
alleen het offer voor de erfzonde, maar ook voor alle daadwerkelijk
begane zonden van de mens. Diezelfde Christus daalde af in de hel en
stond waarlijk op, op de derde dag; vervolgens steeg hij op naar de
hemel, opdat hij aan de rechterzijde van de Vader zou zitten, en eeuwig
zou regeren en heersen over alle schepselen. Hij zal degenen die in hem
geloven heiligen, door in hun hart de Heilige Geest te zenden, die hen
regeert, troost en levend maakt, en hen beschermt tegen de duivel en de
kracht van de zonde.
Ook wordt geleerd
dat Christus
voor ieders ogen zal terugkeren, om de levenden en de doden te
oordelen, etc., zoals de Apostolische geloofsbelijdenis luidt.
IV. Over de
rechtvaardiging
Ook wordt geleerd, dat de mensen zich tegenover God niet kunnen
rechtvaardigen door hun eigen krachten, verdiensten of werken, maar dat
ze door genade gerechtvaardigd worden vanwege Christus, door het
geloof, omdat ze geloven dat ze uit genade geaccepteerd worden en dat
de zonden vanwege Christus vergeven worden, die door zijn dood
genoegdoening verschafte voor onze zonden. Dit geloof ziet God aan als
gerechtigheid tegenover hem, Rom. 3 en 4 11).
V. Over het
kerkelijk ambt
Om dit geloof te bereiken is het ambt ingesteld, dat het evangelie
leert en de sacramenten uitreikt. Want door het woord en door de
sacramenten wordt, als door werktuigen, de Heilige Geest gegeven, die,
waar en wanneer het God behaagt, geloof bewerkstelligt, in diegenen,
die het evangelie horen. Het evangelie: dat God degenen die geloven dat
zij vanwege Christus uit genade geaccepteerd worden, rechtvaardigt,
niet vanwege eigen verdiensten, maar wegens Christus. Galaten 3: 'Opdat
wij de belofte van de Geest door het geloof aannemen'.
Vervloekt worden de
Anabaptisten
en anderen, die menen dat de Heilige Geest de mensen bereikt zonder het
woord van buitenaf, maar door eigen voorbereidingen en werken.
VI. Over de
nieuwe gehoorzaamheid
Ook wordt geleerd, dat dat geloof goede vruchten moet voortbrengen en
de goede werken die door God geboden zijn moet doen, naar Gods wil,
maar niet in de overtuiging door die werken rechtvaardiging tegenover
God te verwerven. Want de vergeving van zonden en de rechtvaardiging
worden door het geloof toegeëigend, zoals ook Christus
bewijst:
'Wanneer jullie al deze dingen gedaan hebben, zegt dan: wij zijn
nutteloze slaven'. Zo leren ook de Kerkvaders. Ambrosius zegt immers:
'Dit is door God besloten, dat wie in Christus gelooft, gered wordt
zonder werken, alleen door het geloof, door uit genade de vergeving van
zonden te aanvaarden.'
VII. Over de
Kerk
Ook wordt geleerd, dat er eeuwig één heilige Kerk
moet
blijven. Want de Kerk is de gemeenschap van heiligen, waarin het
evangelie zuiver geleerd wordt, en waarin de sacramenten op de juiste
wijze worden bediend. En voor de echte eenheid van de Kerk is het
voldoende wanneer men het eens is over de leer van het evangelie en
over de bediening van de sacramenten. Het is niet noodzakelijk dat
menselijke tradities en riten of ceremoniën, die door mensen
ingesteld zijn, overal gelijk zijn, zoals Paulus zegt: 'Eén
geloof, één Doop, één God
en Vader van
allen etc.'
VIII. Wat is
de Kerk?
Hoewel de Kerk eigenlijk de vergadering van heiligen en echte gelovigen
is, is het toch toegestaan, omdat er zich in dit leven veel hypocrieten
en slechten onder gemengd hebben, de sacramenten die door slechte
gelovigen bediend zijn te ontvangen. Christus zegt immers: 'De
Schriftgeleerden en Farizeeën zitten op de stoel van Mozes
etc.'
De sacramenten en het woord zijn werkzaam omdat Christus ze ingesteld
en opgedragen heeft, ook al worden ze door slechten.
uitgereikt.
Vervloekt worden de
Donatisten
12) en vergelijkbare groepen, die ontkennen dat het toegestaan is van
de sacramentsbediening door slechte mensen gebruik te maken, en die
menen dat die bediening niet werkzaam is.
IX. Over de
Doop
Over de Doop wordt geleerd, dat die noodzakelijk is voor het heil, en
dat door de Doop Gods genade aangeboden wordt.
Ook wordt geleerd dat kinderen gedoopt moeten worden, en dat zij door
die Doop aan God aangeboden en door Hem in genade ontvangen worden.
Vervloekt worden de Anabaptisten, die de kinderdoop verwerpen, en ervan
overtuigd zijn dat kinderen zonder Doop gered worden.
X. Over de
maaltijd van de Heer
Over de maaltijd van de Heer wordt geleerd, dat lichaam en bloed van
Christus waarlijk aanwezig zijn en uitgereikt worden aan degenen die
deelnemen aan het Avondmaal.
Verworpen worden
degenen die een andere leer aanhangen.
Xl. Over de
biecht
Over de biecht wordt geleerd, dat de persoonlijke absolutie in de
Kerken gehandhaafd moet worden, hoewel het bij de biecht niet
noodzakelijk is dat alle overtredingen opgesomd worden. Dat is immers
onmogelijk, zoals de Psalm zegt: 'Wie kent de overtredingen?' (Ps.
19:13).
XII. Over de
boete
Over de boete wordt geleerd, dat zij die na de Doop zondigen ten allen
tijde vergeving van zonden krijgen, als zij zich bekeren. En er wordt
geleerd dat de Kerk aan degenen die boetvaardig terugkeren vergeving
moet schenken.
Het wezen van de boete bestaat uit deze twee delen: het ene is het
berouw of de angst van het geschokte geweten, dat de zonde erkent. Het
andere is het geloof, dat door het evangelie of de absolutie geschonken
wordt. Dat geloof vertrouwt erop dat vanwege Christus de zonden
vergeven worden, en het geweten getroost en van angsten bevrijd wordt.
Dan moeten de goede werken volgen, die de vrucht van de boete zijn.
Vervloekt worden de
Anabaptisten,
die ontkennen dat degenen die eenmaal gerechtvaardigd zijn de Heilige
Geest kunnen verliezen. Ook worden degenen vervloekt die beweren, dat
de gerechtvaardigden in dit leven een zodanige volmaaktheid bereiken,
dat zij niet kunnen zondigen. Tevens worden de Novatianen 13)
vervloekt, die weigeren om degenen, die na de Doop gezondigd hebben en
boete doen, de absolutie te geven. Ook worden diegenen verworpen, die
niet leren dat de vergeving van zonden door het geloof verkregen wordt,
maar die ons opdragen de genade door onze genoegdoeningen te verdienen.
XIII. Over het
gebruik van de sacramenten
Over het gebruik van de sacramenten wordt geleerd, dat de sacramenten
niet alleen ingesteld zijn om een onderling kenteken van de Christenen
te zijn, maar veeleer om een getuigenis te zijn van Gods wil ten
opzichte van ons. Ze zijn bedoeld om in diegenen, die ze ontvangen,
geloof op te wekken en te versterken. Daarom moet voor het ware
ontvangen van de sacramenten het geloof erbij komen, dat vertrouwt op
de beloften, die door de sacramenten aangeboden en getoond worden.
XIV. Over het
kerkelijk ambt
Over het kerkelijk ambt wordt geleerd, dat niemand in het openbaar in
de Kerk mag leren of de sacramenten uit mag reiken, tenzij hij op de
juiste wijze daartoe geroepen is.
XV. Over de
kerkelijke gebruiken
Over de kerkelijke gebruiken wordt geleerd, dat die gebruiken bewaard
moeten worden, die zonder zonde gehandhaafd kunnen blijven, en die
bijdragen tot rust en goede orde in de Kerk, zoals bepaalde vieringen,
feesten en dergelijke dingen. Laten de mensen bij zulke zaken ervoor
gewaarschuwd zijn dat zij hun geweten er niet mee belasten, alsof ze
noodzakelijk zijn voor het heil. Laten zij er ook voor gewaarschuwd
zijn dat menselijke tradities die ingesteld zijn om God met ons te
verzoenen, om de genade te verwerven, en om genoegdoening te
verschaffen voor de zonden, tegen het evangelie en de geloofsleer
ingaan. Daarom zijn geloften en regels met betrekking tot voedsel en
vastendagen, die ingesteld zijn om de genade te verwerven en om
genoegdoening voor de zonden te verschaffen, nutteloos en in
tegenspraak met het evangelie.
XVI. Over
burgerlijke zaken
Over burgerlijke zaken wordt geleerd, dat wettelijke burgerlijke
ordeningen goede instellingen van God zijn, en dat het Christenen
toegestaan is een wereldlijk ambt te bekleden, zaken naar keizerlijk en
ander geldend recht te beoordelen, naar het recht doodstraffen uit te
spreken, naar het recht oorlog te voeren, soldaat te zijn, verdragen af
te sluiten, eigendom te hebben, een eed te zweren als dat van
overheidswege wordt geëist, zich een vrouw te nemen, te
trouwen.
Vervloekt worden de
Anabaptisten,
die de Christen deze burgerlijke ambten verbieden. Ook worden diegenen
vervloekt, die de evangelische volmaaktheid niet zoeken in het ontzag
voor God en in het geloof, maar in het opgeven van de burgerlijke
ambten, omdat het evangelie de innerlijke rechtvaardigheid leert. Maar
het evangelie vlakt de wereldlijke regering en het staatsleven niet
uit, maar eist dat die, als instellingen van God, zo goed mogelijk in
stand gehouden worden, en dat de daarmee verbonden ambten liefdevol
uitgeoefend worden. Daarom moeten Christenen het als een noodzaak zien
om overheden en wetten te gehoorzamen, tenzij deze bevelen te zondigen.
Dan moeten ze God meer gehoorzamen dan de mensen (Handelingen 5:29).
XVII. Over de
wederkomst van Christus om te oordelen
Ook wordt geleerd, dat Christus aan het einde der tijden zal
verschijnen om te oordelen, en alle doden zal opwekken. De gelovigen en
uitverkorenen zal hij het eeuwige leven en eeuwige vreugde schenken. De
ongelovigen en de duivels zal hij verdoemen, zij zullen zonder einde
gepijnigd worden.
Vervloekt worden de
Anabaptisten,
die menen dat er een einde aan de toekomstige straffen voor verdoemde
mensen en duivels zal zijn. Vervloekt worden ook anderen, die de joodse
opvatting verbreiden dat vóór de opstanding van
de doden
de gelovigen de wereldheerschappij in handen zullen krijgen, en de
goddelozen overal verdrukt zullen worden.
XVIII. Over de
vrije wil
Over de vrije wil wordt geleerd, dat de menselijke wil een zekere
vrijheid heeft om burgerlijke rechtvaardigheid tot stand te brengen, en
om een keuze te maken in zaken die aan het verstand onderworpen zijn.
Maar de wil heeft zonder de Heilige Geest niet de kracht om de
geestelijke rechtvaardigheid tot stand te brengen, omdat de mens van
nature niet inziet wat uit Gods Geest is. Dat gebeurt in het hart,
wanneer de mens door het Woord de Heilige Geest ontvangt.
Augustinus zegt dat met zoveel woorden in boek III van de
Hypognosticon:
'Wij geven toe dat alle mensen een vrije wil hebben, een zeker redelijk
oordeel.
Maar daardoor zijn ze nog niet in staat in zaken die op God betrekking
hebben, zonder God iets te beginnen, laat staan te volbrengen. Ze zijn
slechts in staat te beslissen over de zaken van het huidige leven, ten
goede en ten kwade.
Goed noem ik die dingen, die uit een goede gezindheid voortkomen zoals:
willen werken op de akker, willen eten en drinken, een vriend willen
hebben, een huis willen bouwen, een vrouw willen trouwen, vee houden,
de kunst om de verschillende goede dingen te onderscheiden. Kortom, de
wil tot alle goede dingen die betrekking hebben op het huidige leven.
Al die dingen blijven niet bestaan zonder dat God ze bestuurt, ze zijn
immers ontstaan en bestaan uit Hem en door Hem. Kwade dingen noem ik:
een afgod willen dienen, een moord willen plegen etc.' 14)
XIX. Over de
oorzaak van de zonde
Over de oorzaak van de zonde wordt geleerd dat, hoewel God de natuur
schept en bewaart, toch de wil van de slechten, zoals de duivel en de
goddelozen, de oorzaak van de zonde is. Die wil keert zich, zonder Gods
hulp, van God af, zoals Christus zegt: 'Wanneer hij een leugen spreekt,
spreekt hij zoals hem eigen is.' (Joh. 8:44)
XX. Over het
geloof en de goede werken
Ten onrechte worden de onzen ervan beschuldigd, dat zij goede werken
verbieden. Want hun geschriften over de tien geboden en andere
vergelijkbare geschriften leveren afdoende bewijs dat zij nuttig
onderricht gegeven hebben over alle beroepen en ambten. Zij hebben
geleerd welke manieren van leven en welke werken God in de
verschillende beroepen welgevallig zijn. Over die zaken leerden de
predikers vroeger weinig, maar zij drongen des te sterker aan op
kinderachtige en niet noodzakelijke werken, zoals bepaalde feestdagen
en vastenperiodes, broederschappen 15), pelgrimstochten,
heiligenvereringen, rozenkransen, het kloosterleven en dergelijke. Onze
tegenstanders, die daar door ons op gewezen zijn, hebben er afstand van
genomen en propageren deze nutteloze werken niet meer zozeer als
vroeger. Zij beginnen ook het geloof te noemen, waarover vroeger een
verbazend stilzwijgen heerste. Zij leren ons dat wij niet alleen door
werken gerechtvaardigd worden, maar verbinden geloof en werken, en
zeggen dat wij door geloof én werken gerechtvaardigd worden.
En die leer is verdraaglijker dan de vroegere, en kan meer troost
verschaffen dan hun oude leer.
Omdat nu de leer
over het geloof,
die in de Kerk het voornaamste moet zijn, zo lang ongeacht is blijven
liggen - want iedereen moet toegeven dat er in de preken een volledig
stilzwijgen heerste over de rechtvaardiging uit het geloof, alleen de
leer over de werken circuleerde in de Kerk - hebben de onzen de
gemeente over het geloof als volgt onderwezen:
Ten eerste, dat onze
werken ons
niet met God kunnen verzoenen of vergeving van zonden en genade kunnen
verdienen. Die krijgen we alleen door het geloof, door erop te
vertrouwen dat we vanwege Christus in genade aangenomen worden. Want
Hij alleen is aangesteld als middelaar en zoenoffer, waardoor men met
de Vader verzoend wordt. Daarom wijst diegene, die erop vertrouwt door
werken de genade te verdienen, Christus' verdienste en genade af.
Hij zoekt zonder Christus door middel van menselijke kracht een weg
naar God, hoewel Christus over zichzelf zei: 'Ik ben de weg, de
waarheid en het leven' (Joh. 14:6). Deze leer over het geloof wordt
overal bij Paulus behandeld:
'Door genade zijn jullie gered, door het geloof, en niet uit werken
etc.' (Efeze 2:8). En laat niemand zichzelf wijsmaken dat wij een
nieuwe uitleg van Paulus gevonden hebben, deze opvatting wordt volledig
gesteund door de Kerkvaders 16). Want Augustinus verdedigt in veel
boeken de genade en de rechtvaardigheid uit het geloof tegen de
verdiensten van de werken. En iets van gelijke strekking leert
Ambrosius l6) in 'De vocatione gentium'. Zo begint immers 'De vocatione
gentium': 'De verlossing door het bloed van Christus zou waardeloos
zijn, en de voorrang van Gods erbarmen boven de menselijke werken zou
vervallen als de rechtvaardiging, die door de genade bewerkstelligd
wordt, door voorafgaande verdiensten verworven zou worden. Dan zou de
genade geen geschenk zijn van degene die geeft, maar loon van degene
die werkt'.
Hoewel deze leer
door degenen die
niet door de aanvechting heen zijn gegaan, veracht wordt, ondervinden
mensen met een vroom en angstig geweten hoeveel troost deze leer kan
brengen. Want het geweten kan door geen enkel werk tot rust komen, maar
alleen door het geloof, wanneer het ervan verzekerd is, dat het vanwege
Christus Gods behagen heeft, zoals Paulus' Romeinen 5 leert:
'Gerechtvaardigd door het geloof hebben wij vrede met God' (Rom. 5:1).
Deze hele leer moet teruggevoerd worden op de strijd van het hevig
verschrikte geweten, en kan zonder die strijd niet begrepen worden.
Daarom oordelen onervaren en goddeloze mensen slecht over deze leer.
Zij beelden zich in dat de christelijke rechtvaardigheid niets anders
is dan de burgerlijke of filosofische rechtvaardigheid.
Vroeger werd het
geweten gekweld
met de leer van de werken en hoorde het de troost uit het evangelie
niet. Sommigen werden door het geweten in de eenzaamheid gedreven, in
de kloosters, in de hoop daar de genade te verdienen door het
kloosterleven. Anderen verzonnen andere werken om genade en
genoegdoening voor de zonden te verwerven. Daarom was het
hoogstnoodzakelijk deze leer over het geloof in Christus te verkondigen
en te vernieuwen, opdat de troost voor het angstige geweten niet zou
ontbreken, maar men zou weten, dat door het geloof in Christus genade
en vergeving van zonden gegrepen kunnen worden.
De mensen worden er
ook aan
herinnerd, dat dit woord 'geloof' niet alleen 'kennis van een gebeuren'
betekent, die kennis hebben de ongelovigen en de duivel ook. Maar het
duidt een geloof aan, dat niet alleen een gebeuren voor waar houdt,
maar ook op de werking van dat gebeuren vertrouwt. Bij dit
geloofsartikel over de vergeving van zonden betekent dat, dat wij door
Christus genade, rechtvaardigheid en vergeving van zonden krijgen. Wie
dan weet dat hij door Christus een Vader heeft die hem gunstig gezind
is, die kent God waarlijk, weet dat God zorg voor hem draagt, die roept
Hem te hulp, kortom, hij is niet zonder God zoals de heidenen. Want de
duivel en de ongelovigen kunnen niet op dit geloofsartikel, de
vergeving van zonden, vertrouwen. Daarom haten zij God als een vijand,
roepen Hem niet te hulp, verwachten niets goeds van Hem.
Ook Augustinus leert op deze manier over het begrip 'geloof'. Hij leert
dat in de Heilige Schrift het woord geloof niet gebruikt wordt in de
betekenis van 'kennis', zoals bij de ongelovigen, maar in de betekenis
van 'vertrouwen', het vertrouwen dat troost en hevig verschrikte zielen
opricht.
Verder leren de
onzen, dat het
noodzakelijk is goede werken te doen, niet in het vertrouwen daarmee de
genade te verdienen, maar omdat God het wil. Alleen door het geloof
worden vergeving van zonde en genade verkregen. En omdat door het
geloof de Heilige Geest ontvangen wordt, wordt het hart vernieuwd en
met een nieuwe genegenheid gevuld, zodat het goede werken kan
voortbrengen. Zo zei Ambrosius het immers: 'Het geloof is de moeder van
de goede wil en van het rechtvaardig handelen'. Want de menselijke
krachten zijn zonder de Heilige Geest vol van goddeloze neigingen, en
te zwak om goede werken, naar Gods wil, te doen. Bovendien zijn ze in
de macht van de duivel, die de mens tot allerlei zonden dwingt; tot
goddeloze opvattingen, tot onmiskenbare misdaden. Dat is te zien aan de
filosofen, die zich inspanden om eerlijk te leven en dat niet konden
bereiken, maar besmet waren met allerlei onmiskenbare gebreken. Zo is
de zwakheid van de mens die zonder geloof en zonder de Heilige Geest
leeft, en zich laat regeren door menselijke krachten.
Hiermee is duidelijk
aangetoond
dat deze leer er niet van beschuldigd kan worden, dat hij goede werken
verbiedt. Maar hij moet juist geprezen worden, omdat hij aantoont hoe
goede werken gedaan moeten worden. Want zonder geloof kan de menselijke
natuur op geen enkele wijze de werken van het eerste en het tweede
gebod doen. Zonder geloof roept hij God niet te hulp, verwacht hij
niets van God, draagt hij het kruis niet, maar zoekt hij hulp bij
mensen en vertrouwt daarop. Zo heersen in het hart alle begeerten en
menselijke inzichten, wanneer er geen geloof en vertrouwen op God is.
En daarom zegt Christus: 'Zonder Mij kunnen jullie niets doen', Joh.
15. En de Kerk zingt:
Zonder uw naam, is er niets in de mens, niets dat onschadelijk is. 17)
XXI. Over de
heiligenverering
Over de heiligenverering wordt geleerd, dat het gedenken van heiligen
ertoe kan dienen hun geloof na te volgen, en de goede werken die zij in
hun beroep deden. Zo kon de Keizer het voorbeeld van David in
oorlogvoering volgen, om de Turken uit zijn vaderland te verdrijven.
Want ze waren allebei koning.
Maar de Heilige
Schrift leert
niet dat heiligen aangeroepen moeten worden, of dat om hulp van
heiligen gesmeekt moet worden, omdat de Heilige Schrift ons alleen
Christus als middelaar, zoenoffer, priester en tussenpersoon voorhoudt.
Hij moet te hulp geroepen worden, en hij heeft beloofd onze gebeden te
verhoren. Déze verering beveelt hij zeer aan: hij wil te
hulp
geroepen worden in alle verdriet. 1 Joh. 2: 'Als iemand zondigt, hebben
wij een voorspraak bij God etc.' (1 Joh. 2:1).
Dit is zo ongeveer onze hele leer, waarin niets te ontdekken valt dat
afwijkt van de leer van de Heilige Schrift of van de katholieke Kerk
l8) of van de roomse kerk, voorzover wij die kennen uit de geschriften
van de theologen. En aangezien dat een feit is oordelen diegenen, die
eisen dat wij als ketters beschouwd worden, onrechtvaardig. Het hele
meningsverschil betreft een klein aantal misbruiken, die zonder
duidelijke toestemming in de kerken binnengeslopen zijn. En als
daarover enig verschil van mening zou zijn, dan zouden de bisschoppen
zo mild moeten zijn dat zij de onzen tolereren vanwege de belijdenis,
die wij zojuist uiteengezet hebben. Want de kerkelijke voorschriften
zijn nooit zo hard dat zij overal dezelfde gebruiken eisen, en de
gebruiken van alle kerken waren ook nooit identiek. Bij ons worden
overigens zoveel mogelijk de oude gebruiken zorgvuldig bewaard. Het is
dan ook een gemene aantijging dat wij alle ceremoniën, alle
oude
gewoonten in onze kerken afgeschaft zouden hebben. Maar de algemene
klacht was dat zich bepaalde misbruiken aan de gangbare gewoonten
hadden gehecht. Die zijn, omdat ze niet met een goed geweten aanvaard
konden worden, in zekere mate verbeterd.
Onze kerken wijken in geen enkel geloofsartikel af van de katholieke
kerk, ze verwijderden slechts een aantal misbruiken, die nieuw zijn en
die in strijd met de bedoeling van de kerkelijke wetten in de loop der
tijden abusievelijk zijn ingevoerd.
Daarom vragen we Uwe
Keizerlijke
Majesteit genadig aan te horen, wat er veranderd is en wat de oorzaken
daarvan waren, opdat het volk niet gedwongen wordt zich aan die
misbruiken, tegen het geweten in, te houden. Laat Uwe Keizerlijke
Majesteit niet diegenen geloven, die om de haat tegen de onzen aan te
wakkeren, verbazende lasterpraat onder het volk verspreiden. Op die
manier raakten goede mensen geïrriteerd, en zo gaven zij
aanleiding tot deze onenigheid. En met hetzelfde kunstje proberen ze nu
de tweedracht te vergroten. Want Uwe Keizerlijke Majesteit zal zonder
twijfel tot de conclusie komen dat de vorm van de leer en van de
ceremoniën bij ons verdraaglijker is dan zoals vijandige en
kwaad
willende mensen deze beschrijven. Men komt de waarheid niet op het
spoor door de gangbare geruchten en verdachtmakingen van onze vijanden.
Maar het is eenvoudig in te zien, dat niets méér
kan
bijdragen tot het bewaren van de waardigheid van de ceremoniën
en
tot het bevorderen van eerbied en vroomheid onder het volk dan het op
de juiste wijze vieren van de ceremoniën in de kerken.
XXII. Over de
beide gestalten
Aan leken worden beide gestalten van het sacrament gegeven bij de
maaltijd des Heren, omdat deze gewoonte door de Heer bevolen wordt; Mt.
26: 'Drinkt allen hier uit' (Mt. 26:27). Daar schrijft Christus
duidelijk voor, dat allen uit de beker moeten drinken. En laat niemand
zichzelf wijsmaken dat dat alleen betrekking heeft op de priesters.
Paulus noemt de Corinthiërs een voorbeeld waaruit duidelijk
blijkt
dat de hele Kerk beide gestalten ontving (1 Cor. 11:20-30). Deze
gewoonte bleef in de Kerk lang in stand, en het staat niet vast wanneer
of door wie dit veranderd is, ook al noemt de kardinaal van Kues,
wanneer de verandering goedgekeurd is 19). Cyprianus laat op een aantal
plaatsen zien dat het bloed aan het volk uitgereikt werd. Van hetzelfde
getuigt Hieronymus, die zegt: 'De priesters delen de eucharistie uit en
verdelen het bloed van Christus onder het volk'. Zelfs Paus Gelasius
beveelt dat er in het sacrament geen scheiding mag zijn. (Distinctio 2,
over de consecratie, het hoofdstuk dat begint met Comperimus) 20)
Alleen de gewoonte, die niet zo oud is, denkt er anders over. Het staat
echter vast dat een gewoonte, die tegen Gods gebod ingevoerd is, niet
goedgekeurd mag worden, zoals de kerkelijke wetten bewijzen.
(Distinctio 8, het hoofdstuk dat begint met Veritate, en wat daarop
volgt).
Deze gewoonte gaat evenwel niet alleen tegen de Heilige Schrift, maar
ook tegen de oude kerkelijke wetten in en is in strijd met het
voorbeeld van de Kerk gebruik geworden. Daarom had men diegenen, die
het sacrament in beide gestalten wensten te ontvangen, niet mogen
dwingen het anders te doen, in strijd met hun geweten. En omdat de
scheiding tussen de elementen van het sacrament niet in overeenstemming
is met Christus' opdracht, is het bij ons gewoonte de processie, die
men tot nu toe pleegt te houden, te laten vervallen. 21)
XXIII. Over
het priesterhuwelijk
Er werd algemeen geklaagd over het slechte voorbeeld van priesters die
zich niet aan het celibaat hielden. Daarom, zegt men, heeft Paus Pius
verklaard dat er bepaalde redenen zijn waarom priesters het huwelijk
ontzegd is. Maar er zijn veel gewichtiger redenen om hun het recht om
te trouwen terug te geven.
Zo schrijft Platina immers. Omdat de priesters bij ons openlijke
ergernis willen vermijden, treden zij in het huwelijk, en leren dat het
hun toegestaan is te trouwen. Ten eerste omdat Paulus zegt: 'Een ieder
heeft zijn vrouw met het oog op de ontucht' (1 Cor. 7:2). Idem: 'Het is
beter te trouwen dan door hartstocht verteerd te worden' (1 Cor. 7:9).
Ten tweede: Christus zegt: 'Niet allen begrijpen deze uitspraak' (Mt.
19:11). Daar leert Hij dat niet alle mensen geschikt zijn voor het
celibaat, omdat God de mens voor de voortplanting schiep, Gen. 1. En de
mens heeft niet het vermogen, zonder een bijzondere gave en hulp van
God, de schepping te veranderen. Daarom moeten zij die niet geschikt
zijn voor het celibaat trouwen. Geen enkele menselijke wet, geen enkele
gelofte, kan Gods gebod en zijn ordening opheffen. Om die redenen leren
de priesters dat het hun toegestaan is in het huwelijk te treden.
Het staat vast dat
ook in de oude
Kerk de priesters gehuwd waren. 22) Paulus zegt ook, dat iemand die
getrouwd is, tot bisschop gekozen moet worden. En in Duitsland werden
de priesters 400 jaar geleden voor het eerst met geweld gedwongen tot
het celibaat. Zij waren daar echter dusdanig tegen gekant, dat de
aartsbisschop van Mainz 23), die van plan was het bevel van de bisschop
van Rome over deze zaak openbaar te maken, bijna door woedende
priesters in een oproer omgebracht werd. De zaak werd zo onmenselijk
doorgevoerd, dat niet alleen toekomstige huwelijken verboden werden,
maar dat ook al bestaande ontbonden moesten worden, in strijd met ieder
goddelijk en menselijk recht, en in strijd met de kerkelijke
voorschriften, die niet alleen door de pausen, maar ook door de grote
concilies opgesteld zijn.
En nu de menselijke
natuur in
deze wereld, die op z'n einde loopt langzamerhand zwakker wordt, is het
nodig voorzorgsmaatregelen te treffen, opdat er niet meer misstanden
binnensluipen in Duitsland. God stelde het huwelijk in, opdat het een
redmiddel zou zijn tegen de menselijke zwakheid. Zelfs de kerkelijke
voorschriften menen dat de oude strengheid in later tijden met het oog
op de zwakheid van de mensen verzacht moet worden. Het is te hopen dat
dat ook op dit punt zal gebeuren. Het is te voorzien dat er in de
toekomst kerken zonder herders zullen zijn, als het huwelijk nog langer
verboden blijft.
Aangezien Gods gebod
duidelijk
is, en de gewoonte van de oude Kerk bekend is, aangezien een onzuiver
celibaat veel ergernis veroorzaakt - echtbreuk en andere misstappen,
die de aandacht van een goede overheid verdienen - is het verwonderlijk
dat nergens strenger tegen opgetreden wordt dan tegen het trouwen van
priesters. God heeft geboden het huwelijk te eren; de wetten, ook bij
de heidenen, geven het huwelijk de hoogste eer. En nu worden de mensen
met enorme straffen belast, vooral de priesters, in strijd met de
kerkelijke voorschriften, om geen andere reden dan het huwelijk. Paulus
noemt de leer die het huwelijk verbiedt demonisch, 1 Tim. 4. Dat is
gemakkelijk te begrijpen, nu het verbod om te trouwen met zulke zware
straffen verdedigd wordt.
Zoals geen enkele
menselijke wet
Gods gebod kon opheffen, zo kan ook geen gelofte Gods gebod opheffen.
Daarom raadt Cyprianus vrouwen die de kuisheidsgelofte niet kunnen
houden aan te trouwen. Hij zegt het als volgt, in het eerste boek van
zijn brieven, brief XI: 'Als zij de gelofte niet kunnen of willen
houden, is het beter dat zij trouwen dan dat zij door hun lusten in het
vuur vallen. Maar laten zij vooral hun broeders of zusters geen
aanstoot geven'.
Tenslotte, de kerkelijke voorschriften betrachten terughoudendheid
jegens diegenen, die vóór de daartoe geschikte
leeftijd
de gelofte hebben afgelegd, hetgeen tot nu toe meestal het geval is.
XXIV. De mis
Onze kerken worden er ten onrechte van beschuldigd, dat zij de mis
afschaffen. De mis wordt echter bij ons in ere gehouden, en met de
grootste eerbied gevierd. Bijna alle gebruikelijke ceremoniën
houden wij in stand, alleen worden op bepaalde plaatsen aan de Latijnse
gezangen Duitse toegevoegd, met het doel het volk te onderwijzen. Want
de ceremoniën zijn vooral nodig om diegenen, die niet op de
hoogte
zijn, te leren. Paulus schrijft voor dat in de Kerk een taal gebruikt
moet worden die het volk begrijpt. Het volk is eraan gewend geraakt het
sacrament gezamenlijk te ontvangen, na een voorbereiding daarop.
Dit draagt bij tot de eerbied en de vrome beleving van de openbare
ceremoniën.
Want niemand wordt
toegelaten,
als hij niet van tevoren (in de biecht) onderzocht en gehoord is. Ten
aanzien van het waardige en op de juiste wijze ontvangen van het
sacrament wordt de mensen voorgehouden hoeveel troost dat een
beangstigd geweten brengt, opdat zij leren in God te geloven en alle
goeds van God te verwachten en te vragen. Zo'n viering behaagt God, als
het sacrament zo ontvangen wordt, bevordert dat het ontzag voor God.
Daarom is het duidelijk dat de missen bij onze tegenstanders niet met
,meer eerbied gevierd worden dan bij ons. ' Het staat vast dat er al
sinds lange tijd door alle goedgezinden openlijk en hevig over geklaagd
is, dat de mis op schandelijke wijze ontheiligd wordt, gebruikt om geld
te verdienen. Dat is geen verborgen zaak, maar dit misbruik is
duidelijk zichtbaar in alle heiligdommen, waar alleen voor de opbrengst
of vanwege een legaat missen opgedragen worden. Paulus spreekt
dreigende taal tot degenen die op onwaardige wijze omgaan met de
eucharistie, wanneer hij zegt: 'Wie dit brood onwaardig eet of de beker
van de Heer onwaardig drinkt, maakt zich schuldig aan het lichaam en
bloed van de Heer' (1 Cor. 11 :27). Daarom worden de priesters bij ons
gewaarschuwd voor deze zonde en zijn er bij ons geen privaatmissen,
omdat er bijna geen privaatmissen om een andere reden dan om het geld
gehouden worden. Van deze misbruiken waren de bisschoppen wel degelijk
op de hoogte, en als zij die misbruiken op tijd hadden gecorrigeerd was
er nu minder verschil van mening. Zij hebben vroeger de ogen gesloten,
en zo hebben zij vele kwalijke zaken de Kerk binnen laten sluipen. Nu
het te laat is beginnen zij te jammeren over rampen in de Kerk, terwijl
deze onrust nergens anders uit voortgekomen is dan uit die misbruiken,
die zo duidelijk waren dat ze nauwelijks meer verdragen konden worden.
Er zijn grote meningsverschillen over de mis en de sacramenten
ontstaan, en zo moet misschien de hele wereld boete doen voor een
dergelijke langdurige ontheiliging van de mis, die zij, die daarin
verbetering hadden kunnen en moeten brengen, zoveel eeuwen hebben laten
gebeuren. Want in de tien geboden staat geschreven: 'Wie de naam van
God misbruikt zal niet ongestraft blijven' (Ex. 20:7). En vanaf het
begin van de wereld schijnt geen enkele zaak zo tot een geldkwestie te
zijn geworden als de mis.
Daar kwam de
opvatting bij, die
de privaatmissen tot in het oneindige deed toenemen, namelijk dat
Christus door zijn lijden genoegdoening verschaft heeft voor de
erfzonde, en de mis heeft ingesteld om als offer te dienen voor de
dagelijkse overtredingen, zowel voor doodzonden als voor andere zonden.
Daaruit kwam de algemene opvatting voort, dat de mis een werk is dat de
zonden van levenden en doden uitwist, zonder meer door het bedienen
ervan. 24) Daaruit ontstond de discussie, of een mis die voor velen
gelezen werd, evenveel baatte als een voor iedereen afzonderlijk
gelezen mis. Deze discussie veroorzaakte die oneindige hoeveelheid
missen.
Over die opvattingen
hebben de
onzen geleerd, dat ze in strijd zijn met de Heilige Schrift en de
heerlijkheid van het lijden van Christus te kort doen.
Want het lijden van Christus was niet alleen het offer en de
genoegdoening voor de erfschuld, maar ook voor alle andere zonden,
zoals in Hebreeën geschreven staat: 'Wij zijn eens en voor
altijd
geheiligd door het offer van het lichaam van Christus' (Heb. 10: 10).
En ook: 'Door één offer heeft Hij voor eeuwig
degenen die
geheiligd zijn heel gemaakt' (Heb. 10: 14).
De Schrift leert ons
ook dat wij
tegenover God gerechtvaardigd zijn door het geloof in Christus. Als het
bedienen van de mis zonder meer de zonden van levenden en doden
uitwist, wordt de rechtvaardigheid ons deel door het houden van de mis,
niet door het geloof, hetgeen de Schrift niet toelaat.
Maar Christus beveelt de mis te houden, om hem te gedenken. De mis is
ingesteld, opdat het geloof in hen, die het sacrament ontvangen, weer
beseft wat voor weldaden het door Christus heeft ontvangen, en zo het
angstige geweten opricht en troost. Want dit is Christus gedenken: zijn
weldaden gedenken, en voelen dat die werkelijk aan ons bewezen zijn.
Het is immers niet genoeg te gedenken wat er gebeurd is, dat kunnen ook
de Joden en de goddelozen. Maar de mis moet gehouden worden om het
sacrament uit te reiken aan diegenen, die troost nodig hebben, zoals
Ambrosius zegt: 'Omdat ik altijd zondig, moet ik altijd een
geneesmiddel ontvangen' .
Omdat de mis bestaat
uit het
deelhebben aan het sacrament, houdt men bij ons vast aan
één gezamenlijke mis, op de verschillende
feestdagen en
ook op andere dagen, als er mensen zijn die het sacrament willen
ontvangen. In dat geval wordt het aan degenen die erom vragen
uitgereikt. En deze gewoonte is niet nieuw in de Kerk. De kerkvaders
voor Gregorius maken immers geen melding van privaatmissen, maar over
de gezamenlijke mis spreken zij vaak.
Chrysostomus zegt: 'Dagelijks staat de priester bij het altaar,
sommigen nodigt hij uit ter communie, anderen weert hij af' . En uit de
oude kerkelijke verordeningen blijkt dat er één
de mis
celebreerde, van wie de overige priesters en diakenen het lichaam van
de Heer ontvingen. Zo luiden immers de woorden van de bepaling van
Nicea: 'Laten de diakenen naar rangorde na de priesters de Heilige
Communie van de bisschop of van de priester ontvangen'. En Paulus
beveelt over de communie dat men op elkaar moet wachten, opdat men
gezamenlijk deelneemt (1 COL 11 :33).
Aangezien de mis bij
ons gehouden
wordt naar het voorbeeld van de Kerk, gebaseerd op de Schrift en de
kerkvaders, vertrouwen wij erop dat men er geen aanmerkingen op kan
hebben, vooral omdat de ceremoniën voor het grootste deel in
stand
gehouden worden.
Alleen het aantal
missen wijkt
af, maar vanwege de zeer grote en overduidelijke misbruiken zou een
hervorming hier zeker op zijn plaats zijn. Want vroeger werd zelfs in
de drukste kerken niet dagelijks de mis gehouden, zoals de Historia
Tripartita, boek 9, bewijst: 'In Alexandrië daarentegen wordt
op
woensdag en vrijdag uit de Heilige Schrift gelezen en geleerden geven
daarover uitleg, en dat alles gebeurt zonder de plechtige viering van
het misoffer'. 25)
XXV. Over de
Biecht
De Biecht is in onze kerken niet afgeschaft. Want men is gewoon het
lichaam van de Heer alleen uit te reiken aan degenen die van tevoren
gebiecht en absolutie ontvangen hebben. En het volk wordt zorgvuldig
onderwezen over het vertrouwen op de absolutie, waarover in vroeger
tijden groot stilzwijgen heerste. De mensen wordt geleerd de absolutie
zeer hoog te achten, omdat hier Gods stem en Gods bevel klinkt. De
sleutelmacht wordt in ere gehouden, en er wordt aan herinnerd hoeveel
troost die een angstig geweten schenkt.
Ook wordt eraan
herinnerd dat God
geloof vraagt, in die zin dat men op de absolutie vertrouwt alsof het
Gods stem is die uit de hemel klinkt. Dat geloof bereikt en ontvangt
waarlijk de vergeving van zonden. Vroeger werden de genoegdoeningen
mateloos op de voorgrond gesteld, maar het geloof in Christus, Zijn
verdiensten en de rechtvaardigheid uit het geloof werden niet genoemd.
Op dat punt treft onze kerken geen blaam. Want zelfs onze tegenstanders
moeten wel erkennen dat de leer over de boetedoening bij ons zorgvuldig
behandeld en naar voren gebracht wordt. Maar over de Biecht wordt
geleerd dat een opsomming van overtredingen niet noodzakelijk is. Het
geweten hoeft zich er niet mee te belasten of alle overtredingen
opgesomd zijn, omdat het onmogelijk is alle overtredingen te noemen,
zoals de Psalm bewijst:
'Wie kent de
overtredingen?' (Ps.
19:13). En Jeremia: 'Het menselijk hart is slecht en ondoorgrondelijk'
(Jer. 17:9). Als de zonden niet vergeven worden, tenzij ze genoemd
zijn, kan het geweten nooit tot rust komen, omdat men zeer veel zonden
niet beseft of zich kan herinneren. De oude theologen getuigen er ook
van dat een dergelijke opsomming niet noodzakelijk is. Want in de
Decreten wordt Chrysostomus geciteerd, die zegt: 'Ik zeg niet, dat je
je in de openbaarheid moet begeven en jezelf in het bijzijn van anderen
moet beschuldigen. Maar ik wil dat je de profeet gehoorzaamt,. die
zegt: "Openbaar je doen en laten voor God". Belijd dus je zonden voor
God, de ware rechter, in het gebed. Noem je overtredingen niet met je
tong, maar in je geweten, dat ze zich herinnert'. En de glosse over de
boetedoening, Distinctio 5, in het hoofdstuk Consideret geeft toe dat
de biechtpraktijk op menselijk recht gebaseerd is. Maar de Biecht wordt
bij ons in stand gehouden, vanwege de zeer grote zegen van de
absolutie, en vanwege alle verdere hulp die het geweten daaruit
ontvangt.
XXVI. Over het
onderscheid der spijzen
Het was de overtuiging van het volk en van de leraren in de kerken dat
het onderscheid der spijzen en vergelijkbaar menselijke tradities
nuttige werken zijn, waarmee genade en genoegdoening voor zonden
verdiend kunnen worden.
Dat de wereld het zo opvatte blijkt uit het feit dat er dagelijks
nieuwe ceremoniën, nieuwe regels, nieuwe feestdagen en nieuwe
vastendagen ingesteld werden. De geleerde heren in hun heiligdommen
hebben uitgemaakt dat deze werken noodzakelijk waren om de genade te
verdienen, en zij hebben het geweten angst aangejaagd als men er iets
van naliet.
Door die overtuiging met betrekking tot de tradities zijn misstanden in
de Kerk ontstaan.
Ten eerste is de
leer over de
genade en de rechtvaardigheid uit het geloof verduisterd, die de kern
van het evangelie is, en die in de Kerk boven alles uit moet steken en
op de voorgrond moet treden. Zo kan Christus' verdienste op de juiste
wijze erkend worden en het geloof, dat erop vertrouwt dat de zonden
vanwege Christus vergeven worden, ver boven de werken en boven alle
andere manieren om God te dienen, gesteld worden. Daarom legt Paulus
hier ook de nadruk op, hij ruimt de wet en de menselijke tradities uit
de weg, om aan te tonen dat de christelijke rechtvaardigheid iets
anders is dan wat voor werken ook. Die rechtvaardigheid is namelijk het
geloof, dat erop vertrouwt dat wij vanwege Christus in genade
aangenomen worden. Die leer van Paulus is bijna helemaal weggedrukt
door de tradities, die resulteerden in de opvatting dat de genade en de
rechtvaardigheid door onderscheid van spijzen en dergelijke leefregels
verdiend moesten worden. Bij de boetedoening werd niet over het geloof
gesproken, maar werden alleen werken ter genoegdoening opgedragen.
Men meende dat de hele boetedoening daaruit bestond.
Ten tweede: Deze
tradities hebben
Gods voorschriften verduisterd, omdat men aan de tradities verre de
voorkeur gaf boven Gods voorschriften. Men meende dat het christen-zijn
geheel bestond uit het in acht nemen van bepaalde feestdagen, rituelen,
vastendagen, en een bepaalde manier van kleden. Deze godsdienstige
leefregels waren verbonden met eervolle titels, want zij stonden garant
voor een geestelijk en volmaakt leven. Ondertussen stonden Gods geboden
ten aanzien van het dagelijks werk totaal niet in aanzien; bijvoorbeeld
dat de vader des huizes zijn kroost opvoedde, dat de moeder kinderen
baarde, dat de vorst het land regeerde. Dat soort dingen beschouwde men
als wereldlijke en onvolmaakte werken, veel minder waard dan die
prachtige godsdienstige leefregels. Die dwaling brak mensen met een
vroom geweten bijna op; ze treurden erover dat ze een onvolmaakt leven
moesten lijden, in het huwelijk, in ambten of in andere burgerlijke
functies. En ze bewonderden monniken en dergelijken, en meenden
abusievelijk dat de leefregels van diegenen God welgevalliger waren.
Ten derde: De
tradities hebben
grote gevaren voor het geweten veroorzaakt, omdat de mensen zich
onmogelijk aan alle tradities konden houden, en toch van mening waren
dat die leefregels noodzakelijk waren om God te dienen.
Gerson schrijft dat velen aan vertwijfeling ten prooi gevallen waren en
enkelen zelfs zelfmoord pleegden, omdat ze meenden dat ze niet aan de
eisen van de tradities konden voldoen. Ondertussen hoorden ze niets
over de troost van de rechtvaardigheid uit het geloof en over de
genade.
Wij zien dat de schrijvers van Summa's 26) en theologen de tradities
verzamelen en verzachting 27) van de regels zoeken, om het geweten op
te beuren. Maar zij slagen daar niet voldoende in, en brengen het
geweten ondertussen nog meer in het nauw. De theologische scholen en de
predikers waren zo druk bezig met het verzamelen van tradities, dat er
geen tijd over was om de Schrift ter hand te nemen en een nuttige leer
te zoeken over het geloof, het kruis, de hoop, de waardigheid van
wereldlijke zaken, en de troost voor het geweten in zware
aanvechtingen. Daarom hebben Gerson 28) en andere theologen ernstig
geklaagd dat zij door deze twisten over tradities verhinderd werden om
zich met belangrijker onderdelen van de leer bezig te houden.
Augustinus verbiedt het geweten te beladen met dergelijke leefregels,
en hij maakt Januarius er wijselijk op attent, dat het in acht nemen
van die leefregels er niet toe doet. Zo zegt hij het.
Daarom moet men niet
denken dat
de onzen zich zomaar of uit haat jegens de bisschoppen met deze zaak
bezig houden, waar sommigen ons ten onrechte van verdenken. Het was
dringend noodzakelijk de kerken op die dwalingen te wijzen, die
ontstaan waren door een verkeerde opvatting over de tradities.
Want het evangelie dwingt ertoe de leer over de genade en de
rechtvaardigheid uit het geloof steeds in de Kerk aan de orde te
stellen. Die leer kan echter niet begrepen worden als de mensen menen
dat zij de genade verdienen door zelf gekozen tradities. Daarom leerden
de onzen dat we, door ons te houden aan menselijke tradities, de genade
niet kunnen verdienen of genoegdoening voor de zonden kunnen
verschaffen. Om die reden mag men niet van mening zijn dat dergelijke
leefregels noodzakelijk zijn om God te dienen. Zij voegen er bewijzen
uit de Schrift aan toe. Christus verontschuldigt in Mt. 15 de apostelen
die zich niet aan de gebruikelijke regels hielden. Die regels behoorden
tot de niet essentiële dingen en hadden te maken met
reinigingswetten. Hij zegt immers: 'Tevergeefs eren zij mij met geboden
van mensen' (Mt. 15:9). Dus eist hij geen nutteloze eredienst. En even
later voegt hij eraan toe: 'Alles wat door de mond naar binnen gaat
maakt de mens niet onrein' (Mt. 15:11). Hetzelfde in Rom. 14: 'Het
koninkrijk Gods bestaat niet in eten of drinken' Rom. 14:
17). Col. 2: 'Laat niemand jullie beoordelen op grond van eten,
drinken, sabbatviering of vastendagen' (Col. 2:16). Handelingen 15 zegt
Petrus: 'Waarom stellen jullie God op de proef door een juk op de hals
van de discipelen te leggen, dat noch wij, noch onze vaderen hebben
kunnen dragen? Maar door de genade van onze Heer Jezus Christus geloven
wij behouden te worden, op dezelfde wijze als zij' (Hand. 15:10). Hier
verbiedt Petrus het geweten te belasten met allerlei gebruiken, hetzij
van Mozes, hetzij andere. 1 Tim. 4 noemt spijsverboden een duivelse
leer, want het is in strijd met het evangelie zulke werken in te voeren
of ze te doen, om daarmee de genade te verdienen, en het zo voor te
stellen alsof er geen christelijke rechtvaardigheid is buiten een
dergelijke 'eredienst' (1 Tim. 4: 13). Hier verwijten de tegenstanders
de onzen, dat zij de tuchtiging en de versterving van het vlees
verbieden, zoals Jovinianus 29). Maar men zal in de geschriften van de
onzen iets heel anders aantreffen. Zij hebben namelijk altijd over het
kruis geleerd, dat de christenen lijden moeten verdragen. Dat is de
ware, ernstige, en niet gesimuleerde versterving: door allerlei lijden
geoefend en met Christus gekruisigd worden. Daar komt nog bij dat zij
leren dat ieder christen zich door lichamelijke discipline of
lichamelijke arbeid en oefening zo moet oefenen en in toom houden, ,dat
verzadiging of luiheid hem niet tot zonde prikkelen. Maar niet om door
die oefeningen zondenvergeving te verdienen of genoegdoening voor
zonden te verkrijgen. Op die lichamelijke discipline moet altijd
aangedrongen worden, niet alleen bij weinigen en op vastgestelde dagen,
zoals Christus voorschrijft: 'Pas op, dat jullie hart niet bezwaard
wordt door een roes' (Lk. 21 :34). Tevens: 'Dit duivelsgeslacht kan
door niets uitgedreven worden, tenzij door vasten en gebed' (Mk. 9:29).
En Paulus zegt: 'Ik
tuchtig mijn
lichaam en houdt het in bedwang' (1 Cor 9: 27). Daar toont hij
duidelijk aan waarom hij zijn lichaam tuchtigt. Niet om door die
discipline vergeving van zonden te verdienen, maar om een lichaam te
kweken dat bruikbaar en geschikt is voor geestelijke zaken, en dat de
plichten van het dagelijks werk kan vervullen. Daarom wordt niet het
vasten op zich vervloekt, maar de tradities die het geweten belasten
door bepaalde dagen en bepaald voedsel voor te schrijven, alsof
dergelijke werken noodzakelijk zijn om God te dienen.
Bij ons worden veel tradities in stand gehouden, zoals de volgorde van
de lezingen in de mis, feestdagen etc., die ertoe bijdragen dat de
zaken in de Kerk ordelijk verlopen. Maar ondertussen wijzen wij de
mensen erop, dat een dergelijke leefwijze niet rechtvaardig maakt
tegenover God, en dat men er geen zonde in moet zien als dergelijke
zaken zonder problemen worden weggelaten. Deze vrijheid ten opzichte
van menselijke gebruiken was de kerkvaders niet onbekend. Want in het
Oosten werd Pasen op een andere tijd dan in Rome gevierd. 3O) Toen de
Romeinen vanwege die ongelijkheid het Oosten van een schisma
beschuldigden, werden zij er door anderen op gewezen dat zulke
gewoonten niet overal hetzelfde hoeven te zijn. Irenaeus zegt: 'Een
verschil in vasten heft de eenstemmigheid in het geloof niet op'. En in
Distinctio 12 wijst paus Gregorius erop dat een dergelijke
verscheidenheid de eenheid van de Kerk geen schade doet. In de Historia
Tripartita zijn veel voorbeelden van verschillende gewoontes verzameld,
en staan deze woorden geschreven: 'Het was niet de bedoeling van de
apostelen feestdagen vast te stellen, maar vroomheid en een goede
levenswandel te prediken' .
XXVII. Over de
kloostergeloften
Men begrijpt beter wat er bij ons over de kloostergeloften geleerd
wordt, als men zich herinnert, in wat voor staat de kloosters
verkeerden, hoeveel er dagelijks gebeurde, dat tegen de kerkelijke
voorschriften van de kloosters inging.
In de tijd van Augustinius waren het nog vrije gemeenschappen. Later,
toen de discipline overal verslapt was, werden er geloften aan
toegevoegd om, als het ware door het bedenken van een gevangenis, de
discipline te herstellen.
Langzamerhand zijn aan die geloften veel andere regels toegevoegd. In
die boeien zijn velen, tegen de voorschriften in, voor de daartoe
vastgestelde leeftijd geketend. Velen kwamen door een vergissing in
deze levensstaat terecht, niet omdat zij niet de juiste leeftijd
hadden, maar omdat zij geen goed oordeel over hun eigen krachten
hadden. Degenen die zo in een valstrik terechtgekomen waren, werden
gedwongen te blijven, ook al konden zij door een milde toepassing van
de voorschriften bevrijd worden. Dit gebeurt in vrouwenkloosters nog
meer dan in mannenkloosters, hoewel men met het zwakke geslacht
behoedzamer moet omgaan.
Deze strengheid
beviel veel
goedgezinde mensen vroeger al niet. Zij zagen hoe meisjes en
opgroeiende jongens vanwege het levensonderhoud in kloosters weggestopt
werden. Zij zagen ook wat voor ongelukken zo'n besluit met zich
meebracht, wat voor ergernis het tot gevolg had, in wat voor valstrik
het geweten terechtkwam. Zij betreurden het dat de autoriteit van de
kerkelijke voorschriften in deze hoogst gevaarlijke zaak totaal
verwaarloosd en geminacht werd. Bij deze kwalijke zaken voegde zich nog
een zo hoge waardering van de geloften dat monniken uit vroeger tijd er
ontstemd over geweest zouden zijn, althans de verstandigen onder hen.
Zij zeiden dat de kloostergelofte gelijk is aan de doop, en leerden dat
men door deze levenswijze vergeving van zonden en rechtvaardiging
tegenover God verdiende. Zij gingen zelfs nog verder: met het
kloosterleven zou niet alleen rechtvaardigheid tegenover God verdiend
worden, maar meer nog, men zou hiermee niet alleen de geboden
vervullen, maar ook wat het evangelie vraagt.
Zo overtuigden zij
de mensen
ervan dat de kloostergelofte veel meer waard was dan de Doop, en dat
het kloosterleven verdienstelijker was dan het leven van regeerders,
geestelijken en anderen, die zonder zelf verzonnen verplichtingen in
overeenstemming met Gods geboden in hun beroep leven.
Zij kunnen hier niets van ontkennen, het staat immers in hun boeken.
Wat gebeurde er vervolgens in de kloosters?
Vroeger waren het scholen waar de Heilige Schrift en andere zaken, die
nuttig voor de Kerk zijn, onderwezen werden, en kwamen priesters en
bisschoppen daar vandaan. Nu gaat het anders toe, maar dat is zo bekend
dat het niet verteld hoeft te worden. Vroeger kwamen ze in het klooster
bijeen om te leren, nu verbeelden ze zich dat het een manier van leven
is, die ingesteld is om genade en rechtvaardigheid te verwerven. Ze
verkondigen zelfs dat het de volmaakte manier van leven is, en geven
daar verre de voorkeur aan boven alle andere manieren van leven die God
ingesteld heeft.
Wij hebben dit
opgesomd zonder
enige hatelijke overdrijving, alleen voor een beter begrip van de leer
van de onzen in deze zaak. Ten eerste: Zij leren over diegenen, die een
huwelijk sluiten, dat het allen die niet geschikt zijn voor het
celibaat toegestaan is te trouwen, omdat geloften de ordeningen en
geboden van God niet op kunnen heffen. Dit is immers God gebod: 'Met
het oog op hoererij moet ieder zijn eigen vrouw hebben' (1 Cor 7:2).
Niet alleen het gebod, maar ook Gods schepping en de ordening daarin
dwingen diegenen, die niet door een bijzondere gave van God
uitgezonderd zijn, tot het huwelijk.
Zoals er staat: 'Het
is niet goed
dat de mens alleen is' (Gen. 2: 18). Daarom zondigen degenen die Gods
gebod en ordening gehoorzamen, niet.
Wat kan men tegen deze opvatting inbrengen? Men kan de verplichting van
de gelofte verheerlijken, zoveel men wil, maar men kan niet bereiken
dat de gelofte Gods gebod opheft. De kerkelijke voorschriften leren dat
bij elke gelofte een uitzondering wordt gemaakt voor het recht van een
hoger persoon.
Hoeveel minder tellen die geloften dan tegenover Gods geboden.
Als er geen enkele mogelijkheid was geweest om de plichten, verbonden
aan de gelofte, op te heffen, dan hadden de pausen nooit dispensatie
kunnen verlenen. Want geen mens mag een verplichting, die tot het
goddelijk recht behoort, ongedaan maken. Maar de pausen hebben, zeer
verstandig, geoordeeld dat bij deze verplichting mildheid betracht moet
worden. Daarom wordt dikwijls melding gemaakt van dispensaties. Bekend
is immers het verhaal van de koning van Aragon, die uit het klooster
teruggeroepen werd, en er zijn ook voorbeelden uit onze tijd.
Vervolgens, waarom
leggen onze
tegenstanders de nadruk op de verplichting en de consequenties van de
gelofte, wanneer ze ondertussen zwijgen over de voorwaarden van de
gelofte, namelijk dat deze betrekking moet hebben op iets dat mogelijk
is, en vrijwillig moet zijn, uit eigen motivatie en overwegingen. Het
is toch bekend hoe weinig de mens in staat is tot eeuwig durende
kuisheid. En hoe weinig en doen de gelofte uit eigen motivatie en
overwegingen.
Jonge meisjes en opgroeiende jongens worden, voor ze erover kunnen
oordelen, overgehaald en soms zelfs gedwongen de gelofte af te leggen.
Daarom is het niet
billijk zo
streng over de verplichting van de gelofte te spreken, want iedereen
moet toegeven dat het tegen de aard van de gelofte ingaat, dat deze
niet uit eigen motivatie en eigen overwegingen afgelegd wordt. Zeer
veel kerkelijke voorschriften verklaren beloften
vóór het
15e jaar gedaan ongeldig, omdat men op die leeftijd niet in staat is te
oordelen hoe men zijn hele leven wil doorbrengen. Een ander
voorschrift, dat nog meer rekening houdt met de menselijke zwakheid,
voegt daar een paar jaar aan toe, en verbiedt een gelofte te doen voor
het 18e jaar. Welk voorschrift moeten we volgen? In ieder geval heeft
het grootste deel reden om de kloosters te verlaten, omdat zeer velen
voor deze leeftijd de gelofte afgelegd hebben.
Tenslotte, ook al
zou er sprake
zijn van een afkeurenswaardige schending van een gelofte, dan zou daar
nog niet direkt uit volgen, dat het huwelijk van de betreffende
personen ontbonden moet worden. Want Augustinus zegt dat het niet
ontbonden moet worden (Causa 27, Quaestio I, het hoofdstuk Nuptiarum)
en zijn uitspraak is gezaghebbend, ook al hebben anderen na hem anders
geoordeeld.
Hoewel Gods gebod over het huwelijk zeer velen bevrijdt van hun
geloften, voeren de onzen nog een ander argument aan waarom de geloften
ongeldig zijn. Alle manier om God te dienen, die door de mensen zonder
bevel van God ingevoerd en bedacht zijn om rechtvaardigheid en genade
te verwerven, zijn goddeloos, zoals Christus zegt: 'Tevergeefs eren zij
mij met geboden van mensen' (Mt. 15:9). En Paulus leert overal dat de
rechtvaardigheid niet gezocht moet worden in onze leefregels en
voorschriften om God te dienen, die door mensen bedacht zijn. Maar hij
leert dat de rechtvaardigheid diegenen ten deel valt, die geloven dat
zij vanwege Christus door God in genade geaccepteerd worden. Het is
bekend dat de monniken geleerd hebben dat de verzonnen godsdienstige
voorschriften genoegdoening verschaffen voor de zonde, en dat men
daarmee genade en rechtvaardigheid verdient. Wat is dat anders dan
afbreuk doen aan Christus' eer, en de rechtvaardigheid door het geloof
verdonkeremanen en ontkennen? Daaruit volgt dat de gebruikelijke
geloften goddeloze pogingen zijn om God te dienen, en daarom zijn ze
ongeldig. Want een goddeloze gelofte, tegen Gods gebod in gedaan, heeft
geen waarde, en een gelofte mag nooit tot iets zondigs verplichten,
zoals de kerkelijke voorschriften luiden. Paulus zegt: 'Jullie zijn los
van Christus, als jullie door de wet gerechtigheid verwachten; buiten
de genade staan jullie' (Gal. 5:4). Degenen die door geloften
rechtvaardigheid verwachten zijn dus los van Christus, en staan buiten
de genade. Want zij die de rechtvaardiging verbinden aan geloften,
verbinden aan hun eigen werken datgene wat alleen Gods eer toekomt.
Men kan ook niet ontkennen dat de monniken geleerd hebben dat men zich
door geloften en leefregels kan rechtvaardigen en vergeving van zonden
kan verdienen. Zij hebben er zelfs nog iets dwazers aan toegevoegd: zij
beroemen zich erop dat zij hun werken aan anderen kunnen toedelen. Als
iemand uit haat zou willen overdrijven zou hij hier heel wat stof
kunnen verzamelen. Zaken waar de monniken zich nu zelf ook voor
schamen! Daar komt nog bij dat zij de mensen ervan overtuigden dat de
verzonnen godsdienstige voorschriften een volmaakt christelijk leven
inhielden. Betekent dat niet de rechtvaardiging toekennen aan de
werken? Het is geen gering schandaal in de Kerk, wanneer men het volk
een bepaalde, door mensen verzonnen levenswijze zonder gebod van God
voorschrijft, en leert dat een dergelijke levenswijze de mensen
rechtvaardigt. Want de rechtvaardigheid door het geloof, die in de Kerk
vóór alles verkondigd moet worden, wordt
verdonkeremaand
wanneer die wonderbaarlijke, engelachtige godsdienstige voorschriften,
het simuleren van armoede en nederigheid, en het celibaat de ogen van
de mensen verblinden. Voorts worden de geboden van God en de ware
godsdienst verduisterd, wanneer de mensen horen dat alleen monniken in
staat zijn volmaakt te leven.
Want de christelijke
volmaaktheid
is God werkelijk vrezen, en tegelijk een groot geloof hebben en er
vanwege Christus op vertrouwen dat we een genadige God hebben, deze God
om hulp vragen, en die hulp zeker verwachten in alle zaken waarvoor we
in ons beroep verantwoordelijk zijn, ondertussen naar buiten toe
ijverig goede werken doen en ons beroep goed uitoefenen. Daarin ligt de
werkelijke volmaaktheid en de ware Godsverering, niet in het celibaat
of in het bedelen en het kleed van de armoede. Maar het volk neemt veel
verderfelijke opvattingen over door die valse lofzangen op het
kloosterleven.
Men hoort het celibaat mateloos prijzen, daarom leeft men met bezwaard
geweten in het huwelijk. Men hoort dat alleen de bedelaars volmaakt
zijn, daarom behoudt men met bezwaard geweten zijn bezittingen, en gaat
men er met bezwaard geweten mee om. Men hoort dat het een evangelische
aanbeveling is geen wraak te nemen. Daarom aarzelen sommigen in hun
privé-leven niet om zich te wreken. Zij horen immers dat het
afzien van wraak slechts een aanbeveling is, geen gebod. Anderen
daarentegen dwalen nog meer, zij menen dat alle burgerlijke ambten en
taken een christen onwaardig zijn, en in tegenspraak zijn met wat het
evangelie aanbeveelt. Men leest over mensen die het huwelijk en het
staatsbestuur lieten voor wat het was, en zich in kloosters verborgen.
Dit noemden ze: de wereld ontvluchten en een heilige manier van leven
zoeken. Zij zagen niet in dat God gediend moet worden naar die geboden,
die Hij zelf opgedragen heeft, en niet naar de geboden die mensen
verzonnen hebben. Een goede en volmaakte manier van leven is die,
waarbij men Gods gebod eerbiedigt. Het is noodzakelijk de mensen dat
duidelijk te maken. Al voor onze tijd keurde Gerson de dwaling van de
monniken ten aanzien van de volmaaktheid af, en hij verklaart dat de
gedachte dat het monnikenleven de volmaakte levensstaat zou zijn, toen
een nieuwigheid was. Er kleven zoveel goddeloze opvattingen aan de
kloostergeloften: ze zouden rechtvaardig maken, ze zouden de
christelijke volmaaktheid betekenen, de monniken zouden zich aan de
geboden en aanbevelingen van het evangelie houden, zij zouden
overtollige goede werken kunnen doen. Al deze dingen zijn verkeerd en
onzinnig, en maken dat de geloften niet gelden.
XXVIII. Over
de kerkelijke macht
Vroeger hebben er grote discussies plaatsgevonden over de macht van de
bisschoppen, waarbij velen de kerkelijke macht en de macht van het
zwaard vermengden, met alle nadelige gevolgen vandien. Uit die
vermenging zijn grote oorlogen en onlusten voortgekomen. Want de
bisschoppen hebben, steunend op hun kerkelijke macht, de 'macht der
sleutelen' , niet alleen nieuwe manieren van Godsverering ingevoerd, en
het geweten bezwaard door uitzonderingen te maken voor bepaalde
gevallen en door gewelddadige excommunicatie. Maar zij probeerden ook
de wereldlijke macht te verlenen en de keizer zijn Rijk te ontnemen.
Deze fouten zijn allang geleden afgekeurd door vrome en geleerde mannen
in de Kerk. Daarom wisten de onzen zich gedwongen, terwille van het
juiste, het geweten bevrijdende onderricht, het verschil tussen
kerkelijke macht en de macht van het zwaard aan te tonen. Zij leerden
dat beiden omwille van Gods geboden geëerbiedigd en in ere
gehouden moeten worden als de beste gaven Gods op aarde. Zij zijn van
mening dat de sleutelmacht, dat is de macht van de bisschoppen, volgens
het evangelie de macht of de opdracht van God is om het evangelie te
verkondigen, zonden wel of niet te vergeven, en de sacramenten uit te
delen. Want met deze opdracht zond Christus de apostelen uit: 'Zoals de
Vader mij gezonden heeft, zo zend ik jullie. Ontvangt de Heilige Geest:
wie jullie de zonden vergeven, die zijn ze vergeven; wie jullie ze
toerekenen, die zijn ze toegerekend' (Joh. 20:23). En Mk. 16: 'Gaat
heen, verkondigt het evangelie aan alle schepselen' (Mk. 16:15).
Deze macht wordt
alleen
uitgeoefend door het evangelie te eieren en te verkondigen, en door de
sacramenten uit te delen, aan velen of aan weinigen, overeenkomstig de
roeping (tot het ambt). Want daarmee worden geen lichamelijke zaken,
maar eeuwige, zoals de Heilige Geest en het eeuwige leven, geschonken.
Daaraan kan men alleen deel hebben door de dienst van het Woord en de
sacramenten, zoals Paulus zegt: 'Het evangelie is een kracht van God
tot behoud voor een ieder die gelooft' (Rom. 1:16). En Psalm 118: 'Uw
belofte maakt mij levend' (Ps. 119:50). Omdat de kerkelijke macht
eeuwige zaken schenkt, en slechts uitgeoefend wordt door de dienst van
het Woord, verhindert deze het politieke bestuur niet, net zo min als
de zangkunst dat doet. In de politiek gaat het om andere zaken dan in
het evangelie. De overheid beschermt niet de ziel, maar het lichaam en
aardse zaken tegen duidelijk onrecht, en regeert de mensen met het
zwaard en met lichamelijke straffen. Het evangelie beschermt de ziel
tegen goddeloze opvattingen, tegen de duivel en de eeuwige dood.
Daarom moeten de
kerkelijke en de
wereldlijke macht niet vermengd worden. De kerkelijke macht heeft de
opdracht het evangelie te prediken en de sacramenten uit te delen. Deze
macht dient zich niet op een vreemde taak te storten, mag geen
wereldlijke macht verdelen, mag geen wetten van de overheid afschaffen,
noch de daaraan verschuldigde gehoorzaamheid opheffen. Deze macht dient
geen oordeel te verhinderen over burgerlijke regelingen of contracten,
en mag de overheid geen voorschriften geven voor de inrichting van de
staat. Christus zegt immers: 'Mijn rijk is niet van deze wereld' (Joh.
18:36).
Ook: 'Wie heeft mij
tot rechter of scheidsman tussen jullie aangesteld?' (Lk.
12: 14). En Paulus zegt in Phil. 3: 'Wij zijn burgers van een rijk in
de hemelen' (Phil. 3:20). 2 Cor. 10: 'Maar de wapens van onze veldtocht
zijn niet vleselijk, maar krachtig voor God tot het slechten van
bolwerken etc.' (2 Cor. 10:4). Op deze manier onderscheiden de onzen de
taken van beide machten en zij bevelen beiden te eerbiedigen en te
erkennen, dat beiden een geschenk en een weldaad van God zijn.
Voorzover de bisschoppen de macht van het zwaard hebben, hebben zij die
niet als bisschoppen, in opdracht van het evangelie, maar op grond van
menselijk recht, gegeven door koningen en keizers tot het burgerlijk
beheer van hun bezittingen. Dat is een andere funktie dan de dienst van
het evangelie. Wanneer daarom naar de jurisdictie van de bisschoppen
gevraagd wordt, moet onderscheid gemaakt worden tussen het burgerlijk
bestuur en de kerkelijke jurisdictie. Volgens het evangelie, of, zoals
men zegt, naar goddelijk recht, komt deze jurisdictie de bisschoppen
toe, als diegenen aan wie de dienst van Woord en sacrament toevertrouwd
is. Zij hebben de macht om zonden te vergeven, leer die afwijkt van het
evangelie te verwerpen, goddelozen, van wie de goddeloosheid bekend is,
van de kerkelijke gemeenschap uit te sluiten, niet op grond van
menselijk gezag, maar op gezag van het Woord. In deze zaken zijn de
kerken genoodzaakt op grond van goddelijk recht de bisschoppen
gehoorzaamheid te bewijzen, volgens de uitspraak: 'Wie jullie hoort,
hoort mij' (Lk. 10:16). Maar wanneer zij iets leren of vaststellen dat
in strijd is met het evangelie, hebben de kerken een bevel van God, dat
hen verbiedt te gehoorzamen. Mt. 7:'Hoedt jullie voor valse profeten'
(Mt. 7: 15). Gal. 1: 'Als een engel uit de hemel jullie een ander
evangelie zou verkondigen, hij zij vervloekt' (Gal. 1 :8). 2 Cor. 13:
'Wij vermogen niets tegen de waarheid, maar wel voor de waarheid' (2
Cor 13:8). En ook: De macht is ons gegeven om te bouwen, niet om te
verwoesten' (2 Cor 13:19). Zo schrijven ook de kerkelijke wetten voor.
(Causa 11, Quaestio VII, de hoofdstukken Sacerdotes en Oves). En
Augustinus zegt in zijn brief tegen Petilianus: 'Men hoeft het niet
eens te zijn met de katholieken, wanneer zij zich ergens in bisschoppen
vergissen of iets leren dat in strijd is met de canonieke Schriften' .
Voorzover de
bisschoppen een
andere macht of jurisdictie hebben om bepaalde zaken te berechten,
bijvoorbeeld huwelijkszaken of de heffing van de tienden, hebben zij
die macht op grond van menselijk recht. En waar geen bisschoppen meer
zijn, zijn de vorsten ertoe verplicht, desnoods tegen wil en dank, over
hun onderdanen recht te spreken, om de openbare vrede in stand te
houden.
Daarnaast wordt erover gediscussieerd, of bisschoppen en priesters het
recht hebben ceremoniën in te voeren in de Kerk, en wetten
over
voedsel, feesten, de rangorde van geestelijken etc. op te stellen.
Degenen die dit recht toekennen aan de bisschoppen voeren als bewijs
deze tekst aan: 'Ik heb jullie nog veel te zeggen, maar jullie kunnen
het thans niet dragen; doch wanneer Hij komt, de Geest der waarheid,
zal Hij u de weg wijzen tot de volle waarheid' (Joh. 6: 12, 13). Zij
halen ook het voorbeeld van de apostelen erbij, die geboden hebben zich
te onthouden van 'het verstikte en het bloed' (Hand. 15:20, 29). Men
wijst ook op de sabbat, die veranderd is in de dag des Heren, wat
schijnbaar in strijd is met de tien geboden. Met geen enkel argument
wordt meer geschermd dan met die wijziging van de sabbat. Men beweert
dat de Kerk een zo grote macht heeft, dat ze zelfs
één
van de tien geboden kan opheffen.
Maar in deze
strijdvraag leren de
onzen dat de bisschoppen niet de macht hebben om iets vast te stellen
dat in strijd met het evangelie is, zoals boven aangetoond is. Dat
leren ook de kerkelijke wetten, Distinctio 9 in zijn geheel.
Verder gaat het tegen de Schrift, in voorschriften vast te stellen en
te verklaren dat men genoegdoening voor de zonden verschaft of
rechtvaardiging verdient, door zich daaraan te houden. Want de eer van
Christus' verdienste wordt tekort gedaan, wanneer we menen dat we door
dergelijke verplichtingen gerechtvaardigd worden. Het staat echter
vast, dat op grond van deze opvatting de voorschriften tot in het
oneindige zijn toegenomen, en dat ondertussen de leer over het geloof
en de rechtvaardiging door het geloof onderdrukt zijn. Allengs werden
er feestdagen vastgesteld, vasten bepaald, nieuwe ceremoniën
en
nieuwe ordeningen ingesteld, omdat zij die deze zaken invoerden daarmee
de genade dachten te verdienen. Zo groeiden eertijds de bepalingen over
de boete, en daarvan zien we nu nog de sporen in al die werken tot
genoegdoening.
Zij die deze
voorschriften
invoeren gaan daarmee ook tegen Gods gebod in, wanneer zij een verband
leggen tussen zonde en voedsel, het houden van bepaalde dagen en
dergelijke zaken. Zij belasten de Kerk met een wettische slavernij,
alsof er onder christenen, ter verkrijging van de rechtvaardigheid, een
levenswijze nodig is, vergelijkbaar met de levitische, een dienst
waarvan God dan het beheer zou hebben opgedragen aan de apostelen en de
bisschoppen.
Zo vindt men dat bij sommige theologen, en het schijnt dat ook de
pausen, door zich te spiegelen aan het voorbeeld van de wet van Mozes,
voor een deel in deze val gelopen zijn. Daar komen die dingen vandaan
die de mensen zo zwaar belasten: dat het een doodzonde is, ook wanneer
niemand er aanstoot aan neemt, op feestdagen handarbeid te verrichten;
dat bepaald voedsel het geweten bezoedelt; dat vasten, niet gewoon,
maar als boetedoening, een werk is dat God behaagt; dat het een
doodzonde is de gebeden op de vaste tijden te verzuimen; dat zonde in
geval van casus reservati alleen door degene die die reservatie heeft
vastgesteld kan worden vergeven - en dat, terwijl het hier niet om
schuld, maar om een kerkelijke straf gaat, zoals de kerkelijke
bepalingen zelf zeggen!
Waar halen de
bisschoppen het
recht vandaan de Kerk dergelijke voorschriften op te leggen en het
geweten in het nauw te brengen, wanneer Petrus zijn discipelen verbiedt
een juk op te leggen, en Paulus zegt dat de macht hun gegeven is om te
bouwen, niet om te verwoesten? Waarom vermeerderen ze dan de zonden met
zulke voorschriften?
Toch zijn er
duidelijke bewijzen,
dat het verboden is verplichtingen op te leggen om God te behagen of te
stellen dat ze noodzakelijk zijn voor het heil.
Paulus zegt Col. 2: 'Laat niemand jullie oordelen op grond van eten,
drinken, feestdagen, nieuwe maan of sabbat' (Col. 2: 16). En ook: 'Als
jullie met Christus afgestorven zijn aan de wereldgeesten, waarom laten
jullie je dan, alsof . jullie nog in de wereld leven, geboden opleggen:
raak niet aan, smaak niet, roer niet aan; dat alles zijn dingen, die
door het gebruik verloren gaan; het zijn geboden en leringen van
mensen, die een schijn van wijsheid hebben' (Col. 2:20-23). En Titus 1:
'Leen niet het oor aan Joodse verdichtsels en geboden van mensen, die
zich van de waarheid afkeren' (Tit. 1:14). Christus zegt Mt. 15 over
diegenen, die voorschriften uitvaardigen: 'Laat hen gaan: blinden zijn
zij, die blinden leiden'. Hij keurt dergelijke regels af: 'Elke plant,
die mijn hemelse Vader niet geplant heeft, zal uitgeroeid worden' (Mt.
15: 13, 14).
Als de bisschoppen
het recht
hebben het geweten met dergelijke voorschriften te belasten, waarom
verbiedt de Schrift dan zo vaak die voorschriften op te stellen? Waarom
noemt de Schrift ze leerstellingen van demonen? Heeft de Heilige Geest
er dan tevergeefs voor gewaarschuwd?
De conclusie moet
dus zijn: Omdat
voorschriften, die als noodzakelijk beschouwd worden om de
rechtvaardigheid te verwerven, in strijd zijn met het evangelie, mogen
bisschoppen zulke bepalingen niet invoeren of tot noodzakelijke dingen
verklaren. De leer van de christelijke vrijheid moet in de Kerk
behouden blijven, omdat voor de rechtvaardiging niet nodig is een slaaf
van de wet te zijn, zoals in Galaten geschreven staat: 'Laat jullie
niet weer een slavenjuk opleggen' (Gal. 5:1). De kern van het evangelie
moet behouden blijven, namelijk dat de genade voortkomt uit het geloof
in Christus en niet uit bepaalde voorschriften of door allerlei
bepalingen die mensen vastgesteld hebben.
Hoe moet men dan
denken over de
zondag en dergelijke gebruiken in de Kerk? Daarop antwoorden de onzen,
dat het bisschoppen of priesters toegestaan is regelingen te ontwerpen,
die ervoor zorgen dat het in de Kerk ordelijk toegaat, maar niet om
daarmee genoegdoening te verschaffen voor de zonden of om het geweten
ermee te belasten, door ze als een noodzakelijke en verplichte manier
van Godsverering te beschouwen. Zo schrijft Paulus voor, dat de vrouwen
tijdens bijeenkomsten haar hoofd moeten bedekken, en dat er in de Kerk
in goede orde naar de uitleggers geluisterd moet worden. De gemeenten
behoren, met het oog op de liefde en de rust, dergelijke voorschriften
op te volgen en zo in acht te nemen, dat men elkaar geen aanstoot
geeft, maar dat alles in de Kerk ordelijk en zonder onrust verloopt. In
geen geval mag de mening post vatten dat ze nodig zijn voor het heil,
want dat zou weer een gewetensbelasting opleveren. Het is ook geen
zonde ze te overtreden, als dat verder geen aanstoot geeft.
Zo is het dus
gesteld met het
vieren van de zondag, van Pasen, Pinksteren en dergelijke feesten en
gebruiken. Want wie menen dat door de autoriteit van de Kerk het vieren
van de zondag in plaats van de sabbat als een noodzakelijke plicht is
ingevoerd, vergissen zich. De Schrift heeft de sabbat afgeschaft, niet
de Kerk. Want na de openbaring van het evangelie kunnen alle
ceremoniën van Mozes opgeheven worden. Maar omdat het toch
nodig
is dat er een bepaalde dag vastgesteld wordt, zodat het volk weet
wanneer het samen moet komen, heeft de Kerk daartoe de zondag
aangewezen. Die dag is ook om die reden uitgekozen, dat de mensen een
voorbeeld van christelijke vrijheid zouden hebben en zouden weten, dat
het houden van de sabbat of van een andere dag niet noodzakelijk is.
Er zijn onmogelijke
discussies
gevoerd over verandering van de wet, over ceremoniën van de
nieuwe
wet, over de wijziging van de sabbat. Al die discussies zijn ontstaan
uit de verkeerde overtuiging, dat er in de Kerk een geheel van
godsdienstige regels moet zijn, vergelijkbaar met de levitische, en dat
Christus de apostelen en bisschoppen opgedragen heeft nieuwe
ceremoniën in te voeren, die noodzakelijk zijn voor het heil.
Deze
dwalingen zijn binnengeslopen in de Kerk, omdat de rechtvaardigheid
door het geloof niet duidelijk geleerd werd. Sommigen beweren dat het
houden van de zondag weliswaar niet geheel, maar toch wel bijna een
goddelijke verplichting is; zij schrijven voor, hoeveel men op
feestdagen mag werken. Wat zijn zulke discussies anders dan een
valstrik voor het geweten? Hoe ze ook proberen de voorschriften te
verzachten, men komt er niet op de werkelijke goede manier uit, zolang
de opvatting blijft dat de voorschriften heilsnoodzakelijk zijn. En die
opvatting blijft, als men geen inzicht heeft in de rechtvaardigheid uit
het geloof en in de christelijke vrijheid. De apostelen hebben bevolen
zich te onthouden van bloed etc.
Wie houdt zich daar
nu nog aan?
En toch zondigt men niet, als men zich er niet aan houdt, omdat de
apostelen zelf het geweten niet met een dergelijke slavernij wilden
belasten, maar, om ergernis te vermijden, in een bepaalde tijd een
verbod uitvaardigen. Men moet bij dit bevel de eeuwig blijvende wil van
het evangelie in het oog houden. Er zijn bijna geen kerkelijke
voorschriften, waar men zich heel nauwgezet aan houdt, en dagelijks
raken vele voorschriften in onbruik, ook bij diegenen die de tradities
verdedigen. Men kan het geweten niet helpen, waar het relativerende
inzicht ontbreekt, dat deze voorschriften niet noodzakelijk zijn, en
dat het geweten zich niet bezwaard hoeft te voelen als zulke menselijke
gebruiken veranderen.
De bisschoppen
zouden zich
gemakkelijk van de gehoorzaamheid die hun toekomt, kunnen verzekeren,
als zij geen tradities verplicht stellen waar men zich niet met een
goed geweten aan kan houden. Nu eisen ze het celibaat en accepteren
niemand, die niet zweert dat hij de zuivere leer van het evangelie niet
predikt. Onze gemeenten verlangen niet dat de bisschoppen de eenheid
herstellen door afstand te doen van hun erepositie, hoewel goede
herders dat eigenlijk zouden moeten doen. Zij vragen slechts om
afschaffing van onredelijke plichten, die nieuw zijn en die in strijd
met de gewoonte van de Kerk in z'n geheel zijn ingevoerd.
Misschien waren er
in het begin
aannemelijke oorzaken voor die gebruiken, maar die waren in latere
tijden niet meer relevant. Het blijkt echter dat een aantal gebruiken
door vergissingen ingevoerd is. Daarom zou de mildheid van de
bisschoppen ervoor moeten zorgen dat die plichten verzacht worden, want
een dergelijke verandering brengt de eenheid van de Kerk niet aan het
wankelen. Maar als men het niet gedaan kan krijgen dat ze die
verplichtingen laten vallen, waar men niet zonder zonde aan kan
voldoen, dan moeten we ons aan de apostolische regel houden, die
voorschrijft dat we God meer moeten gehoorzamen dan mensen. Petrus
verbiedt de bisschoppen met dwang te heersen in de kerk (l Pt. 5:2).
Het gaat er niet om dat de bisschoppen afstand doen van hun
heerschappij, maar wij vragen alleen dit ene: dat zij toelaten dat het
evangelie zuiver gepredikt wordt, en dat zij een aantal verplichtingen
afschaffen, waar men zich niet zonder zonde aan kan houden. Als zij dat
niet doen, zullen zij zelf moeten zien hoe ze voor God verantwoorden
dat hun hardnekkigheid een reden tot kerkscheuring vormt.
Wij hebben de
voornaamste
artikelen behandeld, waarover gestreden wordt. Hoewel er nog veel meer
misbruiken aan de orde hadden kunnen komen, zijn, om breedsprakigheid
te voorkomen, alleen de belangrijkste punten besproken.
Er waren ernstige klachten over de aflaten, de bedevaarten, en het
misbruiken van de excommunicatie. Veel gemeenten leden dikwijls onder
aflaatpredikers. Er waren eindeloze twisten tussen pastoors en monniken
over hun rechten in de gemeente, over het biechthoren, over
begrafenissen en onnoemelijk veel andere zaken. Aan dergelijke zaken
zijn wij voorbijgegaan, zodat de zaken waar het werkelijk om gaat na
een korte uiteenzetting gemakkelijk begrepen kunnen worden. Daarbij
werd niets gezegd of opgesomd om iemand te beledigen. Alleen die dingen
zijn genoemd, waarvan wij meenden dat ze gezegd moesten worden, opdat
men zou begrijpen dat er bij ons in leer en ceremoniën niets
is
opgenomen dat in strijd is met de Schrift of met de katholieke kerk.
Want het is
duidelijk dat wij er
zeer nauwgezet voor gezorgd hebben dat er geen nieuwe en goddeloze
leerstellingen in onze gemeenten binnendrongen.
De hierboven behandelde artikelen hebben wij willen aanbieden,
overeenkomstig het bevel van Uwe Keizerlijke Majesteit.
Hierin wordt onze belijdenis uiteengezet, en kan men zich op de hoogte
stellen van de hoofdzaken van de leer van degenen die bij ons prediken.
Mocht men iets in deze belijdenis missen, dan zijn wij bereid, zo God
het wil, daarover verdere uitleg te geven, in overeenstemming met de
Heilige Schrift.
Aan Uwe Keizerlijke Majesteit, in trouwen onderworpenheid,
Johannes, Hertog van Saksen, Keurvorst Georg Markgraaf van Brandenburg
Ernst, met eigenhandige ondertekening Philip, Landgraaf van Hessen
Johan Frederik, Hertog van Saksen Frans, Hertog van Lunenburg Wolfgang,
Vorst van Anhalt Burgemeester en stadsbestuur van Neurenberg
Stadsbestuur van Reutlingen



















